terug  begin  verderprepost
[p. 127]

Dr. B.S. Witte
8. Homoseksualiteit

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt niet ingegaan op het ontstaan van de homoseksuele gerichtheid. De aandacht richt zich op het vóórkomen ervan en op de houding van de samenleving hiertegenover.

Uit de thans beschikbare cijfers blijkt dat de homoseksuele gerichtheid een zeer veel voorkomend verschijnsel is - ook onder vele gehuwden. De uitkomsten over de houding tegenover de homoseksuele gedragsvorm tonen een veelal tolerante houding. Omtrent de aard van deze tolerantie blijven we evenwel nog onzeker. Belangrijk is ook de toch nog grote groep die zich negatief opstelt. In dit hoofdstuk wordt gesteld dat een emotionele negatieve houding tegenover homoseksualiteit een stukje geestelijke ongezondheid impliceert.

In het onderzoek werden drie vragen opgenomen die betrekking hadden op homoseksualiteit, d.i. het zich seksueel aangetrokken voelen tot iemand van hetzelfde geslacht. Er is gevraagd naar de eigen seksuele gerichtheid; - naar de mening over homoseksualiteit en of c.q. de mate waarin men homoseksuelen kende. We zouden graag meer vragen aan het onderzoek hebben toegevoegd. Dit zou evenwel een geheel aparte vragenlijst hebben gevergd. En dat gaf tal van praktische en financiële bezwaren.

De geselecteerde vragen hebben toch reeds een aantal belangrijke gegevens opgeleverd. We zullen die gegevens hier vermelden en ze tevens als aanknopingspunten gebruiken voor een aantal opmerkingen. Voor zover mogelijk zullen we enkele resultaten van andere onderzoekingen uit binnen - en buitenland erbij betrekken.

Vooraf dient duidelijk te worden gesteld dat de lezer in dit hoofdstuk geen antwoord zal vinden op de vraag hoe de homoseksuele gerichtheid ontstaat. In de wetenschappelijke wereld tast men daarover nog in het duister, hoewel er mogelijke verklaringsgronden worden genoemd. We zullen die later nog kort aanduiden.

[p. 128]

Wij zullen ons vooral richten op het vóórkomen van de homoseksuele gerichtheid, op de houding van de samenleving tegenover dit fenomeen en op de gevolgen van deze houding voor de homoseksueel. Ten aanzien van deze punten ontstaat langzamerhand meer inzicht. Niet in het minst dank zij het feit dat ook de gedragswetenschappen zich met de seksualiteit zijn gaan bezig houden. Seksuologie is geen uitsluitend medische aangelegenheid meer. Naast de klinische onderzoekingen naar de oorsprong en de eventuele verandering van de homoseksuele gerichtheid is er thans in Nederland ook onderzoek gaande naar de houding van de samenleving tegenover homoseksualiteit en de levensgeschiedenis van homoseksuelen (Stichting Onderzoek Minderheden), het aanvaardingsproces van jongere homoseksuelen (Sociaal Psychologisch Instituut te Groningen) en de beroepsgeschiedenis van een aantal homoseksuelen (Sociaal Psychologisch Instituut te Groningen.) en het functioneren van jongerensociëteiten voor homoseksuelen (Nederlands Instituut voor Sociaal Seksuologisch Onderzoek). De resultaten van deze onderzoekingen komen over enige tijd ter beschikking.

Het onderhavige onderzoek was ook een gedragwetenschappelijk project. Hier volgen de resultaten voor wat betreft de vragen over homoseksualitiet.

Het vóórkomen van homoseksualiteit

Bij het onderzoek is gevraagd of men zich in de puberteit lichamelijk voelde aangetrokken tot iemand van hetzelfde geslacht.

De uitkomsten waren als volgt (zie ook tabel 14):

18% Van de gehuwde mannen voelde zich in de puberteit vaak of soms (respectievelijk 5% en 13%) lichamelijk aangetrokken tot iemand van hetzelfde geslacht.

 

13% Van de gehuwde vrouwen voelde zich in de puberteit vaak of soms (respectievelijk 3% en 10%) lichamelijk aangetrokken tot iemand van hetzelfde geslacht.

 

22% Van de ongehuwde mannen voelde zich in de puberteit vaak of soms (respectievelijk 9% en 13%) lichamelijk aangetrokken tot hetzelfde geslacht.

[p. 129]

12% Van de ongehuwde vrouwen voelde zich in de puberteit vaak of soms (respectievelijk 2% en 10%) lichamelijk aangetrokken tot iemand van hetzelfde geslacht.

N.B.a. 3% Van de gehuwde vrouwen heeft deze vraag niet willen beantwoorden.
b. Vooral de jongere leeftijdsgroep schijnt zich dergelijke gevoelens te kunnen herinneren.

Als men deze percentages omrekent dan blijkt dat meer dan één miljoen van de huidige Nederlanders tussen 20 en 65 jaar zich in hun puberteit vaak of soms lichamelijk aangetrokken hebben gevoeld tot iemand van hetzelfde geslacht. Men mag hieruit afleiden dat dergelijke gevoelens niet zo uitzonderlijk zijn. (Als we het percentage omrekenen voor de huidige Nederlandse bevolking van 10 tot 19 jaar dan zullen op dit ogenblik ongeveer 300.000 van deze jongeren zich

Tabel 14. Schriftelijke vraag 5: Jongens/meisjes in de tienerleeftijd (dus zo van 13 tot en met 18 jaar) maken vaak een tijd mee, waarin zij zich lichamelijk voelen aangetrokken tot andere jongens/meisjes. Is dit bij u ook het geval geweest?

Mannen Vrouwen
gehuwd (geweest) ongehuwd gehuwd (geweest) ongehuwd
in procenten
ja, dat was vaak het geval 5 9 3 2
ja, dat was een enkele keer het geval 13 13 10 10
neen, dat is nooit het geval geweest 75 77 77 67
vraag niet beantwoord - - 3 -
schriftelijke vragenlijst niet ingevuld 7 1 7 211
totaal 100 100 100 100

[p. 130]

vaak of soms lichamelijk voelen aangetrokken tot hetzelfde geslacht).

In buitenlandse onderzoekingen is gevraagd of men ooit homoseksuele contacten heeft gehad. Volgens Kinsey18 heeft iedere derde man (37%) en iedere achtste vrouw (13%) minstens éénmaal homoseksueel contact gehad. Voor ongehuwde mannen meldt Kinsey 51% en voor ongehuwde vrouwen 25%. Volgens Giese en Schmidt19 heeft 19% van de Duitse mannelijke studenten en 4% van de Duitse vrouwelijke studenten minstens één homoseksuele ervaring gehad vóór hun 20e jaar.

Deze uitkomsten zijn niet helemaal te vergelijken met de thans voor Nederland vergaarde gegevens. Er werd hier gevraagd naar een zich lichamelijk aangetrokken voelen, - dat hoeft nog geen lichamelijk contact te impliceren.

Omgekeerd behoeft lichamelijk contact nog niet per se een zich lichamelijk aangetrokken voelen te betekenen.

 

De Nederlandse vraag was weinig bedreigend. Er werd gevraagd naar gevoelens in een voorbije periode; bovendien betrof het een periode - de puberteit - waarin men ‘gekke dingen’ gedaan mag hebben. Dit zal de betrouwbaarheid van de antwoorden gunstig beïnvloed hebben. De vraag of de cijfers in werkelijkheid niet nog hoger zullen liggen, heeft overigens niet zo veel zin.

De thans gevonden cijfers zijn voldoende om aan te tonen dat althans in de puberteit de homoseksuele gerichtheid zeer veel voorkomt.

Er is ook gevraagd naar de actuele gerichtheid (zie tabel 15): 2 à 3% Van de gehuwde mannen zegt zich uitsluitend, overwegend of enigszins (respectievelijk 0,3% 1% en 1%) lichamelijk aangetrokken te voelen tot hetzelfde geslacht. (Elke 1% staat voor ongeveer 26.000 mannen).

 

4% Van de gehuwde vrouwen zegt zich uitsluitend, overwegend of enigszins (respectievelijk 1%, 1% en 2%) lichamelijk aangetrokken te voelen tot hetzelfde geslacht. (Elke 1% staat voor ongeveer 28.000 vrouwen.)

[p. 131]

Tabel 15. Schriftelijke vraag 6: Het komt voor dat mannen/vrouwen zich lichamelijk voelen aangetrokken tot andere mannen/vrouwen. Hieronder staan 4 mogelijkheden. Zoudt u willen aangeven wat op het ogenblik voor u geldt?

Mannen Vrouwen
gehuwd (geweest) ongehuwd gehuwd (geweest) ongehuwd
in procenten
ik voel mij lichamelijk uitsluitend aangetrokken tot andere mannen c.q. vrouwen 01 5 1 -
ik voel mij lichamelijk overwegend aangetrokken tot andere mannen c.q vrouwen 1 3 1 2
ik voel mij lichamelijk enigszins aangetrokken tot andere mannen c.q. vrouwen 1 6 2 5
ik voel mij helemaal niet aangetrokken tot andere mannen c.q. vrouwen 91 85 86 72
vraag niet beantwoord - - 3 -
schriftelijke vragenlijst niet ingevuld 7 1 7 212
         
totaal 100 100 100 100

[p. 132]

14% Van de ongehuwde mannen zegt zich uitsluitend, overwegend of enigszins (respectievelijk 5%, 3% en 6%) lichamelijk aangetrokken te voelen tot hetzelfde geslacht. (Elke 1% staat voor ongeveer 8000 mannen.)

 

7% Van de ongehuwde vrouwen zegt zich overwegend of enigszins lichamelijk aangetrokken te voelen tot hetzelfde geslacht. (Respectievelijk 2% en 5%). (Elke 1% staat voor ongeveer 6000 vrouwen.)

 

Omgerekend betekenen deze percentages dat de Nederlandse bevolking van 20 tot 65 jaar ongeveer 326.000 personen zich uitsluitend (76.000) overwegend (90.000) of enigszins (160.000) voelen aangetrokken tot hetzelfde geslacht. Dat is iets minder dan 5% van de betreffende leeftijdsgroep. Er is ons inziens reden de categorie ‘enigszins’ erbij te betrekken of sterker nog: er is alle reden om aan te nemen dat we hier met minimumcijfers te maken hebben en dat de werkelijke aantallen hoger liggen. Het sociale klimaat rond de homoseksualiteit is immers zodanig dat men niet zo gemakkelijk zal erkennen dat men gericht is op het eigen geslacht. Het ligt voor de hand dat men de neiging zal hebben een dergelijke gerichtheid te ontkennen of althans af te zwakken. In hoeverre men aan deze neiging heeft toegegeven weten we niet. Evenmin weten we in hoeverre de interviewsituatie de antwoorden kan hebben beïnvloed en wat de invloed op de cijfers is geweest van het toch nog grote aantal personen dat geweigerd heeft aan het interview mee te werken.

Ook de cijfers zelf manen op bepaalde punten tot voorzichtigheid. Zo zouden volgens de tabellen gehuwden met een uitsluitend of overwegend homoseksuele gerichtheid alleen op het platteland voorkomen. Dit is zeer onwaarschijnlijk ondanks het feit dat de sociale druk om te trouwen op het platteland meestal dwingender zal zijn dan in de stad.

Ook valt het op dat met name in de minder welgestelde milieus de homoseksuele gerichtheid volgens de onderzoeksgegevens minder bij de mannen zou voorkomen. Het is de vraag of dit zo is of dat de eigen houding (of de houding van anderen) tegenover de homoseksualiteit de antwoorden heeft beïnvloed. In de volgende paragraaf zullen we nog zien dat juist deze groepen nogal behoudend staan tegenover homoseksualiteit.

[p. 133]

Deze onderzoekstechnische problemen en de daarmee samenhangende onzekerheid over de betrouwbaarheid van de antwoorden, deren ons in dit hoofdstuk over homoseksualiteit overigens niet zo veel. Het betekent hier hoogstens dat de cijfers wel eens hóger zouden kunnen liggen. Voor het signaleren van een sociaal probleem - en daar gaat het ons hier om - zijn de thans verkregen minimumcijfers al meer dan voldoende. Wel gaat de onzekerheid ons parten spelen als we onderverdelingen zouden willen maken naar leeftijdsgroepen, regio, religie, welstand etc. We zullen ons daarom bij de grote lijnen houden.

Wat het meeste opvalt bij de cijfers over de actuele gerichtheid is het grote aantal gehuwden met een homoseksuele gerichtheid. Omgerekend komen we op 170.000 gehuwden (respectievelijk 60.000 mannen en 110.000 vrouwen) die zich uitsluitend, overwegend, of enigszins lichamelijk voelen aangetrokken tot hetzelfde geslacht. Als we alleen de categorieën uitsluitend en overwegend in aanmerking nemen dan komen we toch altijd nog op afgerond 90.000 gehuwden (respectievelijk 34.000 mannen en 56.000 vrouwen).

Hier wordt een ontstellende situatie onthuld waarin een grote groep gehuwde mannen en vrouwen zich bevindt. Zij zijn getrouwd met iemand van de andere sekse, terwijl ze zich voelen aangetrokken tot het eigen geslacht. Men kan zich zonder veel moeite voorstellen dat zoiets in veel gevallen een negatieve invloed zal hebben op de huwelijksrelatie. We zullen nog moeten onderzoeken waarom dergelijke mensen trouwen, maar de veronderstelling ligt voor de hand dat de sociale druk hier een belangrijke rol speelt. Een dergelijke factor zou ook - afgezien van invloeden op de betrouwbaarheid van de antwoorden - kunnen verklaren waarom er meer gehuwde homoseksuele vrouwen dan mannen zijn. De sociale druk geldt voor de vrouw op het punt van trouwen nog sterker dan voor de man. Ook in seksueel opzicht is het gehuwd zijn voor haar in zekere zin gemakkelijker dan voor de man. Op de sociale druk komen we in de laatste paragraaf terug.

Wat is homoseksualiteit eigenlijk?

Uit het onderhavige onderzoek blijkt dat een grote meerder-

[p. 134]

heid (meer dan twee derde van de geïnterviewden) homoseksualiteit ziet als een aangeboren afwijking, een ziekte, iets onnatuurlijks.

Het betreft hier antwoorden op een zogenaamde ‘open vraag’ dat wil zeggen dat men werd verzocht te antwoorden op de vraag ‘kunt u mij zeggen wat homoseksualiteit volgens u is, dus hoe u het ziet?’ Er werden geen mogelijke antwoorden voorgelegd waaruit men zou kunnen kiezen.

In het algemeen zijn de antwoorden op dergelijke open vragen vaak moeilijk te waarderen. In dit geval geven de bovengenoemde reacties van een grote meerderheid toch wel aan in welke richting men denkt.

Men zou kunnen stellen dat de vraag niet helemaal eerlijk is. Er is immers niemand die het antwoord weet. Vele wetenschappelijke onderzoekers hebben zich ingespannen om het verschijnsel homoseksualiteit te verklaren. Er zijn onderzoekers die menen dat er sprake is van erfelijke aanleg c.q. van een bepaalde chromosomenstructuur van de bevruchte eicel. Psychoanalytici leggen het accent meer op ontwikkelingsstoringen - men ziet de oorzaak in een sterk dominerende moeder en/of de emotionele afwezigheid van de vader; men wijst op narcistische en neurotische trekken, - op moederbinding, broederrivaliteit, sadisme, orale fixeringen, etc. Het is niet de bedoeling op al deze theorieën in te gaan. Dat gaat ver buiten de bedoeling van dit hoofdstuk. Wel moeten we hier vaststellen dat er tot op heden geen theorie bestaat die is bewezen of die algemeen wordt aanvaard. Integendeel: de bewijsvoering is meestal zeer zwak of zelfs helemaal afwezig. Opvallend is ook de vaak emotionele wijze waarop - ook onder wetenschapsbeoefenaars - vele uiteenlopende theorieën worden verdedigd. Op die emoties komen we in de laatste paragraaf nog terug.

Dr. C. van Emde Boas maakt onderscheid tussen kernhomoseksualiteit en perifere homoseksualiteit.

De eerste vorm is diepgeworteld en - volgens dr. C. van Emde Boas - waarschijnlijk ontstaan onder invloed van een specifieke combinatie van aanleg - en milieufactoren. De tweede vorm ontstaat onder invloed van bepaalde situaties (bijvoorbeeld in gevangenissen) of karaktertrekken (bijv. homoseksuele prostitutie). Het betreft mensen die eigenlijk heteroseksueel gericht zijn.

Vooral deze perifere groep heeft bezorgde belangstelling.

[p. 135]

De homoseksuele relatie wordt in onze samenleving - zacht gezegd - minder gewaardeerd dan de heteroseksuele relatie. Het is dan ook begrijpelijk dat men tracht te voorkomen dat iemand die heteroseksueel is, zou vervallen tot de homoseksuele gedragsvorm. Rond deze zorg zijn weer een aantal theorieën gebouwd die tot nu toe niet door wetenschappelijk feitenmateriaal zijn gestaafd.

Eén van de naar het schijnt wijd verbreide ideeën is: éénmaal een homoseksuele ervaring (vooral op jonge leeftijd) leidt tot een blijvend homoseksuele gerichtheid. Men zou kunnen stellen dat dit dan toch wel een overweldigende en lustvolle ervaring moet zijn, zodanig dat men daarna tegen alle sociale druk in zich moeizaam partners zoekt om nogmaals die ervaring te beleven. Homoseksuelen verzekeren ons dat dit toch wel een wat overtrokken voorstelling van zaken is. De onderzoekingen van Sanders en De Koning onder minderjarige homoseksuelen wijzen ook eerder op het tegendeel: het is een moeizaam proces voor men de homoseksuele gerichtheid bij zichzelf herkent en erkent.20

Dat neemt niet weg, zo menen sommigen, dat jongeren nog labiel zijn en dat een homoseksuele ervaring voor hen de doorslag kan geven zodat ze zich verder in homoseksuele richting ontwikkelen. Met betrekking tot die labiliteit worden zij gesteund door het huidige onderzoek: meer dan één miljoen van de onderzochte bevolkingsgroep voelde zich in de puberteit vaak of soms lichamelijk aangetrokken tot hetzelfde geslacht. Het is niet onmogelijk dat iemand zich door een homoseksueel contact verder in deze richting ontwikkelt. Tenslotte wijzen de cijfers van Giese en Schmidt uit dat één op de zeven van de door hun onderzochte studenten die homoseksuele ervaringen hebben gehad zich op het moment van onderzoek nog homoseksueel gedroegen. Men kan echter ook zeggen dat slechts een zevende deel zich zo heeft ontwikkeld. Ook bij voorbeeld Kinsey schat dat van de 37% mannen met homoseksuele ervaring er slechts

[p. 136]

1 op de 4 à 5 de homoseksuele gedragsvorm bleef volgen. In ieder geval blijkt uit deze cijfers dat homoseksueel contact allerminst noodzakelijkerwijs tot blijvende homoseksualiteit leidt.

Het is niet onmogelijk dat een latente homoseksualiteit door een dergelijke ervaring gewekt wordt. Het is echter dubieus of een homoseksuele ervaring de homoseksuele gerichtheid veroorzaakt. Wat dit laatste betreft: uit een Duits onderzoek21 blijkt dat jongeren die door ouderen tot homoseksueel contact worden verleid, veelal voordien reeds homoseksuele contacten hadden met leeftijdgenoten, zoals ook jongeren die tot heteroseksuele contacten werden verleid veelal voordien reeds blijk hadden gegeven van een heteroseksuele gerichtheid.

Meer onderzoek is op dit punt noodzakelijk, want ook al weten we nu dat een homoseksuele ervaring meestal niet tot een blijvende homoseksuele gerichtheid leidt, er is nog geen zekerheid dat dit in incidentele gevallen niet zou kunnen gebeuren. Er zijn er die hier zeggen ‘So what’? - wat zou dat dan nog? We komen daarop nog terug.

 

Tenslotte iets over de mening dat homoseksualiteit abnormaal en onnatuurlijk zou zijn. Statistisch gezien is homoseksualiteit abnormaal. De meeste mensen zijn heteroseksueel gericht. De homoseksuelen vormen een - overigens niet geringe - minderheid. Er zijn er die ook hier een vraagteken zetten. Alle mensen, zo zeggen zij, zijn biseksueel. Men is zowel homo- als heteroseksueel, alleen de heteroseksuele gerichtheid is in onze cultuur het meest ontwikkeld. Hoe het zij, het valt niet te ontkennen dat de heteroseksuele gedragsvorm veruit meer voorkomt dan de homoseksuele.

‘Onnatuurlijk’ zeggen anderen. Als men seksualiteit ziet als uitsluitend ten dienste van de voortplanting dan hebben zij waarschijnlijk gelijk. En dan kan men ook de homoseksualiteit in de dierenwereld - die vrij veel voorkomt22 - als onnatuurlijk beschouwen.

Nu de visie op de seksualiteit zich wijzigt, wordt echter ook het onnatuurlijke van homoseksualiteit minder zeker. Meer en meer immers wordt de seksualiteit losgekoppeld

[p. 137]

van de voortplanting en gezien als een lustgevend instrument dat een belangrijke constructieve functie kan vervullen in menselijke relaties. Zo gezien doet het er minder toe of die relatie een homo- of een heteroseksueel karakter draagt.

De houding tegenover homoseksuelen

Uit het onderzoek blijkt dat iets meer dan de helft van de Nederlanders tussen 20 en 65 jaar meent dat men homoseksuelen zoveel mogelijk vrij moet laten om te leven op hun eigen manier. Bijna een derde van de onderzochte groep evenwel zou dit zoveel mogelijk willen tegengaan. De rest weet het niet (men zie tabel 16).

Het zijn duidelijk meer de jongere leeftijdscategorieën die zich minder keren tegen de homoseksuele levenswijze dan de oudere leeftijdsgroepen. Hetzelfde geldt voor hogere welstandsgroepen, niet-kerkelijken, ongehuwden en mensen uit de stad en uit het westen des lands vergeleken met respectievelijk lagere welstandsgroepen, degenen die wel tot een kerkgenootschap behoren, gehuwden, mensen die op het platteland wonen en de andere provincies.

Uit het onderzoek blijkt ook dat de meer tolerante groepen vaker bevestigend antwoorden op de vraag of men persoonlijk één of meer personen kent die homoseksueel zijn. In eerste instantie is hier belangrijk de grote groep die zich negatief opstelt tegenover de homoseksualiteit. Dat zijn enkele miljoenen Nederlanders!

Maar, kan men zeggen, daar staan dan toch maar liefst bijna tweemaal zoveel Nederlanders tegenover die zich niet negatief opstellen. Dat is zo. We weten evenwel weinig omtrent de aard van deze tolerantie en omtrent de werkelijke houding als men daadwerkelijk met homoseksualiteit of liever nog met een homoseksueel, wordt geconfronteerd. Het is gemakkelijk - en veelal ook in overeenstemming met datgene wat men meent dat behoort - om zichzelf een tolerante houding toe te kennen. Hoe vaak is die tolerantie slechts oppervlakkig? Wij zouden willen weten wat ervan overblijft als blijkt dat het eigen kind homoseksueel gericht is, of als blijkt dat een naaste medewerker homoseksueel is, of als op een feestje twee mannen met elkaar dansen, enzovoort.

[p. 138]

Tabel 16. Mondelinge vraag 39: Vindt u dat men mensen die homoseksueel zijn, zoveel mogelijk moet vrijlaten om te leven op hun eigen manier of bent u van mening, dat dit zoveel mogelijk moet worden tegengegaan?

Mannen totaal Mannen naar leeftijd
21-24 jaar 25-34 jaar 35-49 jaar 50-64 jaar
in procenten
homoseksuelen moeten zoveel mogelijk vrijgelaten worden om op hun eigen manier te leven 58 64 61 56 55
eigen manier van leven van homoseksuelen moet zoveel mogelijk tegengegaan worden 32 28 29 31 37
geen mening 10 8 10 13 8
totaal 100 100 100 100 100

Vrouwen totaal Vrouwen naar leeftijd
21-24 jaar 25-34 jaar 35-49 jaar 50-64 jaar
in procenten
homoseksuelen moeten zoveel mogelijk vrijgelaten worden om op hun eigen manier te leven 55 60 68 53 43
eigen manier van leven van homoseksuelen moet zoveel mogelijk tegengegaan worden 30 32 24 32 33
geen mening 15 8 8 15 24
totaal 100 100 100 100 100

[p. 139]

Mannen totaal Mannen naar welstandsklasse
AB C D1 D2
in procenten
homoseksuelen moeten zoveel mogelijk vrijgelaten worden om op hun eigen manier te leven 58 63 61 54 55
eigen manier van leven van homoseksuelen moet zoveel mogelijk tegengegaan worden 32 29 26 36 37
geen mening 10 8 13 10 8
totaal 100 100 100 100 100

Vrouwen totaal Vrouwen naar welstandsklasse
AB C D1 D2
in procenten
homoseksuelen moeten zoveel mogelijk vrijgelaten worden om op hun eigen manier te leven 55 62 67 47 47
eigen manier van leven van homoseksuelen moet zoveel mogelijk tegengegaan worden 30 26 21 36 35
geen mening 15 12 12 17 18
totaal 100 100 100 100 100

Mannen totaal Mannen naar urbanisatiegraad
agglomeraties overige steden platteland
in procenten
homoseksuelen moeten zoveel mogelijk vrijgelaten worden om op hun eigen manier te leven 58 65 63 39
eigen manier van leven van homoseksuelen moet zoveel mogelijk tegengegaan worden 32 25 28 46
geen mening 10 10 9 15
totaal 100 100 100 100

Vrouwen totaal Vrouwen naar urbanisatiegraad
agglomeraties overige steden platteland
in procenten
homoseksuelen moeten zoveel mogelijk vrijgelaten worden om op hun eigen manier te leven 55 66 58 40
eigen manier van leven van homoseksuelen moet zoveel mogelijk tegengegaan worden 30 18 28 44
geen mening 15 16 14 16
totaal 100 100 100 100

[p. 140]

Mannen totaal Mannen naar district
3 grote steden rest westen noord oost zuid
in procenten
homoseksuelen moeten zoveel mogelijk vrijgelaten worden om op hun eigen manier te leven 58 65 64 45 57 49
eigen manier van leven van homoseksuelen moet zoveel mogelijk tegengegaan worden 32 25 28 34 33 43
geen mening 10 10 8 21 10 8
totaal 100 100 100 100 100 100

Vrouwen totaal Vrouwen naar district
3 grote steden rest westen noord oost zuid
in procenten
homoseksuelen moeten zoveel mogelijk vrijgelaten worden om op hun eigen manier te leven 55 64 62 40 56 45
eigen manier van leven van homoseksuelen moet zoveel mogelijk tegengegaan worden 30 20 26 41 31 38
geen mening 15 16 12 19 13 17
totaal 100 100 100 100 100 100

[p. 141]

Mannen totaal1 Mannen naar kerkgenootschap
r.-k. n.-h. geref. geen
in procenten
homoseksuelen moeten zoveel mogelijk vrijgelaten worden om op hun eigen manier te leven 58 55 52 50 68
eigen manier van leven van homoseksuelen moet zoveel mogelijk tegengegaan worden 32 34 36 35 24
geen mening 10 11 12 15 8
totaal 100 100 100 100 100

Vrouwen totaal1 Vrouwen naar kerkgenootschap
r.-k. n.-h. geref. geen
in procenten
homoseksuelen moeten zoveel mogelijk vrijgelaten worden om op hun eigen manier te leven 55 51 45 43 73
eigen manier van leven van homoseksuelen moet zoveel mogelijk tegengegaan worden 30 31 38 38 17
geen mening 15 18 17 19 10
totaal 100 100 100 100 100

[p. 142]

Wij zouden willen weten hoeveel vooroordelen er over homoseksuelen bestaan - ook bij onze bovengenoemde tolerante groep. Als ook zij - ondanks hun tolerantie - toch menen dat homoseksuelen eigenlijk maar griezelige mensen zijn en als zij allerlei bevooroordeelde ideeën hebben over homoseksuelen, dan heeft de homoseksueel niet zo erg veel aan die tolerante houding, - dan is het klimaat waarin hij moet leven toch nog zodanig dat hem een vreugdevol en menswaardig bestaan wel moeilijk wordt gemaakt. (Met de bewering die elders in de vragenlijst was opgenomen: ‘Homoseksualiteit kan nooit goed zijn’ was meer dan de helft van de respondenten het eens!)

Op die vooroordelen willen we iets nader ingaan. Het betreft hier oordelen/meningen over homoseksuelen, die niet zijn gebaseerd op ervaringsfeiten. Vooroordelen hebben vaak een hardnekking bestaan. Men heeft de neiging ze te handhaven zelfs als men evident ervaart dat ze onjuist zijn. En dit hangt weer samen met de emotionele behoeften waarin ze voorzien: men wíl dan gewoon de werkelijkheid niet zien.

Kenmerkend is ook dat men een hele groep mensen over één kam scheert. Als men een homoseksueel ontmoet die niet aan het vooroordeel beantwoordt, heeft men de neiging hem te zien als een uitzondering op de regel.

Op een studiedag over pastorale zorg voor homoseksuelen in 1968 heeft prof. dr. C.J.B.J. Trimbos een aantal vooroordelen ten aanzien van homoseksuelen aan de orde gesteld23 homoseksualiteit zou alleen bij mannen voorkomen; homoseksuelen zouden verwijfde typen zijn, die zich vooral richten op minderjarigen, en die veelal een criminele aanleg hebben; als jongeren tot homoseksueel contact worden verleid, zouden ze daarmee homoseksueel worden voor de rest van hun leven.

Dit zijn sprookjes! Uit het onderzoek blijkt duidelijk dat homoseksualiteit zowel bij mannen als bij vrouwen voorkomt. Als homoseksuelen verwijfde typen zouden zijn, dan zou men ze gemakkelijk kunnen herkennen.

Bij een onderzoek van Westwood in Engeland bleek evenwel dat 87% van de door hem onderzochte homoseksuelen door

[p. 143]

het grote publiek niet als zodanig werd herkend.

Er is geen wetenschappelijk feitenmateriaal beschikbaar waaruit blijkt dat homoseksuelen méér op minderjarigen gericht zouden zijn dan heteroseksuelen. (In dit verband is het interessant om te constateren dat in absolute aantallen onze kinderen waarschijnlijk meer te duchten hebben van heteroseksuele onderwijzers dan van homoseksuele onderwijzers. Er bestaat evenwel de neiging om onderwijzers met een homoseksuele gerichtheid buiten het onderwijs te houden).

Wat die criminele aanleg van homoseksuelen betreft: de justitiële statistiek verleent dit vooroordeel geen enkele grond. Hierbij moet worden opgemerkt dat bepaalde dagbladen dit vooroordeel voeden door bij hun berichtgeving over misdrijven volkomen irrelevant de eventuele homoseksuele gerichtheid van de daders te vermelden.

Dat tenslotte jongeren door een enkele homoseksuele ervaring voor altijd homoseksueel gericht zouden blijven is niet waar. We zagen reeds dat dit althans voor het overgrote deel van de gevallen niet opgaat.

Er zijn zo nog veel meer vooroordelen die langzamerhand vrijwel alle ontzenuwd zijn. Brautigam stelt: Homoseksualiteit zegt alleen iets over de seksuele gerichtheid en verder niets over de persoon.24 Alle vooroordelen ten spijt is er geen enkele aanwijzing dat homoseksuelen afgezien van hun seksuele gerichtheid anders zijn dan heteroseksuelen.

Slotbeschouwing

We weten niet wat homoseksualiteit veroorzaakt. Misschien is het gewoon een veel voorkomende variant. Misschien is het een ontwikkelingsstoring. De wetenschap zoekt naar het antwoord. Zij zal deze ongetwijfeld ook wel vinden. Zolang de homoseksueel de samenleving geen nadeel berokkent en zolang op geen enkele manier is aangetoond dat het homoseksueel-zijn op zichzelf een belemmering vormt voor de individuele ontplooiing, zolang is deze vraag niet anders dan een interessant klinisch probleem.

Daarnaast echter vormt de houding van de samenleving

[p. 144]

tegenover de homoseksuele minderheidsgroep een ernstig sociaal-psychologisch probleem. De vaak emotioneel afwijzende houding van veel heteroseksuelen oefent een zware druk uit op de homoseksueel. Deze druk is zodanig dat het niet hoeft te verwonderen dat er homoseksuelen zijn die zich neurotisch gedragen. Het is duidelijk dat in dit laatste geval de samenleving de homoseksueel ziek máákt! Het is goed en begrijpelijk dat een dergelijke homoseksueel zich dan tot een psychiater wendt. Er zijn psychiaters die proberen de seksuele gerichtheid te veranderen. Er zijn er ook - steeds meer - die de homoseksueel helpen zijn gerichtheid te aanvaarden én die hem leren die afwijzende houding van de samenleving te verwerken. Ook wanneer zou blijken dat de homoseksualiteit moet worden beschouwd als een ontwikkelingsstoring, dan nog is de houding van de samenleving ongerechtvaardigd en in ieder geval inadequaat. Immers door die houding maakt men alles veel erger dan het is en veroorzaakt men tal van ongezonde bijverschijnselen. Vanwaar die emotionele weerstand? Vanwaar die vele vooroordelen? Hoe komt het dat discussies over homoseksualiteit - ook tussen wetenschapsbeoefenaars - vaak door emotionaliteit worden vertroebeld?

Er zijn twee factoren die hier een belangrijke - zo niet bepalende - rol spelen. Ten eerste de neiging om zich te verzetten tegen datgene wat afwijkt van wat men als normaal beschouwt en ten tweede de in onze cultuur gefrustreerde houding tegenover de seksualiteit.

Homoseksuelen vormen een minderheidsgroep met een afwijkend gedragspatroon op het terrein van de seksualiteit. Het is een bekend sociaal-psychologisch verschijnsel dat mensen zich te weer stellen tegen iets dat anders is, - tegen iets wat hun niet vertrouwd is. In een vreemde omgeving voelen we ons niet thuis. Linkshandigen en roodharigen vinden we maar vreemd. Dit zijn meer curieuze varianten die ons emotioneel weinig raken. Iets anders wordt het wanneer dit anders zijn betrekking heeft op een terrein waar we ons zelf onzeker voelen. We hebben de neiging ons dan vast te klampen aan rigide zekerheden en we worden zeer emotioneel als iets of iemand die zekerheden aantast.

Eén van die terreinen is dat van de seksualiteit. Onze Westerse cultuur heeft getracht de seksualiteit uit de werkelijkheid weg te dringen. Dat is nooit helemaal gelukt. Ondanks

[p. 145]

de sfeer van taboe en zonde bleven de mensen seksuele lustgevoelens ervaren. Het excuus dat de seksuele handelingen gericht waren op de voortplanting is nooit helemaal voldoende geweest om aan een ondergrond besef van schuld en zondigheid te ontkomen. Zeker seksuele handelingen die zelfs het rationele excuus van de voortplanting missen, tenderen in dit klimaat als pervers te worden beschouwd. Zo is de seksuele relatie tussen bejaarden op z'n minst verdacht. Zo zijn variaties in het seksuele spel al gauw pervers. En zo is homoseksualiteit volstrekt uit den boze.

Kortom de afwijzende houding tegenover de afwijkende minderheidsgroep van homoseksuelen wordt extra emotioneel gekleurd door een geremde houding tegenover de seksualiteit in het algemeen. Men zou kunnen stellen dat de houding van onze samenleving tegenover de homoseksueel een aardige graadmeter vormt voor de houding die in deze samenleving tegenover de seksualiteit in het algemeen wordt ingenomen.

 

Waartoe de emotioneel afwijzende houding van de samenleving kan leiden willen we hier slechts summier aanduiden. In het voorgaande is al gebleken dat een groot aantal mensen met homoseksuele gerichtheid gehuwd is. Vele artsen en geestelijke raadslieden kennen de immense tragiek van veel van deze gehuwden. Maar waarom trouwen die mensen dan? Ligt het niet voor de hand om hier te veronderstellen dat men trouwt omdat het in onze samenleving vanzelf spreekt dat men trouwt en kinderen krijgt? Men wil gewoon zijn als anderen en men zal ook zeker niet aan een homoseksuele neiging willen toegeven als men deze neiging als pervers en zondig beschouwt. Anderen trouwen niet. Veelal hoeden zij zich ervoor om hun homoseksuele geaardheid naar buiten te laten blijken. Partners zijn voor hen moeilijk te vinden. En als zij ze vinden, houden ze hun relatie voor de buitenwereld veelal verborgen. Dat een dergelijk dubbelleven en de voortdurende angst om ontdekt te worden een negatieve invloed heeft op de levensvreugde, laat zich denken.

Een homoseksueel moet wel een zeer sterk karakter hebben om te ontkomen aan de fnuikende druk van de samenleving die hem of haar voortdurend duidelijk maakt dat hij of zij bijzonder vies, zondig, ziek en niet acceptabel is.

[p. 146]

Een film als The detective (Frank Sinatra), die rond de jaarwisseling 1968/69 in Nederland rouleerde en die volle zalen trok, legt hier nog eens een schepje boven op. Alle vooroordelen rond de homoseksualiteit worden in deze film in een emotionele context nog eens extra geaccentueerd. Men kan na het zien van een dergelijk produkt moeilijk anders dan overtuigd zijn dat homoseksuelen vunzige viezerikken zijn die aan de rand van de samenleving leven en die allemaal verkrampt door het leven gaan. De jouwende, emotionele bijval van het publiek moet elke homoseksueel die ook in de zaal zat ineen hebben doen krimpen. Dergelijke films achten wij een aanslag op de geestelijke gezondheid van het Nederlandse volk. Of somberder: dergelijke films bestendigen of verergeren de reeds aanwezige geestelijke ongezondheid.

Wij willen deze wat sombere beschouwing besluiten met een meer optimistisch geluid. Onze samenleving is in beweging. De geijkte denkkaders en instituties bevinden zich in een proces van verandering. Ook op het terrein van de seksualiteit. Er is een tendens deze seksualiteit meer te zien als een gegeven dat als zodanig neutraal is. Wat wij met dat gegeven doen, wordt bepaald door een veelheid van psychologische en sociale factoren. Het kan een belangrijk instrument zijn in tussenmenselijke relaties; of dit instrument daarbij nu gericht is op het eigen- of op het andere geslacht is in wezen niet zo belangrijk.

Neemt men naast deze ontwikkeling de tendens om tolerantie als een goed te zien en om discriminatie aan de kaak te stellen, dan ontstaat een klimaat waarin de visie op de homoseksualiteit en de houding tegenover de homoseksueel zich wijzigt.

Het is niet toevallig dat er juist de laatste jaren veel initiatieven voor en door homoseksuelen worden ontwikkeld. Er verschijnen publikaties over homoseksualiteit die zich richten op een breed publiek (Pastoraal Cahier, Bijbel en homoseksualiteit, De homoseksuele naaste, Gewoon hetzelfde?, e.a.25 Er wordt onderzoek opgezet - we hebben dit in de eerste paragraaf al gemeld. Protestantse en katholieke zielzorgers vormen gezamenlijke werkgroepen die zich met homoseksualiteit bezig houden. Enzovoort.

[p. 147]

Ook in homoseksuele kring zelf ontplooit men zich. De in 1946 opgerichte vereniging van homofielen het coc heeft sociëteiten in 8 steden van Nederland. Zij heeft in 1964 de stichting Dialoog opgericht die zich vooral ten doel stelt de relatie tussen homoseksuelen en heteroseksuelen te verbeteren. In 1968 is een speciaal consultatiebureau voor homoseksuelen met zijn werkzaamheden begonnen (de Jhr. Schorerstichting te Amsterdam).

In de studentenwereld kent vrijwel elke universiteit en hogeschool thans een homofiel studentendispuut. Er zijn verscheidene sociëteiten voor minderjarige homoseksuelen opgericht.

Wij hebben hier slechts enkele van de belangrijkste activiteiten genoemd. Na de hier voor genoemde cijfers zal waarschijnlijk niemand deze activiteiten nog verwerpen of onrustbarend noemen. Wij menen zelfs dat er meer zal moeten gebeuren. Het zal de lezer na het voorgaande duidelijk zijn dat wij daarbij in de eerste plaats denken aan activiteiten gericht op de bevordering van de geestelijke gezondheid van de heteroseksuelen.

1Dit is een hoog percentage dat dwingt tot voorzichtig hanteren van de cijfers
18a. kinsey, w.b. pomeroy en c.e. martin - Sexual behaviour in the human male, 1948; Sexual behaviour in the human female, Philadelphia, Londen, 1953.
19h. giese en g. schmidt, Student und Sexualität, Hamburg, 1968.

1Ook dit percentage is afgerond. In de groep gehuwde mannen van 50-60 jaar, bleek 1% uitsluitend homoseksueel gericht. In de groep gehuwde mannen ten plattelande bleek 2% uitsluitend homoseksueel gericht. In de groep gehuwde mannen verdeeld naar districten bleek in de noordelijke groep 3% uitsluitend homoseksueel gericht.
2Dit is een hoog percentage dat dwingt tot voorzichtig hanteren van de cijfers.

20p. de koning, Een kwalitatieve analyse van de levensgeschiedenis van een aantal homosexuelen, Intern rapport Universiteit van Groningen, 1967. p. de koning en mevr. th. blom-van rens, Een kwalitatieve analyse van de keuze van een homosexueel gedragspatroon door een aantal minderjarige jongens, Intern rapport Universiteit van Groningen, 1968.
g. sanders, De zelfbeleving als uitdagingssituatie, Intern rapport Universiteit van Groningen, 1968.
21Ontleend aan g. schmidt, Empirisch-psychologische Ergebnisse zur Sexualforschung in Die Sexualität des Menschen, Stuttgart, 1968.
22Zie c.s. forel en f.a. beach, Formen der Sexualität, Hamburg, 1968.

1Bij mannentotaal en vrouwentotaal zijn ook de antwoorden opgenomen van degenen die zich tot een ander kerkgenootschap beschouwen. Bij de uitsplitsing wordt deze categorie niet apart gegeven, omdat het een heterogene groep betreft.
1Bij mannentotaal en vrouwentotaal zijn ook de antwoorden opgenomen van degenen die zich tot een ander kerkgenootschap beschouwen. Bij de uitsplitsing wordt deze categorie niet apart gegeven, omdat het een heterogene groep betreft.
23Zie het verslag van de studiedag Pastorale Zorg voor Homofielen, Uitgegeven door het Spectrum, Utrecht, Antwerpen, 1968.
24w. brautigam, Formen der Homosexualität, Stuttgart, 1967.

25Pastoraal Cahier over Homosexualiteit. Pastorale cahiers nr. 3, Hilversum.
drs. s.j. ridderbos, Bijbel en homosexualiteit, artikel in Bezinning 1959, mevr. a.l. janse-de jonge, drs. s.j. ridderbos, e.a. De homosexuele naaste, 1961.
w. sengers, Gewoon hetzelfde? Hilversum, 1968.
prepostterug  begin  verder