[p. 50]
Kind
Wij hebben, Zoet, de lastigste logica geleerd,
De wilde regelmaat waarmee een paar getal
Ondeelbaar wordt, een twee die langzaam oplost
In een troebele matematica van sublimaties.
Uit de cirkelgangen van ons huis is elke klok
Van de leesbare liefde verdwenen, en enkel
De slinger van afscheid en weerzien slaat
Door ons heen, houdt ons bijeen als het kind
Dat we samen niet hebben gehad en dat heen
En weer rent tussen talloos twee afwezigheden.