terug  begin  verder

*Den Poët aenden Wijsen ende wel Gheleerden D. Gerardus Goossenius, *

Med. Phisicus, ende Poët voor antworde.

Ode.
 
K'en was noyt meer verheucht,
 
K'en had' noyt meerder vreucht,
 
Van myné ionghe daghen,
 
Dan doen ick by v quam 4
5
En v verstant vernam, 5
 
Als myn ooghen v saghen.
 
 
 
Want ick vont waer terstont
 
Soet my was deur den mont 8
 
Vertelt van gheesten reyne, 9
10
Als dat ghy waert begaeft
 
Van Phoebo, en ghelaeft 11
 
Wt Pegasis Fonteyne. 12
 
 
 
En dat den Cinthien 13
 
Phoebus den Pythien 14
15
De const der medecynen 15
 
V seer wel heeft gheleert,
 
Waer deur ghy wordt gheeert,
 
En doet v deuchden schynen.
 
 
 
Waer deur ghy oock deursiet *
20
Al tgheen datter gheschiet
 
In alderhande dinghen:
 
Elcx dincx nature en aert,
 
Wort v gheopenbaert
 
Deur Apollos ghehinghen. 24
 
 
25
Eerdé, locht, water, vier,
 
En dat sy gheuen hier 26
 
Weet ghy wel te deurgronden. 27
 
De mineralen hert, 28
 
Worden tot elcke smert 29
30
Deur v oock wel ontbonden. 30
[p. 107]origineel
 
Ick vont oock dat ghy syt
 
Seer wel gheschict altyt 32
 
Inde seuen vry consten, 33
 
Liefghetal en bemint 34
35
Van Pallas wys ghesint, 35
 
En de Musen vol ionsten. 36
 
 
 
En Mercurius loos 37
 
Heeft v sprake en v voys 38
 
Oock wel connen verchieren, 39
40
Dies ick verwondert was
 
Als ick v op dat pas 41
 
Hoorde, en sach v manieren. 42
 
 
 
*En bouen dat ghy cunt 43
 
Al dat v' is ghegunt
45
Van Iuppiter dé Heere, 44-45 45
 
Soo acht ghy groot het werck
 
Van my een goet slecht clerck 47
 
En pryst myn Muse seere.
 
 
 
Goossenius my dunckt,
50
Dat my myn hert ontfunckt 50
 
Deur v comst' met verblyen
 
My dunckt voorwaer dat ghy
 
Hier comen syt om my 53
 
De doot helpen bestryen. 54
 
 
55
Want oft ick niet en waer 55
 
Cloec ghenoch maer te swaer, 56
 
Om de doot te beuechten
 
Soo sult ghy my by staen
 
En de doot wel verslaen,
60
En heur cracht wel verslechten. 60
 
 
 
Alsoo sult ghy my dan
 
Altyts als een vroem man 62
 
Doen leuen so ick hope
 
En ick sal v oock cloeck
65
Voorts trecken wt den hoeck 65
 
Des verghetelheyts nope. 64-66 66
 
 
 
Ontsterffelycken lof, *
 
Vyant der gheesten grof, 67-68
 
Die inden hemel hooghe
70
V macht en woensté hout 70
[p. 108]origineel
 
Bouen siluer en gout
 
Syt ghy groot in myn ooghe.
 
 
 
Ghy die de goede croent 73
 
Ende de deuchden loent, 74
75
Wilt Gerardus naem veuren, 75
 
In uwen tempel schoon,
 
Op datmen tsynen loon, 77
 
Hem kent tot allen uren.
*G.j.ro
*D.: Doctor; Med.: medicus; voor antworde: ten antwoord (nl. op het voorafgaande gedicht)
4doen: toen
5vernam: opmerkte
8soet: soe 't, zoals het
9gheesten reyne: eerlijke lieden
11van Phoebo: door Phoebus Apollo, de god der dichtkunst
12Pegasis Fonteyne: Hippokrene, de bron, welks water dichterlijke bezieling schonk en die ontstaan was door de hoefslag van het gevleugelde dichterpaard Pegasus
13Cinthien: bijnaam voor Apollo, die een heiligdom bezat bij de berg Cynthos (Delos)
14Pythien: bijnaam voor Apollo, naar zijn orakel in Delphi (of Pytho)
15Apollo werd ook vereerd als de verderf-afwerende en genezende god
*G.j.vo
24deur Apollos ghehinghen: door de toelating, de gunst, van Apollo
26dat sy gheuen hier: wat zij (nl. de vier genoemde elementen) hier op aarde opleveren
27wel: goed
28hert: hard
29tot elcke smert: als geneesmiddel voor elke kwaal
30wel ontbonden: helder uiteengezet, verklaard (De bedoeling van de zin is: de waarde van de harde mineralen als geneesmiddel voor elke kwaal wordt door U ook helder uiteengezet)
36. ionsten. - T ionsten 45. Heere, - T Heere
56. cloec ghenoch - T cloecghenoch
32geschiet: kundig
33seuen vry consten: de artes liberales: grammatica, rhetorica, dialectica, arithmetica, geometrica, musica, astronomia
34liefghetal: bemind
35van: door; Pallas: godin der wijsheid
36vol ionsten: goedgunstige
37Mercurius: als uitvinder van de lier werd Mercurius ook als god der dichtkunst beschouwd, (‘loos’ slaat op de handigheid, die hem de god der dieven deed worden)
38voys: (zang)stem
39wel: goed; verchieren: versieren, verfraaien
41op dat pas: toentertijd (bij onze ontmoeting)
42v manieren: uw aard en aanleg
*[G.2.ro]
43bouen: ondanks
44-45(bedoeld wordt: al wat ik zo juist heb opgenoemd)
45van: door
47een goet slecht clerck: die slechts een eerzaam en eenvoudig dichter ben
50ontfunckt: ontvonkt (nl. ‘met verblyen’, reg. 51)
53comen: gekomen
54helpen: te helpen (deze regel zinspeelt op het feit, dat Goossenius medicus is en dus Van der Noot helpen kan om gezond te blijven, maar zowel hier als in de volgende regels wordt tevens gedacht aan het feit, dat de naam van Van der Noot in Goossenius' poëzie zal blijven voortleven)
55oft: indien
56cloec ghenoch: voldoende behendig; swaer: (woordspeling met twee betekenissen van ‘te swaer’: te log, en te ziek)
60verslechten: tot bedaren brengen
62vroem: krachtig, gezond
65voorts trecken: wegtrekken
64-66en ook ik van mijn kant zal u door mijn verzen voor de vergetelheid behoeden
66des verghetelheyts nope: van de aanval der vergetelheid
*[G.2.vo]
67-68God, Gij wie eeuwig lof wordt toegebracht en die de vijand zijt der grove geesten
70woensté: woonstee; hout: houdt
Idem quod superius. 8. De custos onderaan de pagina vermeldt ten onrechte Quanto als begin van de volgende regel; dit moet zijn Tanto.
73croent, loent: kroont, (be)loont
74croent, loent: kroont, (be)loont
75veuren: voeren
77tsynen loon: tot zijn wel-verdiend loon.
terug  begin  verder