|
|
|
| |
| | | |
Prinses Wilhelmina
Er is in ons land een vrouw.
Zij heeft, gelijkelijk trouw
Aan het hart dat in haar sloeg
En aan de kroon die zij droeg,
Dienend gevoerd heerschappij.
Een halve eeuw lang was zij
Dat wij met ons allen zijn.
Troon, schepter en hermelijn
Verbeeldden minder haar macht,
Dan dat zij ten offer bracht
Haar vrije persoonlijkheid.
Zo was haar troon een altaar,
Haar schepter een kandelaar
In het duister dezer eeuw,
En haar hermelijn een sneeuw
Die een uitgevochten strijd
Dekte met smetteloosheid.
Nooit heeft zij haar taak verzaakt.
Zij heeft jaren doorgemaakt
Van zulk een kommer, als geen
Vorst hier doorstond, dan alleen
Zij handhaafde desondanks.
Zij is hem waardig geweest.
Nu, vierend het gouden feest,
Werd de zware kroon te zwaar.
Zij boog zich. God zij met haar.
| | | |
Er is in ons land een vrouw.
Zij is het vuur in de schouw
Bij welke schouw zij ook zit,
Lege handen vouwt, en bidt.
Naast haar, op de vloer, zeer schoon,
Zeer wonderlijk, staat haar kroon.
Nu ziet zij wat zij voordien,
Hem dragende, niet kon zien:
De parels, die, boog aan boog,
Om te komen bij het kruis.
Elk huis bevat gans het volk
Dat zij als hart, hoofd en tolk
Vijftig jaar lang heeft gediend.
Van nabij de mensen ziend,
Zelf eindelijk onderdaan,
Grijpt grote liefde haar aan
Voor wat zij heeft geregeerd:
De zeeman die zeewaarts keert,
De molen die koren maalt,
Al wat zich eeuwig herhaalt
En waar bleef, vijftig jaar lang.
Een traan glinstert op haar wang,
Even wonderlijk en schoon
Als een parel aan de kroon.
Er is in ons land een vrouw.
Buiten gaat rood, wit en blauw,
Gaan mensen zingend voorbij.
Geen kent de liefde als zij.
|
|
|