terug  begin  verder
[p. 128]origineel

*Tot een schilderye, *

waerin bouen te midde weghen een Prieel gheschildert was vol open inganghen, waerop aldus gheschreuen stont.

 
Tprieel dat ghy hier siet, bediet ons Godes genadé 1
 
Dié altyts open staet, nacht en dach, vroech en spade, 2
 
Deur al de werelt wyt, voor die op hem betrouwen,
 
Op dat al die dorsten, vry comen drincken souwen,
5
Wt dé fonteyné suet des leuens sonder flouwen. 4-5 5
Op de slincke syde van dit Pryeel wat benedenwaerts waren de wet met die van d'oude Testament, waer bouen gheschreuen stont: *
 
Siet broeders hoé de wet té waghen is gheseten, 6
 
Hebbendé in heur hant een lanci met veel croken, 7
 
Dwelck bediet dat heur cracht deur Christum is ghebroken: 8
 
Met tweé peerden wordt sy ghetoghen om te weten 9
10
Dat sy in d'oudé wet slauen waren vol sneuens, 10
 
Maer d'ooghen hebbendé op Gods beloften claer, 11
 
Nemen den toeganck oock na dé fonteyn des leuens. 12
*Op de selue syde by T'prieel stont aldus: *
 
V endé uwes saeds God wil ick syn ende blyuen, 13
 
Tot inder eewicheyt: v God sult ghy my schryuen. 14
Op de rechte syde was het nieu Testament, en de verdienste Christi, waer bouen aldus stont: *
15
Christus genadich croont in ons syn eygen wercken,
 
In synder ghemeynten waghen tghelooue rust, 16
 
Den welcken vier dieren trecken somen mach mercken, 17
 
Die ons allé leeraers bedieden die met lust 18
 
Ghedreuen van Gods geest worden tonsen verstercken. 18-19
Op de selue syde ontrent het prieel stont gheschreuen aldus: *
20
Comt alle die daer dorst, comt drinct wt de fonteyne,
 
Comt drinct d'leuen om niet, comt ryck, erm, groot en cleyne. 20-21
Sapphicum carmen.
 
Almachtich God, ó minnelycke Heere, 22
 
Verleent my toch, t'wort v van my ghebeden, 23
 
Wysheyt, verstant, sterckheyt, al t'ouwer eere, 24
25
Met suete seden. 25
[p. 129]origineel



illustratie

[p. 130]origineel

*Sonet.

 
Op v betrou ick God, weest toch myn toeuerlaet,
 
Ghy hebt ouer my macht, onnut syn myn goey wercken: 2
 
Maer ick suecke belust den voorspoet uwer kercken 3
 
Want op d'afgods dienaers sal comen alle quaet.
5
De Heere is den gront daer myn rent' vast op staet, 5
 
D'best eerfdeel (siet) es my toe comen tot versterken, 6
 
Gheloeft sy god die my onderwyst en doet mercken, 7
 
Ick roep hem, hy verhoort en troost my hoe dat gaet. 8
 
Siet hierom is myn hert verheucht, myn tonge lacht,
10
Wel wetende dat ghy myn lichaem inder eerden 10
 
Gheenen eewigen slaep en sult laten aenueerden, 11
 
Maer sult my inden wech des leuens deur v cracht
 
Leyden, daer ic sal sien v aensicht met verblyen,
 
Want de oprechte vreucht is by v t'allen tyen. 14
18. met lust - T. met lust,
*[I.5.vo]
*tot: (met betrekking) op; bouen te midde weghen:aan de bovenkant in het midden; Prieel: bloementuin, lusthof, paradijs
1bediet: maakt duidelijk
2spade: laat
4-5vgl. Johannes 4:13-15, 7:37-38
5suet: zoet; sonder flouwen: die haar kracht niet verliest
*slincke: linker; waren: bevonden zich, waren afgebeeld; de wet met... Testament: de Wet (de Tien Geboden, hier voorgesteld als een allegorische figuur) met de voornaamste figuren uit het Oude Testament
6té waghen: op een wagen
7lanci: lans; croken: breuken
8dwelck bediet: wat betekent (vgl. voor deze regel b.v. Romeinen 10:4)
9ghetoghen: voortgetrokken; om te weten: om te doen uitkomen
10sy: nl. de Oud-Testamentische gelovigen; in d'oudé wet: onder het oude Verbond; vol sneuens: vol zonden (vgl. Romeinen 7:1 en 5-6)
11claer: glanzend, duidelijk
12nemen den toeganck: zich begeven (vgl. over dit geloof bij Abraham, Romeinen 4); na: naar
*[I.6.ro]
*de selue: dezelfde
13V endé uwes saeds God: de God van u en van uw zaad (vgl. Genesis 9:9)
14v God sult ghy my schryuen: als uw God zult gij mij vermelden
*rechte: rechter; was: bevond zich, was afgebeeld
16in synder ghemeynten waghen: in de (allegorisch afgebeelde) wagen Zijner Gemeente
17den welcken: nl. de wagen; vier dieren: bedoeld zijn de vier dieren uit Openbaringen 4:6-7 (symbolen voor de vier Evangelisten); somen mach mercken: zoals men kan zien
18ons alle leeraers bedieden: voor ons de betekenis hebben van (duiden op) alle leraars
18-19die met lust.... verstercken: die door Gods Geest gedreven worden met begeerte (nl. tot het verkondigen van Gods Woord) ter versterking van ons (geloof)
*de selue: dezelfde; ontrent: in de nabijheid van
20-21vgl. Jesaja 55:1, Johannes 7:37 Sapphicum carmen: Sapphische ode (met gebruikmaking van de Sapphische strofe). Sappho (± 600 v. Chr.) was de beroemdste dichteres uit het oude Griekenland, van wie echter slechts twee gedichten volledig bewaard zijn. Haar strofe-vorm werd later in het Latijn overgebracht (Catullus)
22minnelycke: liefderijke
23van: door
24al t'ouwer eere: alles tot Uw eer
25suete: zoete, (hier) goede.
Sonet. 1. toeuerlaet - T touerlaet 6. eerfdeel (siet) es - T eerfdeel siet es 8. hoe dat gaet. - T hoe dat gaet, 9. lacht, - T lacht 14. vreucht - vreucbt
Den eersten Psalm. 4. vergeten - T vegeten 10. dort en valt, door sdoods suchten, - T dors' en valt, door dsoods suchten,

*[I.6.vo]
2goey: goede
3suecke belust: zoek met vreugde
5den gront daer... staet: de vaste grondslag van mijn bezit, de oorsprong van mijn geestelijke rijkdom
6d'best eerfdeel: het beste erfdeel (vgl. Romeinen 8:17); es my toe comen tot versterken: is mij ten deel gevallen om mij kracht te geven
7en doet mercken: en doet acht geven (op wat Hij zegt)
8dat: dat het
10wel wetende: omdat ik zeker weet
11aenueerden: aanvaarden, beginnen
14oprechte: ware, volmaakte.
terug  begin  verder