terug  begin  verderprepost
[p. 166]

Dr. mr. C.J. Straver
10. Jeugdigheid, een teken van progressiviteit?

Zoals de stad van ouds geldt als symbool van een grotere vrijheid ten opzichte van de ban der tradities, zo geldt de jeugd van ouds als symbool van de progressiviteit. Deze associatie van ‘progressief’ met nieuwe generatie hangt misschien samen met de koppeling tussen het jeugdige en het nieuwe.

Inmiddels is wel gebleken dat dit in veel gevallen zeker niet opgaat: de jeugd kan soms juist met verhevigd elan de traditionele waarden weer hoog houden of in ere herstellen. Van Hessen heeft hier o.a. op gewezen in zijn beschrijving van het jeugdbestel: de jeugdbeweging die in de eerste helft van deze eeuw zo'n grote rol speelde, was zeker evenvaak revival van voorbije maatschappijstructuren als voorloper in het spelen met nieuwe. Dit moet men in het oog houden als men de hiernavolgende beschouwingen leest, waarin de meeste gegevens pleiten voor een vernieuwingsdrang bij de jongere leeftijdsgroepen: een voortdurende relativering blijkt ook telkens weer nodig. Voor zover er een scheiding is tussen de leeftijdsgroepen naar meer progressief of meer behoudend ligt deze veelal niet tussen de jongste en de andere leeftijdsgroepen (dus bij 25 jaar) maar vaak tussen de twee jongste categorieën en de twee oudere (dus bij 35 jaar). In het algemeen treedt er ten aanzien van de meeste onderwerpen een zeer geleidelijke verschuiving aan de dag tussen de verschillende leeftijdscategorieën.

Soms zijn de verschillen daarbij tamelijk groot, soms tamelijk klein of zelfs afwezig, maar het beeld dat er uit naar voren komt is minder dat van een revolutie of breuk tussen generaties, dan wel van een maatschappelijke en culturele evolutie waaraan allen deel hebben. Men zou wel kunnen zeggen: hoe jonger, hoe meer alreeds verwant aan een nieuw patroon van gedragingen en houdingen op het terrein van de seksualiteit; hoe ouder, hoe sterker nog verwant aan het traditionele patroon. Dat de jongeren meer deel hebben aan het nieuwe cultuurpatroon komt zeker ook doordat zij jongere ouders

[p. 167]

hebben, die in hun tijd ook reeds een stuk van de geleidelijke ontvictorianisering hebben meegemaakt en dat hebben doorgegeven.

Uit een studie van Reiss over de houding bij jongeren en volwassenen in Amerika ten opzichte van de voorhuwelijkse seksualiteit bleek dat één der voornaamste verklaringsfactoren voor het al of niet tolerant zijn van jongeren op dit gebied het meer progressieve of meer conservatieve opvoedingsklimaat thuis was. Niet de jeugd als zodanig is per se een teken van progressiviteit, maar wel hebben zij meer kans te delen in een nieuw cultuurpatroon dat zich algemeen verbreidt. Zo gezien is het ook verklaarbaar waarom op sommige vragen de jongeren helemaal niet zo'n ‘progressieve indruk’ maken. Op bepaalde punten kunnen zij een selectie maken uit het cultuuraanbod en behoeven ze niet automatisch de trend te volgen. Een ander interessant punt is dat bij een aantal vragen de verschillen tussen jong en oud zich vooral voordoen bij de vrouw en minder bij de man. Dit is begrijpelijk: de culturele ontwikkeling zal zich in een aantal gevallen juist bij de vrouw doen voelen omdat daar de emancipatie nog een actueel punt is, en daar nog een beweging mogelijk en te verwachten is. Ook in de reeds genoemde studie van Reiss bleek dat de grootste verschillen optraden bij die groepen die minder een traditie van vrijheid op seksueel gebied hadden en waar dus verandering nog reëel mogelijk is.

Een derde punt dat de aandacht verdient is de vergelijking met de gegevens van Kinsey. Aan de hand van een vergelijking van diverse leeftijdscategorieën meende Kinsey te kunnen constateren dat het seksueel gedrag sinds 1920 niet zo veel gewijzigd was maar wel de houdingen, opvattingen en normen. Het is de vraag of dit voor ons materiaal ook geldt.

Wat we in onze vergelijking van de verschillende leeftijdscategorieën vooral missen is de leeftijdsgroep beneden de 21 jaar. Doordat het onderzoek bij de jongeren apart plaats vond, mede omdat een eigen benadering vereist was, weten we op het ogenlijk niet in hoeverre de jongeren de nu aan de dag tredende tendensen verder doorzetten dan wel op sommige punten juist een ommekeer tonen.

[p. 168]

Opvoedingsklimaat en vrijheid

Er zijn enige aanwijzingen dat de gezinsstructuur en het gezinsklimaat zich wijzigen, hetgeen vermoedelijk ook zijn invloed heeft op de normen en gedragingen op seksueel gebied.

Zo blijkt dat jongere mannen vaker zeggen dat zij beter met hun vader overweg konden en de jongere vrouwen dat zij met beide ouders goed overweg konden.

Gevoegd bij het feit dat jongeren minder vaak zeggen dat zij niet zo'n prettige jeugd hebben gehad en vaker zeggen dat de ouders gelukkig gehuwd waren, zou dit er op kunnen wijzen dat de gezinsverhoudingen harmonischer ervaren worden. Dit zou weer kunnen samenhangen met de grotere rol die de vader speelt in de gezinsrelaties en opvoeding, en met het feit dat de gezinsverhoudingen wat minder onder de druk van het werk staan - dingen die wij ook uit de literatuur in het algemeen weten.

Het is duidelijk dat de vrijheid ten opzichte van de seksualiteit, in de ogen van de respondenten, aanzienlijk is toegenomen.

De verschillen per leeftijdscategorie in de mate waarin er thuis over sex werd gesproken zijn aanzienlijk. Gaande van de jongste naar de oudste leeftijdsgroep zeggen respectievelijk 51-67-82-83% van de mannen en 51-66-86-90% van de vrouwen dat er thuis nooit over sex werd gesproken; hiermee corresponderend zeggen 49-33-18-17% van de mannen en 49-34-14-10% van de vrouwen dat er wel over sex gesproken werd thuis. De sfeer in de jongere gezinnen is kennelijk anders dan in de oudere. De scheidslijn ligt na de tweede groep, dus bij de lijn beneden of boven 35 jaar. Personen boven 35 jaar hebben ouders (gehad), die vermoedelijk geboren zijn vóór of uiterlijk rond de eeuwwisseling; personen jonger dan 35 jaar hebben ouders die vermoedelijk nà 1900 of zelfs na 1910 of na 1920 geboren werden. Ook Kinsey vond een duidelijk verschil in sexgedrag tussen personen die vóór 1900 en die nà 1910 geboren waren. Zelf hebben deze oudere respondenten hun jeugdtijd beleefd rond de eerste Wereldoorlog en de jongeren in de dertiger en veertiger jaren toen er al veel veranderd was na de eerste seksuele doorbraak in de 20er jaren. Het is interessant deze lijn nog even te vervolgen.

[p. 169]

Op de vraag hoe in het algemeen de houding van de ouders was ten opzichte van de seksualiteit, komt hetzelfde verschil naar voren. ‘Niet open en vrij’ zeggen respectievelijk 68-68-84-84% van de mannen en 51-67-81-84% van de vrouwen. Een eventuele vreugde over de ‘omslag’ bij de jongere leeftijden wordt door deze cijfers overigens tegelijk weer gedempt: het percentage bij de jongste groepen over het ontbreken van openheid thuis t.a.v. de seksualiteit is nog zo hoog dat men zich kan afvragen hoeveel er nog moet veranderen vóór er een goed opvoedingsklimaat bereikt is. Het zou daarom van groot belang zijn om door middel van onderzoek na te gaan of deze jongste leeftijdsgroepen het zelf op het ogenblik in hun gezinnen beter doen en of de trend zich doorzet.

Het zijn ook de oudere leeftijdscategorieën die vooral vinden dat de opvattingen over gedrag en zeden in Nederland achteruit gaan (mannen 21-31-39-49%, vrouwen 28-32-36-57%), maar de percentages jongeren die kennelijk schrikken van de veranderingen in opvattingen mag men niet onderschatten.

Hierbij sluit aan dat een bepaald percentage van de jongeren vindt dat er teveel aandacht wordt besteed aan sex in de massamedia, ook al is dit een afnemend percentage als men de verschillende leeftijdsgroepen vergelijkt (mannen 16-21-32-38%, vrouwen 29-29-44-53%).

Omgekeerd schrikken kennelijk de ouderen toch ook weer niet in zo grote getale van de toegenomen informatie via de massamedia, hetgeen de indruk versterkt dat het nieuwe cultuurpatroon iets is wat mede door alle leeftijdscategorieen gedragen wordt.

Ook op andere terreinen treffen we zulke-relatieve-verschillen tussen jong en oud aan. Het is in dit verband interessant te constateren hoe jongeren en ouderen overwegend gelijkelijk reageren op sexprikkels en vrijheid ten opzichte van het lichamelijke.

Zo wordt het tappen van schuine moppen vaker aanvaard door de jongere generatie (een verschil van ongeveer 10%), hetgeen er op wijst dat de fatsoensnormen in een minder hoog aanzien staan. Er is ook ten aanzien van onderwerpen als het dragen van minirokken, een tv-show met veel bloot en het lezen van prikkellectuur een aanwijsbaar verschil tussen de oudste en de jongste groepen (verschillen van 10

[p. 170]

tot 28%), maar op andere punten is er nauwelijks enig verschil (naakt rondlopen op afgeschut terrein, en vrijen waar anderen bij zijn). Wat betekent dit nu? Wil dit zeggen dat de ontwikkeling maar heel geleidelijk gaat en dat ook de jongere leeftijdscategorieën meer gemeenschappelijk hebben met de ouderen dan dat ze er van verschillen? Dit is zeker ook waar. Maar er is nog een andere uitleg mogelijk. De cijfers kunnen er ook op wijzen dat men weliswaar naar grotere vrijheid streeft, maar dat men daar iets anders onder verstaat. Bijvoorbeeld dat men onder vrijheid ten opzichte van het seksuele verstaat: meer mogelijkheden tot gesprek over sex, meer en betere voorlichting, meer ruimte ook tot sexbeleving in serieuze relaties, maar dat men eigenlijk niet verder gaat, en zeker niet sex zomaar als plezierige prikkel of als vrije uiting zonder meer wil zien. Verschillende aanwijzingen kunnen deze hypothese bevestigen: enerzijds de afweer van de vrijere opvattingen zoals we hierboven zagen, en anderzijds de tendens naar sexbeleving in het kader van liefde of genegenheid maar niet als consumptie-artikel. Op dit laatste komen we hierna nog uitvoerig terug. De tendens lijkt te gaan in de richting van een grotere vrijheid van relationele of affectiegebonden sexbeleving, niet van promiscuïteit. In elk geval is het opmerkelijk dat de verschillen tussen de leeftijdsgroepen vooral betrekking hebben op onderwerpen die geleidelijk aan sociaal geaccepteerd raken, maar als er patronen doorbroken moeten worden zijn de jongeren kennelijk weinig geneigd revolutionair op te treden. Samenvattend zouden we willen stellen dat de jongere leeftijdscategorieën kennelijk thuis al een grotere openheid t.o.v. sex ervaren hebben en zelf ook een grotere vrijheid ten toon spreiden, maar dat de verschuivingen slechts geleidelijk verlopen.

Normen met betrekking tot de seksualiteit

Zoals we in het vorige hoofdstuk een aantal verschillen aantroffen tussen stad en platteland met betrekking tot de vóórhuwelijkse seksualiteit, zo ook hier tussen de leeftijdsgroepen. En ook treffen we hier op een gegeven moment een ‘omgekeerde dubbele moraal’ aan. Maar de verschillen zijn misschien iets minder scherp en de omkering

[p. 171]

iets minder sprekend. Wat we in tabel 18 aantreffen is het volgende:

1. Ten aanzien van het intiem vrijen zien we dat er bij de mannen slechts zeer geringe (en vaak helemaal geen) verschillen zijn tussen de leeftijdsgroepen in hetgeen getolereerd wordt, met uitzondering van het vrijen zonder genegenheid. Dit wordt de ouderen toch vaker wat te bar! Bij de vrouwen daarentegen zien we wel verschillen, zij het niet in alle situaties even duidelijk. Over het algemeen echter zijn de oudere vrouwen vaker wat conservatiever dan haar jongere collega's. Met nadruk wordt echter gewezen op het betrekkelijke van de verschillen.

2. Wat de geslachtsgemeenschap betreft zijn er ook bij de mannen wel verschillen tussen de leeftijdsgroepen. Bij de vrouwen uiteraard ook. Ook hier zijn de verschillen lang niet altijd erg sprekend. Maar zowel voor mannen als voor vrouwen is er een zeer groot verschil in de acceptatie van geslachtsgemeenschap bij trouwplannen: hier accepteert de jongere generatie het als een algemeen verschijnsel, terwijl de oudere generatie het zeer sterk afwijst. Beneden deze eerste grens worden de verschillen dan minder sprekend.

Ook bij de jongeren is er over het algemeen een zeer grote afstand tussen het accepteren van geslachtsgemeenschap bij trouwplannen en het accepteren hiervan in andere situaties (verliefdheid, genegenheid etc). Die veel kleinere groep ‘progressieven’ vindt dan naast zich de ‘progressieve’ groepen uit de oudere leeftijdsgroepen. Dan vindt men elkaar. Dit verschijnsel bevestigt dat de algemene acceptatie van voorhuwelijks seksueel verkeer bij jongeren duidelijk in het teken staat van het huwelijk. Dit wordt nog aangevuld door het feit dat er ook weer een grote afstand is tussen degenen die geslachtsgemeenschap accepteren bij verliefdheid of genegenheid (de verschillen hiertussen zijn niet zo groot) en degenen die het ook accepteren als er alleen sprake is van lichamelijke aantrekkelijkheid. Deze laatste groep is bij alle categorieën heel gering. Dit betekent dat de groepen die geslachtsgemeenschap accepteren bij verliefdheid of genegenheid dit toch duidelijk doen in het licht van een persoonlijke relatie, ook al stellen zij niet de formele eis van een huwelijks perspectief. Deze groepen zijn misschien anti-institutioneel, maar niet minder relationeel gericht dan de trouwplannen-

[p. 172]

Tabel 18. Mondelinge vraag 18: Ik geef u een lijst waarop verschillende beweringen staan over contact tussen jongens en meisjes. Wilt u mij voor de twee uitspraken zeggen of u het er mee eens bent? (Als eerste wordt in de vragenlijst gevraagd of een jongen een meisje mag zoenen... of dat een meisje een jongen mag zoenen...)

Mannen totaal Mannen naar leeftijd
21-24 jaar 25-34 jaar 35-49 jaar 50-65 jaar
degenen die het met de bewering volkomen of in grote lijnen eens zijn in procenten1
ik vind dat een jongen intiem mag vrijen met een meisje...
- als hij van plan is binnenkort met haar te trouwen
96 100 96 94 95
- als hij op haar verliefd is 84 85 85 82 85
- als hij veel voor haar voelt 72 69 74 70 71
- ook al voelt hij weinig voor haar 15 19 19 13 10
ik vind dat een meisje intiem mag vrijen met een jongen...
- als zij van plan is binnenkort met hem te trouwen
98 100 100 99 94
- als zij op hem verliefd is 87 89 90 83 88
- als zij veel voor hem voelt 74 79 72 68 77
- ook al voelt zij weinig voor hem 14 11 25 9 11

Vrouwen totaal Vrouwen naar leeftijd
21-24 jaar 25-34 jaar 35-49 jaar 40-65 jaar
degenen die het met de bewering volkomen of in grote lijnen eens zijn in procenten1
ik vind dat een jongen intiem mag vrijen met een meisje...
- als hij van plan is binnenkort met haar te trouwen
92 96 95 94 85
- als hij op haar verliefd is 78 86 78 80 73
- als hij veel voor haar voelt 67 65 65 71 65
- ook al voelt hij weinig voor haar 10 14 13 8 8
ik vind dat een meisje intiem mag vrijen met een jongen...
- als zij van plan is binnenkort met hem te trouwen
89 94 93 90 83
- als zij op hem verliefd is 70 82 68 72 67
- als zij veel voor hem voelt 61 69 63 62 54
- ook al voelt zij weinig voor hem 7 10 10 4 9

[p. 173]

Mannen totaal Mannen naar leeftijd
21-24 jaar 25-34 jaar 35-49 jaar 50-65 jaar
degenen die het met de bewering volkomen of in grote lijnen eens zijn in procenten1
ik vind dat een jongen volledige geslachtsgemeenschap met een meisje mag hebben...
- als hij van plan is binnenkort met haar te trouwen
64 83 63 66 54
- als hij op haar verliefd is 37 42 35 38 33
- als hij veel voor haar voelt 26 33 20 26 26
- ook al voelt hij weinig voor haar 4 2 8 4 2
ik vind dat een meisje volledige geslachtsgemeenschap met een jongen mag hebben...
- als zij van plan is binnenkort met hem te trouwen
63 94 81 56 50
- als zij op hem verliefd is 32 59 47 24 22
- als zij veel voor hem voelt 24 43 32 21 17
- ook al voelt zij weinig voor hem 3 - 10 - 1

Vrouwen totaal Vrouwen naar leeftijd
21-24 jaar 25-34 jaar 35-49 jaar 40-65 jaar
degenen die het met de bewering volkomen of in grote lijnen eens zijn in procenten1
ik vind dat een jongen volledige geslachtsgemeenschap met een meisje mag hebben...
- als hij van plan is binnenkort met haar te trouwen
57 71 67 56 41
- als hij op haar verliefd is 20 40 21 17 14
- als hij veel voor haar voelt 17 33 17 15 10
- ook al voelt hij weinig voor haar 2 2 1 2 1
ik vind dat een meisje volledige geslachtsgemeenschap met een jongen mag hebben...
- als zij van plan is binnenkort met hem te trouwen
49 77 58 47 34
- als zij op hem verliefd is 16 21 19 16 14
- als zij veel voor hem voelt 11 10 13 13 8
- ook al voelt zij weinig voor hem 0 - 1 - 1

[p. 174]

eisers. Interessant is het in dit verband te vermelden dat de jongere leeftijdsgroepen niet toleranter blijken t.a.v. buitenechtelijke seksuele relaties, eerder het tegendeel (vooral bij de jongere mannen).

3. Een derde punt is de vraag t.a.v. de dubbele moraal en de omgekeerde dubbele moraal. Ten aanzien van intiem vrijen is er wel sprake van dubbele moraal bij de vrouwen - kennelijk geen voorvechters van de vrouwenemancipatie! - maar niet bij de mannen. Bij hen treedt soms zelfs iets van een omgekeerde dubbele moraal op, dus ten gunste van het meisje - althans bij de jongere leeftijdsgroepen. Ten aanzien van de geslachtsgemeenschap ligt het iets anders, in die zin dat er hier eerder bij de oudere mannen sprake is van een dubbele moraal (ten gunste van de jongen dus), maar tegelijkertijd treedt er bij de twee jongere jaargangen van de mannen een duidelijke omkering aan de dag in de richting van een dubbele moraal ten gunste van het meisje. Dat is zeer interessant, en heeft waarschijnlijk heel andere achtergronden dan bij een soortgelijke omkering op het platteland, die overigens alleen optrad bij het intensief vrijen. Men kan hier spreken van een generatieverschil en een cultuurverschil, waarvan de grens bij 35 jaar ligt. Dat de jongere mannen extra voordelen voor het meisje eisen kan dan verstaan worden als een sympathieke contrareactie op wat waarschijnlijk gezien wordt als een traditioneel onrecht. Dat de jongste categorie vrouwen dit voordeel of voorrecht niet wil accepteren, kan misschien samenhangen met een heel ander feit. Zij zijn nog niet lang gehuwd en nog vrij jong. In deze situatie hebben zij waarschijnlijk enigszins onverwacht ervaren dat de sexbehoefte van de man veel hoger is op die leeftijd dan bij haar zelf. Vanuit deze ervaring generaliserend komen zij dan tot hun opvallende dubbele moraal ten gunste van de jongen. Er zijn enkele aanwijzingen in het materiaal die deze hypothese versterken. Zo vindt tweederde van de vrouwen van alle leeftijden dat de mannen meer behoefte hebben aan geslachtsgemeenschap dan de vrouwen, en vinden vooral de mannen onder de 50 jaar dat zij meer behoefte hebben dan vrouwen (bij oudere mannen is deze overtuiging veel minder sterk vertegenwoordigd). Hun pleidooi voor een dubbele moraal ten gunste van de vrouwen zou dan ook kunnen betekenen dat ze hopen dat de vrouwen steeds meer zich zullen leren aanpas-

[p. 175]

sen aan het mannelijk patroon in dit opzicht, als ze maar eerst eens bevrijd zijn van de traditionele belemmeringen. Bij de jonge vrouwen kan dan het omgekeerde effect optreden: het gevoel hier niet aan te kunnen beantwoorden. Zij schrikken misschien enigszins van de nieuwe rol die haar als vrouw nu wordt aangeboden en waar zij helemaal niet op is voorbereid. Ze vlucht dan terug in een benadrukken van de traditionele verschillen tussen man en vrouw. Wat de andere punten betreft zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen van verschillende leeftijden veelal niet zo erg groot. Zo zijn er wel verschillen - maar zeker geen duidelijke tegenstellingen - tussen jong en oud ten aanzien van de volgende punten:

-aanvaarding van zelfbevrediging;
-aanvaarding van abortus (vooral bij vrouwen);
-aanvaarding van homoseksualiteit.

Kennelijk volgen de leeftijdsgroepen echter eenzelfde cultuurpatroon, met slechts relatieve verschillen in de mate waarin. We hebben enkele malen gesuggereerd dat het platteland in verschillend opzicht nog resten heeft van een eigen cultuurpatroon. Tussen de leeftijdsgroepen is daar echter geen sprake van. Duidelijke verschillen zijn er wel in de mate waarin jongeren geslachtsgemeenschap voor het huwelijk aanvaarden (bij trouwplannen, verliefdheid of genegenheid) en de mate waarin jongere leeftijdsgroepen menen dat voorbehoedsmiddelen voor jongeren beschikbaar moeten zijn. Voor dit punt ligt naar 't oordeel van alle leeftijdsgroepen de top van de curve voor jongens en voor meisjes bij 18 jaar (voor meisjes tevens op 16 jaar in het oordeel der mannen). Dat wil zeggen dat de meeste van deze respondenten voorbehoedsmiddelen willen geven aan jongens en meisjes van 18 jaar.

Kennis en houding met betrekking tot de seksualiteit

Terwijl de kennis in de vergelijking tussen stad en platteland een belangrijk punt was, waar duidelijke verschillen aan de dag traden, levert dit in de vergelijking van leeftijdsgroepen nauwelijks iets op. Verschillen in kennis bijvoorbeeld van minder bekende voorbehoedsmiddelen zijn er wel, maar

[p. 176]

lopen op grillige wijze door de leeftijdscategorieën heen, zodat bijvoorbeeld het pessarium minder bekend is bij de jongste groep en het spiraaltje minder bij de oudere groepen, enz. Ook ten aanzien van andere punten blijken nauwelijks verschillen, zodat ook hier de stelling opgaat dat er van een generatiebreuk nauwelijks sprake is. Een soortgelijke conclusie moet gelden waar het de houding met betrekking tot de seksualiteit betreft. Op de uitspraken met betrekking tot seksualiteit als natuurgegeven leverden stad en platteland duidelijke verschillen op; het onderscheid tussen de leeftijden levert slechts bij enkele uitspraken enige verschillen op. Zo stemmen mannen naar mate zij ouder zijn meer in met de uitspraken: ‘het is gezonder zich te houden aan wat de natuur ons leert op seksueel gebied dan een eigen weg te gaan’ (56-56-65-72%) en ‘homoseksualiteit kan nooit goed zijn want het gaat duidelijk in tegen de natuur’ (47-53-59-66%). De vrouwen verschillen ook op dit laatste punt (49-48-57-66%), alsmede op de twee volgende uitspraken: ‘geboortenbeperking komt de verhouding tussen man en vrouw ten goede’ (81-86-77-68%) en ‘het gebruik van voorbehoedsmiddelen druist in tegen de natuur’ (40-37-45-52%). De leeftijdsvergelijking is hier dus maar ten dele relevant. Wel verdient het de aandacht dat ook van de jongere leeftijdsgroepen zovelen de natuur nog als norm hanteren voor de seksualiteit, hetgeen erop wijst dat de verschuiving in het cultuurpatroon maar zeer geleidelijk in zijn werk gaat. Een tweede interessant punt, waardoor onze zoëven gegeven veronderstelling bevestigd wordt, is dat op diverse uitspraken de jongste leeftijdsgroep (21-24 jaar) vaak wat strenger oordeelt dan de groep van 25-34 jaar. Ditzelfde verschijnsel zagen we ook al bij de reacties op de sexprikkels (naakt lopen, enz.) Een deel van de jongeren heeft kennelijk de neiging om met nadruk traditionele waarden vast te houden en zich te weren tegen al te snelle veranderingen.

Er zijn tal van verklaringen mogelijk voor dit verschijnsel: ten eerste kan men wijzen op de psychische onzekerheid die van een toenemende normverandering kan uitgaan, en die in het bijzonder bedreigend kan zijn voor een leeftijdsgroep die zijn sociale verankering nog niet zo duidelijk heeft gevonden. Zo'n groep zoekt dan wellicht psychisch houvast in vaste denkkaders. Een tweede verklaring kan gevonden worden in het relatieve isolement van de jongerengroep

[p. 177]

ten opzichte van de ‘volwassen’ maatschappij waarop zij zich desalniettemin oriënteert: men ziet de oudere leeftijdsgroepen als referentiepunt en ziet de dichterbij gelegen en meer verwante groepen over het hoofd omdat die te weinig sociale prestige hebben. Zo hebben bepaalde studentengroeperingen zich bij voorkeur gericht op de gevestigde elite als richtsnoer.

Seksueel gedrag

Ook ten aanzien van het seksueel gedrag zijn er - net als bij de normen - duidelijke verschillen tussen de oude en de jonge generatie. We moeten hier echter voorzichtig zijn. De herinnering speelt de oudere mensen parten. Als de ouderen ongeveer 10% lager scoren op de vraag of ze wel eens hevig verliefd zijn geweest, dan kunnen ze het gewoon vergeten zijn. Dit is niet onaannemelijk als men ziet dat juist de ouderen meer extreem stelling nemen op vragen die de romantische inslag moeten meten: zij verschillen alleen van de jongeren hierin dat zij vaker zeggen ‘volkomen mee eens’ en de jongeren vaker wat relativerender opmerken ‘in grote lijnen mee eens’. Dat de ouderen vroeger minder vaak verliefd geweest zouden zijn dan de jongeren nu is dus aan twijfel onderhevig. Iets dergelijks geldt ten aanzien van erotische contacten voor het huwelijk. Handje vast houden, zoenen, etc. kwam - naar het lijkt - minder voor bij de ouderen (zoenen bij vrouwen 87-86-80-68%), maar de antwoordcategorie ‘vraag niet beantwoord’ is in dit geval bij de oudste leeftijdsgroep 15% (tegenover 6 à 7 bij de andere leeftijdsgroepen).

Wel duidelijker worden de verschillen als het gaat om diverse vormen van vrijen en dan met name de oudere vrouwen categorisch ‘neen’ zeggen. In tabel 19 kan men dit verloop volgen. Men moet hierbij bedenken dat er 6 à 8% van de respondenten (gemiddeld 7%) deze schriftelijke vragenlijst niet heeft beantwoord, zodat alle percentages beneden de 100 zijn. Interessant in dit overzicht is ten eerste dat de curve duidelijk daalt als men over gaat van zoenen naar betasten van het lichaam. Ten tweede dat er bij de vrouwen duidelijk een generatieverschil aanwijsbaar is, waarvan de grens bij 35 jaar ligt, bij de mannen echter niet zo duidelijk.

[p. 178]

Tabel 19. Schriftelijke vraag 8: Hieronder ziet u een aantal mogelijkheden van seksueel contact tussen man en vrouw. Wilt u nu bij elke mogelijkheid aangeven, of dit is voorgekomen, toen u nog niet getrouwd was?

Mannen gehuwd (geweest) totaal Mannen (gehuwd (geweest)) naar leeftijd
21-24 jaar 25-34 jaar 35-49 jaar 50-65 jaar
degenen bij wie het is voorgekomen in procenten
elkaars hand vasthouden 82 88 85 85 73
elkaar oppervlakkig zoenen 83 94 88 83 77
elkaar flink zoenen 81 88 85 83 75
(laten) aanraken van bedekte borsten 73 88 85 68 69
(laten) aanraken van borsten onder de kleren 69 88 83 67 58
betasten van elkaars geslachtsdelen 66 88 80 62 57
geslachtsdelen onbedekt tegen elkaar maar geen volledige geslachtsgemeenschap 56 88 69 52 45
volledige geslachtsgemeenschap 61 85 63 61 57

Vrouwen gehuwd (geweest) totaal Vrouwen (gehuwd (geweest)) naar leeftijd
21-24 jaar 25-34 jaar 35-49 jaar 50-65 jaar
degenen bij wie het is voorgekomen in procenten
elkaars hand vasthouden 79 86 88 81 69
elkaar oppervlakkig zoenen 79 87 86 80 68
elkaar flink zoenen 76 81 89 75 61
(laten) aanraken van bedekte borsten 55 66 75 53 37
(laten) aanraken van borsten onder de kleren 48 65 67 47 26
betasten van elkaars geslachtsdelen 46 60 62 45 28
geslachtsdelen onbedekt tegen elkaar maar geen volledige geslachtsgemeenschap 39 52 57 37 21
volledige geslachtsgemeenschap 46 70 57 44 32

[p. 179]

Ten derde dat een aantal vrouwen volledige geslachtsgemeenschap voor het huwelijk hebben ervaren zonder bepaalde vormen van intiem vrijen gepraktiseerd te hebben. Andere punten die van belang zijn - en niet uit dit overzicht blijken zijn:

1. De oudere leeftijdscategorieën deden niet alleen minder, maar wat ze deden, deden ze ook op latere leeftijd. Globaal gesproken kan men zeggen dat de ouderen handje vasthouden, zoenen etc. in veel gevallen pas deden toen ze 18 jaar waren, dat de middelste leeftijdsgroepen 't in veel gevallen deden toen ze 16 waren, en de jongste leeftijdsgroep vaak al bij 12 jaar en zeker bij 15. Bij de oudere vrouwen liggen de leeftijden gemiddeld wat hoger dan bij de oudere mannen. (Dit betekent niet dat niet velen het zowel nu als vroeger eerder of later deden. We nemen hier alleen de leeftijden waar het grootste percentage zich concentreert en wat meestal ook het centrum is van een oplopende en aflopende reeks eromheen).

2. Wat het intiem vrijen betreft is er ongeveer een zelfde soort verloop, met dit verschil dat de leeftijden gemiddeld hoger komen te liggen naar mate de intimiteitsgraad toeneemt. En vervolgens dat de mannen van de jongste leeftijdsgroep twee subgroepjes te zien geven: een groepje van hele vroege beginners en een groepje dat gelijktijdig begint met de meisjes. Dit stemt overeen met de gegevens van een Engels jeugdonderzoek, waar ook een duidelijk verschil werd geconstateerd tussen ‘vroege beginners’ die meer op de kameradengroep waren georiënteerd, en de ‘late beginners’ die meer op het ouderlijk gezin waren georiënteerd. Het is van belang voor verder onderzoek om na te gaan of een dergelijk verschil zich ook bij de Nederlandse jongeren doorzet.

 

Een belangrijk punt voor onze beschouwingen is dat de jonge generatie niet meer promiscu blijkt te zijn dan de oudere, maar eerder minder. Als men de antwoorden nagaat op de vraag ‘hoe goed kende u degene met wie u voor het eerst geslachtsgemeenschap had?’, dan blijkt het percentage dat de partner reeds goed kende relatief niet te zijn gedaald. Voor de vergelijking plaatsen we onder elkaar de percentages mannen die geslachtsgemeenschap hadden voor het huwelijk en op de vraag hoe goed ze hun partner kenden

[p. 180]

antwoordden en de percentages van de mannen die hun partner goed kenden (oplopend volgens leeftijdscategorieën):

82-58-56-51
64-38-41-38

Dit bevestigt onze reeds naar aanleiding van de normen getrokken conclusie dat de ontwikkeling wel gaat in de richting van grotere seksuele vrijheid, maar dat vrijheid niet betekent promiscuïteit. Dit stemt ook overeen met de onderzoekingen van Christensen en Carpenter en van Giese en Schmidt.

Eerstgenoemden vergeleken studentengroepen in twee Amerikaanse en een Deense universiteit. Het bleek dat naarmate de seksuele vrijheid in norm en gedrag toenam (gaande van een ‘strenge’ Amerikaanse universiteit via een ‘doorsnee’ naar de meer vrije Deense situatie) niet alleen de spanningen en ongustige bijverschijnselen afnamen, maar vooral ook de seksualiteit persoonlijker en relationeler werd: Deense studenten hebben hun eerste geslachtsgemeenschap meestal met iemand met wie ze een relatie hebben, de Amerikaanse niet; Deense studenten accepteren bijna allen voorhuwelijkse gemeenschap maar hadden het zelf op de leeftijd van 20-22 pas in 60% van de gevallen gedaan, de Amerikanen overschrijden voortdurend hun eigen normen met alle psychische spanningen die daar bij horen; bij de Deense studenten zijn de jongen en het meisje nagenoeg even vrij, bij de Amerikanen heerst veelal nog een duidelijke dubbele standaard.

Giese en Schmidt ontdekten bij hun onderzoek onder Westduitse studenten dat deze in hoge mate het Deense patroon volgen van vrije, maar persoonlijke seksuele relaties. Wat de overige aspecten van het seksuele gedrag betreft, zijn nog enkele punten te noemen, waarbij de gegevens de gangbare verwachtingen wel dekken:

1. Bij de jongeren wisten meer respondenten reeds bij de eerste geslachtsgemeenschap hoe zwangerschap te voorkomen. De percentages die expliciet zeggen dat ze het niet wisten - ook bij de jongeren - zijn echter nog een probleem (± 12%). Het aantal van degenen die het in feite niet of niet voldoende exact wisten, is vermoedelijk nog hoger.

2. Bij de jongeren zijn er meer die de eerste keer ook in feite voorbehoedsmiddelen hebben gebruikt, vooral bij de jongens. Maar de percentages die het niet deden - ook bij de

[p. 181]

jongeren - zijn erg hoog (ruim 30%).

Ondanks de toenemende ‘vrijheid’ lijken er onvoldoende mogelijkheden te zijn om met de nieuwe vrijheid ook zo om te gaan dat men niet raakt opgescheept met onverwachte en ongewenste gevolgen. Er is niet gevraagd of men bij de eerste geslachtsgemeenschap reeds een kind wenste. We kunnen dus niet met zekerheid zeggen of die ruim 30% niet met opzet het gebruik van voorbehoedsmiddelen heeft nagelaten. Het is echter waarschijnlijker dat ze het hebben nagelaten uit andere overwegingen, bijvoorbeeld dat het dan niet meer ‘spontaan’ zou zijn of omdat er ethische bezwaren zouden zijn. Het zou interessant zijn na te gaan of deze ongeveer 30% voornamelijk wordt aangetroffen bij degenen die zo sterk het natuuraspect in de seksualiteit beamen, danwel vooral wordt aangetroffen bij mensen van een bepaalde ontwikkelingslaag.

De geslachtsgemeenschap wordt vaker uitgeoefend bij jongere groepen, hetgeen niet verwondert, maar bij de jongeren zijn ook minder klachten over onbevredigdheid. Zij zeggen ook aanmerkelijk minder vaak dat de partner niet volledig of helemaal niet bevredigd was.

Door de jongeren wordt vaker gezegd dat zij zich in de puberteit lichamelijk voelden aangetrokken tot personen van het eigen geslacht. De leeftijdsgrens ligt bij 35 jaar voor de mannen en bij 25 jaar voor de vrouwen. Ook hier dus een symptoom van de grotere vrijheid in de huidige generatie om de seksuele gevoelens die men heeft te erkennen. Maar het betreft hier toch betrekkelijk kleine groepen, kleiner althans dan men op grond van de gegevens van Kinsey zou verwachten (mannen 21-27-13-16%; vrouwen 26-10-12-12%).

Verschil in buitenechtelijk seksueel of erotisch contact is er niet tussen de leeftijdsgroepen. Ook hier dus geen symptomen van een toenemende promiscuïteit. Dit stemt overeen met de gegevens van Giese en Schmidt: dezelfde studenten die in overgrote meerderheid voorhuwelijkse gemeenschap beamen, accepteren slechts in een zeer gering percentage buitenhuwelijkse gemeenschap. Wel is de jongste groep mannen vaker bij een prostituée geweest, hetgeen enigszins verwondert omdat de mogelijkheden tot relationele sex buiten het huwelijk voor de jongeren groter is dan ze voor de ouderen was, maar misschien moet dit percentage op reke-

[p. 182]

ning geschoven worden van een kleine ondernemende subgroep binnen deze leeftijdscategorie, misschien ook van een grotere ‘eerlijkheid’ bij hen. Bovendien kan hier makkelijk een vertekend beeld optreden door het kleine aantal gehuwde jongere mannen van 21-24 jaar (totaal 33 personen).

Samenvatting

Samenvattend kunnen we zeggen dat de toenemende vrijheid op seksueel gebied een zeer geleidelijk verlopend proces is, zodat er nauwelijks reden is om van ‘seksuele revolutie’ of iets dergelijks te spreken, en dat elke leeftijdsgroep zowel extreme opvattingen kent als een brede middenmoot: bij de ouderen treffen we overal ‘progressieve’ groepjes aan, bij de jongeren treffen we zowel een groep aan die schrikt van de veranderingen als een groepje dat vrij wil experimenteren; de grote meerderheid beweegt zich echter mee in de algemene stroom.

159% van het totale aantal mannen en 56% van het totale aantal vrouwen is gevraagd naar wat een jongen ‘mag’; 41% van het totale aantal mannen en 44% van het totale aantal vrouwen is gevraagd naar wat een meisje ‘mag’.
159% van het totale aantal mannen en 56% van het totale aantal vrouwen is gevraagd naar wat een jongen ‘mag’; 41% van het totale aantal mannen en 44% van het totale aantal vrouwen is gevraagd naar wat een meisje ‘mag’.
159% van het totale aantal mannen en 56% van het totale aantal vrouwen is gevraagd naar wat een jongen ‘mag’; 41% van het totale aantal mannen en 44% van het totale aantal vrouwen is gevraagd naar wat een meisje ‘mag’.
159% van het totale aantal mannen en 56% van het totale aantal vrouwen is gevraagd naar wat een jongen ‘mag’; 41% van het totale aantal mannen en 44% van het totale aantal vrouwen is gevraagd naar wat een meisje ‘mag’.

prepostterug  begin  verder