terug  begin  verder

[p. 27]

Tussenspel

[p. 29]
 
Misschien is dat
 
wat dit moet zijn.
 
 
 
Rots-
 
vast zat het vanmorgen in
 
een zwarte vlek, een klad
 
beslijkte sneeuw, hier, vlak
 
voor mijn deur.
 
 
 
Ik had het ding niet eens gezien.
 
Ik sliep nog half misschien.
 
 
 
Zijn buitenste verschilde
 
nergens van zijn binnenkant.
 
Er was ook geen
 
beginnen aan.
 
Ik tilde het
 
voorzichtig op, het tolde
 
uit mijn hand en rolde
 
daar van het trottoir
 
gelijk een steen, maar wel
 
doorzichtig, luchtig, lichtig, maar
 
zo af en gaaf, compact
 
gelijk een steen.
[p. 30]
 
Ik nam het op, het liet zich
 
glad en flitsend, weerloos
 
brandend door mijn handen
 
gaan, het flikkerde van links
 
naar rechts, het stak
 
mijn ogen uit van rechts
 
naar links, een veel te
 
hechte, veel te
 
echte zon.
 
 
 
Ik streelde
 
haar structuur, ik zoende
 
haar natuur.
 
Mijn buurman
 
keek zich blind en noemde
 
mij een kind, een monster
 
van aanbidding, een bedronken
 
acoliet, bespottelijk
 
en niet om aan te zien.
 
Ik sliep nog half misschien.
[p. 31]
 
Ik zoende maar en zoende,
 
maar dat ding, het zoende mij
 
en gaf zijn smaak niet af.
 
 
 
Sterk
 
water was het, koud
 
vuur, hard
 
licht dat ik geen dag
 
over mijn lippen krijg.
 
Het plakte aan mijn tong.
[p. 32]
 
Misschien is dat
 
wat dit moet zijn,
 
hol
 
en toch vervuld,
 
vol-
 
maakte samenvatting
 
van het niets,
 
raadsel-
 
spel van een verspeelde
 
dag:
 
een klompje
 
ijs.
 
 
 
Het ligt er langzaam
 
te verdwijnen, maar verdwijnt
 
in een waaien en stromen van alles en is,
 
is.
 
 
 
Misschien is dat
 
wat ik moet zijn.

terug  begin  verder