Bij het onderzoek hadden slechts twee vragen betrekking op ‘abortus’, nader toegelicht als ‘opzettelijke onderbreking van de zwangerschap’. De eerste vraag was:
Zijn er volgens u omstandigheden waaronder abortus zou moeten worden toegestaan?
De tweede vraag was:
Welke omstandigheden zouden dat dan kunnen zijn?
Wij zouden dus ook kunnen zeggen dat er maar één vraag gesteld werd die, indien zij positief beantwoord werd, nog gevolgd werd door een nadere uitwerking van dit antwoord.
Het blijkt dat 32% der mannen en 44% der vrouwen het afbreken van de zwangerschap onder alle omstandigheden afwijst. Dit is een hoog percentage wanneer wij het vergelijken met het resultaat van een onderzoek dat in 1967, in opdracht van de vara door het Bureau Intomart, werd verricht onder de Nederlandse huisartsen. Bij dit laatste onderzoek bleek dat 91% van de artsen redenen aanwezig achtten om tot afbreken van de zwangerschap over te gaan, wanneer het leven van de vrouw in gevaar werd gebracht door haar zwangerschap.
Hieruit valt te besluiten dat van de huisartsen slechts 9% abortus provocatus onder alle omstandigheden afwijst. Onder de niet-artsen zou dit percentage ruim 4 × zo hoog zijn en wel ± 38% (wanneer wij het gemiddelde nemen van het door mannen en vrouwen gegeven afwijzende antwoord). Toch zou het voorbarig zijn hieruit de gevolgtrekking te maken dat de artsenwereld ten aanzien van de abortus provocatus een liberaler standpunt in zou nemen dan het publiek. De werkelijkheid leert ons immers dat het omgekeerde het geval is. Telkenmale komen de artsen in Nederland in aanraking met patiënten die hemel en aarde bewe-
gen om een zwangerschapsonderbreking tot stand te laten brengen en er tenslotte, buiten de medische wereld om, in slagen om hun voornemen ook ten uitvoer te brengen.
Het vermoeden ligt dan ook voor de hand dat het afwijzende antwoord dat door ruim een derde der ondervraagden werd gegeven, voor een deel samenhangt met het feit dat zij met het probleem van de ongewenste zwangerschap minder intens geconfronteerd werden dan de huisartsen.
Het afwijzen van zwangerschapsonderbreking onder alle omstandigheden zou dan eerder opgevat moeten worden als een zedelijke veroordeling van de abortus zonder dat men voldoende feitenkennis bezit om zich uitzonderingen op die regel te kunnen voorstellen.
Voor deze opvatting pleit dat onder de artsen 78% abortus provocatus als zedelijk ontoelaatbaar beschouwde. Blijkbaar is dus onder de artsen de opvatting, dat het afbreken van een zwangerschap een zedelijk kwaad is dat nochtans bij uitzondering toelaatbaar is om een nog groter kwaad af te wenden, uiting van een genuanceerder oordeel dan bij het niet-medisch geschoolde publiek wordt aangetroffen.
Het is belangwekkend dat vrouwen de abortus provocatus vaker onder alle omstandigheden afwijzen dan mannen (44% tegenover 32%). Dit geldt bovendien voor alle leeftijdsgroepen van 25 jaar en ouder. Er is maar één leeftijdsgroep waarin de vrouwen iets toleranter staan tegenover abortus dan de mannen en dat is de groep van 21 tot 24 jaar. Terwijl vrouwen, naarmate zij tot hogere leeftijdsgroepen behoren steeds afwijzender blijken te staan t.o.v. abortus, is dit bij mannen veel minder duidelijk.
Het percentage der ondervraagden dat abortus onder alle omstandigheden afwijst:
| 21-24 jarigen | 25-34 jarigen | 35-49 jarigen | 50-64 jarigen | |
|---|---|---|---|---|
| mannen | 36 | 25 | 30 | 40 |
| vrouwen | 34 | 39 | 46 | 51 |
Soortgelijke verschillen komen aan 't licht wanneer wij nagaan welke omstandigheden door de ondervraagde personen wel als excuus voor een afbreken van de zwangerschap
werden aanvaard. Bijna twee derde (64%) van alle mannen is van mening dat er zulke situaties bestaan, terwijl slechts iets meer dan de helft (52%) van alle vrouwen dergelijke situaties erkent.
In het geheel werden een achttal redenen tot het verrichten van zwangerschapsafbreking genoemd. Bovenaan staat de situatie, waarbij voortgang van de zwangerschap gevaren voor de moeder met zich mee zou brengen (de zogenoemde medische indicatie). Van de mannen erkent 40% dit als een indicatie tot abortus, van de vrouwen 32%. Daarna komt aanranding of verkrachting, waarin 14% der mannen en 10% der vrouwen een aanleiding ziet tot abortus provocatus.
Op de derde plaats komt de groep van sociale indicaties, die door 12% der mannen en 10% der vrouwen wordt erkend. De vierde plaats wordt ingenomen door situaties, waarin de (ongehuwde) moeder door haar vriend in de steek wordt gelaten of om andere redenen niet met hem kan trouwen. Van de mannen ziet 10% hierin een reden tot abortus, van de vrouwen 9%.
De eugenetische indicatie (erfelijke belasting, kans op gehandicapped kind) werd door 7% der mannen en 5% der vrouwen als een reden opgegeven en komt hierdoor op de vijfde plaats.
Prille jeugd van de a.s. moeder wordt door 5% der mannen en vrouwen als argument aanvaard (zesde plaats).
Op de zevende plaats komt het niet kunnen of willen aanvaarden van de zwangerschap door de a.s. moeder. Terwijl 4% der mannen geneigd is dit als een argument te aanvaarden is dit slechts bij 1% der vrouwen het geval.
Financiële redenen komen op de laatste plaats. Terwijl 3% van alle mannen hierin nog een argument kan zien, is dit slechts bij 1 op de 100 vrouwen het geval.
Alles bijeen komt uit deze antwoorden toch wel een groot respect voor de zwangerschap, c.q. het ongeboren kind, naar voren. Immers, ook de voorstanders van ‘abortus onder speciale omstandigheden’ geven er blijk van dat zij over het algemeen ernstige en vrij uitzonderlijke omstandig-
heden pas als motief wensen te erkennen.
Het afbreken van een zwangerschap om economische redenen of omdat de zwangere vrouw haar graviditeit niet wenst te aanvaarden wordt slechts door een zeer kleine minderheid als deugdelijk argument aanvaard (7% der mannen, 2% der vrouwen).
Verder blijkt telkens weer dat dit respect voor de zwangerschap bij de vrouwen groter is dan bij de mannen. Dit is vooral daarom zo interessant omdat dikwijls in openbare debatten wordt gesuggereerd dat een liberalisatie van de abortuswetgeving vooral een zaak zou zijn die de positie van de vrouw zou versterken en haar emancipatie zou bevorderen. Het is toch immers in de eerste plaats de vrouw, die met de gevolgen van de ongewenste zwangerschap wordt geconfronteerd? Niettemin blijkt de man duidelijk meer geneigd om een eenmaal tot stand gebrachte zwangerschap weer af te breken dan de vrouw. Zelfs indien de zwangerschap de vrouw met geweld is opgedrongen, zoals bij verkrachting, is zij duidelijk minder geneigd om dit als argument voor provocatio abortus te aanvaarden dan de man. De differentiatie naar welstandsklasse leert ons dat er over het algemeen een tendens tot grotere liberalisatie optreedt bij toenemende welvaart. Het percentage vrouwen dat abortus onder alle omstandigheden afwijst daalt van 49 tot 32 bij toenemende welstandsklasse; voor de mannen zijn die cijfers resp. 35 en 22. Anders gezegd; bij toenemende welvaart aanvaarden zowel mannen als vrouwen steeds meer redenen om een zwangerschap als dusdanig ongewenst te beschouwen dat zij tot afbreking ervan zouden willen overgaan.
Deze tendens is in bijna alle ondergroepen van indicaties tot abortus terug te vinden; steeds weer blijkt dat de toenemende welvaart, zowel bij mannen als bij vrouwen tot grotere liberalisatie leidt. Het heeft dan ook weinig zin deze groepen van indicaties hier afzonderlijk te gaan bespreken. Er zijn slechts enkele uitzonderingen, die daarom de moeite van het vermelden waard zijn.
Financiële redenen worden in de groep van de laagste welstand (D2) nimmer als argument tot abortus beschouwd. Dit is volledig in overeenstemming met datgene wat wij op mondiale schaal kunnen waarnemen. Armoede vormt nimmer een argument tot geboortenbeperking. In de armste
landen treft men de hoogste geboortencijfers aan. Pas stijgende welvaart vormt een prikkel tot geboortenbeperking. Bij vrouwen gaat in onze enquête die tendens door tot de hoogste welvaartsgroep; bij mannen vinden we daarentegen dat in de hoogste welvaartsgroep dit argument vrijwel verdwenen is.
Het accepteren van abortus om financiële redenen in de verschillende welvaartsklassen;
| AB | C | D1 | D2 | |
|---|---|---|---|---|
| mannen | 1 | 5 | 3 | - |
| vrouwen | 5 | 2 | 2 | - |
Ook al zijn de getallen klein, zij suggereren toch dat in de hoogste welvaartsgroep de inzichten van man en vrouw uiteen gaan lopen. De man accepteert financiële overwegingen vrijwel niet meer als argument voor abortus wanneer zijn financiële positie zeer gunstig is geworden; de vrouw daarentegen wordt voor dit argument juist gevoeliger naarmate haar financiële positie gunstiger wordt.
De tweede uitzondering op de algemene tendens treffen wij aan bij de houding t.o.v. de in de steek gelaten, ongehuwde vrouw. Terwijl de mannen hierbij de algemene tendens (toenemende liberalisatie bij stijgende welvaart) blijven volgen, gedragen de vrouwen zich juist omgekeerd. Naarmate hun welvaartsgraad stijgt, komen zij afwijzender te staan tegenover het afbreken van de zwangerschap bij deze categorie.
Ongehuwde, in de steek gelaten vrouw als argument voor abortus provocatus, gedifferentieerd naar welvaartsklasse:
| AB | C | D | D2 | |
|---|---|---|---|---|
| mannen | 9 | 6 | 5 | 4 |
| vrouwen | 3 | 5 | 4 | 8 |
Het probleem van de in de steek gelaten ongehuwde zwangere vrouw schijnt de mannen meer aan te spreken naarmate zij tot een hogere welvaartsklasse behoren, terwijl het bij de vrouwen juist andersom is. Bij hen wordt het mededogen met de in de steek gelaten seksegenoot juist geringer naarmate hun welvaart stijgt.
Het ligt voor de hand de betekenis van het kerkgenootschap hoog aan te slaan bij een probleem dat zo sterk verweven is met wereldbeschouwelijke aspecten. Van te voren was te verwachten dat zeker het r.-k. volksdeel een sterker afwijzend standpunt in zou nemen dan de andere groeperingen van de Nederlandse bevolking. Inderdaad komt dit verschil ook uit de getallen naar voren, zij het minder sterk dan althans ik gedacht had.
Afwijzing van abortus onder alle omstandigheden, gerangschikt naar kerkgenootschap;
| r.-k. | n.-h. | geref. | andere | geen | |
|---|---|---|---|---|---|
| mannen | 43 | 31 | 24 | 34 | 25 |
| vrouwen | 53 | 41 | 46 | 47 | 34 |
Hieruit blijkt dat het verschil tussen r.-k. en geen godsdienst, mannen en vrouwen tezamen genomen, 19% bedraagt ter wijl het verschil tussen mannen en vrouwen ruim 10% bedraagt. Nog opvallender is dat in de gereformeerde bevolkingsgroep het verschil tussen mannen en vrouwen 22% bedraagt, dus nog groter is dan het verschil tussen r.-k. en geen godsdienst. Anders gezegd: binnen het gereformeerde volksdeel beïnvloedt het sekseverschil het oordeel over de toelaatbaarheid van abortus sterker dan het meest extreme verschil in godsdienst (r.-k. tegenover geen godsdienst) dit doet voor de Nederlandse bevolking in haar geheel.
Vermelding verdient dat bij het r.-k. bevolkingsdeel het percentage twijfelaars, zowel bij mannen als bij vrouwen, duidelijk het grootst is (7%). De minste twijfel over het in te nemen standpunt vinden wij bij gereformeerde vrouwen (1%). Wanneer wij dan de rubrieken beschouwen die door de geënquêteerde als redenen werden erkend om wel tot zwangerschapsonderbreking over te gaan, dan vinden wij steeds weer dezelfde tendens terug: vrouwen zijn terughoudender dan mannen met het aanvaarden van abortus, r.-k. zijn terughoudender dan leden van andere kerkgenootschappen of personen die geen deel uitmaken van enig kerkgenootschap.
Er zijn slechts enkele kanttekeningen te maken. Gereformeerde mannen zijn duidelijk liberaler in hun standpunt t.o.v. abortus dan leden van andere godsdiensten en nemen zelfs nog iets minder vaak een strikt afwijzend standpunt in dan mannen zonder een kerkgenootschap (24 tegenover 25%). De neiging om abortus gerechtvaardigd te achten treedt bij gereformeerde mannen vooral duidelijk aan het licht bij de volgende situaties: indien de zwangerschap medische risico's voor de vrouw met zich meebrengt en bij aanranding of verkrachting. Zij zijn daarentegen extreem weinig geneigd abortus toe te staan wanneer:
| a. | de vrouw het kind niet wenst te accepteren; |
| b. | bij erfelijke belasting; |
| c. | om financiële redenen (hierin zien gereformeerde mannen, evenals geref. vrouwen zelfs nimmer een reden); |
| d. | wanneer de (ongehuwde) vrouw niet kan trouwen. |
Misschien is het toelaatbaar deze gegevens alsvolgt te interpreteren: wanneer de zwangerschap de vrouw persoonlijk bedreigt en tot stand is gekomen zonder dat haar daar enig verwijt van gemaakt kan worden, dan is de gereformeerde man bij uitstek geneigd haar van deze zwangerschap te bevrijden. Hij staat onder die omstandigheden zelfs liberaler tegenover het tot stand brengen van abortus dan de mannen die tot geen kerkgenootschap behoren.
Ten aanzien van de levensbedreigende zwangerschap wordt deze houding ook bij de gereformeerde vrouw aangetroffen. Ook zij is, vaker nog dan de vrouw zonder kerkgenootschap geneigd hierin een indicatie tot abortus te zien. Ten aanzien van de aanranding deelt zij de opvattingen van haar echtgenoot niet. Zij ziet in aanranding zelfs minder vaak een indicatie dan haar seksegenoten van alle andere groeperingen. Tegenover het probleem van de aanranding staat de gereformeerde man naïever, de gereformeerde vrouw argwanender dan alle andere bevolkingsgroepen.
Ook deze tabellen leren ons wederom dat de man in alle ondergroepen toegeeflijker staat tegenover het probleem van de abortus dan de vrouw. Verder dat het huwelijk op man en vrouw over het algemeen een tegengesteld effect
uitoefent (beter gezegd: met een tegengesteld effect gepaard gaat). De gehuwde man staat namelijk over het geheel genomen wat toegeeflijker tegenover abortus dan de ongehuwde man (64% tegenover 59%), terwijl bij de vrouw in nog wat sterkere mate het omgekeerde het geval is. Het zijn juist de gehuwde vrouwen die veel vaker dan de ongehuwde vrouwen abortus afwijzen (45% tegen 33%).
Dat het huwelijk zowel mannen als vrouwen dwingt tot stellingname blijkt uit het feit dat het percentage mannen dat hierover geen mening had voor de gehuwden 4% en voor de ongehuwden 6% bedroeg. Bij de vrouwen was dit verschil nog sterker (4% tegen 10%).
De hierboven reeds gesignaleerde tendens dat gehuwde mannen toegeeflijker en gehuwde vrouwen juist terughoudender zijn tegenover abortus provocatus blijkt ook telkens weer naar voren te komen in de subgroepen. Veelal ligt het oordeel van de gehuwde man en van de ongehuwde vrouw én van de ongehuwde man en de gehuwde vrouw dicht bij elkaar.
Er zijn slechts enkele uitzonderingen op deze regel; uitzonderingen, waarbij plotseling de gehuwde mannen en vrouwen wel een saamhorigheid tonen, die hen van de ongehuwden onderscheidt. Dat zij vaker dan de ongehuwden een oordeel hebben, noemden wij hierboven al. Verder blijken zij ook vaker een open oog te hebben voor de belasting die een kind met mogelijke erfelijke afwijkingen kan vormen; en voor de problemen waarmee de ongehuwde vrouw wordt geconfronteerd door een zwangerschap.
Het ligt voor de hand te veronderstellen dat eigen levenservaring, confrontatie met zelf doorleefde zorgen en angsten het oordeel in deze richting heeft beïnvloed. Als deze interpretatie juist is, dan is het tevens een waarschuwing om de betekenis van de gegeven antwoorden niet al te hoog aan te slaan. Zij gelden als richtlijnen die gemakkelijk gehandhaafd kunnen worden wanneer er geen crisissituatie ontstaat. Of zij ook stand zullen houden wanneer zich een dergelijke crisissituatie voordoet, is veel moeilijker er uit af te leiden. Wat mij uit deze getallenreeks het meest getroffen heeft is, dat de bevolkingsgroep die het meeste kans loopt op zwangerschap, de gehuwde vrouw, abortus het sterkst afwijst en over het algemeen ook de minste redenen ziet van
alle vier categorieën om de zwangerschap af te breken bij dreigend levensgevaar van de moeder, bij armoede en andere sociale problematiek. En toch blijkt uit alle statistieken dat het juist de gehuwde vrouw is, die het vaakst tot abortus provocatus komt (al moet toegegeven worden dat er zich de laatste jaren, waarschijnlijk onder invloed van de betere anticonceptiemogelijkheden een verschuiving naar de jonge, ongehuwde vrouw begint af te tekenen). Duidelijk is dat de gehuwde vrouw, de bevolkingsgroep die het meest bij het probleem betrokken is, er het beste over oordelen kan, er het meeste over zal hebben nagedacht (en er het vaakst toe overgaat) juist de meeste reserves heeft t.o.v. de provocatio abortus. Wanneer wij dan zien dat de gehuwde man juist het meest liberale standpunt inneemt van alle 4 groepen, dan pleit dit er sterk voor - en dit is mij als gynaecoloog al vaak opgevallen - dat de drang tot volledig vrijgeven van abortus veel vaker van de man dan van de vrouw uitgaat.
De invloed van de woonplaats, van het sociaal-ruimtelijk milieu, vertoont weinig bijzonderheden die niet vrijwel iedere lezer had kunnen voorspellen. Dat in de grote steden de meest liberale instelling wordt aangetoffen, en op het platteland de meest behoudende, had iedereen verwacht.
Abortus onder geen omstandigheden:
| agglomeraties | overige steden | platteland | |
|---|---|---|---|
| mannen | 23 | 34 | 37 |
| vrouwen | 32 | 47 | 49 |
Dit is ook in overeenstemming met de cijfers over illegale abortus provocatus zoals die door het Ned. Huisartsen Genootschap in de drie noordelijke provincies zijn verzameld en waar men in de steden 2% en op 't platteland 0,3% abortus provocatus vond (berekend op 't totale aantal bevallingen). Tevens vormen deze cijfers een sterk argument om de in Amsterdam gevonden cijfers voor abortus provocatus niet representatief te achten voor heel Nederland.
De auteurs die dit wel doen (De Winter) komen daardoor
ongetwijfeld tot veel te hoge cijfers voor Nederland.
Een nadere beschouwing van de ondergroepen waarin de situaties zijn samengevat waarin men wel tot zwangerschapsonderbreking meent te moeten besluiten, levert weinig bijzonderheden op. Steeds worden de reeds bekende tendensen weer bevestigd: vrouwen zijn terughoudender dan mannen; op het platteland is men het behoudendst, in de grote steden het meest liberaal. Op deze algemene regel zijn vrijwel geen uitzonderingen, of het moet zijn dat men aanranding in de kleinere steden iets vaker een indicatie acht dan in de grote steden of op 't platteland. Opvallend is dat plattelandsvrouwen in de prille jeugd van de a.s. moeder vrijwel nooit een indicatie tot abortus zien (1%), terwijl hun zusters uit de grote steden dit relatief vaak als argument beschouwen (11%).
Samenvattend komt uit de hier bijeengebrachte gegevens naar voren, dat bij de overgrote meerderheid van de ondervraagden - dus mogen wij ook schrijven: bij de meerderheid van het Nederlandse volk - respect voor de zwangerschap bestaat. De opvatting dat de zwangerschap een toestand is die de vrouw naar eigen goedvinden kan laten voortbestaan of kan laten beëindigen vindt vrijwel geen verdedigers en nog veel minder verdedigsters. De opvatting daarentegen dat de vrouw de zwangerschap onder alle omstandigheden moet aanvaarden vindt vrij veel verdedigers (32%) en nog meer verdedigsters (44%). Opvallend is ook dat dit verschijnsel (het in principe sterk afwijzend staan tegen abortus) wel enigszins wordt beïnvloed door leeftijd, sekse, godsdienst, welstandsniveau en leefmilieu, maar dat deze invloed toch nergens tot extreme wijzigingen in de algemene, afwijzende tendens aanleiding geven. In geen enkele subgroep komt het tot een aanvaarding van abortus ‘op verzoek van de vrouw zonder meer’ bij meer dan 10% van de ondervraagden. Het volledig afwijzende standpunt van abortus komt in de meest liberale groep (mannen, woonachtig in een der drie grote steden) toch altijd nog in 21% voor, terwijl het hoogste percentage (59%) bij de vrouwen uit Noord en Zuid-Nederland wordt gevonden.
De vraag is echter hoeveel waarde nu gehecht mag worden aan deze uitspraken. Zeer vele ondervraagden hebben de situatie waarin de drang tot abortus het sterkst opkomt, nl. de situatie waarin een hoogst ongewenste zwangerschap zich aankondigt, niet zelf beleefd. Het risico dat hierbij antwoorden worden gegeven die eerder ontleend zijn aan algemene gedragsregels dan aan persoonlijke stellingname is bij abortus natuurlijk veel groter dan bij de andere vragen.
Hoeveel mensen, die nu gezegd hebben abortus onder alle omstandigheden af te wijzen, ook nimmer tot abortus zullen besluiten wanneer zij een zeer benarde situatie doormaken of van zeer nabij zien doormaken, valt uiteraard niet te voorspellen. De verschillen die er bestaan tussen de hier gegeven antwoorden en de antwoorden die naar voren kwamen bij een aantal enquêtes onder medici, doen vermoeden dat de grote terughoudendheid t.o.v. abortus provocatus voor een deel voortkomen uit het feit dat vele der ondervraagden de hier ter sprake gebrachte problematiek niet uit eigen levenservaring kennen.
Anderzijds is het toch minstens even opmerkelijk dat in alle geënquêteerde groeperingen alleen maar gepleit wordt voor een genuanceerde benadering.
Voorstanders van liberalisering zullen er op kunnen wijzen dat het, bij een grotere bereidheid van de medische wereld om tot zwangerschapsonderbreking over te gaan, in Nederland niet tot dergelijke excessen zal komen als bijv. in Hongarije, waar het aantal zwangerschapsonderbrekingen het aantal pasgeborenen thans verre overtreft.
Tegenstanders van liberalisering zullen uit deze enquêteresultaten het argument kunnen putten dat zij in hun afwijzen van zwangerschapsonderbreking een gevoelen vertolken dat bij het Nederlandse volk in al zijn geledingen door de meerderheid wordt aangehangen.
Literatuur bij dit hoofdstuk:
Ongewenste zwangerschap. Een onderzoek onder Amsterdamse huisartsen door h.o. sigling, huisarts te Amstelveen.
Enquêtebureau Intomart in Hilversum, in opdracht van de vara, uitzending 30-6-1967.
Enquête Ned. Huisartsen Genootschap in Friesland, Groningen en Drente; oktober 1968.
p.e. treffers, Abortus provocatus en anticonceptie, Diss. A'dam 1965.
e.r. de winter. Abortus Provocatus, Deventer 1966.