De gave Gods


auteur: Leo Noordegraaf en Gerrit Valk


bron: Leo Noordegraaf en Gerrit Valk, De gave Gods. De pest in Holland vanaf de late middeleeuwen. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 1996  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

3. ‘Den Bubo, de Pest-klier, ons maeckt seer ghewis’

In de eerste plaats moeten vooral vermeldingen die slechts op één plaats of streek betrekking hebben en bij gebrek aan andere berichten niet vergeleken kunnen worden, met de nodige reserves worden bekeken. De oudste bronnen geven in dit opzicht de grootste moeilijkheden. Zij zijn meestal niet alleen beknopt, maar hun aantal is verhoudingsgewijs ook beperkt.

Een voorbeeld ter verduidelijking: in zijn in 1929 gepubliceerde boek over Hoorn in de middeleeuwen vermeldt Koster dat Hoorn in het jaar

[p. 22]



illustratie

Schilderij van Th. G. van der Schuer uit 1682.

‘Den Bubo, de Pest-klier, ons maeckt seer ghewis’. Het verschijnen van builen is hét bewijs dat er pest en geen andere besmettelijke ziekte in het spel is.
De oorzaak van de pest werd in besmette lucht gezocht; vandaar de monddoekjes en het verbranden van allerlei kruiden ter zuivering.

‘Zuigende kinderen... van 's moeders borsten afgerukt’ is een beeld dat ook in de literatuur voorkomt om de gruwelijke gevolgen van de pest aanschouwelijk te maken (zie Schrevelius, Harlemias, 206; vgl. Stalpert van der Wiel, Hondert seldzame aenmerkingen, 305-306). (Foto: Dingjan, Stedelijk Museum De Lakenhal, Leiden).


[p. 23]

1586 door de pest werd getroffen15. Nergens in de ons ter beschikking staande bronnen en literatuur komen we 1586 als pestjaar tegen. Alle reden om ernstig aan pest te twijfelen. Hoe deze auteur er toe is gekomen om van pest te spreken, valt jammer genoeg door het ontbreken van een bronverwijzing niet te achterhalen, maar deze constatering voert ons wel naar een volgende restrictie: wees in die gevallen waarin de bron uit een latere periode stamt dan waarover deze handelt, uiterst voorzichtig! Als er alleen van pest wordt gesproken en geen nadere omschrijvingen worden gegeven of als bewijsplaatsen ontbreken, dan zijn de nodige reserves altijd op hun plaats. Dat geldt vooral als we alleen beschikken over kroniekschrijvers e.d. die de epidemie zelf niet hebben meegemaakt en vaak zonder voldoende kritische zin de geschiedenis van hun stad hebben geboekstaafd. In bijlage 1 zijn per jaar alle plaatsen vermeld waar volgens primaire bronnen en literatuur pest zou hebben geheerst. De jaren waarvoor we slechts één of enkele verwijzingen naar pest vonden zijn volgens bovenstaande redenering het meest dubieus. Zo kennen we voor het jaar 1660 slechts een opgave voor Rotterdam16. Nergens anders wordt dit jaar als pestjaar genoemd. Daarnaast zegt onze bron dat het aantal doden ten gevolge van de ziekte in vergelijking met andere pestjaren gering was. Bij elkaar reden om er aan te twijfelen of we hier met pest te maken hebben. Deze twijfel geldt nog sterker in het geval van een vermelding voor Schiedam voor de jaren 1673-1674 en 1679-168117. Ons vertrouwen in deze opgave is zelfs zo gering, dat we ze uit de bijlage hebben weggelaten. Waarom? Niet omdat we het direkte bewijs kunnen leveren dat een andere besmetting in het geding was. Wel mag gelden dat overal elders in de literatuur de jaren 1661-1668 als laatste worden opgegeven waarin pest de Republiek teisterde. Of dit een voldoende argument is, staat uiteraard te bezien. Per definitie behoeft afwezigheid in andere steden, ook al liggen deze in de direkte omgeving, niet te betekenen dat Schiedam niet zou zijn getroffen. Zo'n enkele vermelding juist aan het einde van een eeuwen durende periode waarin de pest met regelmaat van de klok terugkeerde maakt ons echter extra voorzichtig. Voegen we hier nog aan toe dat de opgave louter op de verhoogde sterftecijfers uit genoemde jaren gebaseerd lijkt te zijn, dan wordt het onverantwoord deze jaren onder perioden van pest op te nemen18. Dit voorbeeld wijst ons er op dat het tevens zaak is er op te letten welk type bron als bewijsmateriaal voor de aanwezigheid van pest wordt gebruikt.

Van groot belang voor de oplossing van het probleem of we werkelijk met pest te maken hebben, is dan ook in de tweede plaats het gegeven dat er weliswaar de nodige informatie, waarin van deze ziekte gesproken

[p. 24]

wordt, is overgeleverd, maar dat niet alle informanten even deskundig zijn. Wie zegt wat en waar is een vraag die in elk historisch onderzoek voortdurend een rol speelt, maar in ons geval dringt deze kwestie zich extra sterk op. In dit verband willen we ook de al aangestipte problematiek met betrekking tot de vage en beknopte aanduidingen en omschrijvingen van de ziekte aan de orde stellen.

Een voorbeeld maakt het snelst duidelijk hoe het wie-wat-waar criterium ons kan helpen. De stadskroniekschrijver Voet van Oudheusden vermeldt in zijn Historische beschryvinge van Culemborg uit het jaar 1753 dat er in 1599 ‘een droevige pest’ in de stad heerste19. Streng geredeneerd beginnen we met zo'n vage typering van ruim 150 jaar na dato niet veel. Onmiddellijk volgend op deze mededeling laat hij echter een keur van de Magistraat uit dat jaar afdrukken, waarin, na de constatering dat ‘Godt ons visiterende is mitte Godts gave’, een aantal maatregelen tegen de pest wordt opgesomd. De kans dat het hier werkelijk om pest ging, achten wij nu in elk geval groter dan in die gevallen waarin alleen een losse vermelding over pest, al dan niet uit later tijd, ter beschikking staat. En wat meer is: het zijn steeds deze maatregelen die we overal elders gedurende de onderzochte eeuwen zien afgekondigd als het naar het oordeel van tijdgenoten om pest gaat. Maar het belangrijkst is nog het gegeven dat het niet de eersten de besten zijn die in dit geval menen met pest van doen te hebben. De autoriteiten wisten ter dege onderscheid te maken tussen verschillende soorten epidemieën. Afgezien van hun eigen proefondervindelijke ervaring konden zij daarin afgaan op het oordeel van degenen die zich beroepshalve met besmettelijke ziekten bezig hielden, zoals artsen, pestmeesters, cellebroeders en -zusters, pestvroedvrouwen e.a. Wij komen deze mensen later nog wel tegen; waar het hier om gaat is dat zij afgaande op de verschijningsvormen van de ziekten en het verspreidingspatroon begrepen dat de ene ‘contagieuze’ ziekte de andere niet was. In de loop van de onderzochte periode verschijnen er ook steeds meer symptoombeschrijvingen in druk. Deze publicaties waren uiteraard van grote betekenis voor artsen en andere direkt betrokkenen in het herkennen van een besmetting, waarmee zij nog niet eerder waren geconfronteerd.

Nu is het, zoals hierboven al werd aangestipt, ook vandaag de dag niet altijd even gemakkelijk zonder laboratoriumhulp vast te stellen dat het om pest gaat, maar in de meeste gevallen van builenpest levert de diagnose toch weinig problemen op. Opmerkelijk is dat de vroegere symptoombeschrijvingen zo vaak overeenstemmen met de hedendaagse. Kortom, in een aantal gevallen zijn we er nagenoeg zeker van dat als pest aangeduide ziekten in-

[p. 25]

derdaad pest betroffen. De tijdgenoot zal het begrip pest of één van de vele synoniemen daarvan wel eens uit verlegenheid met wat hij voor zich zag of wat hij las als globale aanduiding hebben gebruikt. Ook zal de term soms als verzamelbegrip voor besmettelijke ziekten in het algemeen zijn gekozen, maar dat doet niets toe of af aan het feit dat pest in veel gevallen direkt als zodanig kon worden herkend.

Een aardig voorbeeld van het gebruik van het begrip in algemene betekenis waaruit blijkt dat de ziekte duidelijk werd onderscheiden van pest in eigenlijke zin, treffen we aan in de Haagse stadsgeschiedenis van De Riemer in een passage over een besmettelijke kwaal20: ‘Op dien Zondag (= die na Kruisvinding 1531, schr.) wierd God plegtig bedankt voor zijne genade, dat hij zekere pest, door de welke schier de gansche Haag ontvolkt was, als door een mirakel had doen ophouden. Deze pest wierd de zweetziekte genoemt, dewijl de menschen door 't overtollig zweeten verstikten.’

Genoemde verlegenheid proeven wij in de Haarlemse keur van 26 september 1529 waarin het naar alle waarschijnlijkheid over dezelfde ziekte gaat21: ‘Gebod van te vasten, bidden en andere penitentie te doen en Processie te draegen over de pestelentiale en andere nieuwe siekten en plaegen.’ Vier dagen later wordt gesproken over een processie voor de ‘nieuwe siekte’. Al snel hebben de Haarlemmers gezien dat de ziekte weliswaar ‘pestelentiael’ (wat hier besmettelijk in algemene zin betekent) was, maar dat het geen pest naar onze hedendaagse opvatting kon zijn.

Andere illustraties van het bovenstaande zijn niet moeilijk te vinden. Al in één van de vroegste Europese verhandelingen over de pest, namelijk die van de Catalaanse medicus Jacme d'Agramont van Lerida (1348), wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen pest aan de ene kant en pokken, mazelen, bloedzweren en kropgezwellen aan de andere kant. In een verhandeling van vóór 1400 van de hand van Jan van Bourgondië en in enkele Duitse kronieken blijkt pest duidelijk te worden onderscheiden van tyfus22.

Ook blijkt er wel degelijk verschil te worden gemaakt tussen pest en andere ziekten als ‘hete koortsen’, ‘najaarskoortsen’ en ‘rode loop’. De medicus Johan van Beverwijck beschreef in zijn Bericht de pest als manifestatie van bubonen23. De volgende omschrijving door Jacobus Viverius, eveneens arts, laat aan duidelijkheid weinig te wensen over; voor hem is er pas zekerheid als karbonkels en bubonen zich manifesteren24:

 
‘De teyckens zijn onseker,
 
Als sy ons eerst aen-comt.
 
Doch desen herte-breker
[p. 26]
 
Comt aen met pyn in 't Hooft.
 
De leden worden slap,
 
De hitt' is in de Borst,
 
die als met eenen trap,
 
Al naer het Herte daelt.
 
Sy zijn gheneight tot braecken,
 
Sy zijn meest slaeprich seer.
 
Daer naer sy seere waecken.
 
Maar als de Kole comt, dan siet elck wat het is.
 
Den Bubo, de Pest-klier, ons maeckt seer ghewis.
 
Sy commet aen den Hals, aen d'Oxels, aen de Liesschen.
 
Als Peste in ons is, dan comt sy toornigh briesschen’

In de instructie voor de pestmeester van Alkmaar in 1650 werd omschreven wat onder pest begrepen werd, namelijk een besmetting met ‘(...) buijlen, koolen, pepercooren ofte andere quadtaerdige uytsetselen’. Om tot een werkafbakening te komen werd onder de pest tevens verstaan ‘(...) brandige met overspruytende koortsen, de blits ende 't rood melisoen’25. In dit geval was de pest een verzamelnaam voor allerlei ziekten. De reden van deze algemene aanduiding was echter niet dat men andere ziekten niet van pest wist te onderscheiden - uit het bovenstaande blijkt dat men dat wel kon - maar was van praktische aard: duidelijk moest omschreven worden welke ziekten de pestmeester te behandelen had.

In zijn Pest-stryt geeft de medicus Swinnas een uitgebreide beschrijving van de verschijnselen, zoals zweten, braken, hoofdpijnen, onrust en walgen. Dit is volgens hem nog geen bewijs van pest: ‘Maer indien hier bij eenige Pest-buylen, Pest-koolen of Peper-koorens vertoonen, mach men sich van de Pest versekert houden, schoon alle de voorverhaelende teekenen haer selven niet en openbaerden’. Ook zijn collega Van Beverwijck was voorzichtig. De eerste verschijnselen van pest kunnen ook op andere ziekten wijzen, ‘waerdoor ghebeurt, dat so yemant begaeft is of niet in 't beginsel dickwils onseker valt’26.

Bovenstaande beschrijvingen dateren uit de zeventiende eeuw, maar ook al eerder werden er uitvoerige omschrijvingen van de symptomen gegeven. De bekende geneeskundige Pieter van Foreest, die zo uitvoerig de pest te Delft in 1557-1558 als direkt betrokkene heeft beschreven, spreekt van karbonkels en bubonen, meestal in de oksel, maar ook in de liezen, aan armen, benen en het gezicht. De patiënten ijlden, werden gekweld door dorst en hitte en leden aan braken, krampen, diarrhee, neusbloedingen en bloedspu-

[p. 27]

wingen. Duidelijk onderscheidt hij pest van syfilis, jicht, schurft en lopende zweren27. Het feit dat sommigen heel plotseling overleden, terwijl zij nauwelijks koorts hadden gehad en geen karbonkels of bubonen, wijst er op dat ook andere vormen van pest mogelijk voorkwamen en, wat in dit verband van belang is, werden onderscheiden. Ook de vermelding van neusbloedingen en bloedspuwingen wijst op septichemische en/of longpest. Van Foreest is overigens niet de enige die deze symptomen signaleert. Zo maakt ook de Haagse arts Helvetius er in zijn Den ontwapenden pest-doodt in den theriakelpot uit 1664 er melding van28.

Er zijn ook niet-medici die weten waar zij het over hebben. De dichter Revius moet de pest wel van heel dichtbij hebben meegemaakt, zo realistisch is zijn beschrijving29:

 
‘De kaken in-gedruckt en magerlijck gevoedet,
 
Den neuse spits en lanck bevreyssemt (= aangetast, schr.) en bebloedet,
 
De ogen spalckende, de tanden geel en hol,
 
De tong' geswollen op, van schuym en sever (= kwijl, schr.) vol,
 
De reutelende borst vast hoestede en knuchte,
 
De longe cort-geaemt steeds pijpede en suchte,
 
Het hooft nu hier nu daer wiert swijmende geschudt,
 
De kele gaf een damp gelijck een doden-put,
 
Het herte in een vier scheen lichter-laey te branden,
 
Noch yselden van cou de voeten en de handen,
 
De huyt was oversaeyt met vlecken paers en swart,
 
Met blaren vael en grijs, met bulten dick en hart,...’

Nog een voorbeeld: in de jaren 1669-1670 vond in Leiden een grote epidemie plaats, die een paar duizend slachtoffers eiste. De ziekte werd door een tijdgenoot, A. van der Goes, omschreven als ‘(...) coortsen, ontstaen door het brack, stinckent water en bier daeruit gebrouwen’. Heel nadrukkelijk stelde hij echter dat dit geen pest was30. Ook de Leidse professor Sylvius de le Boe konstateerde dat het om koortsepidemieën ging en niet om pest31. Ook uit het feit dat ziekten als tyfus, malaria e.d. de Republiek in de achttiende eeuw bleven bezoeken, maar door de tijdgenoot geen pest genoemd werden, leiden wij af dat men pest heel goed kon herkennen.

Echter, ook al blijkt uit contemporaine beschrijvingen dat tijdgenoten pest wisten te onderscheiden van andere ziekten, dat neemt niet weg dat er wel eens verkeerde diagnoses gesteld werden, waardoor wij op het verkeerde been gezet kunnen worden. Een eigentijdse klacht luidt dat pest-

[p. 28]



illustratie

[p. 29]



illustratie

[p. 30]

meesters hun vak niet verstonden: ‘Want onder 't decksel van Peste, slaen zy alle ghebreken aen, ende offer geen Cole (= karbonkels, schr.) en ware; zy sullen met haere Corrosyven wel eene maecken, soo wordet blinde volck bedrogen: want sy willen bedrogen wesen’32!

Zoals uit het vervolg zal blijken, menen wij dat het met behulp van bovenstaande afwegingen in het achterhoofd in veel gevallen mogelijk is vast te stellen of we werkelijk met pest te maken hebben. Volstrekte zekerheid echter valt in het bijzonder in geval van longpest niet te krijgen. Hoe men het wendt of keert, tegen de strengste bronnenkritiek is geen enkele redenering bestand. En: zelfs waar we beschikken over uitgebreide symptoombeschrijvingen, die volgens onze hedendaagse maatstaven op pest wijzen, blijven er raadsels. Hoe kon de ziekte zich verspreiden als er geen ratten in het spel waren? Werd builenpest, mede gezien de snelheid waarmee epidemieën zich verspreidden, ook op andere manieren overgedragen? Wij gaan niet zo ver als Shrewsbury, die meent dat er zonder ratten andere epidemieën geheerst moeten hebben. Integendeel, maar het raadsel en zijn gerede twijfel bij eigentijdse vermeldingen van pest mogen we niet schouderophalend voorbijgaan. Boekten we in het voorafgaande dan geen vooruitgang bij de oplossing van de gestelde problemen? Toch wel. Weliswaar weten we niet hoe de builenpest werd overgebracht33, maar wat de diagnose betreft menen we in het volgende hoofdstuk voor een groot aantal jaren, zij het met de nodige slagen om de arm, wel degelijk van pest in hedendaagse betekenis te mogen spreken.

Een ander raadsel dat zich in dit verband opdringt, is het verdwijnen van de pest in West-Europa. Omstreeks 1665 sloeg de pest hier voor het laatst toe. Was het de effectiviteit van de door de overheid getroffen maatregelen die de pest voortaan buiten de grenzen hield? Daar is veel op af te dingen, zoals nog duidelijk zal worden. Nam de resistentie, dan wel immuniteit van mens en dier toe? Of nam de virulentie van de bacil af? Of ontstond er een vorm van wat wel ‘accommodatie’ is genoemd: toenemende resistentie en afnemende virulentie34? Zo ja, waarom vond dit dan niet plaats in het Oostzeegebied, waar in de periode 1709-1715 nog een hevige epidemie woedde, of in Marseille waar gedurende 1720-1722 een catastrofe plaats vond35? Het duurde zelfs tot 1846 voordat heel Europa pestvrij was. Echter niet voor lang. De grote epidemie die aan het eind van de negentiende eeuw in China en spoedig in het hele Oosten, maar ook in andere werelddelen de kop opstak, manifesteerde zich vanuit Egypte ook in Portugal. Europa was geschokt. Men dacht daar met deze gesel der mensheid te hebben afgerekend. ‘Zoo is hij dan toch weer gekomen! Door velen in hun boeken zelfs

[p. 31]

niet meer genoemd, door anderen in korte hoofdstukken afgehandeld, scheen hij elk actueel belang verloren te hebben ... ... Hij zou het ons wel anders leeren! Zijn kracht is weer ontwaakt en bij duizenden en duizenden heeft hij ze weggemaaid daarginds in het verre Oosten’36.

Tussen 1898 en 1948 stierven in India 12.600.000 mensen aan de ziekte37. Ook daarna blijft de pest aanwezig. Tijdens de Vietnam-oorlog werden 2756 gevallen geconstateerd, waarvan 160 met dodelijke afloop. In 1983 tenslotte werden er wereldwijd 715 pestziekten geregistreerd. Twee van hen overleden38. Waarom daar wel en hier niet? Een probleem om te onthouden en een probleem om op terug te komen!