terug  begin  verder
[p. 55]

*De poêt, tot den leser.

Elegie.

 
Leser, ghelyckmen siet (vliegende al om') de bien 1
 
Indé velden ghebloeyt, voorsichtelyck verspien, 2
 
Wt wat bloemkens dat sy meugen suygen gereet 3
 
Meest heunichs (die van heur elc tonderkennen weet) 4
5
Alsoo meucht ghy hier oock plucken int ouerlesen
 
Van dit boeck, dat v best en orborlycxt sal wesen. 6
 
Ghelyck een scoon ionck bos besaeyt is en beplant
 
Met boomen, bloemen, cruyt en gras aen elcken cant
 
Seer verscheyden van reuck van verwen en van crachte
10
Soo heb ic ooc dit boeck beplant deur Phebus drachte 10
 
Met planten die ghegroeyt syn op verscheyden tyt,
 
Singhendé altemet van liefde, en dan van stryt,
 
Altemet oock van God, met schoonder hermonyé
 
Nae dat ick was ghesint, schouwendé fantasye: 14
15
Volghendé hier in na de Nature en den aert 15
 
Die wel in eenen beemt een cruyt voeyt dat beswaert 16
 
By een cruyt dat verblyt: en een cruyt dat vercouwen 17
 
Can, by een ander cruyt dat verwermt mans en vrouwen:
 
Die inden hemel oock een sterre heeft ghestelt,
20
Die minlyck is en suet, by een ster' die verfelt, 19-20 20
 
Na dat my Iupiter bespraeydé wt syn vaten, 21
 
Die my het besté noch sal schenken t'mynder baten. 22
 
Maer soó veel isser af, dat alle schaeylyck cruyt, * 23
 
Venynich endé erch hier is ghebannen wt: 24
25
Soo dat niemant iet quaets hier wt en can gesuygen,
 
Ten waer dat hy dat self wildé drayen en buyghen
 
Naer synen valschen aert syndé alsoó ghesint
 
Als een spinné venyn, die wel venyn ghewint 28
 
Wt de Lelien reyn, oft wt de sueté roosé.
30
Dus ontfanct desen boeck en op alsulcken poosé,
 
En tyt ouerleest hem als icken heb ghedicht: 30-31 31
 
Dwelck den tyt is die laes! de menschen ongesticht 32
 
Besteden ydelyck met groote brasseryen,
 
Met droncken drincken ooc, endé met tuysscheryen, 34
35
Met achterclap en twist, met stryt en vulpsheit quaet 35
 
Met ongheschickt rauot te houden vroech en laet, 36
 
Altyts met meerder cost, en met minder ghenuchté,
 
Ommers voor alle mens die alle quaet gheruchté, 38
 
Van ongeschicktheyt vliet, en hem verblyt in deucht. 39
40
Hier in te lesen dan ghy v vermaken meucht,
 
Tot dat ghy hooger werc van my eens sult ontfangen,
 
Dwelck ghy haest lesen sult, coem ick tot myn verlanghen. 42
 
Vaert wel.
2. voorsichtelyck - T vooosichtelyck 8. cruyt - T crnyt
22. T heeft in de custos Met, hoewel op de volgende pagina reg. 23 met Maer begint.
*[3. ro]
1bien: bijen
2velden ghebloeyt: bloeiende velden
3meugen: kunnen; gereet: zonder moeite
4tonderkennen: te onderkennen
6orborlycxt: nuttigst
10deur Phebus drachte: onder de drang van Phoebus (de god der dichtkunst)
14nae dat: naar dat; schouwende fantasye: zwaarmoedigheid schuwende, vermijdende
15den aert: de grond
16voeyt: voedt; beswaert: schaadt
17vercouwen: verkoelen
19-20bedoeld worden Venus en Mars
20verfelt: fel, boosaardig straalt
21na dat.... syn vaten: naar gelang Jupiter mij uit zijn vaten met voor- of tegenspoed besprenkelde, naar gelang hij mij geluk of ongeluk toebedeelde. Vgl. Vondels schouwburgdicht:
Twee vaten heeft Iupijn. Hij schenckt nu zuur, nu zoet,
Of matight weelde en vreught met druck, en tegenspoet. (W.B. III, 512)
22t'mynder baten: tot mijn voordeel
*[3. vo]
23soo veel isser af: zoveel is zeker
24erch: slecht
28spinne venyn: giftige spin
30-31op alsulcken poose (= op zulk een moment), en tyt ouerleest hem.... ghedicht: nl. in uw vrije tijd
31icken: ik hem
32laes: helaas; ongesticht: niet opgebouwd in het geloof
34tuysscheryen: dobbelspelen
35achterclap: kwaadsprekerij
36ongheschickt rauot houden: zich onvoegzaam te buiten gaan
38ommers: althans (deze regel sluit onmiddellijk aan bij de vorige)
39ongeschicktheyt: onvoegzaamheid, buitensporigheid
42haest: weldra.
terug  begin  verder