[p. 12]
Vader en zoon
Als ik je sloeg was het mijn vlees dat vroeg om slaag.
Als ik je zoen zoek ik verzoening met mezelf.
Nu jij me hier ziet zitten, vindende verlorenheid
Die ons nog niet begrijpt, heb jij jezelf gehoord.
Kijk ik in mijn ogen als jij bang mijn blik ontwijkt?
En hoor ik iedereen als jij weer zwijgt: ‘Ik ben alleen’?
Alleenzijn is voor mij een raar substantief, voor jou
Een onbepaalde wijs. Maar je 18 is mijn 41 waard.
Onze leeftijd zonder beroep, onze naam zonder adres -
Wat kun je dan nog leren van een kind, een man als ik?
Dat je mijn vlees moet slaan en zoenen, vechtend
Tegen dit hevige doodgaan dat ik op vader bevocht.