terug  begin  verderprepost
[p. 57]

P.J.F. Dupuis
3. Potentie en behoefte aan geslachtsgemeenschap

Bij de bewerking van dit onderwerp is gebruik gemaakt van de antwoorden op de volgende vragen uit de mondelinge en schriftelijke enquête:

a. Mondeling. acht vragen naar de gebruikelijke opvattingen

‘Sommige mensen zijn van mening, dat mannen in het algemeen gesproken meer behoefte hebben aan geslachtsgemeenschap dan vrouwen, anderen daartegen vinden dat de behoefte aan gemeenschap bij vrouwen juist groter is dan bij mannen. Kunt U mij zeggen wat uw mening hierover is, ook al is het maar een algemene indruk?’
‘Denkt U dat er in het algemeen bij de meeste mannen een leeftijd komt, waarop de mogelijkheid om geslachtsgemeenschap te hebben sterk afneemt?’
‘Op welke leeftijd zal dit volgens U veelal het geval zijn?’
‘En hebt U het idee, dat er in het algemeen bij de meeste mannen een leeftijd komt, waarop de behoefte aan geslachtsgemeenschap sterk afneemt?’
‘Op welke leeftijd zal dit volgens U veelal het geval zijn?’
‘Hebt U het idee, dat er in het algemeen bij de meeste vrouwen een leeftijd komt, waarop de behoefte aan geslachtsgemeenschap sterk afneemt?’
‘Op welke leeftijd zal dit volgens U veelal het geval zijn?’
‘Denkt U, dat een vrouw die geen kinderen meer kan krijgen, dus die niet meer ongesteld wordt, volledig bevredigd kan worden bij geslachtsverkeer of is dit volgens U niet meer mogelijk?’

b. Schriftelijk. drie vragen naar de feitelijke gedragingen

‘Het aantal keren, dat man en vrouw geslachtsgemeenschap met elkaar hebben, loopt van huwelijk tot huwelijk sterk uiteen. Zoudt U hieronder willen aangeven, hoe vaak U de laatste tijd, in het algemeen gesproken, gemeenschap hebt (of had, als U nu niet meer getrouwd bent)?’

Vervolgens worden zeven verschillende mogelijkheden onderscheiden (zie tabel 7).

‘In hoeverre was U bevredigd, toen U de laatste keer met Uw man resp. vrouw gemeenschap had?’
[p. 58]

Drie mogelijkheden worden genoemd, volledig, niet volledig en helemaal niet bevredigd.

‘En in hoeverre denkt U, dat hij resp. zij toen bevredigd was?’

Er worden vier mogelijkheden genoemd, volledig, niet volledig, helemaal niet bevredigd of ik weet het niet.

 

Hoe dikwijls kan of mag - uit gezondheidsoogpunt gezien - geslachtsgemeenschap plaats vinden? Hierover zijn geen vaste regels te geven, aangezien de individuele behoefte en mogelijkheden zeer verschillen, afhankelijk o.a. van leeftijd, werkkring, klimaat, lichamelijke en geestelijke gezondheid. Ver doorgevoerde onthouding kan evenzeer schaden als bijzonder veelvuldig cohabiteren, en men doet er het best aan zich naar eigen behoeften en mogelijkheden te richten.

Daarnaast is het verschil in behoefte tussen de beide partners van belang, maar bij een goede instelling t.o.v. elkaar, levert de aanpassing in de regel niet al te veel moeilijkheden op. Het moeilijkst is het, als de behoeften van de vrouw die van de man overtreffen; in het omgekeerde geval kan de vrouw de coïtus min of meer passief ondergaan, aan zich laten plaats vinden, maar van de man wordt steeds actieve deelname gevergd: zonder het tot stand komen van een erectie is de coïtus nu eenmaal niet werkelijk mogelijk. Vandaar ook, dat in de enquête van mannen én vrouwen de behoefte is gepeild, maar alleen bij de man naar de vermogens, dat is de potentie, is gevraagd. Trouwens in dit verband is het tekenend dat het begrip potentie alleen bij de man bestaat.

Om de lezer enigszins een idee te geven over hoe men in de loop der eeuwen over de meest gewenste frequentie heeft gedacht - het is niet de bedoeling dat deze gegevens als een advies worden opgevat - volgen hier enkele bekende uitspraken: Mohammed schreef een interval van telkens acht dagen voor, Zaratoestra van negen, Socrates van tien. Luther gaf als normaal twee keer per week aan. In de Joodse wet van Mozes was de coïtus verboden tijdens de menstruatie en de week erna.

Naar moderne opvattingen is al datgene aanvaardbaar, wat beide partners, dan wel op z'n minst één van beiden - met

[p. 59]

welwillende instemming en eventueel medewerking van de ander - vreugde verschaft.

Een bestaand verschil in behoefte kan naar twee kanten worden opgevangen en behoort dat ook te worden. Het is onjuist hetzij de behoefte van de meest vragende, hetzij die van de minst vragende als norm te hanteren.

De vrouw die bemerkt dat haar man bereid is z'n verlangens in te tomen als zij overeenkomstige behoeften niet heeft en deze behoeften ook niet bij een voorzichtig lokkend voorspel krijgt, zal het omgekeerd haar man ook wel eens echt gunnen. Al zal dit niet de bevrediging en geluksbeleving schenvan een zelfde intensiteit als bij gemeenschappelijke beleving (zo al niet tegelijk dan toch niet te lang na elkaar) mogelijk is, toch kan het wel degelijk als geluk worden ervaren door beide partners.

Juist als men van elkaar houdt, mag men zich iets laten schenken door de partner, dat behoeft noch in strijd met een meestal mannelijk eergevoel noch fnuikend voor de trots te zijn: als het maar een kwestie is van liefhebbend geven en liefhebbend ontvangen en de richting van het geven en ontvangen niet steeds dezelfde is, maar voortdurend wisselt.

Het kwam al ter sprake dat van potentie alleen gesproken wordt bij de man en dat dan met name het vermogen tot erectie wordt bedoeld.

Het begrip bevrediging geldt voor beiden en heeft met opzet de voorkeur gekregen boven dat van orgasme, omdat het orgasme wel bij de man een scherp omlijnd begrip is, maar bij de vrouw allerminst. Na afloop van het tijdvak waarin aan de bevrediging van de vrouw weinig of geen aandacht werd geschonken - het gold integendeel tijden lang als strijdig met de eer en waardigheid van de vrouw, seksuele gevoelens te hebben - is de vrouw ten onrechte veel leed berokkend door haar te suggereren dat ze een bevrediging behoorde te beleven van het zelfde karakter als de man. De waarheid is dat het orgasme van de vrouw, zoals ten onzent o.a. Van Westerman Holstijn uitvoerig uiteengezet heeft, in zeer verschillende vormen tot uitdrukking kan komen, waaronder in een in hoofdzaak geestelijk gevoel van algeheel gelukzalig welbevinden gepaard met een lome blijmakende ontspanning. Er is geen enkele reden deze uitdrukkingswijze inferieur te achten aan het typisch aan de

[p. 60]

geslachtsorganen gebonden orgastisch beleven van de man, een vorm intussen, die óók bij de vrouw voorkomt, en niet eens zo zelden.

Vandaar dus dat in de enquête gevraagd is naar bevrediging, een begrip dat de diverse mogelijkheden in zich bergt en samenvat.

 

Bekijken we nu de resultaten van de mondelinge enquête, dan is het eerste wat in het verband met ons onderwerp opvalt, dat 57% van de mannen en zelfs 64% van alle vrouwen van oordeel zijn, dat gemiddeld de behoefte aan geslachtsgemeenschap bij de man groter is; 35% resp. 29% meent dat er geen wezenlijk verschil is en slechts 1% van mannen en vrouwen beide houden het er op dat de behoefte van de vrouw groter is (de rest weet het niet). Dit klopt met het beeld dat men al placht te hebben en als het zo zou zijn, is dat, zoals we zagen, in ieder geval veel eenvoudiger op te lossen, dan wanneer de behoefte van de vrouw die van de man overtreffen.

Waar meestal het oordeel op eigen ervaring berust, is het zeer wel aannemelijk dat de 1% uitzonderingshuwelijken betreft van mannen met een geringere en vrouwen met een sterke behoefte; het algemene beeld is intussen al duidelijk genoeg.

Men zou zich nog kunnen afvragen of deze 1% soms voornamelijk voorkomt in de groep van 50-64-jarigen: afnemende mogelijkheden van de man, terwijl de vrouw, bevrijd o.a. van de angst voor zwangerschap, relatief opbloeit. De beschikbare gegevens wijzen echter volstrekt niet in die richting, maar naar de groep van de 21-24-jarigen: zou hier de pil achter zitten? De steekproefaantallen laten evenwel geen vaste conclusies toe. Relatief minder mannen tussen 50 en 64 jaar zijn van mening, dat de behoefte van de man groter is. Een grote groep 50-64 jarigen meent dat er dan geen verschil is. Nivellering dus op latere leeftijd? De overeenkomstige vrouwengroep denkt er evenwel helemaal niet zo over, maar volgt het gemiddelde van alle vrouwen. Misschien hangt dit hiermee samen, dat de mannen het nog wel opbrengen en dat is wat de vrouwen merken, maar dat het voor hun eigen besef allemaal wat moeizaam gaat, wat meer inspanning kost.

[p. 61]

Vragen aangaande de potentie

Dit brengt er ons toe, de vragen aangaande de potentie nader te bekijken.

Allereerst de vraag:

Komt er in het algemeen bij de meeste mannen een leeftijd, waarop de potentie sterk afneemt?

Neen, antwoordt 16% van de mannen en 20% van de vrouwen, ja, 65% van de mannen, doch slechts 48% van de vrouwen. Inderdaad zien de mannen zelf de situatie somberder in dan de vrouwen, hetgeen voor de hand ligt. Waar het voor de vrouw nog gewoon lijkt, bespeuren de mannen zelf al een achteruitgang. Begrijpelijk is ook dat 19% van de mannen, doch 32% van de vrouwen, het niet weet.

Een grote meerderheid van de mannen en relatief de meeste vrouwen zijn van mening dat er een duidelijke achteruitgang van de potentie optreedt. Maar in welke leeftijdsperiode plaatst men die dan? Slechts één op de dertien mannen die vinden dat de potentie achteruit gaat plaatst deze al tussen 40 en 50 jaar, twee van de drie tussen 50 en 65 jaar en één op de vier daar boven. Van de 48% vrouwen, die het op een achteruitgang houden, ziet één op de twaalf dat vóór het 50e jaar gebeuren, zeven op de twaalf, ruim de helft dus, tussen het 50e en 65e jaar en één op de drie, één derde deel, boven de 65 jaar. Van alle mannen van 50-65 jaar, de leeftijdsperiode dus waarin de achteruitgang het meest gedacht wordt, meent 52% dat de teruggang juist in deze tijd optreedt. Van alle vrouwen van 50-65 jaar is slechts 31% van deze mening; terwijl zelfs 13% oordeelt dat de potentievermindering pas na de 70e verjaardag duidelijk wordt. Steeds dus dezelfde tendens: de vrouwen zijn als het ware eerder tevreden met de prestaties van de man dan de man zelf.

Potentie en behoefte bij de man

De gestelde vragen maken een vergelijking tussen potentie en behoefte bij de man en een vergelijking tussen de daarover heersende opvattingen bij mannen en vrouwen mogelijk. Bij al deze vragen gaat het niet om feiten, maar om meningen, om de met betrekking daartoe bestaande ideeën.

[p. 62]

Tabel 2. Mondelinge vraag 30-31: Denkt u dat er in het algemeen bij de meeste mannen een leeftijd komt, waarop de mogelijkheid om geslachtsgemeenschap te hebben sterk afneemt? Op welke leeftijd zal dit volgens u veelal het geval zijn?

Mannen naar leeftijd
Mannen totaal 21-24 jaar 25-34 jaar 35-49 jaar 50-64 jaar
in procenten
denkt niet dat de mogelijkheid bij de meeste mannen sterk afneemt 16   8   18   20   13  
geen mening 19   23   23   20   13  
denkt dat de mogelijkheid sterk zal afnemen bij de meeste mannen 65   69   59   60   74  
t/m 44 jaar   2   3   4   2   1
45 t/m 49 jaar   3   7   2   2   3
50 t/m 54 jaar   15   10   18   14   16
55 t/m 59 jaar   10   16   7   7   15
60 t/m 64 jaar   18   21   15   16   21
65 jaar of ouder   16   12   12   18   17
niet ingevuld   1   -   1   1   1
                     
totaal 100 65 100 69 100 59 100 60 100 74

Vrouwen naar leeftijd
Vrouwen totaal 21-24 jaar 25-34 jaar 35-49 jaar 50-64 jaar
in procenten
denkt niet dat de mogelijkheid bij de meeste mannen sterk afneemt 20   9   20   22   21  
geen mening 32   42   30   34   26  
denkt dat de mogelijkheid sterk zal afnemen bij de meeste mannen 48   49   50   44   53  
t/m 44 jaar   2   1   5   2   1
45 t/m 49 jaar   2   5   4   2   1
50 t/m 54 jaar   12   9   14   10   14
55 t/m 59 jaar   6   8   4   7   5
60 t/m 64 jaar   10   15   10   9   12
65 jaar of ouder   15   11   12   13   19
niet ingevuld   1   -   1   1   1
                     
totaal 100 48 100 49 100 50 100 44 100 53

[p. 63]

Uit de tabellen komt het volgende naar voren:

Potentie man Behoefte man
neemt niet af zegt: 16% mannen, 20% mannen,
  20% vrouwen 20% vrouwen
geen mening heeft: 19% mannen, 21% mannen,
  32% vrouwen 31% vrouwen
neemt wel af zegt: 65% mannen, 59% mannen,
  48% vrouwen 49% vrouwen
neemt wel af zegt  
de leeftijdsgroep van 50-64 j. 74% mannen, 66% mannen,
  53% vrouwen 52% vrouwen
neemt tussen de 50-65 j. af zegt: 43% mannen, 37% mannen,
  28% vrouwen 29% vrouwen
neemt boven de 64 j. af zegt: 16% mannen, 15% mannen,
  15% vrouwen 15% vrouwen

Uit de weergegeven meningen der mannen is af te leiden - vooral ook gelet op die van 50 jaar en ouder - dat de potentie in een aantal gevallen zou achterblijven bij de behoefte: ze voelen dan wel het verlangen naar de coïtus, maar zijn niet altijd in staat die tot stand te brengen.

 

Bekijken we nog even tabel 5 dan valt op, dat tegenover de 62% van de gehuwde mannen, die zegt dat de behoefte afneemt, van de ongehuwden slechts 48% die mening is toegedaan. Men zou zich kunnen afvragen in hoeverre eigen ervaring hier een rol speelt. De oudere ongehuwde is gemiddeld veel minder vaak in de gelegenheid die behoefte te bevredigen, maar merkt dan ook niet op dat het langer gaat duren voor de behoefte zich opnieuw openbaart. Een aanzienlijk groter percentage gehuwde dan ongehuwde vrouwen is de opvatting toegedaan, dat de behoefte van de man niet afneemt, 20% tegen 11%. Ik kan dit niet verklaren, ook niet als ik constateer dat de ongehuwde vrouw de afneming vooral na de 65 jaar acht plaats te vinden; 24%, tegen 14% van de gehuwden.

[p. 64]

Tabel 3. Mondelinge vraag 32-33: Hebt u het idee, dat er in het algemeen bij de meeste mannen een leeftijd komt, waarop de behoefte aan geslachtsgemeenschap sterk afneemt? Op welke leeftijd zal dit volgens u veelal het geval zijn?

Mannen naar leeftijd
Mannen totaal 21-24 jaar 25-34 jaar 35-49 jaar 50-64 jaar
in procenten
denkt niet dat de behoefte bij de meeste mannen sterk afneemt 20   18   18   24   18  
geen mening 21   31   26   18   16  
denkt dat de behoefte sterk zal afnemen bij de meeste mannen 59   51   56   58   66  
t/m 44 jaar   2   1   4   3   2
45 t/m 49 jaar   4   9   4   3   1
50 t/m 54 jaar   12   8   12   14   10
55 t/m 59 jaar   10   11   7   10   13
60 t/m 64 jaar   15   11   14   12   21
65 jaar of ouder   15   11   14   14   18
niet ingevuld   1   -   1   2   1
                     
totaal 100 59 100 51 100 56 100 58 100 66

Vrouwen naar leeftijd
Vrouwen totaal 21-24 jaar 25-34 jaar 35-49 jaar 50-64 jaar
in procenten
denkt niet dat de behoefte bij de meeste mannen sterk afneemt 20   11   22   21   19  
geen mening 31   36   28   32   29  
denkt dat de behoefte sterk zal afnemen bij de meeste mannen 49   53   50   47   52  
t/m 44 jaar   2   3   3   2   1
45 t/m 49 jaar   2   1   2   4   1
50 t/m 54 jaar   9   13   11   8   8
55 t/m 59 jaar   7   7   8   6   8
60 t/m 64 jaar   13   10   13   12   16
65 jaar of ouder   15   18   12   14   18
niet ingevuld   1   1   1   1   0
                     
totaal 100 49 100 53 100 50 100 47 100 52

[p. 65]

Tabel 4. Mondelinge vraag 34-35: Hebt u het idee, dat er in het algemeen bij de meeste vrouwen een leeftijd komt, waarop de behoefte aan geslachtsgemeenschap sterk afneemt? Op welke leeftijd zal dit volgens u veelal het geval zijn?

Mannen naar leeftijd
Mannen totaal 21-24 jaar 25-34 jaar 35-49 jaar 50-64 jaar
in procenten
denkt niet dat de behoefte bij de meeste vrouwen sterk afneemt 7   7   4   8   7  
geen mening 17   23   19   14   17  
denkt dat de behoefte sterk afneemt bij de meeste vrouwen 76   70   77   78   76  
t/m 44 jaar   8   6   12   9   4
45 t/m 49 jaar   15   18   15   16   13
50 t/m 54 jaar   34   28   38   33   33
55 t/m 59 jaar   9   9   5   11   10
60 t/m 64 jaar   7   7   5   4   12
65 jaar of ouder   2   2   2   3   3
niet ingevuld   1   -   0   2   1
                     
totaal 100 76 100 70 100 77 100 78 100 76

Vrouwen naar leeftijd
Vrouwen totaal 21-24 jaar 25-34 jaar 35-49 jaar 50-64 jaar
in procenten
denkt niet dat de behoefte bij de meeste vrouwen sterk afneemt 5   6   6   5   4  
geen mening 22   30   21   24   15  
denkt dat de behoefte sterk afneemt bij de meeste vrouwen 73   64   73   71   81  
t/m 44 jaar   8   5   11   9   5
45 t/m 49 jaar   15   16   16   15   12
50 t/m 54 jaar   32   22   31   31   38
55 t/m 59 jaar   10   8   6   9   14
60 t/m 64 jaar   6   8   5   5   8
65 jaar of ouder   1   2   3   1   2
niet ingevuld   1   3   1   1   2
                     
totaal 100 73 100 64 100 73 100 71 100 81

[p. 66]

Behoefte aan geslachtsgemeenschap van man en vrouw

Als volgende punt vergelijken we de gegevens van de behoefte aan geslachtsgemeenschap van man en vrouw:

Behoefte man Behoefte vrouw
neemt niet af zegt: 20% mannen, 7% mannen,
  20% vrouwen 5% vrouwen
geen mening heeft: 21% mannen, 17% mannen,
  31% vrouwen 22% vrouwen
neemt wel af zegt: 59% mannen, 76% mannen,
  49% vrouwen 73% vrouwen
neemt wel af zegt  
de leeftijdsgroep van 50-64 j.: 66% mannen, 76% mannen,
  52% vrouwen 81% vrouwen
neemt tussen de 45-49 jaar af zegt: 4% mannen, 15% mannen,
  2% vrouwen 15% vrouwen
neemt tussen de 50-64 jaar af zegt: 37% mannen, 50% mannen,
  29% vrouwen 48% vrouwen
neemt boven de 64 jaar af zegt: 15% mannen, 2% mannen,
  15% vrouwen 1% vrouwen

Typerend is allereerst, dat volgens 34% van de mannen en 32% van de vrouwen, de behoefte van de vrouw tussen de 50 en 55 jaar zou afnemen, precies de periode waarin gemiddeld het einde van de menstruatie valt: 51 jaar en 8 maanden.

Geen enkele andere vijf-jaar groep, noch bij de vrouwen, noch bij de mannen vertoont zo'n uitschieter (vergelijk de tabellen). Neemt men de periode tussen 45 en 55 jaar dan zijn de cijfers 49% resp. 47% dus nagenoeg de helft van alle ondervraagde mannen en vrouwen en twee derde van allen die geantwoord hebben.

Ook zijn maar weinig mannen en vrouwen van mening dat de behoefte van de vrouw niet achteruit gaat, terwijl degenen die menen dat wel van achteruitgang sprake is, die

[p. 67]

achteruitgang toch situeren beneden de 65 jaar. Bij de mannen situeert men de achteruitgang toch altijd nog voor 15% boven de 65 jaar, bij de vrouwen ongeveer slechts 1½%.

Over het tijdvak, waarin de behoefte bij de vrouw afneemt, zijn mannen en vrouwen het bijzonder eens, zoals de weergegeven cijfers aantonen.

Men beseffe goed dat het hier om de mening gaat over een bepaalde situatie, niet over die feitelijke situatie zelf. Maar van de 50-64-jarige vrouwen zegt 81% dat de behoefte van de vrouw afneemt, een mening die toch wel in belangrijke mate op ervaring zal stoelen. Het is een interessante vraag, in hoeverre een apart bejaardenonderzoek feiten aan de dag zal brengen, die met deze meningen overeenstemmen.

Intussen is het wel zaak, de hele kwestie van de behoefte van man en vrouw nader te overwegen. De cijfers zouden nl. kunnen doen veronderstellen dat de verschillende inzichten van man en vrouw, indien ze met de werkelijkheid overeenkomen, tot aanzienlijke spanningen, speciaal in het gevorderde huwelijk, zouden leiden; bij vrouwen zou al bij 15% verminderde behoefte optreden tussen 45-50 jaar, bij mannen nog slechts bij 2 à 4%; bij 15% van de mannen treedt pas vermindering op boven de 65 jaar, bij vrouwen nog maar bij 1 à 2%.

De gewichtigste kwestie in dezen is, of deze behoeftevermindering - zo ze een feit is - fysiologisch is, dan wel aangeleerd: of het zou zo horen. Te vaak vragen vrouwen de arts of het nog wel hoort, dat ze eenmaal onvruchtbaar geworden, vreugde blijven beleven aan de coïtus. Hierin ligt kennelijk nog iets van de naar ik hoopte grotendeels overwonnen idee, dat de coïtus alleen wordt gerechtvaardigd door de mogelijkheid tot voortplanting. Alle uitgebreide maatregelen ter voorkoming van zwangerschap ten spijt, lijkt dit nog een hardnekkig en ingeworteld taboe te zijn. Niet genoeg kan er daarom de nadruk op gelegd worden, dat in alle levensjaren de coïtus een eigen betekenis heeft als uitdrukking en bevestiging van wezenlijke liefdesverbondenheid.

En vooral ook moeten jongere mensen ophouden het gek te vinden, als oudere mensen nog seksuele verlangens blijken te kennen. Niet zelden wordt er door kinderen hevig spektakel gemaakt, als de alleen overgebleven ouder de wens te kennen geeft, resp. meedeelt, te gaan hertrouwen.

[p. 68]

Tabel 5. Mondelinge vraag 32 en 34: Hebt u het idee, dat er in het algemeen bij de meeste mannen een leeftijd komt, waarop de behoefte aan geslachtsgemeenschap sterk afneemt? Hebt u het idee, dat er in het algemeen bij de meeste vrouwen een leeftijd komt, waarop de behoefte aan geslachtsgemeenschap sterk afneemt?

Mannen naar burgerlijke staat Vrouwen naar burgerlijke staat
Mannen totaal gehuwd(geweest) ongehuwd Vrouwen totaal gehuwd(geweest) ongehuwd
in procenten
denkt niet dat de behoefte bij de meeste mannen sterk afneemt 20 19 25 20 20 11
geen mening 21 19 27 31 31 34
denkt dat de behoefte bij de meeste mannen sterk afneemt 59 62 48 49 49 55
totaal 100 100 100 100 100 100
             
denkt niet dat de behoefte bij de meeste vrouwen sterk afneemt 7 6 9 5 6 1
geen mening 17 16 22 22 21 24
denkt dat de behoefte bij de meeste vrouwen sterk afneemt 76 78 69 73 73 75
totaal 100 100 100 100 100 100

[p. 69]

Er is geen aanwijsbaar of ‘moreel verplicht’ einde van de geslachtelijke behoeften. Overigens berust op hoge leeftijd de wens te hertrouwen nog al eens voornamelijk op behoefte aan wat gezelligheid en wederzijdse verzorging.

Vergelijking tussen gehuwden en ongehuwden laat zien, dat bij de vrouwen slechts 1% van de ongehuwden van mening is, dat de behoefte bij de vrouw niet afneemt tegen 6% van de gehuwden, maar dit hangt voor een deel samen met een, begrijpelijk, geen mening hebben, 24% tegen 21%. Verder zijn de cijfers verrassend gelijk met één uitzondering: 18% van de ongehuwde vrouwen meent dat de behoefte tussen de 55 en 60 jaar afneemt tegen slechts 9% van de gehuwde vrouwen: is het mogelijk dat het gestimuleerd worden door de man hierbij een rol zou spelen, juist in deze jaren, waarin de vrouw van zichzelf geneigd is te denken, dat het afgelopen is. Want ook dat is een feit: veel vrouwen zijn bang, dat het einde van de menses ook het einde van de verlangens zal betekenen of ook dat ze dan zullen ophouden, aantrekkelijk te zijn voor hun echtgenoten.

 

Tegenover de 78% gehuwde mannen die van mening zijn dat de behoefte van de vrouw niet afneemt, staat een getal van 69% ongehuwde mannen, maar aangezien 6% méér ongehuwden geen mening heeft, is interpretatie van deze cijfers moeilijk.

In dit verband is van belang, hoe men denkt over de mogelijkheid voor een vrouw, die geen kinderen meer kan krijgen, om nog bevredigd te worden. (tabel 6). Mannen en vrouwen blijken daarover gelijkluidend te denken, of nu hun oordeel positief dan wel negatief is. Het is in zekere zin een verheugend teken, dat twee derde van alle ondervraagden positief antwoordt, maar dit percentage is altijd nog te laag. Te signaleren is nog, dat het antwoord minder vaak positief is naarmate de welstand afneemt, bij mannen en vrouwen beide. Toch nog een kwestie van voorlichting?

Samenvattend vertoont de publieke opinie enkele duidelijke trekken: ze houdt het erop dat vrouwen minder seksuele behoefte hebben dan mannen en dat haar behoefte vaker en eerder afneemt en dan met name omstreeks (in samenhang met?) het aflopen van de menstruaties.

[p. 70]

Tabel 6. Mondelinge vraag 36: Denkt u, dat een vrouw die geen kinderen meer kan krijgen, dus niet meer ongesteld wordt, volledig bevredigd kan worden bij geslachtsverkeer of is dit volgens u niet meer mogelijk?

Mannen Mannen naar welstandsklasse
totaal AB C D1 D2
in procenten
een vrouw die geen kinderen meer kan krijgen, kan wel volledig bevredigd worden 66 78 70 61 59
een vrouw die geen kinderen meer kan krijgen, kan niet volledig bevredigd worden 8 2 6 9 20
geen mening 26 20 24 30 21
           
totaal 100 100 100 100 100

Vrouwen Vrouwen naar welstandsklasse
totaal AB C D1 D2
in procenten
een vrouw die geen kinderen meer kan krijgen, kan wel volledig bevredigd worden 65 76 63 65 61
een vrouw die geen kinderen meer kan krijgen, kan niet volledig bevredigd worden 7 3 6 9 11
geen mening 28 21 31 26 28
           
totaal 100 100 100 100 100

[p. 71]

Tabel 7. Schriftelijke vraag 15: Het aantal keren, dat man en vrouw geslachtsgemeenschap met elkaar hebben, loopt van huwelijk tot huwelijk sterk uiteen (dat mannen/vrouwen geslachtsgemeenschap hebben, loopt van man tot man/vrouw tot vrouw sterk uiteen). Zoudt u hieronder willen aangeven, hoe vaak u de laatste tijd in het algemeen gesproken, gemeenschap hebt (of had, als u nu niet meer getrouwd bent)?

Mannen Vrouwen
gehuwd (geweest) ongehuwd gehuwd (geweest) ongehuwd
in procenten
a) wilt u de schriftelijke vragenlijst beantwoorden        
ja 93 99 93 79
neen 7 1 7 21
totaal 100 100 100 100
b) indien a) ja: heeft u geslachtsgemeenschap gehad?        
ja   48   14
neen   39   58
vraag niet beantwoord   12   7
totaal   99   79
c) indien b) ja (ongehuwd) of a) ja (gehuwd geweest) hoe vaak geslachtsgemeenschap?        
minder dan 1 keer per twee maanden 5 12 5 4
ongeveer 1 keer per maand 6 5 9 -
ongeveer 2 à 3 keer per maand 15 9 10 4
ongeveer 1 keer per week 23 11 21 4
ongeveer 2 keer per week 30 8 29 -
ongeveer 3 à 4 keer per week 9 2 9 -
5 keer of vaker per week 0 1 1 2
vraag niet beantwoord 5 - 9 -
         
totaal 93 48 93 41

[p. 72]

Het feitelijke gedrag van man en vrouw

Na kennis genomen te hebben van al deze meningen en opvattingen is het interessant na te gaan, in hoeverre het aangegeven feitelijke gedrag met deze opvattingen overeenkomt resp. er van afwijkt.

Allereerst bekijken we daartoe tabel 9 van de schriftelijke enquête, gedetailleerd naar burgerlijke staat, gehuwd (geweest) of ongehuwd en van hen die gehuwd (geweest) zijn ook nog gedetailleerd naar leeftijd. Van de gehuwden beantwoordt 7% van mannen en vrouwen de hele vragenlijst niet, terwijl 5% resp. 9% deze speciale vraag onbeantwoord laat; van de ongehuwden heeft 1% van de mannen, maar 21% van de vrouwen de hele vragenlijst onbeantwoord gelaten. Aan de hand van de overige gegevens willen we nagaan, of er aanwijzingen te vinden zijn, in welke richting de reden van het niet antwoorden moet worden gezocht: gebrek aan seksuele ervaring of weigering er voor uit te komen dat ze het wel hebben. 12% van de ongehuwde mannen en 7% van de ongehuwde vrouwen laat de vraag onbeantwoord of ze volledige geslachtsgemeenschap gehad hebben. Van alle gehuwden geeft 68% van de mannen en 60% van de vrouwen aan van 2 keer per week te cohabiteren tot 2 à 3 keer per maand met een top van 30 resp. 29% bij ongeveer 2 maal per week. Een hogere frequentie wordt gevonden bij 37% van de 21-24-jarige mannen, doch slechts bij 2% van de 50-64-jarige mannen: eveneens nog bij 2% van de 50-64-jarige vrouwen, van welke overigens 20% deze vraag onbeantwoord laat.

Opmerkelijk is dat bij 82% van de 21-24-jarige mannen en 78% van de 21-24-jarige vrouwen de frequentie tussen 1 en 4 maal per week ligt, waarbij de mannen het vaker op 3 à 4 maal houden, 37%, en de vrouwen op 2 maal nl. 40%. Dit zal gedeeltelijk verklaard kunnen worden doordat vele 21-24-jarige vrouwen getrouwd zullen zijn met 25-34-jarige mannen. De hoogste frequentie van de 25-34-jarige mannen ligt ook bij 2 keer per week, nl. 46%.

Enig uitsluitsel kan mogelijk de schriftelijke vraag geven, waarin geïnformeerd is naar het al dan niet bevredigd zijn bij de laatste coïtus.

80% van de gehuwde mannen gaven aan, de laatste maal volledig bevredigd te zijn, tegen 62% van de vrouwen.

[p. 73]

Tabel 8. Schriftelijke vraag 16: In hoeverre was u bevredigd, toen u de laatste keer met uw partner gemeenschap had?

Mannen gehuwd (geweest) totaal Mannen naar leeftijd gehuwd (geweest)
21-24 jaar 25-34 jaar 35-49 jaar 50-64 jaar
in procenten
was volledig bevredigd 80 85 84 83 73
was niet volledig bevredigd 7 9 7 4 10
was helemaal niet bevredigd 1 - 0 1 1
vraag niet beantwoord 5 - 1 5 8
schriftelijke vragenlijst          
niet beantwoord 7 6 8 7 8
totaal 100 100 100 100 100

Vrouwen gehuwd (geweest) totaal Vrouwen naar leeftijd gehuwd (geweest)
21-24 jaar 25-34 jaar 35-49 jaar 50-64 jaar
in procenten
was volledig bevredigd 62 69 74 62 48
was niet volledig bevredigd 15 15 15 16 14
was helemaal niet bevredigd 7 4 3 9 9
vraag niet beantwoord 9 5 2 6 21
schriftelijke vragenlijst          
niet beantwoord 7 7 6 7 8
totaal 100 100 100 100 100

Mannen gehuwd (geweest) totaal Mannen naar welstandsklasse gehuwd (ge