*Lees: Ideam quod superius G(erardus)
G(oossenius) ad D(ominum) Io(annem) Vander Noot, nobil(em) et Poet(am)
Bra(bantiae,) patri(cium) Ant(verpiae) (scripserat,) versibus elegiacis
redditum superius: vgl. het gedicht op pag. 105. Bij alle overeenstemming is er
echter ook verschil, met name in de aanhef, waar het Nederlandse vers spreekt
van een ontmoeting in Antwerpen en het Latijnse deze in Engeland doet plaats
vinden. Goossenius: zie de noot bij het vers op pag 105 en Bijlage
III.
3offendi sed non sine numine diuum: heb ik
toevallig, maar niet zonder de wil der goden, ontmoet
12efficis vt.....amet: bewerkt gij dat ook
het eenvoudige mindere volk haar (nl. de deugd) liefkrijgt (hancque is
een ongewone vorm. -que is hier weergegeven door ook. Of staat
hancque voor hancce?)
23terrea moles: de aardse massa, nl. het
lichaam (tgo. de geest in reg. 21)
25macte coeptis pulchris: geluk met uw
schone ondernemingen
26contendas summas imposuisse manus: streef
ernaar het hoogste te bereiken (is summas wellicht een drukfout voor
summis?)
27Zoilus: oorspr. een kleingeestig bevitter
der Homerische gedichten, vandaar kleingeestig literair vitter in het
algemeen
29sic mortis.... acumen: zo zult gij tot
zelfs de scherpte van de scherpe zeis des doods misleiden, ontgaan (acute:
acutae)
30que: quae; citra delectum: zonder
onderscheid te maken; obuia queque (quaeque): alles wat hij ontmoet; metit:
afmaait
31. Nos quoque, si muse dederint, pro parte
virili - T Nos quoque si muse dederint pro parte virili, Respondet
Clariss. Poeta. 4. Inuento. Quid tanto charius esse potest: - T Inuento,
quid tanto charius esse potest,
31si muse (musae) dederint: als de Muzen
ons dit vergunnen; pro parte virili: naar beste krachten
+inoffensibilis: onkwetsbaar (de betekenis
hiervan zal wel moeten zijn, dat Goossenius zich solidair verklaart met de
zojuist door hem verheerlijkte levenshouding en zichzelf daarom beschouwt als
onaantastbaar voor de rampen en wisselvalligheden van het aardse
leven).