[p. 14]
Nostalgie
O nee, ik wil niet weer, wil nooit meer wakker worden
Van die vleugel, zacht, die traag de trap op wandelt, hoog
Tot in de nok - wolken blauwe vlinders strijken
Op me neer, mijn bed hangt er te schommelen
Van die muziek, o nee, o nee, ik wil niet weer,
Niet op de bovengang het dunne lachen horen
Uit de meisjeskamer dat daar nooit is uitgestorven, geen
Raad en slaag meer krijgen van zijn machteloze handen
Die dit schrijven, niet meer eten uit vier monden tegelijk
Van al mijn moeders, liefsten! Nee, ik wil niet meer.
Maar geef mij af en toe de duisternissen weer
Van toen ik veertien was, een onuitsprekelijkheid
Waarvoor ik 's avonds op mijn knieën val, een vrouw
Die zich verstopt in de brandende wolken van mijn gedachten,
En nachten waarin ik mijn licht nog niet heb opgestoken.
Alles wordt zo simpel in de lastige herhaling van de dagen,
In het koelbloedig ritme van een zon die ons beschijnt
Met haar wiskundige warmte, alles schijnt verklaard -
Wij zijn er, en wij moeten ons verspillen aan elkaar
Gespiegeld, bloot en broos, verkleind van mens tot men.