terug  begin  verder

Lucas d'Heere, * *

op de Visioenen van mijn Heere Vander Noot.

Ode.
 
Ghy die droncken syt van den wijne
 
Of oock van den boosen venijne
 
Deser weerlycker ouerdaet, 3
 
Houerdye ende pomperye, 4
5
VVellusten oft oock boeuerye,
 
Hoort hier v lesse en die verstaet.
 
 
 
Merct wat het is voor een sottinne
 
Voor een stuck hoers vwe werdinne 8
 
De werelt, die ghy soo seer begheert:
10
En op v wel lacht weynich tijden 10
 
Maer welcke, naer een cort verblijden, 11
 
Ghewoonlyck scheedt met eenen steert. 12
 
 
 
Comt hier ter scholen met verlanghen,
 
Alle die Babel noch aenhanghen, 14
15
En volghen na den helschen draeck 15
 
Om de brocken die daer af commen, 16
 
VVelcke nochtans (ten baet gheen rommen) 17
 
Hebben bitteren achtersmaeck. 18
[p. 189]
 
Ghy sult hier reyn hooren verclaren 19
20
Hoe alle de boosdoenders varen
 
Die, al hebben sy wat heuren loop, 21
 
Ten lesten selfs worden gheuanghen 22
 
Int net dat sy voor ander hanghen,
 
En houden soo den quaetsten coop. 24
 
 
25
*Hier hoort ghy hoe dat Gods ghemeente
 
Al lijdt sy hier druck en vercleente, 26
 
Dies niet te min in deucht beclyft: 27
 
Ende dat God syn ondersaten
 
Hier nymmermeer en sal verlaten, 29
30
Maer tot den eynde by heur blijft.
 
 
 
Alle menschen hier leeren meughen 31
 
In groote droefheyt, haer verheughen, 32
 
En weelde hebben in swaer verdriet: 33
 
Hier leertmen rijck syn in armoede,
35
Hoemen het quaet verkeert int goede, 35
 
En alle saken vint int niet. 36
 
 
 
Hier suldy leeren v aftrecken 37
 
Van de werelt en alle vlecken,
 
God aenhanghen, ende syn gherust
40
In den wille, en in d'werck des Heeren:
 
Ghy sult hier oock verstaen en leeren
 
VVat der sielen inwendich lust. 42
 
 
 
Cortlyck, dit is (segghe ick ten fine) 43
 
Den hof daermen vindt Medicine
45
Tot alle siecten van den gheest,
 
Daer oock by is achter en voren 46
 
Ghenoechte der ooghen en ooren 47
 
Voer de verstandighe aldermeest. 48
 
 
 
Dees weldaden die elck moet prijsen,
50
(Dewyle sy de siele spijsen)
 
Gheeft ons den hemel deur v handt
 
Vander Noot, d' eerste onser Poëten, *
 
Die te rechte van dichten weten 53
 
Begaeft met een God'lyck verstant:
 
 
55
V penne, daer wij wt sien bloyen 55
 
Alsulcke spruyten alsser vloyen 56
 
Aen den voet van tvlighende peerdt 57
 
Drijft haer vierighe schoon ader 58
 
Tot den hemel toe teenegader. 59
60
Dies elck te recht den smaeck begheerdt. 60
 
 
 
En die hem deur de leckernie
 
Der vremder schoonder Poësie 62
 
Ons vlaemsch oud dichten heeft versmaedt 61-63
 
Sal in dese v Musa (ghepresen 64
65
By al' die ghelooft moghen wesen) 65
 
Scheppen ghenoechte en syn versaedt. 66
[p. 190]
 
VVant ghy betoont hier dat ons tale 67
 
Niet toe en gheeft den Duytsch oft VVale 68
 
Grieck, Romain oft Italiaen:
70
Maer so rijck is met haer selfs struycken 70
 
Dat heur niet en rest dan tghebruycken 71
 
Soot by v woord eerlyck ghedaen. 72
 
 
 
En schaemt v niet ghy Edel mannen, 73
 
In de plaetse van schalen en kannen 74
75
Daer veel quaets af compt en gheen goet,
 
Iet bequaems wt den Gheest te dichten 76
 
Daer ghy de menschen deur mocht stichten 77
 
So Vander Noot hier vore doet.
 
Vreest wt liefden de Heere.
*[*A.4.vo]
*Lucas d'Heere: schilder en dichter uit Gent (1534-1584) die tot de Hervorming overging en bij de komst van Alva naar Londen was uitgeweken, waar hij met Van der Noot in contact kwam. Zijn bekendste werken zijn ‘Den Hof en Boomgaerd der Poësien’ en ‘Psalmen Davids’
3deser weerlycker ouerdaet: van de volgende wereldse (aardse) buitensporigheden
4houerdye: hovaardij; pomperye: praalzucht
8werdinne: waardin
10en op v... tijden: en die u wel korte tijd toelacht
11naer: na
12scheedt met eenen steert: zich bij het afscheid naar haar, ware aard doet kennen (zoals de duivel dan zijn staart laat zien)
14Babel: (hier voor) Rome
15den helschen draeck: vgl. Openb. 12:3
16die daer af commen: die daarvan komen, die dit oplevert
17ten baet gheen rommen: er helpt geen bluffen aan
18achtersmaeck: nasmaak
32. verheughen, - T verheughen. 43. dit is (segghe ick ten fine) - T dit is segghe ick ten fine,
19reyn: keurig, duidelijk
21al hebben sy wat heuren loop: al hebben zij enig succes
22selfs: zelf
24houden soo den quaetsten coop: zo aan het kortste eind trekken
*[*A.5.ro]
26vercleente: vernedering
27beclyft: blijft, volhardt
29nymmermeer: nooit
31meughen: kunnen
32haer verheughen: zich te verheugen
33weelde: vreugde
35verkeert: verandert
36niet: niets
37suldy: zult gij
42lust: behaagt
43ten fine: ten besluite
46achter en voren: overal
47ghenoechte der ooghen en ooren: vreugde voor het oog en voor het oor (dit slaat op de platen en op de verzen van de bundel)
48voer: voor
*[*A.5.vo]
53te rechte: zoals het behoort
55bloyen: bloeien, (hier) voortkomen
56spruyten: (in de dubbele betekenis van ‘uitspruitsels’ en van ‘waterspruiten’); vloyen: vloeien
57aen den voet .... peerdt: het gevleugelde dichterpaard Pegasos deed door een hoefslag op de Helicon de Hippokrene, de bron der dichterlijke bezieling, ontstaan
58ader: waterader
59teenegader: volkomen, volledig
60dies: daarvan
62schoonder: schone (géén comparatief)
61-63die hem heeft versmaedt: die beneden zich is gaan achten
64dese v Musa: deze uw Muze, deze poëzie van u
65by: door
66ghenoechte: vreugde; versaedt: verzadigd, voldaan
68. Duytsch oft - T Duytschoft
Den Eerweerdighen Heere enz. 6. t'ontvlieden - T t'ont vlieden 13. sorghelycxsten - T sorgbelycxsten 14. goede Christenen - T goedeChristenen
67betoont: bewijst
68niet: niets
70met haer selfs struycken: aan eigen gewassen
71niet en rest: niets over blijft (om te doen), niets ontbreekt
72soot by v....ghedaen: zoals dit door u op loffelijke wijze wordt gedaan
73en - niet: (dubbele ontkenning)
74in de plaetse.... kannen: in de plaats van u enkel maar bezig te houden met eten en drinken
76bequaems: nuttigs
77mocht: zoudt kunnen.
terug  begin  verder