terug  begin  verder
[p. 105]origineel

*D. Gerardus Goossenius, Phisicus, Med. ende Poët, *

Aenden Edelen Heere, Heer' Ian Vander Noot Poët ende Edelman van Brabant.

Ode.
 
Onlancx na dat ick was // in Antwerpen ghecomen,
 
So heb ick euen ras // uwen persoon vernomen 2
 
Edel Heer Vander Noot,
 
Waer deur ick op dat pas // vry van alder onvromen 4
5
Verheuchde in blyschap groot. 5
 
 
 
Als een die was bekent // met die bloem der Poeten, 6
 
Van neerlant excellent // in eeren hooch gheseten,
 
En oock seer wyt vermaert,
 
Deur dat ghy schreeft ser gent // van ioncx met goet vermeten, 9
10
Naer der Poeten aert.
 
 
 
Want wat baert meerder vreucht // hier in sweerelts landouwe,
 
Dan te singen vande deucht // Sonettekens niet flouwe: 12
 
Ken koes daer voor gheen ghelt, 13
 
Noch spyse die verheucht // oft tsolaes van een vrouwe 14
15
Want dat den mensche al quelt. 15
 
En dbehoort ooc al meest // tot den mensch vander erden * 16
 
Daer wy dbest om den gheest // te verblyen aenueerden
 
Doer syn edel virtuyt, 17-18
 
En deen moeyte verheest // d'ander doet vreucht volheerden, 19
20
Deur dat den gheest ontsluyt. 20
 
 
 
En als wy syn berooft // deur die doot van dit leuen
 
So wordt noch al ghelooft // dat wy gedurich sweuen 22
 
In der gheleerder hant, 22-23
 
Dwelck gheen goudt wiet verdooft // en sou cunnen gegeuen, 24
25
Dan alleen het verstant. 25
 
 
 
Wie sou hebben verclaert // Aeneas feyten wel, 26
 
Hadse noyt gheopenbaert // Vergilius seer snel, 27
 
Diese seer wel wt leyt: 28
 
Van Hector onueruaert // en van Achilles fel, 29
30
Homerus ons verbreyt. 30
 
 
 
Ist dat v dan behaecht // van ons salt ooc geschien 31
 
Dat wier ouer claecht // wy onder alle lien 32
 
Leuende sullen blyuen,
[p. 106]origineel
 
Soo lang' alst Oostwaert daecht // int spyt van diet verbien, 34
35
Deur v lofweerdich schryuen.
 
 
 
Nv doot wat condy doen // met al v felle schichten? 36
 
Als my na syn beuroen // een goet opschrift sal dichten 37
 
Vander Noot den Poet,
 
Syn vrientschap sal my voen // en sdoots swaerheit verlichten, 39
40
Dwelck ick my vry vermeet. 40
12. flouwe: - T flouwe, 13. ghelt, - T ghelt:
25. alleen - T allen
*[F.8.ro]
*D.: Doctor; Gerardus Goossenius: medicus en natuurkundige, vriend en bwonderaar van Jan van der Noot. Zie over hem verder Bijlage III. Med.: medicus
2vernomen: gezien, (hier:) ontmoet
4op dat pas: op dat ogenblik, toen; vry van alder onuromen: vrij van alle onheil, (dus:) in gelukkige omstandigheden
5verheuchde: mij verheugde
6als een die was: omdat ik was
9ser gent: zeer schoon; met goet vermeten: met gelukkige stoutmoedigheid
12niet flouwe: niet mat, (dus:) sterk, goed
13ken koes: ick en koos; daer voor: daarboven;
14tsolaes: de liefde
15al: alles
*[F.8.vo]
16dbehoort: het behoort (nl. het in reg. 13-15 genoemde); al: alles
17-18terwijl wij (nl. de dichters), om de geest te verheugen, het beste (nl. de kunst) ter hand nemen, door zijn (nl. van die geest) edele wonderkracht
19deen moeyte verheest: het een (nl. het in reg. 13-15 genoemde) brengt verdrietelijkheid mee; volheerden: blijven
20ontsluyt: zich opent
22al: vast, stellig
22-23dat.... hant: dat onze naam voortdurend blijft leven door het werk der geleerden (hier voor: dichters)
24hetwelk geen goud ooit wegneemt en geen goud ooit zou kunnen verschaffen
25dan: maar; het verstant: (hier voor:) de geest
26verclaert: verheerlijkt; feyten: wapenfeiten, heldendaden
27snel: behendig, kunstvaardig
28seer wel wt leyt: heel goed uiteenzet
29fel: geducht
30verbreyt: vertelt
31dat: dat het; van ons: met betrekking tot ons
32wier ouer claecht: wie er zich ook over beklaagt (nl. over onze bevoorrechting)
39. sdoots swaerheit - T sdootsswaerheit
Den Poët aen Gerardus Goossenius. 2. meerder vreucht -T meerde rvreucht
34alst Oostwaert daecht: als de dag in het Oosten aanbreekt; int spyt van diet verbien: ten spijt van allen die trachten het te beletten
36condy: kunt gij; felle: wrede; schichten: pijlen
37na syn beuroen: naar zijn (verstandig) inzicht, naar zijn wijsheid; opschrift: grafschrift
39voen: (hier voor) sterken
40dwelck ick my vry vermeet: waarop ik mij rustig durf beroemen.
terug  begin  verder