terug  begin  verder

[p. 53]

Ons huis

 
Altijd ligt, in die langzame zomer van ooit en misschien,
 
Ons huis te wachten, het witte gedachte, hemelhoog
 
De heuvels in geslingerd door een uitbundige bosgod.
 
Het staat in ons nog steeds naar alle kanten open
 
Te dromen van gastvrije paden waar de zielen lopen
 
Van onze doden, zij die uit hun hel naar boven komen
 
Om moegestorven hier in onze kussens neer te zinken.
 
Ook vreemden zullen er hun toekomst komen drinken
 
Uit de diepe kelen van onze verwisselde namen.

terug  begin  verder