terug  begin  verder

[p. 43]

Zonsondergang

 
Dit huis waarin ik de haat heb geleerd en gehaat,
 
De kamers waarin ik zijn trouwste gevangene ben geweest,
 
Bloeibaar licht loopt er vanavond weer in rond, het ruist
 
En bruist in diepe boventonen van hetzelfde liefste rood
 
Dat sijpelt langs het mes waarmee ik haar wou steken.
 
De tafels, de spiegels, de bedden, alles is weer van dienst.
 
 
 
En nog ben ik een mens op zich, het allernauwste vlees.
 
Maar zij, zij celebreert het sacrament van man en vrouw,
 
Die platte moord waaruit het leven zich heeft opgericht.
 
Ze heeft de wapens neergelegd, zich langzaam uitgekleed
 
Tot op de plek, de rauwste, waar ons vel zich openwrijft,
 
Waaruit we 's nachts te voorschijn komen oog om oog.

terug  begin  verder