De 'Poeticsche werken' (ed. W. Waterschoot)


auteur: Jan van der Noot


editeur: W. Waterschoot


bron: Jan van der Noot, De ‘Poeticsche werken’ (ed. W. Waterschoot). Secretariaat van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Gent 1975 (3 delen)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Maes (1583-1584)

Ontstaan

De verschillende bijdragen die in dit vel een onderkomen gevonden hebben, zijn zeker niet alle voor dezelfde gelegenheid samengesteld. In de eerste twee bladzijden ontmoeten wij een homogeen publiek van musici, bij wie een belangstellende voor ritmische problemen best past. De rest van het vel brengt iets heel anders: de derde bladzijde is in haar geheel besteed aan lofdichten ter ere van onze dichter, en de overige plaatsruimte blijkt gereserveerd te zijn voor het gewone publiek van kooplieden-mecenen. Op basis van enige verzen (32-45) heeft Leonard Willems dit vel gedateerd in 1586. In werkelijkheid is het reeds gedrukt in 1583; zie Analytische bibliografie.

Inhoud

-Sonnet van Jan de Maes (15-29)
De Nederlanden worden verheerlijkt door het gelukkig samenspel van de kunstvaardigheid der vier componisten met de verzen uit ‘de boeken der Liefden’ (7) van onze dichter.
-Sonnet aan Gheesdale (32-45)
Van der Noot beaamt Gheesdales voorzichtige levenshouding en prijst zich gelukkig deze te ontmoeten ‘Tot Piuernages huys’ (42).
-Sonnet aan Ellecom (48-62)
Deze musicus wordt geprezen om zijn fraai orgelspel.
-Gedicht voor De Walcourt (64-83)
Nadat Van der Noot als eerste in Brabant ‘Heerlyke’, ‘Ghemeyn’ en ‘Liricsche veerschen’ (71-73) heeft ingevoerd, experimenteert hij thans met ‘Een nieu manire goedt, van veerschen reyne’ (76).
-Elegie van Gabriël Roelandts (87-118)
Gelukkig de Gouden Eeuw, toen het geld onbekend was en de mensen enkel ruilhandel dreven. Roelandts kan de poëtische onsterfelijkheid, die Van der Noot hem verleent, onmogelijk in specie vergoeden, zodat hij in ruil zijn eigen verzen aanbiedt, ondanks hun onvolkomen vorm.
-Lofdicht van Caspar Barlaeus (121-130)
Van der Noots faam berust op zijn standvastigheid in tegenspoed en op zijn poëtische produktie, die nog meer luister bijzet aan zijn adellijke afkomst.
-In de twee sonnetten voor de gebroeders Boudesson (136-149 en 154-167) looft Van der Noot hun bezit aan kunsten en deugden.

Bronnen

Slechts enkele reminiscenties zijn aangetroffen.

[p. 69]

Verklarende aantekeningen

1 Ian de Maes: zie voorwerk 1580-1581 103
4 veurs.: veurseide
5 goede kunsten: ‘eene aan de oudheid ontleende, niet-Christelijke uitdrukking; lat. bonae artes: den vrijen mensch waardig’ WNT, V, 318 (s.v. Goede kunsten)
Huybrecht Vvalrands: Hubert Waelrant (oTongerlo (?) 1517 †Antwerpen 19 nov. 1595)
Hij zou zijn muzikale vorming te Venetië genoten hebben onder de leiding van Adriaan Willaert. In 1544 is Waelrant tenor solist in het koor van de Antwerpse kathedraal. Sedert omstreeks 1547 verstrekt hij muziekonderricht; een van zijn latere leerlingen is Franciscus Sweertius. In 1554 associeert Waelrant zich met Jan Laet voor de oprichting van een muziekuitgeverij, die vele belangrijke publikaties op de markt gebracht heeft tot 1567, jaar waarin Laet overlijdt. In 1574 betaalt Waelrant zes pond Art. in de lening voor de Spaanse soldaten. Hij draagt zijn bundel Symphonia angelica, Anversa, 1590, op aan Cornelis Pruenen (pruenen 2). Guicciardini roemt hem als een der beste componisten van zijn tijd. Waelrant is op 23 jan. 1551 gehuwd met Marie Corecoopers (Loockenborg). Zij is overleden vóór 1568, want in dat jaar is hij al getrouwd met Anne Ablijn.
Lit.: Aa, XVII, 1116; AA, XXII, 276; Paul Bergmans, ‘La biographie du compositeur Corneille Verdonck (1563-1625). Etude critique’, in Bulletins de l'Académie royale de Belgique. Classe des beaux-arts, 1915-1918, 126; BN, XXVII, 14-24 (Charles van den Borren); J.L. Broeckx, ‘De musici’, in Flandria Nostra, Antwerpen..., 1959, III, 34; BT, nrs. 1592, 1777, 1908, 1967-1970, 4452; G. van Doorslaer, ‘Séverin Cornet, compositeur - maître de chapelle (†1530-1582)’, in De Gulden Passer 3(1925), 175; Guicciardini, 28b; Papebrochius, IV, 295; Anne Rouzet, ‘Adresses d'imprimeurs, libraires et éditeurs belges des XVème et XVIème siècles’, in De Gulden Passer 40 (1962), 177.
Andries Piuernagie: Andries Pevernage (Bevernage, Beveringen) (oHarelbeke 1543 †Antwerpen 30 juli 1591)
Van 11 feb. tot 17 sep. 1563 is hij kapelmeester van Sint-Salvator te Brugge. Op 17 okt. van dat zelfde jaar wordt hij voor dezelfde functie benoemd aan de Onze-Lieve-Vrouwkerk te Kortrijk. In 1568 verschijnen zijn eerste motetten in druk te Venetië. Op 28 juni 1578 verlaat hij Kortrijk na de bezetting van de stad door de geuzen, en trekt hij vermoedelijk naar Antwerpen, waar in 1583 bij Phalesius zijn Harmonia celeste verschijnt. Op 1 okt. 1584 verzoekt hij te Kortrijk zijn ambt te mogen hernemen, wat hem toegestaan wordt. Pevernage blijft er slechts tot 17 juli 1585, waarna hij op 29 okt. 1585 wordt beëdigd als kapelmeester van de Antwerpse kathedraal. In de eerstvolgende jaren heeft de reorganisatie van de zangkapel zijn volledige aandacht opgeëist. Tijdens dezelfde periode zou hij in zijn woning wekelijkse concerten van Italiaanse, Franse en Nederlandse meesters gehouden hebben. Pevernages composities zijn hoofdzakelijk bewaard in drie bundels: Cantiones sacrae, Duaci, 1578, de vier boeken Chansons, Anvers, 1589-1591 en de postuum verschenen Missae, Antverpiae, 1602. In het vierde boek der Chansons is Van der Noots ‘Louange de la ville d'Anvers’ (halmale 305) op muziek gezet. Voor hetzelfde werk van Pevernage heeft Gheesdale een Latijns lofdicht geleverd. Sinds 17 juli 1574 was hij gehuwd met Maria Maecht.
Lit.: Aa, XV, 252-253; BT, nrs. 1210, 1385, 1386, 2078, 2179, 4194; Grafschriften, I, 355; Janus Gruterus, Delitiae poetarvm belgicorvm..., Francofvrti, 1614, I, 798; Plantin, Corr., VIII-IX, 292, 414, 520; J.A. Stellfeld, Andries Pevernage. Zijn leven - zijne werken, Leuven, 1943; Sweertius, 125; Sweertius, Monvmenta, 73.
6 Gregorio Trehou: Grégoire Treschault (Trehou, Trechoven, Treshaut) (oAntoing midden der 16de eeuw †Kopenhagen 14 feb. 1621)
Zoon van Jacob. In 1573 wordt hij kapelmeester van de Sint-Salvator te Brugge, welke functie hij neerlegt in 1577. ‘Grégoire Treshaut, Jacquessone’ wordt poorter te Antwerpen op 8 okt. 1579. Sinds dat jaar is hij werkzaam als schoolmeester; zo geeft hij onderricht in de volksschool der minderbroeders. In 1588 wordt hij kapelmeester van Christiaan IV van De-

[p. 70]

  nemarken. In 1606 verwerft hij een prebende van kanunnik te Roskilde en in 1611 wordt hij gepensioneerd. Zijn rol aan het Deense hof zou belangrijk geweest zijn.
Lit.: BN, XXV, 598-599 (Paul Bergmans); Henry L.V. de Groote, ‘De zestiende-eeuwse Antwerpse schoolmeesters’, in Bijdragen tot de geschiedenis inzonderheid van het oud hertogdom Brabant 50 (1967), 3de reeks, 19de deel, 307.
Cornelis Verdonck: (oTurnhout 1563 †Antwerpen 4 juli 1625)
Op zestienjarige leeftijd treedt hij in dienst van Cornelis Pruenen (1579). Sinds 1584 verschijnen zijn eerste composities. Een eerste belangrijke publikatie in samenwerking met Jan Pieter Sweelinck verschijnt in 1594, de Chansons a cinc parties. Na de dood van Pruenen (1598) treedt Verdonck in dienst van diens neef en erfgenaam, Arnold de Cordes, die op zijn beurt overlijdt in 1601. Daarop vindt de componist een nieuw onderkomen bij een ander lid van dezelfde familie, Jan de Cordes. In 1599 verschijnen de Poesies francoises de diverses avthevrs, mises en mvsique par Corneille Verdonq. Hierin is het gedicht opgenomen van Gheesdale (36) dat door Van der Noot vertaald wordt. In 1603 drukt Phalesius Di Cornelio Verdonch Madrigali a sei voci. Daarna ontmoet men nog slechts sporadisch bijdragen van zijn hand in verzamelbundels.
Lit.: Paul Bergmans, ‘La biographie du compositeur Corneille Verdonck (1563-1625). Etude critique’, in Bulletins de l'Académie royale de Belgique. Classe des beaux-arts, 1915-1918, 125-150; BT, nrs. 2078, 2179, 4194, 4452, 4575; Van Doorslaer, a. art., 175.
7 de boeken der Liefden: volgens de Apod, §68 en §71 (OE, [27]-[28]), die ook het openingssonnet van deze verzameling brengt, zijn deze ‘drey oder vier’ bundels integraal gewijd aan de verheerlijking van Olympia. Als afzonderlijk gedrukte publikatie zijn deze verzamelingen niet tot ons gekomen.
8 animerende: bezielende; deze betekenis stamt rechtstreeks van het lat. animare, en komt niet voor in WNT, Suppl. I, 1166-1168 (s.v. Animeeren)
10 met: hoort bij trouvvende (9)
15 De enige reden waarom de volgorde van deze namen verwisseld is in Bu (a)-(c), ligt in een mogelijke appreciatie door het publiek. Dank zij het beurtelings op de voorgrond plaatsen van een ander componist kan elke lezer die staat uitkiezen, die overeenstemt met zijn persoonlijke muzikale voorkeur.
16 Belgica: aanspreekvorm
21 syns moeders: van Venus
flambeau: fakkel, toorts WNT, III, 4506 (s.v. Flambouw)
vvonden: kwetsen, treffen ‘Van de liefde’ MNW, IX, 2772 en 2773 (s.v. Wonden); onderwerp: schichten (20)
houden: vasthouden WNT, VI, 1139 (s.v. Houden); onderwerp: banden (20)
branden: ‘In figuurlijke toepassing op den minnegloed’ WNT, III, 1082 (s.v. Branden); onderwerp: flambeau (21)
22 medt onlede: bedrijvig WNT, X, 1715 (s.v. Met onlede)
29 die: antecedent: Italia (27)
Tuscan: Petrarca, geboren te Arezzo in Toscane
26-29 kan beïnvloed zijn door Ronsard, Elegie, 9-12 (STFM, X, 202)
30 Ian van Ghées-dale: Jan van Gheesdale (Joannes Gheesdalius) (oBerchem bij Oudenaarde †Antwerpen einde 16de eeuw)
Op 28 feb. 1544 wordt hij ingeschreven als student te Leuven; hij behoort er tot de ‘Divites Porcences’. Gheesdale wordt priester en is na 3 okt. 1578 ondermeester van Anthonis van Gelre te Antwerpen. In 1579-1580 wordt hem door het hervormingsgezinde bewind de toegang tot de school ontzegd, omdat hij ‘ter quader fame’ bekend staat. Na 1585 is hij werkzaam als schoolmeester aan de kapittelschool van de Antwerpse kathedraal. In 1589-1591 fungeert hij ook als proeflezer voor Plantin. Van Gheesdale heeft bekendheid verworven als musicus en dichter. Zo levert hij enkele epitafen, o.a. een voor Plantin, en een ‘Elegia in tem-

[p. 71]

  poris calamitatem’ die door Gruterus opgenomen wordt in zijn verzameling Delitiae. In de periode 1580-1591 publiceert hij enige Latijnse stichtelijke werkjes, evenals Bediet van 't Agnus Dei, een vertaling van een Latijns werk van Franciscus Costerus. Men vindt Latijnse lofdichten van zijn hand in Melodia olympica..., Anversa, 1591 en in de vierde bundel van Andries Pevernage, Chansons, Anvers, 1591. Zijn epitaaf werd bezorgd door Maximiliaan de Vriendt.
Lit.: Bergmans, a. art., 136 en noot 1 aldaar; BN, VII, 708-709 (Aug. Vander Meersch); BT, nrs. 2078, 4353; Diercxsens, V, 266; Aloïs Gerlo en Emile Lauf, Bibliographie de l'humanisme belge, Bruxelles, (1965), 163; Henry L.V. de Groote, ‘De zestiende-eeuwse Antwerpse schoolmeesters’, in Bijdragen tot de geschiedenis inzonderheid van het oud hertogdom Brabant 50 (1967), 3de reeks, 19de deel, 257; Janus Gruterus, Delitiae poetarvm belgicorvm..., Francofvrti, 1614, II, 446; Plantin, Corr., VI, 152; VIII-IX, 225; Schillings, 275; Stellfeld, a.w., 34, 142; Sweertius, 429; Id., Epitaphia, 89; Id., Monvmenta, 65, 99-100; Leon Voet, The golden compasses, Amsterdam, (1969-1972), II, 177; Jo. Conr. Zeltner, Theatrvm virorvm ervditorvm qvi speciatim typographiis lavdabilem operam praestitervnt, Norimbergae, 1720, 241-243.
33 uvver: genitief bij ghedincken
34 Stemmen eens: contaminatie van ‘instemmen’ en ‘eenstemmig’
dat Verdonc heeft doen clinken: de compositie van Verdonck op deze tekst is enkel bewaard in Poesies francoises de diverses avthevrs, mises en mvsiqve par Corneille Verdonq..., Anvers, 1599, nr. 7.
36-39 Deze tekst is door Van der Noot vertaald, want Gheesdales bijdrage is in het Frans gesteld. De oorspronkelijke versie, zoals afgedrukt bij Bergmans, a. art., 136, luidt als volgt: ‘Si je veux être un Théologien Ce me sera grand honneur et profit. Mais j'aime mieux être Musicien, Car c'est un art dont bien souvent on rit. Je pense ici à ce que l'on en dit: Si quelqu'un erre en la Théologie, On punira par le feu l'hérésie. J'aime bien mieux donc la Musique encoire, Car si quelqu'un faut, chantant sa partie, Chacun dira: Ça, qu'on lui donne à boire’. In Verdoncks bundel is dit stukje niet gesigneerd, zodat Bergmans enkel uit deze verzen van Jan van der Noot, zoals zij geparafraseerd worden bij Vermeylen, 99 (773), het auteurschap van Gheesdale kon afleiden.
38 fier: vurig, trots; verstokt (?) WNT, III, 4442 (s.v. Fier)
schenckt en wildt (39): imperatieven; directe rede.
42 Tot Piuernages huys: Willems, ‘De bibliographie der Poëticsche Werken van J. van der Noot’, in VMKVA 1921, 45-46 baseert zich op dit vers om dit vel te dateren na 1585, en wel op grond van de volgende redenering: Van der Noot zinspeelt hier op de wekelijkse concerten, ingericht door Pevernage na zijn benoeming tot kapelmeester van de Antwerpse kathedraal. Aangezien deze aanstelling pas in het najaar van 1585 geschied is, moet dit sonnet van nog latere datum zijn.
Daartegenover staat, zoals reeds boven vermeld is (5), dat Pevernage in de periode 1578-1584 hoogstwaarschijnlijk te Antwerpen verbleven heeft. De gegevens van de Analytische bibliografie verplichten ons dit vroegere verblijf te Antwerpen als zeker te beschouwen, gezien de plaats van dit vel in de relatieve chronologie: dit laatste gegeven wijst inderdaad in de richting van de periode 1583-1584.
daer d'eel gheesten vergheeren: alle moderne biografen van Pevernage vermelden de wekelijkse concerten te zijnen huize, waarbij het werk van Italiaanse, Franse en Nederlandse componisten uitgevoerd werd. Enkel Stellfeld, a.w., 24 en noot 4 aldaar noteert hierbij dat deze voorstelling teruggaat op Fétis, Biographie des Musiciens, VII, 17, die zelf geen bron aangeeft. De enige oude tekst, die Stellfeld tot staving van deze samenkomsten kan aanvoeren, is dan ook dit vers van Jan van der Noot.
46 Gillis van Ellecom: zijn werkzaamheid als organist (59) wordt ook elders gememoreerd; zie Brulez, 231.

[p. 72]

50 Nà den mael: Aangezien WNT, IX, 1457 en X, 187 (s.v. Nademaal)
51 singhen: hangt af van laten (49)
53 ley-loof: klimop. In WNT, VIII, 1484 (s.v. Leiloof) enkel geciteerd als afl. van het ww. ‘leiden’, dus als een klimplant. Van der Noot gebruikt leyloof altijd als vertaling van Fr. ‘lierre’, zie b.v. OE, [136], 45 en [139], 6.
55 uyt den troone: uit de hemel WNT, XVII, 3238 (s.v. Uit de troon)
57 Veur: Bij MNW, IX, 427 en 928 (s.v. Veur...Vore) hier dus: bij het aanbreken van de dag.
om verre: verre weg WNT, X, 693 (s.v. Omver...Omverre)
61 Ghelykt v oock en doedt: Zoals uw land u, Van der Noot, eveneens minacht; en is negatie.
63 Steven Van VValcovrt: zie voorwerk 1580-1581 87
64 F. de Schutter, Het vers van Jonker Jan van der Noot. Een ritmologische studie, Gent, 1967, 57-58 wijst er op dat de nieu manire goedt, van veerschen reyne (76) bestaat uit het aanbrengen van de cesuur na de zesde syllabe in een decasyllabisch vers.
65 Dochters: de muzen
67 naem: lijdend voorwerp van Singhende (66), dat in dit geval dan wel ‘bezingend’ betekent.
68 onbedvvonghen: zonder dwang WNT, X, 946 (s.v. Onbedwongen)
70 Als: voegwoord van hoedanigheid, bijstelling bij het subject WNT, II, 253 (s.v. Als)
aerdighlyk: op kunstige, bekwame wijze WNT, Suppl. I, 264 en 265 (s.v. Aardig...Aardiglijk)
ierst: voor ieder ander WNT, III, 3920 (s.v. Eerst...Ierst)
71 Heerlyke veerschen: alexandrijnen; zie apologie 28
72 Ghemeyn veerschen: decasyllaben; zie apologie 28
73 Liricsche veerschen: octosyllaben evenals verzen van kortere lengte; zie apologie 28
77 in d'erdsche pleyne: op aarde WNT, XII, 2514 (s.v. In 't aardsche plein)
81 gheluck coem biden: kom gelukwensen WNT, II, 2536 (s.v. Geluk bieden)
84 Gabriel Roelandts: zie roelandts 2. Deze elegie is het enige Nederlandse gedicht dat ons van deze Latijnse dichter bekend is.
87 VOirmaels: Vroeger MNW, IX, 1020 (s.v. Voremaels)
gheleden: voorbijgegaan WNT, VIII, 2223 (s.v. Lijden)
88 goudt: de Gouden Eeuw is in de Romeinse mythologie het oudste en gelukkigste tijdperk onder de heerschappij van de god Saturnus (Saturnia Regna). Het is een periode van geluk, welvaart en voorspoed: de aarde brengt van zelf gewassen voort, de mensen leven zonder arbeid en zonder kwaad te doen, de wilde dieren laten de tamme met rust.
89 als: alles; gewone samentrekking in de 16de eeuw WNT, II, 198 en 238 (s.v. Als)
92 eerlijke: eerbare WNT, III, 3912 (s.v. Eerlijk)
vvelluste: vreugde MNW, IX, 2126 (s.v. Wellust)
94 Ouer Laethes rivier: uit de onderwereld op de aarde; de Lethe is immers een der stromen in de onderwereld.
96 handelen: koopmanschap drijven WNT, V, 1913 (s.v. Handelen)
97 vvissel: ruil MNW, IX, 2703 en 2704 (s.v. Wissel)
goet: koopwaar WNT, V, 331 (s.v. Goed)
98 saen: zaden MNW, VII, 45 (s.v. Saet)
104 int boeck: nl. in roelandts 2
107 vvant: omdat MNW, IX, 1709 (s.v. Want)
108 verlijcken: vergelijken MNW, VIII, 2054 (s.v. Verliken)
110 Niet tijttelycx: Niets tijdelijks; lijdend voorwerp van verheest
verheest:
eist, vordert MNW, VIII, 1702 (s.v. Vereischen...Verheessen); onderwerp hiervan is 109 vanaf tgen'
111 mangelinghe: ruiling WNT, IX, 198 (s.v. Mangeling)
114 hantschrift: eigenhandig schrijfsel WNT, V, 2003 (s.v. Handschrift)

[p. 73]

115 vvaer': handelswaar MNW, IX, 1748 (s.v. Ware); het gebruik van dit woord sluit aan bij de woordenschat in 95 e.v.
117 vvachten: afwachten MNW, IX, 1500 (s.v. Wachten)
118 Dat: ter inleiding van een bijw. bijzin van tijd WNT, III, 2308 (s.v. Dat)
121 e.v. Dit Latijns lofdicht maakt dankbaar gebruik van de gelijkluidendheid tussen de familienaam van onze dichter en het Latijnse adjectief notus (bekend)
fama super aethera notus: komt rechtstreeks uit Vergilius, Aeneis, I, 379
123-124 Deze verzen hebben wel als bron gefungeerd voor de sententie, die wij sinds titelvel 1588 in de PW terugvinden: ‘Magnanimos fortesque beat sine crimine virtus’.
132 Casp. Barlaeus: Caspar Barlaeus (Kaspar van Baerle) (†jan. 1595)
Tot 1585 is Kasper, zoon van Lambrecht, stadsgriffier te Antwerpen. Op 22 mrt. 1583 krijgt hij wijn van stadswege ‘tot vereringe van synder bruyloftfeeste’. De stad betaalt hem op 11 jan. 1584 de huishuur voor een half jaar. Op 26 apr. van hetzelfde jaar ontvangt hij het bevel de functie van kapitein in het vendel van kolonel Gillis Hofmans jr. op zich te nemen. Van Baerle moet toezicht houden op de ‘fortificatie van het Veer’ vanaf 16 juli 1584. Na de overgave van Antwerpen trekt hij naar het Noorden en wordt rector der Latijnse school te Zaltbommel. Kasper is de broer van de Latijnse dichter Melchior, die een lofdicht voor Het Theatre (Smit-Vermeer, 185-186) geschreven heeft, en vader van de Amsterdamse hoogleraar Caspar Barlaeus (oAntwerpen 12 feb. 1584).
Lit.: Aa, II, 28; AA, V, 197, 265, 332; IX, 423 noot 6; XXVI, 216; BN, I, 622 (Félix Stappaerts); Casper van Baerle, Poezy, bijeenverzameld en met eene levensbeschrijving diens dichters vermeerderd, door P.S. Schull, s.l., 1835, 3 e.v.
133 Iaqves Boudesson
Hij behoort tot de katholieken, die Antwerpen tijdens het beleg verlaten hebben, en deswege ingedaagd worden (26 sep. 1584).
Lit.: AA, IV, 185; Diercxsens, III, 667.
Sebrecht Boudesson: (Sybrecht)
In de periode 1582-1583 drijft hij handel op Londen. Op 13 aug. 1584 staat zijn naam vermeld in de lijst der personen die hun aandeel in de quotisatie niet betaald hebben. Betekent dit dat hij de stad verlaten heeft zoals zijn broer Jacob? Ook op 20 mei 1585 wordt van hem 100 gulden geëist als aandeel in een verplichte lening.
Lit.: AA, V, 355; VI, 122; Brulez, 539.
134 Alexandre Boudesson
Hij is later (?) correspondent te Venetië van Vincent della Barra uit Londen.
Lit.: Brulez, 553.
136 à grande cure: avec grand soin Huguet, II, 684 (s.v. Cure)
138 Phespinene: lees Thespinene; in de stad Thespiai werden de muzen bijzonder vereerd; zie Pauly-Wissowa, 31. Halbband, 696-698 (Herm. Kees).
139 Aoniens: van de Aganippe, een bron op de Helicon; zie Der kleine Pauly, I, 417.
141 Ciprienne: Venus, genoemd naar Cyprus, waar een belangrijk centrum van haar cultus gevestigd was.
142 Idalienne: Venus, genaamd naar de berg Ida bij Troje, waar het oordeel van Paris plaats vond.
143 gentille: noble (moralement) Huguet, IV, 301 (Gentil)
154 Esmeraulden: smaragden WNT, III, 4236 (s.v. Esmeraud)
155 claer-schynender: helderder WNT, VII, 3254 (s.v. Klaarschijnend); hier is de uitgang van de comparatief aan het verkeerde lid van de samenstelling gehecht.
159 sy: nl. de deughden (158) en D'edel kunsten (159)
164 als de vrye: op een voortreffelijke wijze MNW, IX, 1312 (s.v. Vri) en F.A. Stoett, Middelnederlandsche Spraakkunst. Syntaxis, 's-Gravenhage, 1923, 76, §116.
165 verreenen: het vrij van zonde en ongerechtigheid zijn. De betekenis van het ww. ‘reinen’

[p. 74]

(WNT, XII, 3de stuk, 1658-1659) voldoet niet. Wij moeten deze vorm verreenen dan ook beschouwen als een denominativum, afgeleid van ‘Rein’ (WNT, XII, 3de stuk, 1631), met het prefix ‘Ver’- met de betekenis: de eigenschap aannemen die het grondwoord noemt (WNT, XIX, 16).