Verzamelde gedichten (ed. W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn)


auteur: Martinus Nijhoff


editeur: W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn


bron: Martinus Nijhoff, Verzamelde gedichten (ed. W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn). Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2001 (derde druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 451]

Register op titels en beginregels

Aan een graf 225
Aan mijn kind I 66
Aan mijn kind II 67
Aan mijn kind III 69
Ach arm, ik bonenstakie 295
Ach, Christofoor, vertrouwder 121
Adieu 155
Ad infinitum 231
Afgelegd is de weg 371
Albert Verwey, ik had u mij gedacht, 116
Alleen God weet waarom ik bij je kwam, 54, 112
Als doods-hoofden stekend op hooge staken, 186
Als ik de groene luiken openzet, 158
Als ik langs 't ziekenhuis waar zij verpleegd werd loop, 219
Als ik zijnen blik ontmoet, 191
Als menschen lachen die 's nachts iets vreemds vreezen, 149
Als oude menschen beginnen te droomen 300
Als ruime plooien donker-blauwe zij 102
Aubrey Beardsley 150
Awater 233
 
Babel 115
Babel had haar toren hoog gebouwd 115
Beelden 116
Bertha van Antwerpen 297
Bewaar mij, want ik schuil bij U, o God, 387
Bid om vrede, Maria, lieve Vrouwe, 348
Boaz ging slapen, van vermoeidheid schier bezweken; 338
Boehme 63
Boven mijn hoofd hebt gij uw lucht gebreid: 35
Bruckner 22
Buiten de herberg waar we bleven 174
Bij de dood van Albert Verwey 277
Bij het graf van den Nederlandschen onbekenden soldaat 347
 
Christus is ons geboren - 177
Claudien, jij speelt piano, en ik zit 159

[p. 452]

Clown 39
Con sordino 61
 
De alchemist 41
De arbeiders der fabriek aan de overkant 230
De bezetter slaat zonder erbarmen 377
De bloemen staan in 't donker bed 20
De boeken lagen kriskras door elkaar 277
De boomen bloeien nu het lente werd, 19
De Chineesche danser 40
De danser 146
De dienstmaagd giet van het geslachte lam 231
De dood van de wolf 334
De eenzame 21
De eenzame en zijn hart 198
De grot 350
De hartekreet van J. Alfred Prufrock 365
De Heilige 62
De idioot in de lente 196
De hippopotamus 363
De hippopotamus ligt languit 363
De jongen 167
De Juni-avond opent een hoog licht 160
De kaarsen branden tusschen mandarijnen, 169
De kamer hardt de lucht niet langer van 272
De kamers waren donkerder geworden, 70
De keien zijn zoo puntig op de straten: 36
De kerstboom 169
De kinderkruistocht 130
De kloosterling 158
De kreupele 291
De laatste dag 42
De lantaren 103
De moeder de vrouw 232
De muzikale genius 251
De nacht is geel van maanlicht en muziek: 40
De Nachtmis 287
De nieuwe sterren 229
De oogen van den nacht staan voor het raam. 21
De Profundis 139

[p. 453]

De reis van de Drie Koningen 380
De rozen 106
De schiettent 299
De schrijver 258, 261, 276
De slapende Boaz 338
De soldaat die Jezus kruisigde 124
De soldaat en de zee 215
De steen 290
De stern die bij de rhododendrons zijn 154
De tekentafel voor het brede raam 267
De toast 200
De troubadour 43
De tuinman 20
De twee duiven 245
De twee nablijvers 211
De twee pauwen 153
De verbrandende lampion 147
De verheerlijkten 342
De vervloekte I 47
De vervloekte II 48
De vervloekte III 49
De vervloekte IV 50
De vervloekte V 51
De vervloekte VI 52
De vervloekte VII 53
De vervloekte VIII 54
De vervloekte IX 55
De vogel 149
De vogels 230
De volle weelde van een melodie 29
De vreemde schipbreuk 202
De vrouw in het rood 99
De vijand 289
De wandelaar 15
De weg van hier naar 't dodenrijk 321
De wolken 170
De wolken snelden door het schelle licht der maan 334
De zon, de zon martelt de steenen gevels, 18
Diepenbrock 358

[p. 454]

Die 's nachts romancen floot onder de linden 43
Dikwijls, Martinus, heilige naamgenoot, 293
Dit graf is al wat er aan Nederlandschen grond 347
Dit is 't sprookje van den dooden 135
Dolores' ontbijt 295
Dominee Abner Peet 401
Dood, ondragelijk is je straf: 139
Droefenis 333
Droom dan tenminste dat wij nimmer scheidden, 155
Duitsch bloed kreeg stem en zong latijn, 358
 
Edith Conant 407
Een draaiorgel gilt 's middags in de straat, 50, 110
Een geur van hoger honing 220
Een groot verdriet in 't ernstige profiel 22
Een idylle 319
Een matte glans van blauwe veeren gloeit 187
Een ontmoeting met Mr Eliot valt niet mee. 370
Een oorlog had deez' aard', zoo groot zij is, gemeten; 248
Een oud man ben ik, die mij veel bezin: 41
Een werklijkheid komt door mijn hoofd heen scheuren: 52
Een woord van dank 362
Eertijds, door een nog schuldeloos geslacht, 229
Elk woord, terwijl hij schreef, ging ademhalen 258
Elsa Wertman 397
Er dropen rozen neer uit de guirlanden 26
Er is een gedicht dat ik had moeten schrijven, 290
Er is in ons land een vrouw. 378
Ernstig en eenzaam staat 126
Er staat in mijn hart een boompje gegroeid, 138
Er vielen woorden van de zon 196
Er was een hoog dak in de stad 249
 
Florentijns Jongensportret 226
Fuguette 159
 
Gebed om vrede 348
Gedenkenis 371
Geen foto van ‘Hollands’ dichter 345
Geen sprankje licht wijst ons een uitweg aan. 350
Geen ster breekt in de stormnacht 294

[p. 455]

Gisteren-avond na het werken, 99
God van de liefde, hoor mij aan: 28
God zij ons gunstig en genadig. 393
Gij, dooden, die den dag niet meer beleeft 356
 
Haar laatste brief 227
Hamilton Greene 398
Herinnering 71-249
Het bezoek 252
Het Bruidje 129
Het dak van het kasteel steekt uit 60
Het derde land 136
Het eerste wonder 360
Het eiland leek van ver uit zee 202
Het einde 27
Het gras op de heuvel 395
Het groote lijden 125, 185
Het had dien winter tot in Maart gevroren. 259
Het huis 375
Het jaar 1572 259
Het juffertje in het groen 103
Het kind en ik 222
Het klimop 219
Het licht 16
Het licht, Gods witte licht, breekt zich in kleuren: 16
Het lied der dwaze bijen 220
Het liedje van den simpele 59
Het meisje 65
Het meisje dat halfweegs haar mandje staan laat 173
Het oude huis 70
Het schip 137
Het souper 148
Het steenen kindje 174
Het strijkje 38
Het strijkje speelt 's avonds in de warande, 38
Het tuinfeest 160, 188
Het uitstel 288
Het uur u 302
Het veer 212
Het vroege zonlicht trilt in de cypressen, 157

[p. 456]

Het vrome kasteel 60
Het was een koude tocht, 380
Het was zomerdag. 305
Het was zoo goed bij jou, het was zoo goed - 49
Het water van de gracht is grijs 137
Het winterkoninkje 382
Het wordt stil in den tuin, als mijn gitaar 156
Het zwetende beeld 351
Het zijn, dacht ik, verder schrijvend, 252
Hoe onbehagelijk het is Mr Eliot te ontmoeten 370
Holland 35, 377
Hoor de sonate der clavecimbale! 23
Hortense Robbins 399
Hij hing niet hoog aan 't kruis: zijn voeten bleven 128
Hij knoopt, om 't licht te temperen voor 't kind 270
Hij moest zijn hart, zijn zwaar hart, achterlaten 125
Hij was een avond vroeg naar bed gegaan. 271
Hij zat in nachtgoed voor het raam en liet 167
Hij zei me: ‘Zoolang deze rozen 106
 
Iedere dag op u gewacht 288
Ik denk dat de opslag van zijn beide 199
Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag 170
Ik eet het brood weer van mijn tinnen bord, 63
Ik ging naar Bommel om de brug te zien. 232
Ik heb er geen traan om gelaten 401
Ik heb mijn moed en macht verloren, 333
Ik heb vannacht zoo'n vreemden droom gehad: 67
Ik keek laatst door een venster naar binnen, 171
Ik leek wel een geraamte na mijn operatie! 400
Ik schoof het kind van mijn schouder, 391
Ik was de eerste die viel in de slag op de Kloosterberg. 403
Ik was de modiste, 402
Ik was een boerenmeisje uit Duitsland, 397
Ik was het enig kind van Francine Harris uit Virginia 398
Ik wil van God als van mijn Herder spreken. 390
Ik zag je treden 34
Ik zie het zonlicht in de kamer branden 53
Ik zit met mijn rug tegen het zonnige muurtje, 59
Ik zou een dag uit vissen, 222

[p. 457]

Impasse 228
In dezen morgen zie ik dat de nachten 17
Ineengebroken I 109
Ineengebroken II 110
Ineengebroken III 111
Ineengebroken IV 112
In plaats van foto 345
In 't bloembed achterover, waar het zwermen 153
In 't stille, bleeke water drijven booten: 33
't Is Juni, en de vijver in 't plantsoen 188
't Is stil en warm in de vallei 190
 
Jacques 187
Je bent zoo hard voor mij als de eenzaamheid: 48
Je was zoo hard voor mij als de eenzaamheid: 109
Johannes 128
Johnnie Sayre 406
Jou arme stakkert van een straatlantaren, 77
Jou arme stakker van een straatlantaarn, 105
Jozef en de maagd Maria 360
 
Kerstnacht 175
Kinderkruistocht 353
Kleine prélude van Ravel 161
Knowlt Hoheimer 403
Knowlt Hoheimer vluchtte en ging als vrijwilliger in dienst 404
Koning Winter vroeg verbaasd 382
Kristal en sterren; een ode 189
 
Laat ons gaan, jij en ik, laat ons gaan, 365
Langs de twee coniferen naar 161
Langs een wereld 171
Leef niet als boomen leven die haar stille 150
Lente 19
Levensloop 145
Liedje 138
Lieve, melieve - 64
Lili Green 154
Limmerick 251
Looft God, looft Hem overal. 394
Lydia Puckett 404

[p. 458]

Maria Magdalena 26
Martinus 293
Maurice, ween niet. Ik ben niet hier, onder deze pijnboom. 405
Memlinc 126, 199
Mercedes 296
Met blauw-papieren pijlen op mijn wangen 39
Middag 18
Middernacht, de kerkklok luidt, 287
Midzomer 197
Midzomer - maar de regen ruischt, van tranen 197
Moeder 72
Moeder, weet je nog hoe vroeger 71
Morgen-gebed 104
Mozart 157
Mrs Williams 402
Mij bracht de macht der duisternis 359
Mijn beide armen hield ik uitgebreid, 62
Mijn eenzaam leven wandelt in de straten, 15
Mijn hart blijft zonder vreugde 257
Mijn hoofd is in de oneindigheid der nacht 51
Mijn naam stond elke dag in de couranten 399
Mijn vijand ziet mij aan 289
 
Nacht 186
Na een jaar 17
Nauw is de steeg, moeilijk de pelgrimstocht, 103
Neen, Christofoor, 't onstuimig water dat 206
Niet zonder stap voor stap het oor te lenen 273
Novalis 168
 
Occasio post est calva 97
O God, die ons verstoten had, 391
O Heer, de koning is verheugd! 388
O Heer, de vijand stelt 385
O kenner van het Oude Boek, 362
Olijf-ovaal, met van de olijf ook mee de 226
Omdat het moest, namen mijn handen hem, 55
Onder mijn huid leeft een gevangen dier 146
'k Ontmoette 's nachts een vrouw bij een lantaren, 27
Onze Vader die in de hemelen zijt, 357

[p. 459]

Oorkonde aangeboden aan Jan Wils 30 Juli 1928 248
- O oude boom in de achtertuin 211
Op akkerland, met duinen in 't verschiet, 375
Op deze plek heeft een gedicht gestaan. 276
Op een hoek van een straat 297
Open brief 265
Op het oude-mannen- en vrouwenhuis te Purmerend 300
Op zekere Zondagmorgen 351
O sterren, versplinterd heelal, 189
Over de duinen 141
 
Page 156
Pauline Barrett 400
Pierrot 25
Pierrot aan de lantaarn; een clowneske rapsodie 73
Polonaise 24
Prinses Wilhelmina 378
Psalm 3 385
Psalm 16 387
Psalm 21 388
Psalm 23 390
Psalm 60 391
Psalm 67 393
Psalm 150 395
 
Roeien ('s avonds) 102
Roeien ('s middags) 101
Rondeel 28
Rust 64
 
Samenspraak 280
Sarah Brown 405
Satyr en Christofoor 121, 206
Schieten jongens of schiet op! 299
Shakespeare's Winteravondsprookje 135
Slaap, mijn kind... 384
Slaap, mijn kind, langs de wegen waait de wind 384
Sneeuwliedje 34
Soldatenkerstmis 123
Sonate 23
Steeds dupe van toegeeflijke intrigen, 145

[p. 460]

Straat-muzikant 37
 
Telkens komen tusschen de wolken door 261
Tempo di menuetto 29
Terwijl de kam het goud schraapt bij elkaar 268
Toen de avond viel, maakte Sebastiaan 212
Toen 'k door de stad ging langs een tuinmuur zeeg 198
Tot de gevallenen 356
Twee duiven hielden van elkander; 245
Tweeërlei dood 173
Twee reddeloozen 140
Tweespraak 127
Twee teksten van Hugo Wolf I 190
Twee teksten van Hugo Wolf II 191
 
Uit Heine's ‘Heimkehr’ 257, 294
 
Vader, nooit zul je te weten komen 406
Vannacht zag ik, door 't raam op het balkon, 147
Van Suylensteijn, van Suylensteijn, 192
Veertig jaar 282
Veertig jaar Kroon en Scepter; 282
Veracht, o tijdgenoot, veracht met mij de fabels, 200
Verborgen schrijver 254
Verlakte punten dragen mijn molières, 37
Verwachtingen en haren eenmaal grijs 269
Verwijt mij niet dat ik lichtzinnig was 227
Vliegen en vlinders, kinderen en bijen, 225
Voor dag en dauw 263
Vóór ik de laatste kaart dorst om te draaien 296
Vreemd pizzicato van verre guitaren, 27
Vriezen deed het dat het kraakte 376
Vriezen deed het dat het kraakte, 376
 
Waarde Heer Frederik Batten, 254
Waarom waren het herders 127
Waar zijn de minnaressen? 342
Waar zijn Elmer, Herman, Bert, Tom en Charley, 395
- Waar zijn we? Zeg me. 280
Wanneer ik, in den nacht en in het waaien, op 195
Wanneer ik mijn lamp vergeet 215

[p. 461]

Wanneer je begeeren zult 66
Wanneer je ontwaakt, zie je den morgen bleeken, 65
Wanneer men kindren voor een venster brengt, 69
Weer komt een werklijkheid mijn hoofd door scheuren: 111
Wees hier aanwezig, allereerste geest, 235
We gleeën 101
We liepen samen dikwijls langs de stranden 72
Welkende bloemen in het bloedloos licht, 24
't Werd stil aan tafel. 't Was of wijn en brood 148
Wetend dat liefde zich moet sterven laten, 185
Wie is het, die zoo hoog gezeten, 255
Wonderbare spijziging 357
Wreed heb ik in je weeke vleesch gebeten, 47
Wij sloegen hem aan 't kruis. Zijn vingers grepen 124
Wij staan om deze zerk - wij, de herinneringen, 407
Wij stonden in de keuken, zij en ik. 228, 274
‘Wij zijn vrij’ 355
Wij zijn vrij, roept de Nederlandsche vlag 355
 
Ze grepen hem terwijl zijn vrienden sliepen 42
Zingend en zonder herinnering 136
Zingende soldaten 36
Zondagmorgen 33
Zon, die met uw stralenden wagen opwaarts 104
Zusters, wanneer uw kleine zuster trouwt, 129
Zwerver en elven 141
Zij dorsten niet te zingen in de tent 123
Zij gaat 's nachts vaak naar de haven 140
Zij hadden een stem in den nacht vernomen, 353
Zij hadden een stem in het licht vernomen: 130
Zij liepen te saâm over 't paadje, 97
Zijn oogen waren onnatuurlijk groot, 168
Zij zei tot mij: ‘Je bent een prins in bed’. 61