[p. 54]
Restitutie
Met veel alleenzijn, weinig geld en broedende verveling,
Met glaasjes vuur, een bijziend hart, de afgelegen stilte
Van een donker huis, met voedzaam vastenbrood
Van hoop op vrijere dagen, met zoekende boeken
En steeds, en vooral, het besef dat jij op me wacht,
Zo heb ik mijn levensdroom hier aan de ketting gelegd.
Ik wist al wat ik was, een gril van de natuur,
En toch wou ik een noodzaak worden voor een ander.
(Ook wou ik soms een stoel in de geschiedenis,
Maar dat soort trots heeft niemand parten gespeeld.)
Als ik hier even ben geweest, als straks de ketting springt
Waaraan ik het licht uit mijn lijf lag te zeggen,
Kom ik bij jou, leg ik mijn eerste gezicht in je handen,
Het weinige, naamloze goud van mijn particuliere bestaan.
Zo gaat het terug naar zijn oorspronkelijke eigenaar.