terug  begin  verderprepost
[p. 11]

Inleiding

Wanneer men zich afvraagt wat het hier weergegeven onderzoek naar ‘Seksualiteit in Nederland’ beoogt, dan is het in de eerste plaats duidelijk dat het niet alleen gaat om te bestuderen hoe de verschillende Nederlanders zich op het terrein van het geslachtsleven gedragen, maar ook hoe zij zich zouden willen gedragen. Het onderzoek is niet alleen gericht op feitelijk gedrag, zoals de beide Kinsey-rapporten dit op magistrale wijze in de Verenigde Staten van Noord-Amerika hebben vastgelegd, maar ook gericht op de wijze waarop men zich zou willen gedragen of denkt zich te zullen gaan gedragen.

Wat is nu het nut van een dergelijk onderzoek en waarom hebben een aantal wetenschappelijke onderzoekers hun medewerking gegeven aan dit project? Sommigen zullen er op wijzen, dat onze hedendaagse cultuur al overmatig met seksuele aspecten doortrokken is; dat er een blijkbaar onverzadelijke behoefte bestaat aan geschriften die zich met dit aspect bezig houden en dat er commerciële overwegingen ten grondslag liggen aan de publikatie van een onderzoek als hier is verricht. Anderen zullen wellicht als kritiek naar voren brengen dat seksualiteit dusdanig gecompliceerde en subtiele verschijnselen omvat dat een onderzoek hiernaar, ook al is er veel tijd, energie en geld in gestoken, toch nooit de werkelijkheid van deze verschijnselen kan blootleggen en er noodgedwongen een onwaarachtig beeld van zal moeten geven dat de toets van de wetenschappelijke kritiek niet zal kunnen doorstaan.

Zonder dergelijke kritische opmerkingen als geheel ongegrond af te wijzen, kunnen wij er anderzijds op wijzen dat juist op het gebied van de geslachtsbetrekkingen dikwijls uitlatingen in de openbaarheid worden gebracht die afkomstig zijn van kleine groeperingen die tamelijk ongenuanceerd en sterk emotioneel hun eigen standpunt in deze zaken naar buiten uitdragen en dat daardoor de opvattingen van de grote meerderheid van onze landgenoten dikwijls onbekend blijven.

Is er werkelijk sprake van een seksuele revolutie? Staan jonge volwassenen thans totaal anders tegenover de seksuali-

[p. 12]

teit dan een vorige generatie dit heeft gedaan? Is er sprake van het op grote schaal loslaten van traditionele gedragspatronen? Neemt losbandigheid, promiscuïteit, echtelijke ontrouw, ongeloof in het huwelijk als waardevol sociaal instituut toe, of is dit alles slechts schijn, doordat er tegenwoordig meer in de openbaarheid wordt gebracht wat vroeger werd verzwegen?

Heeft seksuele voorlichting aan de opgroeiende jeugd zin of leidt toenemende openheid hierover tot grotere experimenteerlust en afbraak van gevestigde en traditionele opvattingen?

Al deze vragen worden telkens weer gesteld en dikwijls ook beantwoord zonder dat degenen die deze antwoorden formuleren over voldoende feitenkennis beschikken. Te dikwijls is de feitenkennis namelijk ontleend aan bestudering van kleine groepen van mensen die op de een of andere wijze zijn geselecteerd op grond van een bepaalde bijzonderheid. Psychiaters zullen vooral in aanraking komen met mensen die via aanpassingsstoornissen ook op het zo gevoelige terrein van de geslachtsbetrekkingen ernstige problemen hebben ondervonden of geschapen. Gynaecologen zullen dikwijls juist vrouwen op hun spreekuur krijgen die met seksuele moeilijkheden te kampen hebben. Wanneer grotere openheid t.a.v. deze problemen meer dan vroeger patiënten er toe beweegt deze moeilijkheden met hun arts te bespreken, zullen zij allicht de indruk krijgen dat deze problemen in frequentie toenemen terwijl in werkelijkheid alleen maar vaker dan vroeger deze problemen aan hen worden voorgelegd.

Hetzelfde kan gelden voor publikaties over het aantal echtscheidingen, ongehuwd moederschap en aanvragen tot abortus provocatus. Telkens weer staan wij voor het probleem of de reële toename van dit soort uitingen van onbevredigende seksuele relaties gevolgen zijn van een steeds toenemende instabiliteit of uitingen zijn van een grotere openheid waardoor veel, dat vroeger in stilte werd gedragen en geleden, nu in de openbaarheid wordt gebracht.

Wil men op dergelijke vragen een antwoord krijgen dan is het noodzakelijk onderzoekingen te doen bij de bevolking in haar geheel en te trachten antwoorden te krijgen van mensen die zich niet vrijwillig tot een of andere instantie hebben gewend om hulp maar die aselect en in een verhou-

[p. 13]

ding die enigszins representatief is voor de bevolking in haar geheel om hun opvattingen en gedragingen worden gevraagd.

Ook al is dan een dergelijk onderzoek oppervlakkiger dan andere meer persoonlijk gerichte onderzoekingen op dit gebied, dan toch biedt het door zijn opzet informatie die langs andere weg niet verkregen kan worden. Het verlangen naar deze informatie ligt ten grondslag aan de medewerking die een aantal onderzoekers aan het hier besproken project gegeven heeft.

Naar mijn mening is het een gelukkige gedachte geweest niet alleen een onderzoek in te stellen naar seksuele gedragingen maar ook naar seksuele opvattingen en idealen, dus naar attitudes. Uit gedragingen alleen zullen wij nimmer normen, gedragsregels kunnen opstellen. Wel is te verwachten dat grote verschillen tussen feitelijk gedrag en opgegeven idealen spanningen aan het licht brengen die waarschijnlijk op de duur tot wijziging van een van beide aanleiding zullen geven, maar hoe dit zal uitpakken is niet altijd te voorspellen. Dat vele weggebruikers vroeg of laat bij een verkeersongeval betrokken zullen raken, is statistisch exact vast te stellen. Toch zou het dwaasheid zijn te menen dat deze weggebruikers ook de wens daartoe koesteren. Evenmin is het logisch te veronderstellen dat degenen die een mislukte partnerkeuze te betreuren hebben daarmee bewijzen dat zij een andere vorm van regulatie der geslachtsbetrekkingen zouden voorstaan.

Het algemene patroon in onze samenleving is nog steeds, dat een man en een vrouw samen een huwelijk sluiten dat hen levenslang tezamen bindt en waarbinnen zij een gelukkige, ook seksuele verhouding trachten te bewerkstelligen. Hierbij komt dan tevens nog de gezamenlijk gedragen verantwoordelijkheid voor het vormen van een gezin met de, in die gemeenschap verwekte kinderen (Van Emde Boas).

Dat het hier geschetste ideaal door de meerderheid van onze landgenoten wordt onderschreven blijkt uit het hoofdstuk over buitenechtelijk geslachtsverkeer. Nog belangrijker is dat de jongste leeftijdsgroepen dit ideaal zeker zo duidelijk voor ogen hebben staan als de oudere generaties. Ook van een revolutie in de huwelijksvormen blijkt niets, hoezeer ook de mogelijkheden tot buitenechtelijk verkeer zijn toegenomen. Dat mannen tussen de 20 en 25 zelfs meer aanhangers

[p. 14]

van de strikte monogamie tellen dan de oudere mannen past bij de opvatting dat het ‘ideale’ huwelijk de jongste generatie zeker zo sterk voor ogen staat als dit de vorige generaties heeft gedaan.

Hoezeer volledig geslachtelijk verkeer (de coïtus) in verband gebracht wordt met een duurzame echtelijke verhouding blijkt ook uit het feit, dat voorechtelijk verkeer (dus met de mogelijk toekomstige partner) veel vaker wordt getolereerd dan buiten het huwelijk (dus in de vorm van echtelijke ontrouw).

Ook de onderzoekingen naar de opvattingen over abortus provocatus wijzen er niet op dat de jongere leeftijdsgroepen duidelijk ‘libertijnser’ zouden zijn dan de oudere.

Dat meer openheid in seksuele aangelegenheden, met name betere seksuele voorlichting door de ouders, zou leiden tot frequenter seksuele contacten voor het huwelijk, blijkt niet uit deze enquête. Er is zelfs een aanwijzing dat, althans bij de mannen, het tegendeel het geval is.

Dat in jongere gezinnen meer openheid over seksuele problemen bestaat dan in oudere gezinnen zal weinigen verbazen. Dat jongeren vaker zeggen dat hun ouders gelukkig gehuwd waren dan oudere bevolkingsgroepen is ook al geen argument om in grotere openheid in seksuele aangelegenheden gevaren voor de gezinsvorming en voor de hechtheid van het gezin te zien.

Overigens blijkt de zogenoemde openheid t.a.v. seksuele problemen nog niet zo ver te gaan als velen menen. Hoewel geboortenregeling door de meerderheid van het Nederlandse volk wordt aanvaard als in principe toelaatbaar of zelfs wenselijk blijkt de kennis van de bestaande methoden om tot dit doel te geraken nog veel te wensen over te laten.

Dit is een uiterst belangrijk gegeven, omdat hieruit blijkt dat de, volgens sommigen te ver gaande openheid over seksuele aangelegenheden, nog steeds niet geleid heeft tot de noodzakelijke feitenkennis om de ongewenste zwangerschap met alle, soms dramatische gevolgen daarvan, te voorkomen. Hierin ligt een aansporing om met alle kracht de zakelijke voorlichting en de praktische hulpverlening uit te breiden; vooral omdat vastgesteld is dat betere kennis van preventieve maatregelen de kans op een hoogst ongewenste zwangerschap en daarmee op abortus provocatus, doet verminderen.

[p. 15]

Juist in een tijdsbestel waarin zo velen pleiten voor uitbreiding van de mogelijkheid tot abortus provocatus is het van groot belang hierop te wijzen, temeer omdat de overgrote meerderheid van het Nederlandse volk sterk gekant blijkt te zijn tegen het afbreken van een eenmaal bestaande zwangerschap. Door enerzijds gebruik te maken van verbetering der nog onvoldoende toegepaste mogelijkheden tot preventie, en anderzijds van de in grote kring bestaande afkeer van de abortus provocatus als middel tot regeling van de gezinsgrootte en het scheiden van seksuele verlangens en het verlangen naar kinderen zou ons volk gespaard kunnen blijven voor de verschrikkelijke epidemie van zwangerschapsonderbrekingen die in Oost-Europa en Japan zulk een buitensporige vorm heeft aangenomen. Dat het vrijgeven van zwangerschapsafbreking thans in West-Europa niet tot dergelijke excessen zou leiden als in Oost-Europa is vaak gesuggereerd, maar de recente ontwikkeling in Engeland waar ieder kwartaal het aantal zwangerschapsafbrekingen met sprongen stijgt spreekt andere taal.

Hoezeer een onderzoek als in dit boek neergelegd, informatie biedt die, ondanks alle onvolkomenheden ervan, toch een andere en waarschijnlijk betere kijk geeft op de werkelijkheid dan de talrijke aprioristische meningsuitingen die wij in de pers in de vorm van ingezonden stukken en artikelen tegenkomen, blijkt uit het feit dat dikwijls als vanzelfsprekend wordt aangenomen dat de vrouw, die uiteraard meer dan de man lijdt onder de ongewenste zwangerschap - ook vaker dan de man de mogelijkheid tot het laten afbreken van een ongewenste zwangerschap zou voorstaan. Uit deze enquête blijkt het tegendeel het geval te zijn. Ten dele is dit terug te voeren op het feit dat vrouwen over de hele linie wat conservatiever zijn, trouwer aan overgeleverde normen en waarden. Maar is het zo boud te veronderstellen dat de gemiddelde vrouw de haar gegeven mogelijkheid om een kind ter wereld te brengen niet in de eerste plaats als een belasting maar veeleer als een creatieve mogelijkheid, als een voorrecht, ziet? En dat zij er zich, meer nog dan de gemiddelde man, tegen verzet dat deze wezenlijke creatieve functie, ook wanneer deze eenmaal in gang is gezet, naar de willekeur van het ogenblik kan worden voortgezet of afgebroken?

Dat er verschillen zijn in de wijze waarop mannen en vrou-

[p. 16]

wen zich gedragen en waarop zij over een groot aantal problemen denken, is bekend. Dat dit vooral ook zal gelden op het terrein van het geslachtsleven ligt voor de hand. Toch zijn veel onderzoekers, psychologen, sociologen en etnologen bij uitstek, ervan overtuigd, dat veel van deze verschillen tussen man en vrouw niet zozeer biologisch als wel voornamelijk cultureel bepaald zijn. Zij wijzen erop, dat vele verschillen tussen man en vrouw die door het grote publiek als onveranderlijk en aangeboren worden opgevat, in werkelijkheid tijdens de opvoeding worden aangeleerd en verworven.

Ongetwijfeld is het juist, dat in onze cultuur talrijke sexverschillen als vanzelfsprekend en onveranderlijk zijn beschouwd die nu geleidelijk beginnen te verdwijnen. Hierbij is vooral duidelijk dat het mannelijke superioriteitsgevoel samenhangt met een eenzijdige (mannelijke) kijk op de wereld en geleidelijk plaats gaat maken voor een mensbeschouwing waarin man en vrouw als volkomen gelijkberechtigd en gelijkwaardig naast elkaar geplaatst worden. Sommigen gaan zo ver, dat zij alle karakter- en geestesverschillen tussen man en vrouw als kunstmatig en als tijdens en door de opvoeding verworven willen zien. Als reactie op de situatie in de 19e eeuw, toen sommige auteurs er in alle ernst aan twijfelden of een vrouw tot logisch denken in staat was (getuige een ‘wetenschappelijk’ werk geheten Ueber den physiologische Schwachsinn des Weibes), toen velen van mening waren dat een fatsoenlijke vrouw geen vreugde mocht beleven aan de geslachtelijke vereniging, als reactie dus op het Victoriaanse tijdperk, is dit alles begrijpelijk en ook nuttig.

De vraag is echter, of men nu niet evenzeer gaat overdrijven en zelfs fundamentele biologische verschillen wil verdoezelen en wegpraten.

Het leidt toch immers geen twijfel dat er, juist en misschien wel uitsluitend op seksueel terrein verschillen bestaan tussen man en vrouw die niet weg te redeneren zijn. Dat deze verschillen kunstmatig, door culturele invloeden, kunnen worden versterkt (of tegengegaan) staat vast. Dat deze verschillen in de lichamelijke sfeer zonder enige invloed zouden blijven op de wijze waarop een menselijk wezen zich ontplooit lijkt onwaarschijnlijk. Niettemin past ons grote voorzichtigheid om verschillen die wij om ons heen in ‘man-

[p. 17]

nelijk’ en ‘vrouwelijk’ gedrag menen op te merken zonder meer als biologisch veroorzaakt op te vatten en men is gerechtigd zich de vraag te stellen of er wel biologisch gefundeerde gedragsverschillen tussen man en vrouw bestaan.

Welnu, ook in dit opzicht biedt de hier gehouden enquête wel een aantal feiten die het overdenken waard zijn.

Dat jongens aanzienlijk vaker dan meisjes tot zelfbevrediging komen, en er ook op jeugdiger leeftijd kennis mee maken, is moeilijk aan culturele invloeden toe te schrijven en zal ongedwongen kunnen worden toegeschreven aan verschillen in lichaamsbouw, m.a.w. aan biologische factoren. Dat ongeveer tweederde van alle ondervraagden van mening is, dat de behoefte aan geslachtsgemeenschap bij de man groter is dan bij de vrouw, terwijl slechts 1% van mening is dat de behoefte bij de vrouw groter zou zijn, zou cultureel bepaald kunnen zijn, maar in Nederland met zijn grote verscheidenheid van opvattingen en subculturen is een dergelijke eenstemmigheid van oordeel toch wel zeer merkwaardig. Wanneer wij er dan bij in beschouwing nemen dat deze mening over de hele wereld verbreid voorkomt, dan wordt het toch heel wat voor de hand liggender om hier aan biologische verschillen de grootste betekenis toe te kennen.

Vooral ook, omdat juist op dit terrein een grote overeenstemming bestaat tussen wat men denkt en wat men doet. Degenen die uit eigen ervaring spreken, komen tot dezelfde conclusies als degenen die het voornamelijk van horen zeggen hebben. Dat er fundamentele geslachtsverschillen bestaan tussen man en vrouw die tot verschillen in gedrag en denkbeelden aanleiding geven komt duidelijk naar voren. Dat deze verschillen door misverstanden en wanbegrip overdreven kunnen worden en daardoor tot onnodig verdriet aanleiding kunnen geven, is evident. Anderzijds houdt het tevens een waarschuwing in, om de fundamentele, biologische verschillen niet te veronachtzamen. Vooral ook dan niet, wanneer men er naar wil streven deze verschillen door culturele invloeden zoveel mogelijk op te heffen. Dat er uitgaande van fundamentele verschillen tussen man en vrouw vergaande beïnvloeding van deze verschillen mogelijk is door milieu, welstand, ontwikkelingsniveau, levensbeschouwing, godsdienst, en woonplaats, om maar enkele factoren te noemen, treedt duidelijk aan het licht en opent een uitgebreid arbeidsveld voor verdere studie.

[p. 18]

Samenvattend is te zeggen dat een enquête als hier beschreven, ondanks alle onvolkomenheden en onmiskenbare onbetrouwbaarheid, een uiterst waardevol hulpmiddel betekent voor al degenen die hun eigen ideeën en opvattingen omtrent seksuele gedragingen en attitudes willen toetsen aan de thans om hen heen bestaande werkelijkheid.

Verder roept dit onderzoek, zoals trouwens ieder wetenschappelijk onderzoek, een groot aantal nieuwe vragen op die tot verdere arbeid op dit nog zo weinig ontgonnen terrein kunnen stimuleren.

En tenslotte is er, alleen al door het feit, dat dit onderzoek mogelijk is gebleken een bewijs geleverd dat men zelfs op het moeilijk toegankelijk gebied van de intiemste tussenmenselijke betrekkingen samenhangen kan opsporen en bestuderen. Hierdoor kunnen op den duur wetmatigheden aan het licht gebracht worden, die voor opvoeders, zowel ouders als onderwijzers, tot de voor hen verplichte kennis zullen gaan behoren.

Dat langs deze wetenschappelijke weg ooit een patroon geweven zou kunnen worden voor de wijze waarop men zich behoort te gedragen is vanzelfsprekend een illusie. De wetenschap zal altijd onvolledig en onaf blijven en het, om met Wiersma te spreken, ‘hoogstens als een kenmerk van geestelijke volwassenheid kunnen beschouwen dat iemand, om der waarheid wille, bereid is in twijfel en onzekerheid te leven.’ Nooit zal, juist op het gebied van het streven, de ideaalvorming en het behoren, de wetenschap die volledigheid en de innerlijke zekerheid kunnen schenken die een wereldbeschouwing biedt. Maar wel mag geëist worden dat men in zijn wereldbeschouwing met de feiten van de wetenschap rekening houdt. Het hier aangeboden onderzoek zal het de lezers wat dat betreft, overigens niet erg moeilijk maken doordat vrijwel nergens van vaststaande feiten sprake is, hoogstens van waarschijnlijkheden en mogelijkheden.

 

prof. dr. g.j. kloosterman

prepostterug  begin  verder