*GVILLAVME DE POETOU: vriend en
beschermeling van Jan van der Noot, die hem blijkbaar financiëel steunde bij
zijn studie in de letteren en de geneeskunde te Leuven (vgl. de antwoord-ode
van Van der Noot op pag. 77, reg. 177-184). De Poëtou's ode is overgenomen uit
diens bundel Suite du Labeur en Liesse (verder door mij aangeduid met:
SdL). Voor bijzonderheden omtrent dichter en bundel zie men
Bijlage I. Vermeylen deelt mee (pag. 159), dat dezelfde ode in de
Poeticsche Werken van 1581 is opgenomen, met de datering 3 Jan. 1565
(N.S. 1566). Escheuin: schepen (Van der Noot was schepen van 1562-1563 en
1565-1566)
3-4le verd rameau.... d'auoir flairé:
de groene (lauwer)twijg van Delphi honderd maal geroken te hebben, honderd maal
door Apollo (de god der dichtkunst) bezield te zijn
6Phane: (Lat. fanum) heiligdom; Clare:
Claros, een aan Apollo gewijd oord bij Colophon
7Phebus Delien: Phebus Apollo werd in
het bijzonder op Delos vereerd
55Mnemosiens: de Muzen als dochters van
(Zeus en) Mnemosyne
56ouis: hoordet gij; à grand'cure: met
grote nauwkeurigheid
57ruisseaux Pegasins: het gevleugelde
dichterpaard Pegasus deed op de berg Helicon met een hoefslag de Hippokrene
ontspringen, de bron der dichterlijke bezieling
62caués instrumens: (lett. uitgeholde
instrumenten) muziekinstrumenten met een klankkast
78passa: (voor pasta? van een
niet-bestaand, maar o.a. naar pastoier en naar het subst. past
gevormd werkw. paster = voeden? Of drukfout voor paissa =
weidde?)
80l'harras: de stoeterij, (hier wel
voor:) kudde; Admete Roy: Admetus was koning van Pherai in Thessalië. Apollo
hielp hem door hem een tijdlang als herder te dienen
81ce Dieu: Apollo, zoon van Zeus en
Latona (vgl. reg. 83-84); dont i'araisonne: van wie ik spreek
115. Et desous - T Etdesous // quelles - T
quell es
92ce Dieu Gryneen: Apollo, die in
Grynea (Aeolië) een beroemd orakel had
102lengemmé berceau: de kostbare (lett.
met edelstenen ver sierde) wieg
103l'eau Cabaline: het Kaballistische
water, het geheime toverwater (of moeten wij denken aan een verwarring met
Castaline? De Kastalische bron op de Parnassus bracht ieder, die van
zijn water dronk, in dichterlijke vervoering)
126frontonienne garde: hoede van de
beoefenaars der welsprekendheid (hier: poëzie?). De Frontoniani waren de
leerlingen van M. Cornelius Fronto (gest. ± 170 n. Chr.), beroemd om zijn
welsprekendheid
198moyennant que: mits, op voorwaarde
dat; la parque: de Parce Atropos, die de levensdraad van de mens
afsnijdt
200le Schif de Charon: Charon was de
veerman, die de gestorvenen in zijn schuit naar de onderwereld overzette.
Merkwaardig is het gebruik van het woord Schif; in zijn antwoord aan De
Poëtou maakt ook Van der Noot daarvan gebruik (zie beneden, pag. 74. reg.
59)