Het onderzoek werd ingesteld bij personen van 21 t/m 64 jaar teneinde een inzicht te krijgen in opvattingen en gedragingen op het gebied van seksualiteit.
Het onderzoek vond plaats gedurende de periode van 27 mei t/m 22 juni 1968. De ondervraging geschiedde mondeling door 74 enquêtrices van Attwood Statistics (Nederland) N.V. aan de hand van een vragenlijst. De gedragsvragen werden door de geënquêteerde zelf op een formulier ingevuld. Aan het kwantificerend onderzoek gingen de volgende fasen vooraf:
1. Het testen van een aantal items (afkomstig van het Instituut voor Psychologisch Markt- en Motievenonderzoek te Schiedam en van het Instituut voor Toegepaste Sociologie te Nijmegen) met betrekking tot de constructie van een drietal schalen op het gebied van voor- en buitenhuwelijks geslachtsverkeer alsmede masturbatie. In totaal werden in dit stadium 117 proefpersonen ondervraagd.
2. Een eerste kwalitatieve fase, waarbij - aan de hand van de met de voltallige commissie besproken onderwerpen - tien zeer uitvoerige open vraaggesprekken plaatsvonden, o.a. om na te gaan of ondervraging over bepaalde gedragsaspecten überhaupt mogelijk was.
3. Een tweede kwalitatieve fase, waarbij 50 halfgestructureerde vraaggesprekken werden gevoerd, voor het verkrijgen van hypothesen welke in de kwantificerende fase dienden te worden getoetst.
4. Met het oog op het speciale karakter van het onderzoek werd de uiteindelijke kwantificerende fase voorafgegaan door een uitvoerig proefonderzoek, waarbij o.a. dienden te worden uitgetest:
a. inhoud en layout van de vragenlijst;
b. de mogelijkheid om na een vrij langdurige mondelinge ondervraging over te gaan tot schriftelijke beantwoording door de respondent van een aantal gedrags- en belevingsaspecten en de vormgeving van deze schriftelijke vragenlijst;
c. het beperken van de non-response door het gebruik van een speciale ‘weigeringsvragenlijst’;
d. de introductieprocedure, waarbij gewerkt werd met een brief en folder van het Nederlands Instituut voor Sociaal Sexuologisch Onderzoek (nisso).
Zowel voor de oriënterende fasen als het definitieve onderzoek ontvingen de enquêtrices een uitvoerige mondelinge instructie, terwijl ook de vragenlijst mondeling werd toegelicht. Hiertoe werden in verschillende delen van Nederland speciale bijeenkomsten belegd.
De door de enquêtrices ingevulde vragenlijsten werden onmiddellijk bij binnenkomst op fouten en onvolkomenheden gecontroleerd. Wegens het anonieme karakter van de enquête werden foutieve vragenlijsten uit de steekproef verwijderd en niet, zoals gebruikelijk is, teruggezonden naar de enquêtrices, die dan naar de betrokken adressen teruggaan voor het verkrijgen van de juiste informatie.
De steekproef werd samengesteld met behulp van de getrapte steekproefmethode, d.w.z. dat eerst een aantal gemeenten in Nederland werd geselecteerd, rekening houdend met inwonertal, urbanisatiegraad en geografische ligging, waarna in deze gemeenten adressen op aselecte wijze werden getrokken uit de woningregisters. Deze adressen werden als uitgangspunt gebruikt voor het samenstellen van de steekproef.
Om representatief te zijn voor individuen zou men uit kunnen gaan van ondervraging van alle daartoe in aanmerking komende gezinsleden op ieder adres. Dan immers zouden ook de personen in de grotere gezinnen in de juiste mate in de steekproef vertegenwoordigd zijn. Een bezwaar hiervan is dat bij ondervraging van meerdere personen per huishouding de kans op onderlinge beïnvloeding niet denkbeeldig is.
Teneinde aan deze bezwaren tegemoet te komen werd het volgende bepaald:
| 1. | een van iedere drie personen van 21 t/m 64 jaar wordt ondervraagd; |
| 2. | per huishouding wordt maximaal één gesprek gevoerd; |
Als gevolg hiervan bedraagt de weging die nodig is om de ontstane tekorten in de grotere huishoudingen te herstellen, nog geen twee procent.
In een representatieve steekproef voor Nederland is het aantal gereformeerden klein. Hierdoor is het moeilijk om betrouwbare conclusies te trekken in deze groep, daar de nauwkeurigheidsmarges relatief groot worden. Daarom werd op verzoek en met steun van gsa (Raad van Gereformeerde Sociale Arbeid) besloten om deze groep op te hogen door binnen de steekproefgemeenten een aantal adressen te trekken uit de kerkelijke registers van de gereformeerde kerk. In totaal werden op deze wijze 82 gereformeerden extra ondervraagd.
Om vast te stellen wie van de gezinsleden moest worden ondervraagd, ontvingen de enquêtrices een lootschema, waarop zij, na bepaald te hebben uit hoeveel personen van 21 t/m 64 jaar de huishouding bestond en na rangschikking van deze personen naar leeftijd, konden aflezen wie van de gezinsleden voor ondervraging in aanmerking kwam.
De definitie van een huishouding is praktisch gelijk aan die welke door het cbs werd aangehouden bij de Volkstelling 1960. Het enige verschil is, dat volgens de Attwood-definitie de kamerbewoner met pension tot lid van de huishouding wordt gerekend, terwijl deze volgens de opvatting van het cbs als alleenstaande of één-persoonshuishouding wordt beschouwd.
Indien op een adres niemand thuis werd aangetroffen werd dit adres door de enquêtrice zonodig driemaal bezocht. In totaal werden 5869 bezoeken afgelegd op 3261 adressen met het volgende resultaat (tabel 46).
Het onderzoek heeft plaats gevonden bij mannen en vrouwen van 21 t/m 64 jaar voor zover deze leven in gezinshuishoudingen. Militairen, personen verblijvend in inrichtingen, sanatoria, ziekenhuizen e.d. zijn bij dit onderzoek niet ondervraagd. De ongewogen steekproef is d.m.v. kaartduplicatie zodanig gewogen, dat de steekproef representatief is voor alle individuen in gezinshuishoudingen.
| Totaal | District | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 3 grote steden | rest westen | noord | oost | zuid | ||
| totaal aantal bezochte adressen | 3261 | 788 | 952 | 367 | 537 | 617 |
| 100% | 100% | 100% | 100% | 100% | 100% | |
| hiervan: | ||||||
| vraaggesprek geweigerd | 9% | 11% | 10% | 12% | 6% | 8% |
| niet thuis na 3 bezoeken | 10% | 15% | 9% | 7% | 11% | 6% |
| geslaagd contact | 81% | 74% | 81% | 81% | 83% | 86% |
| hiervan: | ||||||
| te ondervragen persoon niet thuis na 3 bezoeken | 2% | 2% | 1% | 0% | 3% | 1% |
| vraaggesprek geweigerd | 7% | 8% | 5% | 5% | 10% | 6% |
| niet nodig geslaagd gesprek | 33% | 33% | 33% | 34% | 33% | 33% |
| 39% | 31% | 42% | 42% | 37% | 46% | |
| aantal gesprekken | 1284 | 245 | 402 | 153 | 201 | 283 |
| Aard van de gemeente | |||
|---|---|---|---|
| agglomeraties | overige steden | platteland | |
| totaal aantal bezochte adressen | 880 | 1568 | 813 |
| 100% | 100% | 100% | |
| hiervan: | |||
| vraaggesprek geweigerd | 10% | 8% | 10% |
| niet thuis na 3 bezoeken | 15% | 10% | 6% |
| geslaagd contact | 75% | 82% | 84% |
| hiervan: | |||
| te ondervragen persoon niet thuis na 3 bezoeken | 2% | 2% | 2% |
| vraaggesprek geweigerd | 8% | 5% | 8% |
| niet nodig geslaagd gesprek | 33% | 33% | 32% |
| 32% | 42% | 42% | |
| aantal gesprekken | 285 | 663 | 336 |
Bij een onderzoek volgens de steekproefmethoden kunnen de verkregen resultaten afwijken van de uitkomsten, die men zou verkrijgen indien het gehele universum in het onderzoek betrokken zou zijn. Het gebruik maken van een steekproef berust echter op de overweging, dat de afwijkingen vrijwel zeker binnen de marges zullen blijven, die op grond van de waarschijnlijkheidstheorie kunnen worden berekend. Deze betrouwbaarheidsmarges zijn niet alleen afhankelijk van de omvang van de steekproef, doch eveneens van de grootte van de verkregen uitkomst.
De tabellen zijn steeds gebaseerd op de gewogen steekproef. Ter bepaling van de nauwkeurigheidsmarges moet echter uitgegaan worden van de ongewogen steekproeftotalen. In tabel 47 zijn voor de gewogen en de ongewogen steekproef de resultaten voor mannen en vrouwen vermeld.
In dit rapport is een nomogram opgenomen voor het bepalen van de nauwkeurigheidsmarge. Van dit nomogram kan bij iedere steekproefuitkomst voor verschillende steekproefgrootten de nauwkeurigheidsmarges worden afgelezen.
Voor de indeling in de vier welstandsklassen werd door de enquêtrice een beoordeling gemaakt aan de hand van de volgende punten:
| 1. | het beroep van het gezinshoofd: |
| 2. | de inrichting van de woning; |
| 3. | de opleiding en het beroep van de kinderen; |
| 4. | de algemene indruk, die de ondervraagde qua milieu maakte. |
Een globale omschrijving van de vier groepen kan als volgt worden weergegeven:
ab. de welgestelden. Hieronder vallen directeuren van grote ondernemingen, het merendeel van de zelfstandige beoefenaren van vrije beroepen, staffunctionarissen, hoge ambtenaren, hereboeren e.d.
c. de middengroep. In deze groep vindt men o.a. directeuren van middelgrote en van kleine ondernemingen, de middenstand, voor zover niet vallend onder het begrip
| Ongewogen steekproef | Gewogen steekproef | |||
| man | vrouw | man | vrouw | |
| Religie | ||||
| r.-k. | 176 | 240 | 358 | 490 |
| n.-h. | 125 | 144 | 256 | 290 |
| gereformeerd | 73 | 87 | 78 | 93 |
| anders | 26 | 43 | 52 | 86 |
| geen | 185 | 185 | 378 | 374 |
| Leeftijd | ||||
| 21 t/m 24 jaar | 58 | 82 | 120 | 158 |
| 25 t/m 34 jaar | 148 | 173 | 277 | 325 |
| 35 t/m 49 jaar | 213 | 259 | 400 | 494 |
| 50 t/m 64 jaar | 166 | 185 | 325 | 356 |
| District | ||||
| 3 grote steden | 108 | 137 | 211 | 258 |
| rest westen | 193 | 209 | 366 | 389 |
| noord | 81 | 72 | 151 | 133 |
| oost | 91 | 110 | 175 | 208 |
| zuid | 112 | 171 | 219 | 345 |
| Aard van de gemeente | ||||
| agglomeraties | 129 | 156 | 251 | 294 |
| overige steden | 308 | 355 | 590 | 678 |
| platteland | 148 | 188 | 281 | 361 |
| Welstandsklasse | ||||
| AB | 68 | 73 | 127 | 138 |
| C | 207 | 220 | 375 | 403 |
| D-1 | 259 | 319 | 518 | 625 |
| D-2 | 51 | 87 | 102 | 167 |
| Burgerlijke staat | ||||
| gehuwd (geweest) | 505 | 635 | 949 | 1215 |
| ongehuwd | 80 | 64 | 173 | 118 |
| Totaal | 585 | 699 | 1122 | 1333 |
‘kleine middenstand’, alsmede ambtenaren en kantoorpersoneel in hogere en middenposities.
d1. de minder welgestelden. Deze groep omvat o.a. de kleine middenstand, lagere ambtenaren, en lager kantoorpersoneel, alsmede de geschoolde arbeiders.
d2. de minst welgestelden. Hierin werden o.a. opgenomen de ongeschoolde arbeiders en de niet-werkenden, die naast aow of klein pensioen weinig of geen andere bronnen van inkomsten hebben, voor zover zij niet boven het gemiddelde arbeiderspeil uitkomen.