[p. 26]
Het
Het komt in de ochtend, de wekker slaat af en het nieuws is besteld.
De schuimende wangen, het mes en de ogen, ze hangen vertind
In de spiegel, uit kranen en gaten ontsnapt er een langzame stroop
Van gezoem, en de wijzers, de handen, ze kijken er werkeloos toe.
Het komt in de middag, het vlees is versneden, de zomer staat hoog
In de flessen die rondgaan en beven, geen zout kan het bloeden nog stelpen,
De glazen gaan gillen en springen geluidloos aan scherven, verblind
Door een zenit, en huisdieren, gasten versmelten tot één aangezicht.
Het komt in de avond, het komt ook het liefst in de avond, de nachten.
Het aloude speeksel bevriest op de tong van de kusser, het strelen
Verlamt de gestreelde, haar dromen verbeelden een droomloze slaap
In het ijzeren bed van een ijzig hotel, maar wék me toch, wék me.
Het is een gezonde vermoeidheid van voor en van na dit leven
Die ons maar niet wil vergeten, het is een soort prangende rust
Die de spieren pijnlijk ontspant en het voorhoofd dwingt op de rand
Van de tafel, een grondeloos willen verzinken in iemand, in iets.