terug  begin  verder

[p. 44]

Noordkant

 
Als zij thuis is kan ik hier het zuiden horen.
 
Zij is het licht dat mij zijn kern te eten geeft
 
En straalt tot in de koudste hoeken van mijn leven.
 
Alle warmte die ik ben komt hier van haar.
 
 
 
Dat ooit een mens mij zo brutaal, zo helemaal
 
Heeft aangekeken, met een blauw dat ging en gaat
 
Tot op het botste van mijn mannelijke leegte,
 
Dat ooit twee handen hier zo gruwelijk intiem
 
 
 
Mijn bloed gingen betasten, elke blote zenuw
 
Van het kind dat er onvindbaar in mij sliep,
 
Dat doet mijn oude dood nog pijn, dat maakt mij ziek
 
Van geluk dat ik met haar niet delen kan.
 
 
 
Als zij weg is blijf ik achter met de schaamte
 
Van de jongen die zijn moeder wil bezitten, hurk ik
 
Neer onder de rok van haar afwezigheid en neurie
 
Onverstaanbaar de zoete ellende van mijn geboorte.

terug  begin  verder