terug  begin  verderprepost
[p. 195]

Drs. J.D. Noordhoff en mej. drs. E. Deggeller
12. Relaties tussen religieuze gebondenheid en seksualiteit

Inleiding

Van oudsher is in Nederland het behoren tot een religieuze groep van grote invloed geweest op het cultuurpatroon en heeft in hoge mate de houding t.o.v. seksualiteit bepaald. Dit wil zeker niet zeggen dat het gedragspatroon altijd in overeenstemming is geweest met de normen die golden in de religieuze gemeenschap waartoe men behoorde. Ook zijn deze normen in de verschillende geloofsgemeenschappen zo niet tegengesteld, dan toch wel genuanceerd geweest en ze zijn en worden niet altijd ervaren als menselijk.

Een typerend voorbeeld hiervan is een antwoord dat in de half-gestructureerde vraaggesprekken die voorafgingen aan het eigenlijke onderzoek, werd gegeven door een katholieke man van 38 jaar op de vraag over het geoorloofd zijn van voorbehoedsmiddelen voor ongehuwden: als katholiek ben ik er tegen, het is tegen de geloofsregels van de kerk, maar als mens ben ik er voor, omdat daardoor vaak gedwongen huwelijken worden voorkomen.

In de nu volgende beschouwing zullen aan de hand van de cijfers van het onderzoek enkele beschouwingen worden gegeven over de kennis van de ondervraagden, over hun houding t.o.v. seksualiteit, over de normen welke zij menen dat geldig zijn voor de religieuze groep waartoe zij behoren en ten slotte over het eigen gedragspatroon. Daarbij zullen enkele hoofdgroepen tegenover elkaar worden gesteld, nl. de personen die aangaven te behoren tot de rooms-katholieke kerkgemeenschap en die ongeveer een derde van de ondervraagden uitmaken; degenen die zich beschouwden als behorende tot de nederlands-hervormde groep; die ruim een vijfde vormen van de ondervraagden, de personen behorende tot de gereformeerde kerken (7%) en degenen die opgaven niet tot een kerkgemeenschap te behoren en die ruim 30% van de ondervraagden vormen. Gezien de grootte van de steekproef is geen nadere differentiatie mogelijk binnen de groep ‘ander kerkgenootschap’ (± 5%). In deze

[p. 196]

categorie zijn allen ondergebracht die niet behoren tot de vier bovengenoemde. Gezien het gemengde karakter van deze groep wordt zij niet verder in de beschouwingen betrokken. In hoofdstuk 9 heeft dr. Straver gewezen op het onderscheid dat Bergsma27 maakt tussen aanhangers van het oude cultuurpatroon en die van het moderne cultuurpatroon, hetgeen ondermeer bepaald kan worden door een sterkere mate van communicatie met de buitenwereld bij de laatstgenoemde groep en uit een grotere geneigdheid tot veranderen. Personen die zich tot een kerkgenootschap rekenen zouden consequent in meerdere of mindere mate het moderne cultuurpatroon volgen. Een van de criteria die door Bergsma worden gebruikt om de communicatie te meten, is de bereidheid van groepen om zich te mengen met andere groepen. Deze bereidheid tot communicatie van aanhangers van kerkgenootschappen, zou kunnen zijn de bereidheid om huwelijken met aanhangers van andere kerkgenootschappen te accepteren.

In een onderzoek dat in opdracht van het vrouwenblad ‘Margriet’ werd ingesteld naar Liefde en Huwelijk in Nederland (1965) werd de vraag gesteld:

‘Stel dat u een dochter had die zou willen trouwen met iemand van een ander geloof. Zou u daar dan geen enkel bezwaar tegen hebben, zou U het accepteren, maar het minder prettig vinden of zou u zich ertegen verzetten.’

Uit de gegevens van tabel 20 blijkt dat van de rooms-katholieke mannen 27% geen enkel bezwaar zou hebben, van de nederlands-hervormde mannen 33% geen enkel bezwaar en van de gereformeerden 20%, terwijl van degenen die niet tot een kerkgenootschap behoren 57% geen enkel bezwaar zou hebben. Van de katholieke mannen zou 20% zich ertegen verzetten, van de nederlands-hervormden 11%, van de gereformeerden 24% en van de niet-kerkelijken 3%. De vrouwen zijn minder tolerant dan de mannen.

 

Uit het onderzoek naar mens en seksualiteit blijkt verder bij de vraag naar de gebondenheid aan een politieke partij dat de groep gereformeerden duidelijk sterker gebonden is aan een politieke groepering, nl. de Anti-Revolutionairen, dan

[p. 197]

Tabel 20. Vraag 51 van het onderzoek ‘Liefde en Huwelijk’: Stel dat u een dochter had die zou willen trouwen met iemand van een ander geloof. Zou u daar dan geen enkel bezwaar tegen hebben, zou u het accepteren maar het minder prettig vinden of zou u zich er tegen verzetten?

Mannen totaal1 Mannen naar kerkgenootschap
r.-k. n.-h. geref. geen
in procenten
geen enkel bezwaar 36 27 33 20 57
minder prettig 46 49 52 45 37
tegen verzetten 13 20 11 24 3
hangt er van af 4 3 4 11 2
geen oordeel 1 1 - - 1
totaal 100 100 100 100 100

Vrouwen totaal1 Vrouwen naar kerkgenootschap
r.-k. n.-h. geref. geen
in procenten
geen enkel bezwaar 28 21 25 3 55
minder prettig 52 55 56 61 39
tegen verzetten 15 21 15 23 2
hangt er van af 4 3 4 11 4
geen oordeel 1 0 0 2 -
totaal 100 100 100 100 100

[p. 198]

de rooms-katholieken zich gebonden voelen aan de kvp. Nederlands hervormden zijn minder gebonden aan de chu dan aan de pvda en vooral onder de rooms-katholieken wordt een hoog percentage aangetroffen van personen die geen voorkeur hebben. Uitgedrukt in termen van mate van communicatie komt uit het bovenstaande het beeld naar voren van een sterke mate van communicatie bij de nietkerkelijk gebondenen, van een wat mindere, ongeveer gelijke mate van communicatie bij de personen, behorende tot de katholieke en de nederlands-hervormde kerk en een duidelijk geringere mate van communicatie bij personen behorende tot de gereformeerde kerken.

 

Een tweede belangrijke factor is de mate waarin men geneigd is veranderingen te accepteren. Enige indicaties in deze materie zijn te vinden in het onderzoek ‘God in Nederland’ dat in 1967 in opdracht van Margriet werd ingesteld en ook in boekvorm verscheen.28

Op pagina 199 zijn de cijfers afgedrukt van de antwoorden op de vraag:

‘Bent u van mening dat de kerken zich moeten bezighouden met een vraagstuk als geboortenregeling?
Mogen de kerken volgens u op dit terrein bindende voorschriften aan haar leden geven?
Wat dient volgens u het standpunt te zijn van de kerken t.o.v. de pil als middel tot geboortenbeperking?’

De gegevens zijn als tabel 21 opgenomen. Ongeveer de helft van de nederlands-hervormde en de gereformeerde mannen is van mening dat de kerk zich niet moet bezighouden met vraagstukken als geboortenregeling, bij de katholieken is het aandeel ongeveer ⅓. Ten aanzien van het bindende voorschrift is 24% van de katholieken van oordeel dat de kerken wel bindende voorschriften mogen geven en 37% dat dit niet mag. Bij de nederlands-hervormden zijn deze percentages resp. 8 en 37 en bij de gereformeerden 5 en 41. Bovendien blijkt dat slechts een gering percentage van allen, behorende tot een kerkgemeenschap, menen dat de kerk een negatief standpunt t.o.v. de pil moet innemen.

[p. 199]

Tabel 21. Vraag 22-23-24 van het onderzoek ‘God in Nederland’: Bent u van mening dat de kerken zich moeten bezighouden met een vraagstuk als geboortenregeling?
Mogen de kerken volgens u op dit terrein bindende voorschriften aan haar leden geven?
Wat dient volgens u het standpunt te zijn van de kerken ten opzichte van de pil als middel tot geboortenbeperking.
De uitsplitsingen hebben alleen betrekking op diegenen, die van oordeel zijn, dat de kerken zich wel met vraagstukken als geboortenregeling hebben bezig te houden.

Mannen totaal Mannen naar kerkgenootschap
r.-k. n.-h. geref.
in procenten
kerken moeten zich bezighouden met vraagstukken als geboortenregeling:
niet
43 33 48 49
weet niet 4 4 6 5
wel 53 63 46 46
kerken mogen op dit terrein bindende voorschriften geven:
wel
15 24 8 5
niet 36 37 37 41
weet niet 2 2 1 -
standpunt van de kerk t.o.v. de pil moet zijn:
voor
17 20 10 10
tegen 5 7 3 9
neutraal 28 30 31 21
weet niet 3 6 2 6

Mannen naar kerkgenootschap
humanist ander geen
niet wel
in procenten
kerken moeten zich bezighouden met vraagstukken als geboortenregeling:
niet
34 40 56 44
weet niet 5 4 3 1
wel 61 56 41 55
kerken mogen op dit terrein bindende voorschriften geven:
wel
10 4 11 15
niet 48 52 29 38
weet niet 3 - 1 2
standpunt van de kerk t.o.v. de pil moet zijn:
voor
27 8 19 21
tegen 5 8 - 6
neutraal 21 36 22 28
weet niet 8 4 - -

[p. 200]

Vrouwen totaal Vrouwen naar kerkgenootschap
r.-k. n.-h. geref.
in procenten
kerken moeten zich bezighouden met vraagstukken als geboortenregeling:
niet
48 43 56 47
weet niet 5 4 7 5
wel 47 53 37 48
kerken mogen op dit terrein bindende voorschriften geven:
wel
12 15 6 10
niet 32 33 31 37
weet niet 3 5 - 1
standpunt van de kerk t.o.v. de pil moet zijn:
voor
16 15 9 16
tegen 5 7 4 6
neutraal 23 27 22 23
weet niet 3 4 2 3

Vrouwen naar kerkgenootschap
humanist ander geen
niet wel
in procenten
kerken moeten zich bezighouden met vraagstukken als geboortenregeling:
niet
22 68 46 47
weet niet 3 3 7 3
wel 75 29 47 50
kerken mogen op dit terrein bindende voorschriften geven:
wel
14 5 13 15
niet 60 24 33 32
weet niet 1 - 1 3
standpunt van de kerk t.o.v. de pil moet zijn:
voor
40 5 21 24
tegen - 5 1 3
neutraal 33 17 23 21
weet niet 2 2 2 2

[p. 201]

Uit het bovenstaande blijkt dat ondanks een geringere geneigdheid tot communicatie zeker niet gesteld kan worden dat in de groep van de gereformeerden een overheersende neiging aanwezig is om alleen het oude te behouden, en dat eerder in de katholieke kerk dan in de gereformeerde de gelovige van mening is dat de kerken bindende voorschriften moeten geven.

In de navolgende analyse zal getracht worden het cijfermateriaal van het onderzoek gesplitst naar religieuze groeperingen nader te bezien tegen de achtergrond van de bovenstaande algemene beschouwing.

Binding met religieuze gemeenschap

In het onderzoek is de vraag gesteld in welke mate het geloof een belangrijke rol speelt in het leven van de ondervraagde. Deze cijfers geven ons een indicatie van de mate van binding van de ondervraagde met de religieuze gemeenschap waartoe hij behoort.

Uit de cijfers in tabel 22 blijkt een duidelijk onderscheid tussen de verschillende kerkgenootschappen en anderzijds een duidelijk verschil bij mannen en vrouwen. Van de rooms-katholieke mannen gaf 49% aan dat het geloof een belangrijke rol speelt in hun leven, van de nederlands-hervormden 36%, van de gereformeerden 85% en van de niet tot een kerkelijke groepering behorenden 4%. Bij de vrouwen zijn deze cijfers duidelijk hoger, nl. 60% voor de rooms-katholieken, 55% voor de nederlands-hervormden en 91% voor de gereformeerden.

Enige verdere, hoewel duidelijk zwakkere indicaties over de binding tussen de ondervraagde en zijn kerkgenootschap komen naar voren in tabel 23, waarin de gegevens zijn opgenomen over de mate waarin men naar de kerk gaat.

Van de katholieke mannen en vrouwen gaat 69% geregeld, van de gereformeerden bijna 90%; duidelijk lager zijn de cijfers bij de nederlands-hervormden, waar geen kerkelijk voorschrift bestaat over verplichte kerkgang. Opvallend is wel dat van de nederlands-hervormde mannen bijna de helft praktisch nooit gaat, terwijl ruim ¼ van de nederlands-hervormde vrouwen eenzelfde opgave doet.

[p. 202]

Tabel 22. Mondelinge vraag 45: Speelt het geloof in uw leven een belangrijke rol, een niet zo belangrijke rol of speelt het eigenlijk geen rol?

Mannen totaal1 Mannen naar kerkgenootschap
r.-k. n.-h. geref. geen
in procenten
geloof speelt belangrijke rol 34 49 36 85 4
geloof speelt niet zo'n belangrijke rol 32 44 44 13 15
geloof speelt eigenlijk geen rol 34 7 20 2 81
totaal 100 100 100 100 100

Tabel 22. Mondelinge vraag 45: Speelt het geloof in uw leven een belangrijke rol, een niet zo belangrijke rol of speelt het eigenlijk geen rol?

Vrouwen totaal1 Vrouwen naar kerkgenootschap
r.-k. n.-h. geref. geen
in procenten
geloof speelt belangrijke rol 45 60 55 91 3
geloof speelt niet zo'n belangrijke rol 27 32 32 8 20
geloof speelt eigenlijk geen rol 28 8 13 1 77
totaal 100 100 100 100 100

[p. 203]

Tabel 23. Mondelinge vraag 46 en 49: Beschouwt u zich als behorend tot een bepaald kerkgenootschap of godsdienstige groep?
Gaat u geregeld, zo nu en dan of praktisch nooit naar de kerk of naar een godsdienstige samenkomst?

Mannen totaal1 Mannen naar kerkgenootschap
r.-k. n.-h. geref. geen
in procenten
behoort niet tot een kerkgenootschap 34 - - -  
behoort wel tot een kerkgenootschap 66 100 100 100  
           
gaat geregeld naar de kerk 36 69 25 87  
gaat zo nu en dan naar de kerk 15 20 30 5  
gaat (praktisch) nooit naar de kerk 15 11 45 8  
           
totaal 100 100 100 100  

Vrouwen totaal1 Vrouwen naar kerkgenootschap
r.-k. n.-h. geref. geen
in procenten
behoort niet tot een kerkgenootschap 28 - - -  
behoort wel tot een kerkgenootschap 72 100 100 100  
           
gaat geregeld naar de kerk 43 69 34 89  
gaat zo nu en dan naar de kerk 17 19 36 9  
gaat (praktisch) nooit naar de kerk 12 12 30 2  
           
totaal 100 100 100 100  

[p. 204]

In het algemeen kan worden opgemerkt dat deze gegevens over seksualiteit en kerkgenootschap, hoe interessant zij op zichzelf ook zouden mogen zijn, toch wel enigszins gerelativeerd moeten worden. Immers door de verdeling van de ondervraagde groep naar kerkgenootschap heen loopt de verdeling naar leeftijdsklasse. Het beeld dus bijv. van de rooms-katholieken of van de gereformeerden is het gemiddelde beeld, dat uit het onderzoek blijkt, maar jonge rooms-katholieken en jonge gereformeerden kunnen een duidelijk andere mening hebben dan hun oudere geloofsgenoten. De grootte van de steekproef van het onderzoek laat echter een differentiëring naar geloof en leeftijd helaas niet toe.

De kerken en de seksualiteit

De officiële standpunten van de kerkgenootschappen ten aanzien van een aantal problemen rondom de seksualiteit zijn bekend. Het rooms-katholieke standpunt is duidelijk neergelegd in de encycliek Humanae Vitae van 25 juli 1968. Van veel oudere datum nl. van 1952 is het herderlijk schrijven van de Generale Synode der nederlands-hervormde kerk betreffende het huwelijk, terwijl het gereformeerde standpunt omlijnd is in de Generale Synode van de gereformeerde kerken in Nederland, die in 1963 te Groningen werd gehouden.

In de pauselijke encycliek wordt duidelijk gesteld dat er twee gezichtspunten zijn aan de seksualiteit die niet te scheiden zijn nl. eenwording en voortplanting. De encycliek zegt: terwijl de huwelijksdaad de echtgenoten op de innigste wijze met elkaar verenigt, maakt zij het hun krachtens haar innerlijke structuur tevens mogelijk, nieuw leven te verwekken overeenkomstig de wetten, die in het wezen zelf van man en vrouw zijn neergelegd. Door het bewaren van deze beide wezenlijke gezichtspunten, de eenwording en de voortplanting, behoudt de huwelijksdaad volledig haar betekenis, uitdrukking te zijn van waarachtige wederzijdse liefde, en haar gerichtheid op de verheven roeping van de mens tot het ouderschap. Uit deze stelling vloeit dan verder voort dat de rooms-katholieke kerk de rechtstreekse onderbreking van het reeds begonnen voortplantingsproces en vooral de rechtstreekse gewilde en veroor-

[p. 205]

zaakte abortus, ook als deze om therapeutische redenen geschiedt, volstrekt onaanvaardbaar acht als geoorloofde methode van geboortenregeling. Zo ook wordt het als een dwaling beschouwd dat een huwelijksdaad, die opzettelijk onvruchtbaar gemaakt en daardoor in zichzelf zedelijk ongeoorloofd is, zedelijk geoorloofd kan worden door het geheel van een op vruchtbaarheid gericht huwelijksleven. Blijft ten aanzien van de geboortenbeperking voor de katholiek volgens de voorschriften van de kerk dus geen ander middel over dan zich te richten naar de onvruchtbare perioden.

Ten aanzien van geslachtsverkeer tussen niet gehuwden en ten aanzien van buitenechtelijk geslachtsverkeer neemt de roomskatholieke kerk eveneens een duidelijk afwijzende houding in.

De nederlands-hervormde kerk stelt in haar herderlijk schrijven dat het huwelijksformulier onder de oorzaken, waarom God het huwelijk heeft ingesteld, allereerst noemt: dat man en vrouw elkaar ‘trouwelijk helpen en bijstaan in alle dingen, die tot het tijdelijke en eeuwige leven behoren’. ‘Deze huwelijksopvatting komt geheel overeen met de bedoeling van Genesis 2. In dit opzicht staat de formulering van ons formulier boven andere, waarin de procreatie vooropgesteld wordt. Want het vooropstellen van de procreatie leidt onvermijdelijk tot de gedachte, dat de seksuele daad alleen aanvaard mag worden en geoorloofd is in verband met het doel kinderen voort te brengen. Wij zagen echter reeds, dat de geslachtsdaad een betekenis heeft voor de samenleving van man en vrouw, afgezien van het feit of kinderen al dan niet daarvan het gevolg kunnen zijn’. Ten aanzien van de geboortenbeperking komt het standpunt van de nederlandshervormde synode tot uitdrukking in de volgende zin:

‘Staat het vast, dat wij t.o.v. de wording van het gezin mede verantwoordelijk zijn, en deze verantwoordelijkheid ook geboortenbeperking kan insluiten, dan wordt de vraag op welke wijze dit zou geschieden een zaak, die de gehuwden met elkaar en met de arts op de meest verantwoorde wijze moeten regelen. Wij zeiden immers reeds, dat hier niet de middelen, maar de motieven beslissend zijn. Wat nu de gebruikelijke methoden betreft, kan soms de periodieke onthouding aanbevolen worden. Vaker zal alleen het gebruik van anticonceptionele middelen een oplossing geven. In de meeste gevallen zal een combinatie van beide methoden aanbeveling verdienen’.
[p. 206]

Het standpunt van de nederlands-hervormde kerk is dus duidelijk ruimer dan dat van de rooms-katholieke.

Ten aanzien van geslachtsverkeer vóór het huwelijk waarschuwt de synode dat weliswaar tot de goede voorbereiding op het huwelijk de verlovingstijd behoort, dat deze in de verhouding tussen man en vrouw een tussenstadium is waarin de mogelijkheid gegeven wordt elkaar beter te leren kennen, maar dat een verloving niet mag ontaarden in een proefhuwelijk, maar ook niet in een blijvende proefneming. Hoewel de lichamelijke toenadering vanzelfsprekend is voor verloofden, moet toch de geslachtelijke gemeenschap vóór het aangaan van een huwelijk, als ingaande tegen de orde, die God voor het huwelijk gesteld heeft ten sterkste afgewezen worden. Ten aanzien van de echtelijke ontrouw wordt opgemerkt dat een zeer ernstige crisis ontstaat, wanneer één der echtgenoten ontrouw wordt. Het huwelijk wordt daardoor in de kern aangetast, want het kan, als een heilige door God gewilde band, die tot wederzijdse trouw verplicht, geen ontrouw verdragen. Het standpunt van de Generale Synode van de gereformeerde kerken ligt vrij dicht bij het standpunt van de nederlands-hervormde kerk. Zij zegt:

‘de zin van de geslachtsgemeenschap is dan gelegen in levensontplooiing en levensverrijking, in symbool, expressie van wederzijdse liefde en trouw; het doel van de geslachtelijke ontmoeting beoogt de procreatie, het verwekken van kinderen.’

In hoeverre zin en doel gescheiden mogen worden, wordt als volgt geformuleerd:

‘het is dan ook aan geen twijfel onderhevig dat met Genesis 1 : 28a in de hand niet het bewijs geleverd is dat de geslachtelijke omgang en de voortplanting onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en derhalve deze twee niet van elkaar gescheiden mogen worden. Het huwelijk is niet uitsluitend gericht op de voortplanting, maar wel is het huwelijk naar zijn bestemming op het gezinsverband aangelegd. Zo is dan de geslachtsgemeenschap niet alleen een toegeven aan de drang naar seksuele ontspanning, niet alleen een gevolg van een diep gewortelde voortplantingsdrift, maar ook een uiting van een vurig verlangen om met de geliefde één te worden.’

De geboortenregeling wordt in principe aanvaard, waarbij aan de periodieke onthouding de voorkeur wordt gegeven boven het gebruik van anticonceptionele middelen, maar deze worden niet afgewezen. Ten aanzien van voorechtelijk

[p. 207]

geslachtsverkeer wordt gesteld dat in de periode van kennismaking en verloving er mogelijkheden genoeg zijn om elkaar ook in dit opzicht te leren kennen met eerbiediging van de grenzen. Tussen de beide uitersten van totale onthouding van ieder contact en geslachtsgemeenschap ligt immers nog heel wat. De geslachtsgemeenschap vóór het huwelijk wordt niet aanvaard en ook het standpunt ten aanzien van buitenechtelijk geslachtsverkeer is uiteraard negatief.

Tenslotte: de encycliek Humanae Vitae heeft een meer imperatief karakter dan de richtlijnen van de nederlands-hervormde en de gereformeerde kerken.

Verschillen in kennis en houding tegenover seksualiteit

Er blijken weinig relevante verschillen te zijn inzake de kennis over seksualiteit tussen de ondervraagden, behorende tot de verschillende kerkgenootschappen. Alleen ten aanzien van de schadelijkheid voor de gezondheid van het gebruik van voorbehoedsmiddelen en de toepassing van periodieke onthouding blijkt dat de gereformeerden een hoger percentage opleveren dat geen mening heeft, terwijl rooms-katholieken in grotere mate blijken niet op de hoogte te zijn met andere geboortenbeperkingsmiddelen dan periodieke onthouding en coïtus interruptus.

De voorlichting, wat deze voorlichting dan ook geweest moge zijn, blijkt in de verschillende kerkgenootschapscategorieën bij de mannen geen verschillen op te leveren, wel valt op dat gereformeerde vrouwen menen meer voorgelicht te zijn dan de andere categorieën. Tabel 24 wijst er echter op dat alle leeftijdscategorieën bij elkaar gerekend altijd nog ongeveer ⅘ van de mannelijke en ¾ van de vrouwelijke ondervraagden niet door de ouders zijn voorgelicht. Uit de analyse naar leeftijdscategorieën blijkt echter dat jongeren in duidelijk betere mate voorgelicht zijn dan ouderen, tabel 24 is dus wel een duidelijk voorbeeld van een min of meer ‘vertekend beeld’, omdat de cijfers van jongeren, ook naar kerkgenootschap, duidelijk hoger zullen moeten liggen dan van ouderen.

Als maatstaf voor de toelaatbaarheid van min of meer in

[p. 208]

Tabel 24. Mondelinge vraag 9: Bent u door uw ouders seksueel voorgelicht?

Mannen totaal1 Mannen naar kerkgenootschap
r.-k. n.-h. geref. geen
in procenten
is wel door ouders voorgelicht 21 18 21 22 23
is niet door ouders voorgelicht 79 82 79 78 77
totaal 100 100 100 100 100

Tabel 24. Mondelinge vraag 9: Bent u door uw ouders seksueel voorgelicht?

Vrouwen totaal1 Vrouwen naar kerkgenootschap
r.-k. n.-h. geref. geen
in procenten
is wel door ouders voorgelicht 25 26 26 35 24
is niet door ouders voorgelicht 75 74 74 65 76
totaal 100 100 100 100 100

[p. 209]

het seksuele vlak liggende uitingen is een aantal vragen gesteld over de houding die men heeft ten aanzien van: het tappen van schuine moppen, het naakt rondlopen op afgeschut terrein, het dragen van minirokken, een tv-show met veel bloot, het vrijen waar anderen bij zijn, het lezen van prikkellectuur en het samen douchen van ouders en kinderen. Hoewel deze gegevens door middel van een puntenwaardering in een schaal zouden kunnen worden verwerkt is het zeker minstens even interessant om elk van deze criteria op zich te bekijken binnen de religieuze groeperingen. In tabel 25 zijn de gegevens in extenso opgenomen. Het tappen van schuine moppen wordt door 24% van de Nederlandse mannen zonder meer aanvaardbaar, of meestal wel aanvaardbaar geacht, 42% acht het soms aanvaardbaar. De waardering van de vrouwen ligt iets lager. Opvallend is dan verder dat in dit opzicht de gereformeerden duidelijk het minst tolerant zijn, dat bij de nederlands-hervormde mannen een wat bredere waardering bestaat en dat de katholieke mannen en de niet kerkelijk gebonden mannen geen relevant verschil vertonen en het meest tolerant zijn. Het naakt rondlopen op een afgeschut terrein is voor meer dan de helft van de Nederlandse bevolking volstrekt niet aanvaardbaar, terwijl de niet kerkelijk gebondenen het meest tolerant zijn. Hoge scores van volstrekt niet aanvaardbaar worden geboekt bij de rooms-katholieke en gereformeerde vrouwen.

Het dragen van minirokken is voor de meerderheid van de Nederlandse bevolking wel aanvaardbaar. Opvallend is daarbij echter dat de rooms-katholieken het meest tolerant en de nederlands-hervormden het minst tolerant zijn.

De tv-show met veel bloot wordt door de verschillende godsdienstgroepen in vrijwel gelijke mate geapprecieerd, waarbij de vrouwen in het algemeen weer wat minder tolerant zijn dan de mannen en zeker niet gezegd kan worden dat de meerderheid van de Nederlandse bevolking er zonder meer positief tegenover staat.

Het vrijen waar anderen bij zijn oogst weinig waardering. Volstrekt afwijzend staat niet minder dan 42% van de mannen en 51% van de vrouwen, terwijl 30% van de mannen en 28% van de vrouwen het meestal niet aanvaardbaar achten. De cijfers binnen de verschillende godsdienstgroepen vertonen slechts enkele nuanceverschillen, waarbij

[p. 210]

Tabel 25. Mondelinge vraag 5: Op de kaartjes die ik u geef komen verschillende dingen voor die op één of andere wijze met seksualiteit hebben te maken. Wilt u mij nu voor elk hiervan zeggen aan de hand van de kaart die ik u erbij geef, in hoeverre u dit aanvaardbaar vindt?

Mannen totaal1 Mannen naar kerkgenootschap
r.-k. n.-h. geref. geen
in procenten
het tappen van schuine moppen:          
zonder meer aanvaardbaar 7 8 4 4 10
meestal wel aanvaardbaar 17 20 14 5 20
soms aanvaardbaar 42 46 37 32 44
meestal niet aanvaardbaar 20 17 25 31 16
volstrekt niet aanvaardbaar 14 9 20 28 10
totaal 100 100 100 100 100
naakt rondlopen op afgeschut terrein:          
zonder meer aanvaardbaar 15 12 12 13 21
meestal wel aanvaardbaar 9 9 9 4 12
soms aanvaardbaar 15 14 15 15 15
meestal niet aanvaardbaar 14 15 13 19 13
volstrekt niet aanvaardbaar 47 50 51 49 39
totaal 100 100 100 100 100

Vrouwen totaal1 Vrouwen naar kerkgenootschap
r.-k. n.-h. geref. geen
in procenten
het tappen van schuine moppen:          
zonder meer aanvaardbaar 4 5 - 1 6
meestal wel aanvaardbaar 14 16 13 9 17
soms aanvaardbaar 38 38 37 32 41
meestal niet aanvaardbaar 21 20 21 30 21
volstrekt niet aanvaardbaar 23 21 29 28 15
totaal 100 100 100 100 100
naakt rondlopen op afgeschut terrein:          
zonder meer aanvaardbaar 6 3 6 3 9
meestal wel aanvaardbaar 6 4 4 4 10
soms aanvaardbaar 8 7 9 4 10
meestal niet aanvaardbaar 18 16 19 6 23
volstrekt niet aanvaardbaar 62 70 62 83 48
totaal 100 100 100 100 100

[p. 211]

Mannen totaal1 Mannen naar kerkgenootschap
r.-k. n.-h. geref. geen
in procenten
het dragen van minirokken:          
zonder meer aanvaardbaar 37 40 32 30 43
meestal wel aanvaardbaar 27 31 24 27 25
soms aanvaardbaar 23 22 25 28 21
meestal niet aanvaardbaar 7 6 10 6 6
volstrekt niet aanvaardbaar 6 1 9 9 5
totaal 100 100 100 100 100
een tv-show met veel ‘bloot’:          
zonder meer aanvaardbaar 18 13 14 10 27
meestal wel aanvaardbaar 25 28 20 16 27
soms aanvaardbaar 21 22 19 32 20
meestal niet aanvaardbaar 22 25 24 24 18
volstrekt niet aanvaardbaar 14 12 23 18 8
totaal 100 100 100 100 100
vrijen waar anderen bij zijn:          
zonder meer aanvaardbaar 4 5 4 5 4
meestal wel aanvaardbaar 9 11 9 6 9
soms aanvaardbaar 15 16 13 14 14
meestal niet aanvaardbaar 30 34 26 36 29
volstrekt niet aanvaardbaar 42 34 48 39 44
totaal 100 100 100 100 100

Vrouwen totaal1 Vrouwen naar kerkgenootschap
r.-k. n.-h. geref. geen
in procenten
het dragen van minirokken:          
zonder meer aanvaardbaar 23 29 23 16 18
meestal wel aanvaardbaar 34 37 29 27 41
soms aanvaardbaar 23 20 26 37 21
meestal niet aanvaardbaar 11 6 15 7 13
volstrekt niet aanvaardbaar 9 8 7 13 7
totaal 100 100 100 100 100
een tv-show met veel ‘bloot’:          
zonder meer aanvaardbaar 10 8 8 3 15
meestal wel aanvaardbaar 17 17 13 14 24
soms aanvaardbaar 24 28 25 22 19
meestal niet aanvaardbaar 25 22 24 34 27
volstrekt niet aanvaardbaar 24 25 30 27 15
totaal 100 100 100 100 100
vrijen waar anderen bij zijn:          
zonder meer aanvaardbaar 3 5 1 2 -
meestal wel aanvaardbaar 7 7 10 6 8
soms aanvaardbaar 11 14 7 17 8
meestal niet aanvaardbaar 28 26 30 30 29
volstrekt niet aanvaardbaar 51 48 52 45 55
totaal 100 100 100 100 100

[p. 212]

Mannen totaal1 Mannen naar kerkgenootschap
r.-k. n.-h. geref. geen
in procenten
het lezen van prikkellektuur:          
zonder meer aanvaardbaar 8 8 5 4 11
meestal wel aanvaardbaar 13 13 9 9 16
soms aanvaardbaar 22 23 23 19 22
meestal niet aanvaardbaar 27 35 21 30 23
volstrekt niet aanvaardbaar 30 21 42 38 28
totaal 100 100 100 100 100
samen douchen van ouders en kinderen:          
zonder meer aanvaardbaar 28 27 20 23 37
meestal wel aanvaardbaar 16 12 20 15 17
soms aanvaardbaar 11 14 10 14 8
meestal niet aanvaardbaar 14 15 14 9 13
volstrekt niet aanvaardbaar 31 32 36 39 25
totaal 100 100 100 100 100

Vrouwen totaal1 Vrouwen naar kerkgenootschap
r.-k. n.-h. geref. geen
in procenten
het lezen van prikkellektuur:          
zonder meer aanvaardbaar 3 3 2 - 5
meestal wel aanvaardbaar 9 8 8 1 16
soms aanvaardbaar 22 23 19 25 22
meestal niet aanvaardbaar 28 29 25 24 31
volstrekt niet aanvaardbaar 38 37 46 50 26
totaal 100 100 100 100 100
samen douchen van ouders en kinderen:          
zonder meer aanvaardbaar 21 13 23 17