terug  begin  verder

[p. 21]

Burgerlijk bestaansminimum

 
Het is vandaag geen waarheid die ik zoek,
 
Geen Nazareense visser die mijn dood afpakt,
 
Geen Weense dokter die mijn penis spreekles geeft,
 
Geen Trierse filosoof die op de bank mijn volmacht heeft.
 
 
 
Vandaag is het geen goedheid die ik zoek,
 
Geen Gandhi, kaal en mager, woord tot op het been,
 
En geen Thérèse de Lisieux. (Wat zei dat kleintje weer?
 
‘Hard moet ik U voelen, anders is er chaos,
 
Hard en doodvermoeiend, anders ben ik niet gerust.’)
 
 
 
Geen goedheid, nee, verdomd, ik weet wat goedheid is.
 
Goedheid is een stinkend bed, een meisjesstem
 
Van zestig jaar, een fluimend propje vlees
 
In kussens van formol, een bibberende muizepoot
 
Waar ik van at, en die mij niet bekomt.
 
 
 
Vandaag is het geen schoonheid die ik zoek.
 
Schoonheid spreekt vanzelf als ik mijn handen opendoe
 
In het ivoor van mijn lievelingsakkoord, zeven vingers,
 
A, kleine terts, uit de nocturnes van Chopin,
 
Die teringlijder aan zijn Pleyel in Nohant.
 
 
 
Nee, het ware en het goede en het schone zijn vandaag
 
Een broodwinning voor ingenieurs, therapeuten en artiesten.
 
Maar ik, ik ben een dichter.
 
En op mijn nederige stoel, met mijn ambachtelijke trots
 
Zoek ik een degelijke, propere en zwierige manier
 
Om hier, vandaag, in deze tijd, alsnog te overleven.

terug  begin  verder