Verzamelde gedichten (ed. W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn)


auteur: Martinus Nijhoff


editeur: W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn


bron: Martinus Nijhoff, Verzamelde gedichten (ed. W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn). Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2001 (derde druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 378]

Prinses Wilhelmina

 
Er is in ons land een vrouw.
 
Zij heeft, gelijkelijk trouw
 
Aan het hart dat in haar sloeg
 
En aan de kroon die zij droeg,
 
Dienend gevoerd heerschappij.
 
Een halve eeuw lang was zij
 
In de letterlijke zin
 
De moeder van het gezin
 
Dat wij met ons allen zijn.
 
Troon, schepter en hermelijn
 
Verbeeldden minder haar macht,
 
Dan dat zij ten offer bracht
 
En den lande had gewijd
 
Haar vrije persoonlijkheid.
 
Zo was haar troon een altaar,
 
Haar schepter een kandelaar
 
In het duister dezer eeuw,
 
En haar hermelijn een sneeuw
 
Die een uitgevochten strijd
 
Dekte met smetteloosheid.
 
Nooit heeft zij haar taak verzaakt.
 
Zij heeft jaren doorgemaakt
 
Van zulk een kommer, als geen
 
Vorst hier doorstond, dan alleen
 
De vader des vaderlands.
 
Zij handhaafde desondanks.
 
Zij is hem waardig geweest.
 
Nu, vierend het gouden feest,
 
Werd de zware kroon te zwaar.
 
Zij boog zich. God zij met haar.
[p. 379]
 
Er is in ons land een vrouw.
 
Zij is het vuur in de schouw
 
Bij welke schouw zij ook zit,
 
Lege handen vouwt, en bidt.
 
Naast haar, op de vloer, zeer schoon,
 
Zeer wonderlijk, staat haar kroon.
 
Nu ziet zij wat zij voordien,
 
Hem dragende, niet kon zien:
 
De parels, die, boog aan boog,
 
Tintelend snellen omhoog
 
Om te komen bij het kruis.
 
Elke parel is een huis,
 
Elk huis bevat gans het volk
 
Dat zij als hart, hoofd en tolk
 
Vijftig jaar lang heeft gediend.
 
Van nabij de mensen ziend,
 
Zelf eindelijk onderdaan,
 
Grijpt grote liefde haar aan
 
Voor wat zij heeft geregeerd:
 
De zeeman die zeewaarts keert,
 
De molen die koren maalt,
 
Al wat zich eeuwig herhaalt
 
En waar bleef, vijftig jaar lang.
 
Een traan glinstert op haar wang,
 
Even wonderlijk en schoon
 
Als een parel aan de kroon.
 
 
 
Er is in ons land een vrouw.
 
Buiten gaat rood, wit en blauw,
 
Gaan mensen zingend voorbij.
 
Geen kent de liefde als zij.