[p. 20]
Harmonie der sferen
Door het traliewerk der jaloezieën kotst de volle maan
Mijn kamer onder, braaksel gutst tot op het bed.
Ik lig er brandend als een oog dat nooit meer dicht kan,
Een kleine plas vlees, een wees ter grootte van een oor.
Beneden knallen jongelui door de garageboxen, stallen
Gillend hun vernikkelde geslachtsdelen in een schoot
Van baksteen, smijten ruiten in en ratelen met luiken
Om de nacht te pesten en de buurt, de godganse wereld.
Nadien het treiterend gedruppel van seconden
In de zinken goten. Dippedie. Dippedie. Dap. En diep
Daarginder in de zwartgeblakerde en uitgestorven tuinen
De jankende onzichtbaarheid van krolse katten.
Sinds ik hier woon verzend ik lange brieven
Naar mijn vorig huis. Ik kon er slapen, waken, stil
En donker was het daar, als in de ritmisch en redderig
Lokkende leegte van ongeschreven gedichten.