In dit en de beide volgende hoofdstukken laten we de gegevens uit dit onderzoek nog eens de revu passeren, maar nu geordend naar de indeling stad-platteland, leeftijden, en welstandsklassen. Op elk van deze drie indelingen kan men als het ware een doorsnee maken door alle gegevens heen en dan lijnen zien opdoemen: Is er een samenhang tussen de antwoorden als men de mensen groepeert naar stedelijkheid of naar leeftijd of naar sociale welstand?
Anders gezegd: reageren plattelanders over de hele linie anders dan stedelingen, jongeren anders dan ouderen, minder welgestelden anders dan meer welgestelden? Met deze vragen is het thema én de indeling van dit en de twee volgende hoofdstukken aangegeven. Vooraf echter nog enkele opmerkingen.
Ten eerste: Als men zulke lijnen trekt op grond van relatieve verschillen moet men wel bedenken dat de overeenkomsten tussen de verschillende categorieën meestal groter, soms zelfs veel groter zijn dan de verschillen. Er is meestal meer gemeenschappelijk dan verschillend, maar de accenten liggen soms duidelijk anders. En dat is toch wel interessant. Ten tweede: In veel gevallen zullen de vergelijkingen tussen welstandsklassen aanleiding geven tot een aantal veronderstellingen. En hierbij willen we met nadruk stellen dat dit dan inderdaad veronderstellingen zijn die men voor een volgend onderzoek kan benutten als hypothesen. Met de gegevens van dit onderzoek kunnen we meestal niet uitmaken of de veronderstellingen juist zijn. Weglaten zou echter tevens een kans op inzicht weg nemen. Ten derde: Doordat er - helaas - geen statistische toetsen zijn toegepast op de cijferreeksen weten we niet welke hiervan eenvoudig binnen de toevalskans liggen. Het is zeker niet uitgesloten dat een aantal verschillen, die nu erg opmerkelijk lijken, bij nadere statistische analyse wegvallen omdat ze op toeval kunnen berusten. Hierdoor worden de beschouwingen dubbel hypothetisch.
De stad geldt al sinds lang, in tegenstelling tot het platteland, als vluchtplaats voor wie aan de traditionele ban wil ontsnappen, zeker de grote stad. De kleine steden hangen er tussen in: enerzijds hebben ze wel een vleugje mee van het stedelijke, anderzijds heten ze vaak provinciaal, en, op een andere wijze, toch weer traditioneel. Voor wat de gegevens van dit onderzoek betreft, zijn we gehouden aan een driedeling, waarin aan de ene kant de grote stedenagglomeraties staan en aan de andere uiterste het uitgesproken platteland, terwijl de provincie-steden het middenstuk voor hun rekening nemen.
Deze indeling heeft voor ons thema zeker allerlei beperkingen, omdat het heel moeilijk is af te grenzen waar de stedelijke mentaliteit bijvoorbeeld ophoudt en de plattelandsmentaliteit zou beginnen. Men kan zich ook afvragen of er sinds het tijdperk van de televisie en het gemotoriseerde verkeer nog wel ‘platteland’ en ‘provinciesteden’ bestaan. De verschillen zullen dus niet anders dan betrekkelijk zijn. Desondanks blijken ze aanwijsbaar en dat is interessant genoeg.
Binnen de plattelandssamenleving blijken er aanmerkelijke verschillen te bestaan in de mate waarin men reeds tendeert naar een modern cultuurpatroon dan wel nog vasthoudt aan de traditionele levensvormen en structuren. Verschillende criteria worden gehanteerd om deze verschillen te kunnen registreren. Zo werd door Bergsma het verschil tussen de aanhangers van het oude cultuurpatroon en die van het moderne cultuurpatroon afgelezen aan: a. de sterkere mate van communicatie met de buitenwereld bij de laatstgenoemde groep; b. een grotere geneigdheid tot veranderen. De sterkere communicatie met de buitenwereld wordt dan o.a. afgeleid uit de deelname via organisaties en massamedia aan wat zich thans in de wereld voordoet en uit de mate van kennis die men heeft opgedaan van recente gebeurtenissen, nieuwe ontwikkelingen etc. De bereidheid tot veranderen betreft dan enerzijds de feitelijke veranderingen in het gedrag (bijvoorbeeld de kinderen een hogere opleiding laten volgen, het huishouden anders inrichten etc.) en anderzijds de bereidheid om andere normen en gezichtspunten tot uit-
gangspunt voor het handelen te nemen. Door anderen is gewezen op de gevoelsmatige beleving en de gevoeligheid voor verhoudingen en relaties, die duidelijk toeneemt als een meer stedelijke mentaliteit gaat overheersen. We kunnen - veronderstellenderwijs - aannemen dat eenzelfde ontwikkelingstrend zich voordoet als we gaan van het platteland naar de kleinere steden en vervolgens naar de grote steden. We zouden dan dezelfde criteria kunnen gebruiken om de verschillen tussen deze drie categorieën te beschrijven.
Van de genoemde criteria zullen we in dit hoofdstuk de mate van kennis, de mate van het relativeren van traditionele normen, de nieuwe vormen van gedrag en de gevoeligheid voor relationele aspecten als uitgangspunt nemen voor onze beschrijving. De gevoeligheid voor relaties zien we dan als onderdeel van een complex van aanwijzingen voor een meer traditionele of meer moderne structuur van samenleven. We nemen overigens aan dat er graduele en glijdende overgangen zullen zijn van de ene naar de andere kant van deze lijn van stedelijkheid: de agglomeraties zullen het sterkste de elementen van kennis, rationaliteit, en ontraditionaliteit vertonen, het platteland het minste.
Uit het materiaal van dit onderzoek kunnen we op enkele punten aanwijzingen vinden voor een grotere traditionaliteit op het platteland: hiertoe rekenen we de rol van geloof en kerk, de gezinsstructuur, de vrijagepatronen, en de sensibiliteit in de onderlinge verhoudingen. Speelt het geloof een belangrijke rol? Op dit punt zijn er al duidelijke verschillen: er is een opklimmende reeks in de mate waarin het geloof belangrijk wordt gevonden als men van agglomeratie gaat naar kleine stad en vervolgens naar platteland: Het geloof speelt een belangrijke rol voor 20%-34%-46% van de mannen, en voor 31%-43%-61% van de vrouwen. Geen belangrijke rol speelt het voor 49%-36%-18% van de mannen, en 44%-27%-17% van de vrouwen. Ook het behoren tot een kerkgenootschap loopt volgens dezelfde lijn op. Wel toebehoren 45%-67%-84% van de mannen, en 54%-73%-84% van de vrouwen. Niet toebehoren: 55%-33%-16% van de mannen, en 46%-27%-16% van
de vrouwen.
Het al of niet geregeld naar de kerk gaan sluit bij deze rij aan: Geregeld gaan: 15%-35%-57% van de mannen, en 22%-41%-62% van de vrouwen. Het beeld dat deze cijfers geven spreekt vrij duidelijk van een grotere kerkelijke gebondenheid naarmate de stedelijkheid afneemt en het plattelandskarakter toeneemt. Over de gezinsverhoudingen hebben we minder duidelijke gegevens. Enkele aanduidingen voor een grotere traditionaliteit hebben we echter toch wel. Het gaat hier om de vragen naar de eigen jeugd, naar de verhouding met de ouders, naar het huwelijk van de ouders. Bij de vraag naar de eigen jeugd blijken vooral bij de vrouwen enkele verschillen: op het platteland zegt men vaker dat men een bijzonder prettige jeugd heeft gehad (37%-45%-52%) en minder vaak dat men niet zo'n prettige of helemaal geen prettige jeugd heeft gehad (24%-14%-6%), hetgeen wij - hypothetisch - zouden willen verstaan als een groter besef van veiligheid en ongestoordheid in het plattelandsgezin. Dat dit vooral schuilt in traditionele elementen zoals geborgenheid en zekerheid en niet in een grotere persoonlijke vertrouwelijkheid, wordt aannemelijk als we het antwoord zien op de vraag met wie men beter overweg kon, met vader of met moeder of met allebei. Hier blijkt dat men in de steden een beter contact had met de anders geslachtelijke ouder (jongen met moeder, meisje met vader) hetgeen zou kunnen wijzen op een grotere inspanning tot persoonlijk contact en meer genuanceerde verhoudingen in het stedelijke gezin. Hierbij sluit aan dat men op het platteland vaker zegt met beide ouders even goed overweg te hebben gekund. Men kan dit aldus verstaan, dat men op het platteland de verhoudingen minder gedifferentieerd ziet, respectievelijk er minder specifieke eisen aan stelt: men accepteert de situatie meer volgens een schema van hoe het hoort te zijn.
Typerend zou in dit verband dan ook kunnen zijn dat men op het platteland vaker meent dat het huwelijk van de ouders zeer gelukkig was. De geringere gevoeligheid op het land voor persoonlijke verhoudingen en een andere structuur van die verhoudingen wordt tenslotte nog aannemelijk uit enkele uitlatingen over het vrijen. Terwijl - zoals nog zal blijken - het platteland over de hele linie een stuk strenger oordeelt dan de stad over wat mag en niet mag ten aanzien
van de voorhuwelijkse geslachtsgemeenschap en de bevolking daar over het algemeen strenger is voor het meisje dan voor de jongen, treedt er op het platteland een bepaalde ommekeer aan de dag als het gaat om het zoenen en het intiem vrijen van een meisje. Volgens de lijn der verwachtingen zou men zeker strenger moeten zijn wanneer in een traditioneel milieu het meisje wil vrijen zonder dat ze verkering heeft of grote affectie voelt. Dit blijkt echter sterker een stads idee te zijn, want op het platteland oordeelt men juist wat ruimer over zoenen en vrijen voor een meisje ook als ze maar weinig of nauwelijks voor de jongen voelt. Vanuit de oude gedachtengang dat het er meer om gaat een ‘goede partij’ te vinden dan een uiterst persoonlijke relatie op te bouwen, is dit wel begrijpelijk.
Overigens zijn de verschillen en de ommekeer niet hemelsbreed, maar het frappeert voldoende om hier te worden gesignaleerd, vooral omdat de ‘inconsequentie’ zo opvalt t.o.v. de overigens strengere lijn. Een ander punt is de grotere vanzelfsprekendheid van de seksuele drift. Dit zullen we ook later nog ontmoeten. Men zou deze vanzelfsprekendheid o.a. kunnen afleiden uit het feit dat men op het platteland iets vaker meent dat een goed huwelijk bij weinig of geen geslachtsgemeenschap nauwelijks mogelijk is terwijl men in de stad meent dat dit wél het geval is: mannen: 68%-68%-55%; vrouwen 73%-63%-67%.
Overigens zijn de getallenverschillen hier te klein om er conclusies aan te verbinden. We opperen hier alleen een mogelijkheid omdat er ook elders in het materiaal aanwijzingen voor zijn: Op het platteland bijvoorbeeld blijkt de dubbele moraal ten gunste van de jongen aanmerkelijk vaker voor te komen dan in de steden; als men de jongen toestaat wat men het meisje niet toestaat dan is dit meestal omdat men aanneemt dat de jongen zich niet zozeer hoeft of kan beheersen. Zo zijn er méér aanwijzingen, zoals nog zal blijken, voor een meer driftmatige opvatting over de seksualiteit op het platteland. We leggen er echter nogmaals de nadruk op dat het hier om ‘aanwijzingen’ gaat waarop men veronderstellingen kan bouwen, niet om bewezen feiten.
De kennis over verschillende aspecten van de seksualiteit is op het platteland op tal van punten geringer, de behoefte aan kennis is er groter. Dit is de voornaamste conclusie van dit gedeelte. Als men op een vraag die een stellingname vereist, antwoordt met ‘geen mening’ kan dit in sommige gevallen een aanduiding zijn van een ontbrekende kennis op dat terrein. Daarnaast zijn er de duidelijke uitlatingen zoals ‘weet niet’ en ‘nooit van gehoord’. Zo'n verhoogde onwetendheid van het platteland t.o.v. kleine en grote steden treedt aan de dag bij de volgende punten:
| - | Is de situatie beter in Nederland of in Denemarken, gezien de daar toegestane vrije verkoop van pornografie? |
| - | Is periodieke onthouding schadelijk voor de gezondheid? |
| - | Hebt u ooit gehoord van coïtus interruptus, condoom, pessarium, spiraaltje, irrigatie, schuimtabletten, zaaddodende pasta? |
| - | Hebt u weleens gehoord van zelfbevrediging? (alleen bij mannen) |
| - | Hoe ziet u homoseksualiteit? |
Een aantal andere vragen en uitspraken waar een relatief grotere onwetendheid aan de dag trad zijn de volgende:
| - | Denkt u dat er bij mannen een leeftijd komt waarop de mogelijkheid sterk afneemt om geslachtsgemeenschap te hebben? |
| - | Denkt u dat een vrouw, die geen kinderen meer kan krijgen, seksueel volledig bevredigd kan worden? |
| - | Ligt kinderloosheid meestal aan de vrouw? |
| - | Is geslachtsgemeenschap pas goed als man en vrouw gelijktijdig tot bevrediging komen? |
| - | Is meer dan drie keer per week geslachtsgemeenschap slecht voor de gezondheid? |
De behoefte aan meer kennis wordt duidelijker uitgesproken op het platteland dan in de stad. Zo vindt men in de agglomeraties en andere steden vaker dat er voldoende of zelfs teveel aandacht aan sex wordt besteed in de massamedia en op het land vaker dat er te weinig aandacht aan wordt besteed. Dit is echter typisch een mannenoordeel, want de vrouwen op het platteland sluiten zich aan bij de mannen in de steden en vinden het zo wel voldoende. De mannen op het land zouden vooral de televisie gebruikt wil-
len zien voor meer informatie op dit terrein. Toch hoeft dit nog niet te betekenen dat de vrouwen op het platteland érg afwerend staan t.o.v. deze informatie, want haar oordeel over het liever in deze tijd leven is gunstiger dan in de stad. Misschien kan men ook een aanwijzing putten uit het feit dat het invullen van de vragenlijst (ook het gedeelte over het sex-gedrag) door mannen en vrouwen op het land prettiger werd gevonden dan in de stad (mannen: 27%-23%-38%; vrouwen: 28%-31%-44%). In de steden zegt men vaker dat men dit invullen heeft ervaren als ‘gewoon’. De behoefte over sex te praten e.d. lijkt dus op het platteland groter te zijn. Uiteraard - en dit verdient veel nadruk - zijn al deze verschillen slechts relatief en staan de groepen beslist niet diametraal tegenover elkaar, integendeel, ze hebben meer gemeenschappelijk dan dat ze verschillen.
De afweer van de seksualiteit als een lustvolle en eventueel uitdagende beleving is op het platteland groter dan in de steden. Er zijn hierop enkele schijnbare uitzonderingen en ‘inconsequenties’, die echter uit de speciale aard van de stedelijke en landelijke situatie verklaard kunnen worden. De volgende onderwerpen worden in de grote en kleine steden positiever beoordeeld dan op het platteland:
| - | het dragen van minirokken; |
| - | naakt rondlopen op een afgeschut terrein; |
| - | samen douchen van ouders en kinderen; |
| - | tv-shows met veel bloot (gering verschil!); |
| - | vrije verkoop van pornografie zoals in Denemarken; |
| - | meer dan drie keer per week geslachtsgemeenschap. |
Schijnbaar inconsequent is dat de mannen op het platteland juist positiever reageren op:
| - | het tappen van schuine moppen; |
| - | vrijen waar anderen bij zijn. |
De schuine mop hoort dermate in het wat grovere mannenpatroon, dat vermoedelijk op het platteland nog wat sterker vertegenwoordigd is dan in de stad, dat het niet verbaast dat de hogere positieve waardering ervan op het platteland alleen bij mannen voorkomt. Het vrijen wordt, zoals reeds hiervoor als hypothese werd gesteld, op het platteland an-
ders beoordeeld dan in de stad: meer als een inleiding op het sociaal (en misschien natuur-) noodzakelijk gebeuren en minder als expressie van een hoogst persoonlijke relatie. De beleving van de seksualiteit lijkt dus op het platteland wat anders te zijn dan in de stad. Er zijn verschillende aanwijzingen dat de seksualiteit er in sommige opzichten juist vrijer geaccepteerd wordt, ondanks de meer traditionele opvattingen over onderwerpen als het samen douchen, naakt rondlopen, prikkellectuur lezen etc.
Kennelijk hebben de stad en het land hun eigen vrijheden, die elk vanuit een heel eigen achtergrond stammen. Zo blijkt een grotere vrijheid op het platteland ten aanzien van de volgende punten:
| - | De vrouw blijkt op het platteland vaker door de ouders te zijn voorgelicht (18%-23%-34%). Bij de mannen is er een gering verschil in dezelfde richting. |
| - | Op het platteland horen we iets vaker - maar het is slechts een gering verschil - dat de houding van de ouders t.o.v. de seksualiteit open en vrij was. Dit geringe verschil is echter belangrijk omdat het tegen de verwachting ingaat: in meer traditionele sectoren van de samenleving zou men juist een grotere geslotenheid t.a.v. de seksualiteit verwachten. |
| - | Op het platteland heerst er tussen het oordeel van de mannen en dat van de vrouwen veel meer overeenstemming over de stelling dat de man meer behoefte heeft aan geslachtsgemeenschap dan de vrouw; in de steden en met name in de agglomeraties is er veel meer discrepantie tussen het oordeel van beide groepen. Men kan hierin een aanwijzing zien dat de grotere driftmatigheid van de man op het platteland meer als vanzelfsprekend wordt gezien. |
De grotere vrijheid op het platteland zou voor een belangrijk deel een grotere vrijheid kunnen betekenen ten opzichte van sex als voortplanting, in de steden meer t.o.v. sex als spel. Vandaar de vaker voorkomende voorlichting aan meisjes en het weten dat ‘de natuur nu eenmaal zo is’. De nu volgende gegevens bevestigen dit.
Dat de seksualiteit op het platteland sterker als ‘natuur’ beleefd wordt, blijkt o.a. uit de mate van instemming met een aantal uitspraken over de seksualiteit als natuur-fenomeen, die waren voorgelegd en waarover men zijn oordeel moest geven. Op het platteland is de instemming met zulke uit-
spraken soms tot ruim 30% hoger dan in de grote stad, resp. lager als het een uitspraak betreft die het omgekeerde zegt en de vrijheid t.o.v. de seksualiteit benadrukt. Enkele van deze uitspraken zijn:
| - | Kinderen krijgen is het doel van het huwelijk (mannen: 63%-73%-84%; vrouwen: 61%-76%-82%). |
| - | De seksuele moraal mag niet door de mensen veranderd worden; zij ligt vast in de natuur besloten (mannen: 62%-65%-81%; vrouwen: 68%-76%-80%). |
| - | Seksualiteit is iets natuurlijks en plezierigs dat niet alleen in het huwelijk hoort (mannen: 59%-48%-37%; vrouwen 46%-31%-27%). |
| - | Het is goed als mensen zich aan strakke regels houden in het seksuele leven, want waar blijf je als iedereen alles voor zichzelf uitmaakt (mannen: 39%-52%-59%; vrouwen: 50%-52%-66%). |
| - | Homoseksualiteit kan nooit goed zijn, want het gaat duidelijk in tegen de natuur (mannen: 44%-56%-78%; vrouwen: 41%-59%-64%). |
| - | Het gebruik van voorbehoedsmiddelen druist in tegen de natuur (mannen: 30%-45%-52%; vrouwen: 30%-41%-62%). |
Het is interessant dat er soms geen of slechts kleine verschillen optreden, terwijl men ze wel zou verwachten. Bijvoorbeeld t.a.v. de uitspraak: ‘de traditionele gezichtspunten over het seksuele leven zijn zo slecht nog niet’. Kennelijk wil men niet voor expliciet traditioneel doorgaan. En enigszins inconsequent meent men ook op het platteland dat de geboortenbeperking de verhouding tussen man en vrouw ten goede komt. Men zal hierbij wel enigszins in conflict raken met de opvatting dat de ‘natuur’ de norm aangeeft voor de seksualiteit. Uit deze antwoorden krijgen we - voor zover mogelijk - wel een overtuigend beeld van de veel hogere waardering van de seksualiteit als ‘natuur’, als men gaat van de stedelijke agglomeratie naar de kleine stad en vervolgens naar het platteland. Uit de gegevens blijkt echter ook dat het beschouwen van sex als ‘natuur’ niet alleen iets is van de agrarische samenleving: het komt relatief ook nog erg veel voor in de kleinere steden en óók in de agglomeraties; het heeft waarschijnlijk dan ook meer te maken met een bepaalde traditionele instelling die in tal van kringen heerst; maar de grote steden zijn hier duidelijk de
koplopers in een nieuwe ontwikkeling naar een andere opvatting van de seksualiteit. Bij het voorafgaande sluit aan dat het oordeel over zelfbevrediging op het platteland wat negatiever is dan in de steden, zoals blijkt uit de mate van instemming met een aantal uitspraken over zelfbevrediging. Ook worden over homoseksualiteit op het platteland vaak meningen gegeven in de trant van tegennatuurlijk verschijnsel, ziekte, zonde etc., terwijl in de stad meer neutrale meningen voorkomen waarbij men homoseksualiteit ziet als een afwijkende gedraging die een erfelijke, psychische of sociale reden moet hebben. Door deze laatste aanduidingen wordt de homofiel als persoon minder gedegradeerd. Aanduidingen van de eerste opinie zijn: homoseksualiteit is een ziekte, het is een onnatuurlijk verschijnsel, het is vies, het is een niet aanvaardbare vorm van gedrag (mannen: 52%-55%-65%; vrouwen: 43%-69%-67%). Aanduidingen van de tweede, meer neutrale opinie zijn: het is een aangeboren afwijking, het is veroorzaakt door omstandigheden of opvoeding, het is een aanvaardbare vorm van seksueel gedrag: (mannen: 57%-41%-25%; vrouwen: 62%-36%-19%). Het vaker beschreven verschil tussen stad en platteland wordt dus door de antwoorden in dit onderzoek bevestigd.
Dat het platteland over het geheel genomen ‘conservatiever’ is dan de steden wordt verder bevestigd als men nagaat wat in hun ogen mag en niet-mag. Dit ‘mogen’ heeft dan betrekking op geboortenbeperking, geslachtsgemeenschap voor het huwelijk, geslachtsgemeenschap buiten het huwelijk, gebruik van voorbehoedsmiddelen, idem door jongeren, homoseksueel verkeer, en abortus. Op al deze punten zijn de kleinere steden minder toeschietelijk dan de grote agglomeraties en het platteland weer minder toeschietelijk dan de kleinere steden.
Er zijn echter interessante ‘inconsequenties’.
Nemen we bijvoorbeeld de mening over geslachtsverkeer vóór het huwelijk. Op dit punt verloopt de lijn consequent als men moet aangeven of men het principieel aanvaardbaar of onaanvaardbaar vindt: het platteland is duidelijk behoudender: geen principiële bezwaren bij de mannen: 56%-
43%-31% en bij de vrouwen 41%-30%-19%. Maar er was een mogelijkheid gelaten om te zeggen: ‘ik heb er wel bezwaar tegen maar ik kan het in bepaalde omstandigheden wel begrijpen’. Dan zijn de plattelanders ineens veel pragmatischer en minder principieel dan de stedelingen, en zeggen zij in grote getale ‘ja’ (mannen 37%-44%-52%; vrouwen: 48%-56%-59%), zodat het eind-resultaat op het platteland en in de grote steden niet zo heel veel verschilt. Wij veronderstellen dat dit niet alleen veroorzaakt wordt door een vergoelijkende praktische houding, die op het platteland groter zou zijn, maar ook en vermoedelijk vooral door het accepteren van vóórhuwelijks verkeer om andere doeleinden en in andere situaties. Geslachtsverkeer voor het huwelijk heeft op het platteland van ouds de betekenis gehad van eerst onderzoeken of het meisje wel vruchtbaar is. Dit zou ten dele nog zo kunnen zijn. Ook zijn er aanwijzingen, zoals we zagen, dat de seksualiteit op het platteland toch wel wat ‘directer’ en ‘driftmatiger’ gezien wordt dan in de stedelijke milieus, waardoor het seksuele gedrag op het platteland minder wordt afgeremd door de eis van een zeer persoonlijke verhouding, zoals in de steden meer voorkomt. Deze veronderstelling is ten dele wel juist, zoals aanstonds zal blijken: de persoonlijk beleefde relatie is niet zozeer een eis voor seksueel contact als dat in de steden het geval is. Maar toch is dit niet de enige reden voor het relatief sterkere accepteren van de voorhuwelijkse seksualiteit op het platteland. Immers, op het platteland blijkt men even vaak als in de steden de partner, met wie men het eerste seksuele verkeer had, persoonlijk te kennen. Dat men de geslachtsgemeenschap vóór het huwelijk accepteert komt dus vermoedelijk niet zozeer, of niet alleen, voort uit de grotere ‘driftmatigheid’, maar omdat men het om andere redenen toelaat. Hiervoor hebben we nog enkele andere aanwijzingen op grond van enkele andere vragen. De kwestie van de geslachtsgemeenschap voor het huwelijk is nl. twee keer aan de orde gesteld in het interview, waarvan één keer met een bepaalde omweg. Gevraagd werd bij deze gelegenheid wat ze vonden van intiem vrijen en van geslachtsgemeenschap in vier verschillende situaties: van plan binnenkort te trouwen, verliefd zijn, genegenheid hebben voor elkaar, géén genegenheid voor elkaar hebben (dus elkaar alleen lichamelijk aantrekkelijk vinden).
Volgens de verwachting zouden de plattelanders op al deze punten behoudender moeten zijn dan de stedelingen.
Ten aanzien van het meisje is dit zeker zo: haar wordt op het platteland aanmerkelijk minder toegestaan dan in de grote steden. Er is op alle punten een dalende lijn in hetgeen haar in de diverse situaties wordt toegestaan als we gaan van de grote steden naar het platteland. Voor de jongen is deze dalende lijn er ook wel, althans in het oordeel van de vrouwen. Het oordeel van de mannen over de jongen die geslachtsgemeenschap wil is wat ‘inconsequent’. Weliswaar staan ze hem, ook als hij trouwplannen heeft, veel minder vaak geslachtsgemeenschap toe dan in de grote steden, maar in situaties van verliefdheid, genegenheid of zelfs zonder genegenheid zijn de mannen op het platteland niet strenger of ‘conservatiever’ dan de mannen in de steden. Kennelijk is bij de mannen op het platteland de ideologie over de man die zich niet kan beheersen of zich moet bewijzen relatief sterker dan in de stad, ofwel men ziet het streven naar geslachtsgemeenschap anders: minder als een uiting van verliefdheid of genegenheid dan als het uitproberen en veroveren van een bruid.
Een ander opmerkelijk punt, dat hierbij aansluit, is dat de relatief grotere strengheid van het platteland niet wordt doorgezet waar het intiem vrijen betreft. Ten aanzien van dit punt is men op het platteland even tolerant en vaak zelfs toleranter dan de stedelingen, met name als het gaat om intiem vrijen zonder dat er genegenheid aan te pas komt. Kennelijk wordt vrijen er minder persoonlijk-affectief opgevat dan in de steden. In tabel 17 kan men deze omkering nagaan.
Een interessante bijzonderheid is de kwestie van de dubbele moraal. Het blijkt dat bij de mannen op het platteland de dubbele moraal ten gunste van de jongen nogal voorkomt, in tegenstelling tot de steden. Als men vergelijkt wat de mannen aan de jongen en het meisje toestaan met betrekking tot geslachtsgemeenschap zijn er op het platteland duidelijke verschillen in de percentages, in de steden niet. Dit bevestigt weer de veronderstelling van een groter conservatisme op het platteland: de dubbele moraal geldt immers als een overblijfsel van een voorbije tijd met grote verschillen tussen man en vrouw. Kijkt men echter naar de antwoorden op de vraag t.a.v. intiem vrijen, dan blijkt er - bij de man-
| Mannen totaal | Mannen naar urbanisatiegraad | |||
|---|---|---|---|---|
| agglomeraties | overige steden | platteland | ||
| degenen die het met de bewering volkomen of in grote lijnen eens zijn in procenten1 | ||||
| ik vind dat een jongen intiem mag vrijen met een meisje...
- als hij van plan is binnenkort met haar te trouwen |
96 | 99 | 95 | 93 |
| - als hij op haar verliefd is | 84 | 84 | 85 | 83 |
| - als hij veel voor haar voelt | 72 | 96 | 68 | 79 |
| - ook al voelt hij weinig voor haar | 15 | 8 | 16 | 16 |
| ik vind dat een meisje intiem mag vrijen met een jongen...
- als zij van plan is binnenkort met hem te trouwen |
98 | 96 | 97 | 100 |
| - als zij op hem verliefd is | 87 | 87 | 84 | 94 |
| - als zij veel voor hem voelt | 74 | 68 | 71 | 83 |
| - ook al voelt zij weinig voor hem | 14 | 11 | 11 | 24 |
| Vrouwen totaal | Vrouwen naar urbanisatiegraad | |||
|---|---|---|---|---|
| agglomeraties | overige steden | platteland | ||
| degenen die het met de bewering volkomen of in grote lijnen eens zijn in procenten1 | ||||
| ik vind dat een jongen intiem mag vrijen met een meisje...
- als hij van plan is binnenkort met haar te trouwen |
92 | 91 | 91 | 95 |
| - als hij op haar verliefd is | 78 | 78 | 77 | 82 |
| - als hij veel voor haar voelt | 67 | 60 | 66 | 76 |
| - ook al voelt hij weinig voor haar | 10 | 8 | 12 | 8 |
| ik vind dat een meisje intiem mag vrijen met een jongen...
- als zij van plan is binnenkort met hem te trouwen |
89 | 92 | 91 | 84 |
| - als zij op hem verliefd is | 70 | 78 | 73 | 64 |
| - als zij veel voor hem voelt | 61 | 52 | 64 | 61 |
| - ook al voelt zij weinig voor hem | 7 | 2 | 9 | 6 |
| Mannen totaal | Mannen naar urbanisatiegraad | |||
|---|---|---|---|---|
| agglomeraties | overige steden | platteland | ||
| degenen die het met de bewering volkomen of in grote lijnen eens zijn in procenten1 | ||||
| ik vind dat een jongen volledige geslachtsgemeenschap met een
meisje mag hebben... - als hij van plan is binnenkort met haar te trouwen |
64 | 75 | 65 | 54 |
| - als hij op haar verliefd is | 37 | 42 | 34 | 35 |
| - als hij veel voor haar voelt | 26 | 26 | 25 | 26 |
| - ook al voelt hij weinig voor haar | 4 | 1 | 5 | 3 |
| ik vind dat een meisje volledige geslachtsgemeenschap met een
jongen mag hebben... - als zij van plan is binnenkort met hem te trouwen |
63 | 80 | 63 | 46 |
| - als zij op hem verliefd is | 32 | 46 | 31 | 18 |
| - als zij veel voor hem voelt | 24 | 33 | 25 | 15 |
| - ook al voelt zij weinig voor hem | 3 | 9 | 2 | - |
| Vrouwen totaal | Vrouwen naar urbanisatiegraad | |||
|---|---|---|---|---|
| agglomeraties | overige steden | platteland | ||
| degenen die het met de bewering volkomen of in grote lijnen eens zijn in procenten1 | ||||
| ik vind dat een jongen volledige geslachtsgemeenschap met een
meisje mag hebben... - als hij van plan is binnenkort met haar te trouwen |
57 | 63 | 58 | 47 |
| - als hij op haar verliefd is | 20 | 27 | 21 | 11 |
| - als hij veel voor haar voelt | 17 | 16 | 20 | 10 |
| - ook al voelt hij weinig voor haar | 2 | - | 2 | - |
| ik vind dat een meisje volledige geslachtsgemeenschap met een
jongen mag hebben... - als zij van plan is binnenkort met hem te trouwen |
49 | 75 | 53 | 28 |
| - als zij op hem verliefd is | 16 | 28 | 16 | 10 |
| - als zij veel voor hem voelt | 11 | 17 | 12 | 8 |
| - ook al voelt zij weinig voor hem | 0 | 2 | 1 | - |
nen op het platteland, niet in de steden - ook hier een dubbele moraal, maar nu ten gunste van het meisje: het meisje mag veel meer, met name als ze geen genegenheid voelt voor de jongen. En wat dit laatste betreft: als ze geen genegenheid voelt voor de jongen mag ze zelfs geslachtsgemeenschap met hem hebben. Men zou dit als volgt kunnen uitleggen dat door de mannen op het platteland meer onomwonden wordt toegekeken dat het meisje best mag proberen de jongen te binden. Misschien ook is hier een restant van het vroegere ‘eerst uitproberen of ze vruchtbaar is’. Hiertegenover tonen de vrouwen op het platteland een flink stukje dubbele moraal ten gunste van de jongen bij het intiem vrijen. Zij zijn kennelijk wat gereserveerder dan de man waar het de meisjes betreft, maar delen met de man het oordeel van de grotere driftmatigheid en vrijheid van de jongen.
Men krijgt de indruk dat er op het platteland een samenstel van normen heerst dat in zijn totaliteit anders is dan dat van de steden. Van de jongen wordt eerder aangenomen dat zijn seksualiteit driftmatiger is; van het meisje wordt duidelijker aangenomen dat ze een huwelijk probeert te organiseren. Op deze wijze sluiten de gegevens met betrekking tot de jongen en met betrekking tot het meisje op elkaar aan. ‘Vrijheid’ zou op het platteland wel eens iets anders kunnen betekenen dan in de stad. Verder onderzoek lijkt echter noodzakelijk.
Ter afsluiting van deze paragraaf nog één interessant puntje: Over de hele lijn kent men op het platteland minder voorbehoedsmiddelen, en als men ze kent, oordeelt men er relatief ook negatiever over in moreel opzicht. Maar er zijn twee uitzonderingen: niet negatiever maar relatief positiever wordt op het platteland geoordeeld over de ‘natuurlijke’ methode (de periodieke onthouding) en over de op het platteland veel gebruikte methode (de coïtus interruptus) - beide methodes die niet zo erg ‘relationeel’ zijn vanuit de gezichtshoek van de stedeling!
Ten aanzien van de seksuele verkenningsactiviteiten is er een relatieve achterstand van het platteland vergeleken bij de
stad: in de stad doet men meer en doet men het relatief ook vroeger. Binnen deze achterstand is de achterstand van de man op het platteland relatief kleiner dan die van de vrouw, die een flink stuk achterblijft op haar collega in de stad. Dit klopt wel met de strengere normen die op het platteland heersen, zoals we in de vorige paragraaf zagen, en met de dubbele moraal. Toch verwondert het wel even dat de vrouw relatief zoveel meer achterblijft, terwijl we in het voorafgaande zagen dat het meisje relatief tamelijk veel werd toegestaan t.a.v. intiem vrijen zonder genegenheid. Een dergelijke norm of standaard hoeft kennelijk niet direct te worden omgezet in de praktijk; soms zijn normen alleen ‘idealen’ die naar voren worden gehaald om een gewenst verschil te onderstrepen.
Misschien ook speelt het tijdsverschil een rol: deze gehuwden vertellen over wat zij deden vóór zij huwden, maar zij geven hun normen zoals zij thans vinden dat het zou mogen.
De verschillen t.a.v. andere aspecten van sexgedrag tussen stad en platteland zijn overigens tamelijk gering. Er is een klein verschil in de frequentie van de geslachtsgemeenschap bij de gehuwden, wordt de man in de stad door de geslachtsgemeenschap vaker bevredigd dan zijn collega op het land, en horen we in de stad vaker dat ook de partner bevredigd was dan op het land.
Het gebruik der diverse soorten voorbehoedsmiddelen en methoden tot geboortenbeperking is lager op het platteland, behalve ten aanzien van periodieke onthouding en de coïtus interruptus. In de stad is er een hogere frequentie van prostitutiebezoek, van buitenechtelijk seksueel verkeer en van buitenechtelijk erotisch contact, maar deze aantallen zijn ook in de stad klein, zodat ook de relatieve verschillen niet zo'n grote betekenis hebben.
Wel opmerkelijk is het verschil in homoseksueel contact tussen de steden en het platteland, dit te meer omdat hier het platteland veel actiever naar voren komt en dit tegen alle gebruikelijke verwachtingen en opvattingen ingaat. Twee vragen zijn hier van belang. De eerste betrof het zich lichamelijk aangetrokken voelen tot andere jongens (resp. meisjes) in de tienerleeftijd. Op deze vraag wordt op het platteland vaker gezegd dat dit vaak of een enkele keer het geval was: mannen 19%-15%-24%, vrouwen 11%-9%-
21%. Dit zou kunnen betekenen dat de vraag tamelijk ‘onschuldig’ is verstaan en vooral begrepen is in verband met seksuele initiatiespelletjes, die op het platteland vermoedelijk meer voorkomen en waarover men - en dat is dan toch wel opmerkelijk - weinig schuldgevoelens of remmingen heeft. Het is echter de vraag of dit de enig mogelijke en meest waarschijnlijke verklaring van de verschillen is. De antwoorden op de tweede vraag in dit verband suggereren een andere uitleg. Deze vraag betrof het zich ook thans nog lichamelijk aangetrokken voelen tot andere mannen (resp. vrouwen). Hierop komen in de steden enigszins onwaarschijnlijke antwoorden, nl. nul!
Van de mannen voelen zich thans uitsluitend of overwegend aangetrokken tot andere mannen: 0%-0%-4%. Van de vrouwen voelen zich uitsluitend of overwegend aangetrokken tot andere vrouwen: 1%-1%-3%. Men kan op verschillende manieren proberen deze wel zeer onverwachte gegevens te verklaren. Men kan bijvoorbeeld veronderstellen dat het onder sociale dwang gehuwd zijn op het platteland veel meer voorkomt. Dan zouden in de steden - ook in de kleinere steden - de homofielen praktisch allemaal ongehuwd zijn gebleven. Dit is wel zeer onwaarschijnlijk.
Een andere mogelijkheid is dat men er op het platteland makkelijker voor uitkomt en minder taboes zou hebben t.a.v. homoseksualiteit. Erg waarschijnlijk is dit niet, maar men kan het niet uitsluiten, mede gezien de hierboven gegeven antwoorden m.b.t. homoseksuele contacten in de puberteit. Een derde mogelijkheid is dat men in de steden eerder begreep dat dit een sexenquête zou zijn en dat daarom de gehuwde homofielen eerder weigerden. In dat geval zou men het totale percentage gehuwden dat nu uit dit onderzoek komt, moeten verdubbelen of zelfs verdrievoudigen. In plaats van een aantal van 90.000 komt men dan op een veel hoger aantal gehuwde homofielen.
Dit is niet onwaarschijnlijk als men bedenkt dat men relatief zo weinig merkt in de maatschappij van het grote aantal homofielen dat er toch blijkens dit onderzoek moet zijn (zie verder hoofdstuk 8.) Wij sluiten hiermee dit hoofdstuk af, waarin we de verschillen tussen stad en platteland vooral hebben behandeld vanuit het gezichtspunt van de ontwikkeling, die het platteland doormaakt op weg naar verstedelijking. Uiteraard zou men ook kunnen proberen de verschil-
lende gegevens te interpreteren vanuit het karakteristieke van de stedeling en het achterblijven van andere categorieën hierbij. Dit beeld is echter minder vast omlijnd. Ten slotte zijn het niet anders dan keerzijden van eenzelfde zaak.