Verzamelde gedichten (ed. W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn)


auteur: Martinus Nijhoff


editeur: W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn


bron: Martinus Nijhoff, Verzamelde gedichten (ed. W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn). Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2001 (derde druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 243]

Verspreide gedichten
1925-1940aant.

[p. 245]

De twee duiven

 
Twee duiven hielden van elkander;
 
De één hield het in huis niet uit:
 
Dol als hij werd nam hij 't besluit
 
Op reis te gaan - Toen sprak de ander:
 
Beseft ge wel wanneer ge heengaat
 
Dat gij uw kameraad alleen laat?
 
Eenzaamheid is het zwaarst verdriet;
 
Voor u niet, egoïst! O mocht slechts een verschiet
 
Van last op reis, moeite en gevaren
 
Uw overmoed wat doen bedaren.
 
En dan, als maar de dagen reeds wat zachter waren!
 
Waarom zo'n haast gemaakt? wacht toch de zomer af:
 
Daar straks nog kraste een Raaf van een ras vogelgraf.
 
Geen blad beweegt of 'k zie de vreselijkste keerzij,
 
Een valk, een vangnet - Ach, zeg ik, als 't reegnen gaat,
 
Heeft hij 't naar wens, mijn kameraad,
 
Eten, een bed, en wat dies meer zij? -
 
Zo teedre taal verlamde schier
 
Het hart van den avonturier,
 
Toch kreeg de reislust in zijn ongedurig wezen
 
Ten slotte de overhand - Hij sprak: staak uw getreur.
 
Hoogstens een dag of drie en mijn hart is genezen:
 
Dan keer ik huiswaarts en verhaal in kleur en geur
 
Mijn vriend wat mij is overkomen.
 
Wat zal hij lachen! wie een reis heeft ondernomen
 
Kan veel vertellen thuis: 't relaas dat ik ga doen,
 
Wat zal u 't een genoegen geven!
 
Ik zeg: 'k was daar en daar; en dat gebeurde toen;
 
Ge zult geloven mee te leven.
 
Zo sprak hij. Diep bedroefd zeiden ze elkaar adieu.
 
De reiziger snelt heen. Maar zie, een wolk verduistert
 
De vlakte en dwingt de Duif te schuilen voor een bui.
 
Daar stond één enkle boom, maar zo schraal, zo ontluisterd,
[p. 246]
 
Dat 't noodweer onze held dwars door het lover teistert.
 
De lucht klaart op en hij, verkleumd, doorweekt, kan gaan.
 
Hij schudt zich 't water af al rillende van koude.
 
Daar ziet hij, in een hoekje, een veld bestrooid met graan
 
En bij dit graan een Duif: hij kan zich niet weerhouden:
 
Hij vliegt naar 't vals genot in 't slagnet aangericht:
 
Hij is gevangen, 't net sloeg dicht.
 
Er was een torn in 't net, zodat hij met zijn vlerken,
 
Zijn poten en zijn bek een uitweg openrukt.
 
Hij liet er menig veertje. En juist is 't hem gelukt
 
Of 't lot wil dat een Gier de stumper zou bemerken,
 
Die, in het touw verward, bezig zich los te werken,
 
Een strik nog om de keel, een boei nog om het been,
 
Wel een ontsnapte booswicht scheen.
 
De Gier schiet op hem toe, maar op de Gier stort weder,
 
De diepste hemel uit, een wiekende Arend neder.
 
De Duif greep als zijn kans de twist der rovers aan,
 
Vlucht, en komt veilig bij een schutting neergestreken:
 
Hiermee was, meent hij, 't leed doorstaan,
 
Thans was 't gevaar voorgoed geweken.
 
Maar een beroerd klein kind, die leeftijd heeft geen hart,
 
Mikt met zijn katapult, treft, en doodt voor driekwart
 
De hulploos fladderende stakker,
 
Die, voor zijn plannen zwaar beboet,
 
Met lamme vlerk en manke voet
 
Voortspringt en hinkt langs veld en akker,
 
De kortste weg naar huis inslaat,
 
Door dik door dun, en inderdaad
 
Eindelijk aankomt bij zijn makker. -
 
Ik laat ze alleen en zwijg van 't wonder waar 'k op wijs,
 
Dat tegen zoveel leed nog opwoog de beloning.
 
 
 
Minnenden, uitverkoornen, gij, wilt gij op reis?
 
't Zij tot de brug nabij uw woning.
 
Gij kunt elkander zijn een land van overvloed,
 
Altijd weer nieuw en altijd goed;
[p. 247]
 
Bepaalt u tot elkaar, de rest heeft toch geen waarde.
 
Ook ik heb eens bemind: ik zweer u, toenmaals had
 
Ik voor geen schepen en hun schat,
 
Noch voor het firmament dat flonkert over de aarde,
 
Geruild de bank, geruild de boom,
 
Waar hand in hand wij zaten, zaten als in droom
 
Verzonken, zij en ik, die nacht;
 
Mijn hart was weerloos in haar macht,
 
Haar oog was al mijn licht in die nacht van weleer -
 
Een dergelijk moment, helaas, komt dat ooit weer?
 
Moet zoveel liefs als 'k zie, en teders, keer op keer
 
Mij laten voortbestaan ten prooi aan al mijn nukken?
 
Ach dat nog eens mijn hart te ontsteken dorst in gloed!
 
Voel 'k nooit meer het geluk waar niet aan valt te ontrukken?
 
Dat 'k liefheb, is dat uit, voorgoed?
Jean de la Fontaine