[p. 40]
Spreekuur
Vanmorgen was ik bij mijn dokter van altijd.
Ik zeg maar
mijn
omdat een ieder hem zo noemt.
Ik zeg
altijd
want elke dag moet hij genezen.
Hij ging me snijden, hier, waar jij me zoent,
Waar jij me jaren in de mond genomen hebt.
Het was plezierig om te zien hoe plots een golf, een zee
Van etter spoot uit mijn hart en de splijtende tepel.
Zo gaf ik ons bloot aan het mes van de morgen vandaag.
Zo geven wij mannen de borst aan de slurpende leegte.
Ook als ik dood ben zal dat snijden zichtbaar blijven
Hier, links, waar mij je zoete lip vergiftigd heeft.
Als ik genees moet jij je vingertoppen openwrijven
Aan die dichtgegroeide snee, je lauwe tong moet gaan
Over dat teken, hier, waarin wij samen zijn, en dan
Moeten je tanden mij weer openbijten, wil je?
Want ik leef toch, leef toch van die pijn aan ons.
Ik kan toch enkel doodgaan aan mijn vlees van jou.
En is het slechts van mij, dan smaakt het niet.