terug  begin  verder
[p. 123]origineel

*Beschrijuinghe van de hooft sonden, *

Inden eersten van Houerdye.

1. Houerdye.
 
Houerdicheyt was seer heerlyck gheseten,
 
Die anderlie dicwerwen heeft verweten 2
 
Al heur ghebreck, veracht ende mispresen: 3
 
Achtende heur alleen volmaect te wesen. 4
5
Seer ryclyck was sy aen alle canten
 
Fraey opghetoyt met baghen als dees santen, 6
 
Met peerlen, fyn diamanten, Rubynen, 1-7
 
Saphieren oock, Esmerauden die schyhen: 8
 
En voorts had' sy eenen mantel van gouwe 9
10
Om heuren hals, tscheen wel een preutse vrouwe: 10
 
Heur ondercleet was gout met hemels blau
 
En neffens heur stont eenen schoonen Pau. 12
2. Nydicheyt. *
 
Die Nydicheyt sat daer in eenen cuyl,
 
Doncker en droef stinckende ende vuyl, 14
15
Daer t'gheender tyt Sonne, sterren noch mane,
 
Noch eenich licht en mochter by noch ane: 16
 
Noch suete locht, wermte noch lafenisse, * 17
 
Maer was vol drucx, twas des achterclaps smisse 18
 
En alderley voetsel, en dranck der sonden,
20
Soudemen daer wel ghenoech hebben gheuonden.
 
Seer dootverwich en bleeck was heur ghelaet. 21
 
Thert had' sy wreet, ende t'ghesichte quaet, 22
 
Dlichaem mismaect had' sy endé vuyl handen,
 
En van vuyl slym loterden heur gheel tanden: 24
25
Seer grouwelyck en leelyck van fatsoene 25
 
Was sy, heur borst was vander gallen groene, 26
 
En vol venyns sy oock heur tonghe droech, 27
 
Noyt man en sach dat sy om yemant loech, 28
 
Dan om het volck diet qualyck gonck oft lusten: 29
30
Tot gheender tyt en heeftmense sien rusten.
 
Maer waect altyts nae yemants ongheual, 31
 
En luystert scherp, waert qualyck tieren sal: 32
 
En neffens heur was eenen hont gheleghen,
 
Grimmende seer als syns ghelycke pleghen. 34
3. Ghiericheyt.
35
Wat voorts sach ick oock staen de Ghiericheyt, 35
 
Die wel altyts tot nemen is bereyt,
[p. 124]origineel
 
En om cryghen veel wonders heeft ghedaen, 37
 
Maer sy en wilt van gheen gheuen verstaen: 38
 
Sy was seer vuyl beslapt ende besmeurt, 39
40
*Ghelapt gheleurt, ghebrodt, ghegaet, ghescheurt: 40
 
Tis sy die deur den ouer groten lust 41
 
Ghelt ende schat te cryghen niet en rust,
 
Die oock altyts de dieuen raedt tot stelen
 
Diemen dickmael siet hanghen by der kelen, 44
45
De cleyne meest, want tis een out vermaen, 45
 
De cleyn' hanghtmen, de groote laetmen gaen:
 
Ia sy doet heur oock suypen dbloet der menschen, 47
 
Om t'ghelt en t'goet te cryghen dat sy wenschen:
 
Handen seer crom hadse en hakende clauwen,
50
Seer wel ghemaect was d'beelt ick moet ontfouwen: 50
 
Want Ghiericheyt is altyts sonder lieghen
 
Neerstich bereyt om elck man te bedrieghen. 52
 
Neffens heur sadt een ellendighe padde,
 
Houdende vast onder den poot een cladde
55
Eerden oft slycx, vreesende dat heur moechte 54-55
 
Ghebreken noch alsulcx alsoó my doechte. 55-56
4. Oncuysheyt.
 
D'oncuysheyt naect heb' ick daer oock vernomen, 57
 
Die met heur boel moetwils daer was gecomen 58
 
Om heur met hem oneerbaerlyck te payen, 59
60
Maer sy en was toch gheensins te versaeyen. 60
 
Men sach by heur eenen haen hem verfraeyen, 61
 
En na syn spel wellustichlyck staen craeyen.
5. Gramschap. *
 
Noch hier en was oock vry gheensins vergeten 63
 
De Gramschap fel, die by na had versleten 64
65
Heur tanden al met grimmen ende byten, 65
 
Sy scheen bereet tot vechten en tot smyten: 66
 
Heur clauwen scherp had' sy fellyck ontloken, 67
 
Gheerne hadsy soot scheen heur leet ghewroken, 68
 
En eenen Leeu fel ende ouer moedich, 69
70
Stonter by heur met scherpe clauwen bloedich.
6. Gulsicheyt.
 
Gvlsicheyt was daer oock seer vremt gheseten 71
 
Aen eenen dis vol spysen reet om t'eten, 72
 
En rontsom heur stonden flessen en cannen, 73
 
Schalen om veel speten, roosters en pannen, 74
75
En croesen oock, coppen, stoopen en cruycken, 75
 
Vol wyns en biers, vullinghe voor de buycken:
 
Heuren snuyt was van purpur kermousyn, 77
 
Hooghé gheueruft van bier en goeden wyn, 78
 
Wel ghestoffeert met veel carbonkel steenen, 79
[p. 125]origineel
80
En voort had sy in heur gheswollen beenen, 80
 
Seer walghelyck, een vuyl loopende gat: 81
 
Sy was (soet scheen) seer beestelycken sat, 82
 
Van al het gheen dat sy dranck endé at, 83
 
*Want sy sat daer vuyl ghemaect en bespoghen,
85
Maer hier medt (siet) en heeft sy niet bedroghen 85
 
Een sueghe onreyn die heur gheselschap hiele, 86
 
En al op at dat heur achter ontviele. 87
7. Traecheyt.
 
Wat voort sat oock de Traecheyt erm bedeghen, 88
 
En seer bedroeft om dat sy niet ghecreghen
90
En had' het goet daer sy om plach te wenschen. 90
 
Hier sat sy leech tot spot van allen menschen: 91
 
Half sliep sy noch, en wat sachmense recken 92
 
Heur ermen wt, en gheeuwen weert om gecken: 93
 
Te wyl dat heur d'ermoede seer quam nopen, 94
95
En neffens heur quam een schilt pad' ghecropen.
Vileynie. *
 
En voorts sach ick noch staen op d'ander sye 96
 
Het leelyck beelt van boose vileynie,
 
Het scheen seer wel aen dese onreyn figure, 98
 
Dattet moest syn een snoode creature, 99
100
Verachtich, fier, vals ende ouermoedich, 100
 
Beroemich seer, van wreetheyt ouervloedich, 101
 
Onghenadich, spytich, en onbeleeft, 102
 
Gheen snooder dier men noyt ghesien en heeft. 103
Ipocrisie of gheueysde heylicheyt. * *
 
Een weynich voorts stont de gheueystheyt quaet, 104
105
Sy en scheen niet vrolyck aen heur ghelaet, 105
 
Maer droeue en swaer, en vol melancolye, 106
 
Latende t'hooft hanghen deur fantasye, 107
 
Magher en bleeck was sy van heur te cnaghen 108
 
Oft sy gheuast hadde de veertich daghen: 109
110
Sy had' opt hooft een bleeck asgrauwen cleet 110
 
Het welck heur quam tot op d'eerde ghereet: 111
 
Met dit wit cleet bedecte sy de heure. 112
 
Heur ondercleet sach ick oock deur een scheure,
 
Waer op gheboort waren deur langhen tyt 114
115
(Want sy socht toch alommé heur profyt)
 
Seer loosselyck met ander lieden handen, 116
 
Menich sterck slot, steden, dorpen en landen,
[p. 126]origineel
 
Menich groot bos, beemden, houen, waranden, 118
 
En croonen oock, veel ryckelycke panden: 119
120
Peert ende muyl, waghens, coetsen, lettieren, 120
 
Alle gheweer, lansen, bussen, rappieren, 121
 
En grof gheschut, ruyters, beulen en knechten, 122
 
Veel Heeren oock om tseghen d'licht te vechten, 123
 
Schepen ter Zee, seylen tot allen winden, 124
125
Somma, men can gheen goet ter werelt vinden, 125
 
T'en was al hier, op den boort stont gheschreuen: 126
 
Wier op spreect, salmen benemen dléuen. 127
 
Wt dit groot cleet quamen vremde ghedrochten,
 
*Die al dit goet van allesins aen brochten, 129
130
En dit ghespuys was van verwen verscheyen, 130
 
Van eten, oock van drincken, singhen, schreyen: 131
 
Som wast schoon root, som sachet wt den blauwen, 132
 
Som wit, som bleeck, som wt den doncker grauwen,
 
Som violet, som bont, en soó voorts ane, 134
135
Som vloghet nv, dat nau en plach te gane, 135
 
Som wast ghelyck den maeyen, som den respen, 136
 
Den motten som, en som gheleeckt den wespen, 137
 
Den mugghen som, som den padden en vloeyen, 138
 
Den schorpioen die cruypende comt doyen: 139
140
Som wast ghelyck den muysen, ratten, luysen.
 
Dit vreemt ghespuys de menschen in heur huysen
 
In steden oock, in ackers ende velden,
 
Ia (dat meer is) tot in heur siele quelden,
 
En in heur doot: willendé syn verheuen 144
145
Ouer heur goet, conciencie en leuen. 144-145
 
Dit hels ghedrocht had' alle dlant beslaghen, 146
 
En al het goet met heur schadelyck cnaghen
 
Gheheel vernielt: en siet noch meerder plaghen,
 
Het beste goet werdt heurlie toe ghedraghen. 148-149
150
Ick mercté hier dat sy d'licht seer ontsaghen, 150
 
En dat sy seer vloden de claré daghen: 151
 
Want in dit beelt sach ick sommighé vlecken, 152
 
Daer dlicht op scheen, en sach van daer vertrecken 153
 
Dit vals ghespuys en allenskens verloopen, 154
155
Gaende confuys d'bedroch elders vercoopen. 155
20. gheuonden. - T gheuonden,
*I.j.ro
*hooft sonden: de zeven hoofdzonden, in het gedicht aangeduid met de nummers
2anderlie: aan andere mensen; dicwerwen: vaak
3veracht ende mispresen: (lees:) die anderlie dicwerwen heeft veracht ende mispresen
4heur: zich (zelf)
6baghen: kleinodiën, kostbaarheden; als dees santen: als de heiligenbeelden hier in de kerk (stamt deze beschrijving nog uit Van der Noots R.K. tijd of moet deze vergelijking ironisch worden opgevat: als die bekende heiligenbeelden?)
1-7inden eersten: in de eerste plaats; houerdye: hovaardij (Blijkbaar geeft Van der Noot hier een allegorische voorstelling der zeven hoofdzonden weer, zoals hij deze op een schilderij heeft gezien)
8Esmerauden: smaragden; schynen: schitteren
9gouwe: goud
10om heuren hals: bedoeld wordt dus een mouwloze, om de hals sluitende, cape-vormige mantel; tscheen wel een preutse vrouwe: het bleek duidelijk een trotse vrouw
12Pau: (nominativus) nl. als symbool voor de hovaardij
*Nydicheyt: afgunst
14droef: duister
16en mochter by noch ane: bij kon komen
*I.j.vo
17suete: aangename (in tegenstelling tot stinckende in reg. 14)
18vol drucx: vol angst en bedruktheid; des achterclaps smisse: de smidse van de laster
21dootverwich: doodsbleek
22thert had' sy wreet: zij had een ongevoelig hart; t'ghesichte: de blik
24van vuyl slym... tanden: haar gele tanden zaten los en bewogen heen en weer onder de aandrang van het vuile slijm
25van fatsoene: van uiterlijk
26vander gallen groene: groen van de gal
27vol venyns... droech: zij had ook een tong vol venijn
28man: iemand
29het volck diet qualyck gonck oft lusten: de mensen, die het slecht ging of die ontevreden waren
31waect nae: zij wacht op
32luystert: (hier voor) let er op; waert qualyck tieren sal: waar het verkeerd zal lopen
34grimmende.... pleghen: zeer kwaadaardig, zoals zijn soortgenoten plegen te zijn
35voorts: verder; Ghiericheyt: hebzucht
37om cryghen: om te krijgen, te verwerven; veel wonders: veel verbazingwekkends
38sy en wilt.... verstaen: zij wil van geen geven weten
39beslapt: bemorst
*I.ij.ro
40ghelapt.... ghescheurt: gestoken in opgelapte, met vodden en lappen herstelde kleren, vol gaten en scheuren
41ouer groten lust: overgrote begeerte
44dickmael: dikwijls; hanghen by der kelen: nl. aan de galg
45vermaen: gezegde
47heur: hen (nl. de dieven)
50seer wel.... ontfouwen: voortreffelijk gemaakt was de afbeelding, ik moet dat zeggen, erkennen
52neerstich: ijverig
54-55cladde eerden oft slycx: een kluit aarde of modder (symbool voor de aardse goederen, die de gierigheid verzamelt)
55-56vreesende dat .... doechte: vol angst, naar het mij voorkwam, dat zij deze nog eens zou kunnen verliezen
57vernomen: gezien
58boel: minnaar; moetwils: uit vrije verkiezing
59om heur .... payen: om zich op oneerbare wijze met hem te vermaken
60versaeyen: verzadigen
61hem verfraeyen: zich verheugen (hier in erotische zin)
*.ij.v
63noch hier ... vergeten: ook was hier waarlijk geenszins vergeten
64fel: meedogenloos, hard
65al: alle; grimmen: grimmig zijn
66bereet: klaar; smyten: slaan
67fellyck ontloken: wreed ontbloot
68soot scheen: naar het leek
69eenen Leeu: (nominativus); fel: wreed, bloeddorstig; ouer moedich: trots, fier
71vremt: zonderling
72reet om t'eten: gereed voor het gebruik
73rontsom: rondom
74om: voor, ten behoeve van; speten: braadspitten; roosters: braadroosters
75coppen: bekers; stoopen: kruiken met een inhoud van 2 1/2 liter
77heuren: (nl. van de Gulzigheid); kermousyn: karmozijn
78gheueruft: gekleurd
79wel ghestoffeert met: rijk voorzien van; carbonkel steenen: (woordspeling met de beide betekenissen van karbonkel: ‘hoogrode robijn’ en ‘rode puist’)
80. had - T dad 85. hier medt (siet) - T hier medt siet 90. wenschen. - T wenschen
80voort: verder
81een vuyl.... gat: (bedoeld wordt de anus)
82soet scheen: naar het leek
83dranck: dronk
*I.iij.ro
85hier medt: hiermee; bedroghen: (hier voor) afgeschrikt
86sueghe: zeug; hiele: hield
87al: alles; achter: van achteren
88voort: verder; erm bedeghen: arm geworden
90daer sy.... wenschen: waar zij altijd naar verlangd had
91leech: ledig, werkeloos
92half - wat: deels - deels
93weert om gecken: op een wijze, die verdiende dat er de spot mee gedreven werd
94te wyl dat: terwijl; nopen: kwellen
*Op de beschrijving der zeven hoofdzonden doet Van der Noot nog die van twee andere zonden volgen, die blijkbaar (vgl. reg. 96) eveneens stonden afgebeeld op het allegorische schilderij dat hij weergeeft Vileynie: gemeenheid
96op d'ander sye: aan de andere kant (van de afbeelding)
98scheen: bleek; seer wel: heel duidelijk
99snoode creature: verdorven schepsel
100verachtich: (anderen) minachtend; fier: hooghartig, ingebeeld; ouermoedich: pedant
101beroemich: blufferig; van wreetheyt ouervloedich: overvol wreedheid
102ongenadich: onbarmhartig; spytich: laag op anderen neerziend; onbeleeft: grof, lomp
103dier: (hier voor) wezen; noyt: ooit (de negatie ten gevolge van de dubbele ontkenning)
*I.iij.vo
*Ipocrisie: hypocrisie; gheueysde: geveinsde
104voorts: verder
105ghelaet: voorkomen
106swaer: ernstig
107fantasye: zwaarmoedigheid
108van heur te cnaghen: van het zichzelf verteren (in fig. zin)
109de veertich daghen: de z.g. Grote Vasten (van As-Woensdag tot Paas-Zaterdagmiddag)
110opt hooft: over het hoofd; bleeck asgrauwen: vaal, as-grauw
111ghereet: stellig, zonder voorbehoud (stoplap)
112wit: (hier in de zin van ‘licht van tint’, vgl. reg. 110); de heure: haar eigene (kleren)
114gheboort waren: als rand(versiering) waren aangebracht; deur langhen tyt: in verloop van (lange) tijd
116loosselyck: listig, slim; met ander lieden handen: door het werk van anderen
142. In steden oock, in ackers ende velden, - T In steden oock in ackers ende velden.
118houen: hofsteden; waranden: parken
119ryckelycke panden: kostbare schatten
120peert ende muyl: (meervoudsvormen?); muyl: muildier; lettieren: draagstoelen
121alle gheweer: alle soorten wapens; bussen: vuurroeren
122knechten: krijgsknechten
123Heeren: (hier in de betekenis van) machtige vazallen; tseghen d'licht: nl. tegen het licht der waarheid (vgl. reg. 150-155)
124tot allen winden: in alle windrichtingen, (dus) overal
125somma: kortom
126t'en was al hier: of het was alles hier; op den boort: op de (zojuist beschreven) rand (van haar kleed)
127wier op spreect: wie er iets op te zeggen heeft
*I.iiij.ro
129van allesins: van alle kanten
130van verwen verscheyen: verschillend van kleur
131schreyen: geluid voortbrengen
132(vlgg.): som - som: deels- deels; sachet wt den blauwen: zag het er als blauw uit
134soo voorts ane: zo verder
135vloghet: vloog het; dat nau en plach te gane: wat nauwelijks kon lopen
136maeyen: maden; respen: rupsen
137gheleeckt: leek het op
138vloeyen: vlooien
139doyen: doden
144in heur doot: bij hun sterven
144-145willende syn verheuen ouer: daar het wilde gesteld zijn boven, macht wilde hebben over
146alle dlant beslaghen: heel het land in beslag genomen (heel het land als plaatsruimte nodig)
148-149en siet.... toe ghedraghen: en ziet, een groter ramp nog was, dat het beste van alles hun (nl. de ‘vremde ghedrochten’) werd aangedragen (= hun als een geschenk werd gebracht)
150ontsaghen: vreesden
151vloden de clare daghen: het heldere daglicht ontweken
152vlecken: (hier voor) plekken
153vertrecken: (het ‘vals ghespuys’ kan immers geen standhouden tegenover het licht der waarheid)
154allenskens verloopen: allengs weglopen
155confuys: in verwarring gebracht, te schande gemaakt.
terug  begin  verder