terug  begin  verderprepost
[p. 1]

[J.F. Oltmans
De Schaapherder
Eerste deel]



illustratie

[I. De Vergulde Helm]

 
Ja, de englen zien het aan, van wellust opgetogen,
 
Het knoopen van den band, zoo heilig in hunne oogen
 
Als 't nederknielend paar zijn leven en zijn lot,
 
Zijn zielen zamensmelt voor 't vaderoog van God.
 
H. Tollens Cz.



illustratie

DE heillooze twist der Hoekschen en Kabeljauwschen, die zoovele jaren duurde, was vooral zoo verschrikkelijk geweest, doordien nu de eene, dan weder de andere partij bovendreef, en zich, ofschoon dan ook voor korten tijd, in de regeeringen der steden wist te handhaven. De afstand en dood van de ongelukkige Jacoba had wel aan de Kabeljauwschen de overhand doen verkrijgen; doch meer dan een halve eeuw, nadat zij, die de Hoekschen als hun eenige wettige Landsvrouw beschouwden, haar rampvol leven geëindigd had, gelukte het eerst aan hunne vijanden hen ten onder te brengen en het land te doen ruimen. Tot dien tijd hadden zij zich met afwisselend geluk, dan hier, dan daar, zonder hoop om immer de overhand te herkrijgen, met een moed en een zelfverloochening een beteren uitslag waardig, verzet tegen het geweld van het Bourgondische en het Oostenrijksche Huis. Het is dus niet te verwonderen, dat Filips van Bourgondië zich in 1455 tegen de bevestiging van Gijsbert van Brederode als Bisschop van Utrecht verklaarde, daar het Huis van Brederode als Hoekschgezind bekend was, en hij met reden vreesde, dat deze bisschop, onder wiens bescherming zich de verdreven en misnoegde Hoekschen zouden vereenigen, voor het rustig bezit van Holland gevaarlijk zou kunnen worden. Hij bracht dan ook door dreigen, beloften, geld en geweld zooveel teweeg, dat de nieuwe bisschop genoodzaakt werd het bisdom af te staan, en het gelukte Filips, zijn natuurlijken zoon, David van Bourgondië, die bisschop van Teroanne was, op den bisschoppelijken zetel van het Sticht te plaatsen.

Gedurende het leven van zijn vader was David, door diens macht gerugsteund, in staat geweest om de aanhangers van zijn door hem verdreven voorganger in toom te houden, en toen zijn broeder, Karel de Stoute, het hertogdom geërfd had, was de bekende gestrengheid van dien vorst de oorzaak, dat hij willekeuriger over het Sticht regeerde, dan immer een zijner voorgangers gewaagd had te doen. Doch toen Karel in 1477 voor Nancy verslagen werd, staken zij, die over des bisschops strenge regeering onvergenoegd waren,

[p. 2]

de hoofden bij elkander; de oude vrienden van den, ofschoon toen reeds overleden Gijsbert van Brederode grepen deze gelegenheid aan om zich tegen den bisschop te verzetten, wien niet alleen de macht ontbrak om hen te verdrijven, maar die, niet bestand tegen het aantal zijner tegenstanders, zelfs genoodzaakt werd Utrecht te verlaten.

De misnoegden hadden den burggraaf van Montfoort tot hun opperhoofd gekozen, die tegen soldij een zeker aantal voet- en paardenvolk had geworven, waarmede hij alles in Utrecht naar zijn wil en den zin zijner vrienden beschikte. De bisschop hield meestal zijn verblijf te Wijk bij Duurstede, en had ook een niet onaanzienlijk aantal krijgslieden aangenomen, waarmede hij de plaatsen, die zijne zijde hielden, beschermde tegen de aanslagen, welke die van Utrecht nu en dan ondernamen. Maximiliaan van Oostenrijk, intusschen met Maria, de eenige erfgename van den gesneuvelden Hertog in het huwelijk getreden zijnde, trachtte al dadelijk den Hoekschen het gezag te ontnemen, dat zij wederom sinds eenigen tijd in sommige steden hadden weten te vermeesteren. De Utrechtschen, zeer goed gevoelende, dat na hun val des Hertogs eerste werk zou zijn, bisschop David in het onbeperkte beheer van zijn bisdom te herstellen, besloten met de Hoekschen in Holland gemeene zaak te maken, en hielpen hen in 1481 de stad Leiden bemachtigen; doch Maximiliaan, zijn krijgsvolk verzameld hebbende, noodzaakte weldra deze en meer andere steden zich te onderwerpen, de voornaamsten der Hoekschen het land te verlaten, en de minder aanzienlijken zich stil en rustig te houden.

De meeste uitgewekenen namen de wijk naar Utrecht, waar men hen met open armen ontving, en de Hertog, verstoord over deze handelwijze, besloot, het kostte wat het wilde, aan zijne vijanden ook deze schuilplaats te ontzeggen, of zelf hen met geweld van wapenen uit het nest te verdrijven, alwaar zij op hun gemak de aanslagen van zijn gezag konden uitbroeien.



illustratie

In het begin der maand Maart van hetzelfde jaar, omstreeks den middag, naderde een ruiter de stad Amersfoort langs den Hoogeweg. Het paard, waarop hij gezeten was, scheen het stappen niet te bevallen, en nu en dan was hij genoodzaakt de drift van het schoone en moedige dier te beteugelen; ook had de regen, die de twee vorige dagen gevallen was, het zand zoo vast gemaakt, dat de weg, bij anders te vergelijken, bijzonder toed te berijden was. De ruiter was lang, breed geschouderd, en de welgevormdheid en sterkte van zijn lichaamsbouw verrieden, dat hij in staat was de sterkste vermoeienissen door te staan, hetgeen in die tijden vooral nog een hoofdvereischte voor een krijgsman was. Dat hij niet tot den burgerstand behoorde, duidde al dadelijk het zwaard met het lange, ijzeren gevest aan, dat aan een fraai gewerkte stalen keten over zijne schouders aan zijne zijde hing, zoomede de lange, breede dolk, die aan de rechterheup was vastgemaakt. Zijn gelaat was niet hetgeen men schoon kan noemen, maar eenigszins bruin door de ongemakken van het weder, waaraan hij van jongsaf, bij nacht en dag, was blootgesteld geweest; de mannelijke ernst, die daarop te lezen was, gevoegd bij den bruinen knevel, was geschikt om ieder vertrouwen en tevens ontzag in te boezemen. Hij scheen tusschen dertig en veertig jaar oud te zijn; zijn bruin haar hing glad af, tot onder de ooren, en was op gelijke lengte afgesneden. Hij droeg geen helm, maar slechts een groven vilten hoed of een muts van een vreemd fatsoen, waarvan de eene rand met een versiersel van zilver was opgenomen; aan den zadelknop hing echter een klein kapje van ijzer, dat van binnen van een kussentje voorzien was, en veel overeenkomst had met een bekkeneel, hetwelk in tijd van nood door den ruiter onder den hoed kon gedragen worden. Voor het overige droeg hij een nauwsluitende kleeding van blauw laken, die armen en beenen bedekte, hooge

[p. 3]

laarzen met lange punten, handschoenen en een kolder van bruin leder, waaruit zijn rok te voorschijn kwam, die met sierlijke plooien afhing.

Op het oogenblik dat de ruiter naar het slaan der klokken luisterde, en zijn oog op den Lieve-Vrouwentoren gevestigd hield, welke zich recht over den weg vertoonde, sprong zijn paard, door een vreemd geluid, dat zich ter rechterzijde deed hooren, verschrikt naar de linkerzijde van den weg, en stak, onrustig met den kop schuddende, zijne ooren steil in de hoogte.

‘Moor! Moor! schaam u, Moor!’ riep de ruiter met een stem, welke zijn ongenoegen verried, en om een steenen kruis heen stappende, dat hier aan den weg geplaatst was, begaf zich het paard weer vanzelf naar het midden van den weg, zonder dat zijn meester het met teugel of spoor tot zijn plicht had behoeven te brengen. Het scheen nu zelfs beschaamd en ontevreden over zijn gedrag, en stak den kop naar de zijde vanwaar het gerucht kwam; ook had de ruiter reeds eerder zijn oog derwaarts gericht, en gezien, dat het de Melaten waren, welke, juist uit het Lazarushuis getreden, hunne klappen naar hem uitstrekten.

‘Vooruit, Moor!’ zeide de ruiter tot zijn paard, terwijl hij het met den teugel naar het huis richtte, en Moor, gehoorzaam aan den wil van zijn meester, stapte zonder vrees en, door de neusgaten snuivende, op de lieden aan, die in hunne bruine

illustratie

kleederen en met witte banden om de mutsen, vóór de poort van het Lazarushuis stonden, en nog voortgingen door het slaan hunner klappen om een aalmoes te verzoeken.

‘Houdt op met dat vervloekt geweld, vuil gespuis!’ riep de ruiter, toen hij, op eenige schreden van hen af, stilhield.

‘Vergeet om Gods wil en den Heiligen Lazarus de arme Lazarussen niet,’ riepen zij gezamenlijk op een eentonige en akelige wijze. Zij hielden nu hunne klappen stil, en vertoonden hun afzichtelijk gelaat en hunne afschuwelijke handen.

‘Indien gij uw huis verlaten hebt om mij hier op uwe akelige muziek te vergasten, dan moet ik u zeggen dat één uwer genoeg ware geweest; of denkt gij elk een aalmoes te krijgen? en als het eene Lazarus-aardigheid is om mijn paard te verschrikken, dan zal ik u laten zien, dat het zonder schroom de inwoners van al de Lazarijen van het Sticht overhoop zou rijden,’ zeide de ruiter eenigszins verstoord.

‘Vergeet om Gods wil en den Heiligen Lazarus de arme Lazarussen niet!’ riepen zij evenals te voren, zonder dat zij door woorden of gebaren blijken gaven hem verstaan te hebben.

‘Wees niet verstoord op deze arme lieden, Heer,’ zeide nu iemand, die zich aan een der vensters van het gebouw vertoonde: ‘ik ben de huismeester; zij hebben onlangs last gekregen, om zich bij den weg niet met de voorbijgangers in gesprek in te laten; dit is de reden, dat zij u niet antwoorden; ook is hun bevolen, als zij hun huis verlaten om in de stad inzamelingen te doen, door een herhaald slaan hunner klappen degenen te waarschuwen, die hen willen ontwijken; buiten hunne schuld is dus uw paard door dit geraas verschrikt, Heer! en ik vertrouw dat gij hun een kleine aalmoes niet weigeren zult.’

‘Toch niet, mijn vriend!’ zeide de ruiter, terwijl hij zijne hand in een beurs of zakje stak, dat, ofschoon iets hooger, bij zijn dolk aan zijn rechterzijde hing; ‘maar ik dacht in het eerst, dat deze menschen eens hadden willen onderzoeken, of ik een goed ruiter was of niet; ik zou dit een goed bereden kerel niet kwalijk nemen, maar wel een hoop lieden, die van aalmoezen moeten leven.’

Dit zeggende, legde hij een stukje zilvergeld op den klap van een hunner, die eenige schreden genaderd was.

‘Goedendag, vriend!’ zeide de ruiter, den weg stadwaarts inslaande. ‘God zegene u, Heer!’ antwoordde de huismeester, zich buigende. ‘Wees gedankt, in naam van God en

[p. 4]

den Heiligen Lazarus, door de arme Lazarussen,’ riepen de Melaten, terwijl zij zich mede naar de stad begaven. De ruiter, die zich zoo spoedig mogelijk van hen wenschte te ontslaan, gaf zijn paard den vrijen teugel, en spoedig hoorde hij het eentonig slaan hunner klappen niet meer.

Vóór de Kamppoort hield de ruiter stil. Zonder eenige nieuwsgierigheid te verraden, had hij de omstreken van den weg, dien hij door het dorre geboomte zeer goed overzien kon en de weinige en armoedige woningen, die zich in de nabijheid der stad bevonden, gadegeslagen. Deze laatsten, die voor elken vijandelijken aanval bloot lagen, waren alleen de verblijfplaatsen van eenige geringe lieden of dienden tot stalling van het vee, dat des avonds voor de marktdagen stadwaarts gedreven werd, dewijl de stad zelve overvloedige ruimte aanbood voor hen, die lust gevoelden of genoodzaakt waren deze oorden te bezoeken.

Met meer opmerkzaamheid beschouwde hij de stad zelve, de dubbele gracht, welke den meer dan twintig voet hoogen muur omringde, en de op behoorlijken afstand geplaatste torens en wachthuisjes. Toen hij over de brug reed, scheen hij met het oog eens kenners de wijdte der grachten op te nemen, zoomede de valbrug, die aan de poort bevestigd was, en door middel van ijzeren kettingen en raderen er binnen kon worden opgehaald.



illustratie

Donker was het gezicht in de openingen, of machicoulis, door welke in tijd van gevaar allerlei brandbare stoffen en verdedigingswerktuigen op den aanvallenden vijand konden geworpen worden. Toen de ruiter de poort binnenreed, welker deuren onlangs schenen vernieuwd te zijn, was zijn blik ernstiger dan voorheen; mogelijk was hij niet voldaan over den uitslag zijner waarnemingen. Spoedig echter nam zijn gelaat een vroolijker plooi aan; hij groette vriendelijk in het voorbijrijden den burger, die in de poort de wacht had, en ofschoon deze hem verwonderd aangaapte en met bevreemding zijne gedragingen had gadegeslagen, zoo nam hij echter zijn muts af, en liet den ruiter ongemoeid binnen de stad. De Kamppoort, ofschoon op dezelfde plaats gelegen, waar zij nog is, maar misschien niet lang meer wezen zal, had toen een geheel andere gedaante. Het was een vierkant gebouw, aan de zijde der brug door twee ronde torens versterkt, dat na verloop van jaren, door het bouwen van ééne poort meer stadwaarts en ééne meer buitenwaarts, zeer veel veranderd is, en het middengedeelte der tegenwoordige poort uitmaakt. Deze poort zal weldra door eene nieuwerwetsche barrière met een wachtof kantoorhuisje vervangen worden, over welker sterkte de ruiter zich zeker met zou verwonderen, indien het mogelijk ware, dat hij in dezen tijd nog eens de stad kwam binnenrijden, evenmin als over de hoogte en sterkte der muren met hunne torens en schietgaten, thans veranderd in een vermakelijke Engelsche wandeling, welker aanleg menigen ouden, aan zijne steenen gehechten Amersfoorter een zucht gekost heeft. Deze wandeling wordt echter met veel genoegen bezocht door hem, die, bij toeval genoodzaakt in deze stad te blijven, dáár alleen zich voor zelfverveling kan vrijwaren, en zijn laarzen bewaren kan voor een volslagen vernieling op de puntige keisteenen, waarmee de Amersfoorters zich beijverd hebben hunne stad te bestraten.

Zoodra de ruiter in de stad was, nam hij zijn weg rechtsaf en sloeg den Achterkamp in, die toen, zooals de geheele buitenstad, nog onbestraat was; de huizen en schuren waren ook alle met riet of stroo gedekt, en de menigvuldige hooibergen, die er waren, gaven aan dit gedeelte der stad het aanzien van een dorp.

‘Heidaar!’ riep de ruiter, die een der schuren was binnengereden; doch het kwam hem voor, alsof er niemand bij de hand was om zijn verlangen te vernemen. ‘Heidaar, Hein! heidaar!’ riep hij nog eens, terwijl hij in de schuur rondzag, in welker achtereinde twee paarden bezig waren het hooi met volle bekken uit de welvoorziene ruif te trekken. Nu nog geen antwoord bekomende, steeg de ruiter af, en maakte zich gereed om zelf zijn paard te verzorgen, toen hij op eens in een schaterend gelach uitborst.

[p. 5]

De reden hiervan was de afdaling langs een hooge, ranke ladder van een klein mannetje, dat goedvond, ten einde meer waardigheid aan zijne houding bij te zetten, met den rug naar de ladder gekeerd neder te klimmen. Doordien echter de lengte zijner beenen weinig verschilde met den afstand tusschen elke twee sporten, welke vrij groot was, zoo kostte elke stap hem een onbeschrijfelijke moeite, en bracht hem elk oogenblik in gevaar, om bij den minsten misstap of door het uitglijden zijner handen, waarmede hij zich aan de ladder geklemd had, naar beneden te storten. Het spottend gelach van den ruiter deed hem op eens besluiten zich naar beneden te laten glijden; doch de uitgestrektheid van zijn rug belette de gelukkige uitvoering van dit voornemen, en ofschoon hij de gewaarwording van smart trachtte te verbergen, die de aanraking van zijn ruggegraat met de ongelijke sporten hem veroorzaakt had, zoo maakte de ruiter een einde aan zijn vroolijkheid, en zeide vriendelijk:

‘Zachtjes aan, Heintje! Moor heeft den tijd.’ Weldra gelukte het dezen zijne voeten weder op de ladder te plaatsen, en zijn rug en handen van het gewicht van zijn lichaam te verlossen; en toen zijn oude wijze van afklimmen hervattende, stond hij eenige oogenblikken daarna vóór den ruiter, die hem met opmerkzaamheid beschouwde.

Zijne voeten en beenen waren onbedekt; voor het overige droeg hij een morsig lederen kleed, waarvan de rechtermouw niet verder dan den elleboog, de linker echter tot bijna aan de hand reikte. Dit verschil in lengte scheen niet willekeurig, maar door het toeval zoo geregeld te zijn, en de franje, die zich aan het einde van de mouwen en de pijpen der broek gevormd had, dreigde mettertijd het kleed, evenals de molen zonder wieken, van pijpen en mouwen te zullen berooven. Over dit feestgewaad, dat tevens diende voor hemd, droeg hij een oud versleten jak of wambuis van slecht fluweel, dat, beter van luchtgaten dan van knoopen voorzien, bijna tot op den grond afhing, en hem evengoed diende als kaftan, schanslooper of huisjapon. Daar de mouwen veel te lang voor hem waren, had hij uitgevonden, om zijne armen te steken door twee insnijdingen, die in de voorpanden waren; zijn rug had dus vrij veld om zich te bewegen, en een gemakkelijke schuilplaats onder de wijde plooien van het kleed. Hij nam met veel deftigheid zijn muts af, die van geel laken was, en waarop eenige haneveeren prijkten, en zeide, terwijl hij zich diep boog; ‘Vergeef mij, Heer! dat de zorg, om u naar behooren te ontvangen, mij verhinderd heeft met den vereischten spoed tot u te komen.’

‘Waart gij dan van mijne komst onderricht?’ vroeg de ruiter verwonderd.

‘Neen, Heer!’ antwoordde de knaap, terwijl hij het paard bij den teugel naar de ruif bracht; ‘maar uit het dakvenster zag ik u de straat inrijden. Waart gij geharnast en vergezeld geweest van uwe rijzige ruiters, ik zou gedacht hebben, dat de stad door u was gewonnen, en daar gij alleen en vrij kwaamt aangereden kon ik niet denken, dat gij gevangen waart; ik dacht dus, evenals nu, dat gij de zijde van den eerwaardigen bisschop verlaten hadt.’

‘Die gevolgtrekkingen zijn nogal zoo dom niet, Heintje!’ zeide de ruiter lachende, terwijl hij zijn kolder en lakensch wambuis, dat omtrent tot aan de knie reikte, wat naar beneden trok, ‘maar zeg mij nu nog eens, eer ik ga, of er ook wat nieuws in de stad is, en waarom gij u zoo hebt opgeschikt, alsof gij den omvang van het beeld onzer Lieve Vrouw moest bijwonen.’

‘Wat het nieuws betreft, Heer!’ hernam Heintje, die het paard den zadel had afgelicht, den halster aangedaan en het aan de ruif geplaatst had, ‘dat is er niet veel; alleen heb ik gehoord, dat er dezen morgen een ruiterhoofdman in de stad is gekomen; maar wie het is, weet ik niet; de reden echter,’ vervolgde hij deftig, terwijl hij den ruiter met afgemeten tred naderde, ‘die mij dit gewaad doet dragen, waarbij ik ook nog wel een mantel had kunnen voegen, indien mijne vrees, om u te lang te laten wachten, er mij niet van had doen afzien, kan ik u gemakkelijker bekend maken: ik ben namelijk vanzins het ellendig leven van een staljongen te verlaten, en in den oorlog mijn geluk te zoeken.’

‘Gij in den oorlog gaan, Heintje?’ vroeg de ruiter meesmuilende.

‘Ja, Heer! ik,’ antwoordde de knaap, zonder zich aan het spottend gelaat van zijn ondervrager te storen, ‘ik ben oud genoeg om te weten, wat voor mij geschikt is; ik ben eenigen tijd bij een troep kamerspelers geweest, hetgeen mij in staat stelt om mijn kleed te dragen en mijn woord te doen, gelijk het den knaap van een edelman betaamt. Ik heb den dienst aan dezen stal verzocht en mij alles getroost met paarden te leeren omgaan; ik verzoek u dus Heer! u mijner aan te trekken en mij als knaap aan te nemen.’

[p. 6]

‘Indien de gedachte, dat ik den dienst van mijn genadigen heer van Utrecht verlaten heb, tot dit verzoek aanleiding geeft, dan hebt gij geheel misgerekend, jongen! ik ben nog altijd in zijn dienst,’ zeide de ruiter.

‘Ik verzoek u te dienen, Heer! onverschillig is het mij, waar of voor wien gij het zwaard trekt,’ was het antwoord van den staljongen.

‘Maar, Heintje! hebt ge wel berekend...?’ vraagde de ruiter, die de gestalte van den knaap beschouwde, doch uit goedhartigheid aarzelde om de reden te zeggen, waarom hij hem ongeschikt beschouwde tot den dienst, welken hij wilde aanvaarden.

‘Alles heb ik overwogen,’ riep de knaap met vuur, en zijne hand aan de linkerzijde slaande, alsof hij reeds een zwaard droeg; ‘ik ben niet lang of recht van gestalte, maar

illustratie

gezond en sterk; ik kan een paard oppassen, berijden en genezen; ik kan harnassen schoonmaken, en in den drom der vechtenden zal mijn meester mij steeds aan zijne zijde vinden, om hem nieuwe wapenen te verschaffen, hem voor elken verraderlijken aanval te beschermen ten koste van mijn leven en zijn voetstappen te volgen, ten einde den genadestoot te geven aan elken ontzadelden vijand. Bij de asch van de helden, die met de wapenen in de hand gestorven zijn zweer ik dus u te willen dienen. Uit liefde voor de schoone oogen van haar, die gij liefhebt, Heer! bid ik u, verstoot mij niet; maar neem mij in uw dienst.’

‘Ik zal de oogen gaan raadplegen, waarop gij u beroept,’ antwoordde de ruiter glimlachende, ‘misschien halen zij mij wel over om uw verzoek toe te staan, en in dit geval zal het mij aangenaam zijn, dat gij uwe daagsche kleederen weder aantrekt, omdat ik gaarne alle opzien wensch te voorkomen; zorg goed voor Moor, gelijk het een braven knaap betaamt en wij zullen verder spreken, als ik terugkom.’

‘Ik zal uwe bevelen gehoorzamen, Heer!’ zeide de knaap eerbiedig, terwijl de vreugde in zijne oogen te lezen was.

De ruiter verkortte de keten, waaraan zijn zwaard hing, zoodat het niet meer op den grond sleepte, en verliet den stal.

 

De stad Amersfoort, welke ééne lijn trok met Utrecht, en de zijde van bisschop David van Bourgondië verlaten had, is gelegen aan den voet van den Amersfoortschen berg, aan de rivier de Eem. Deze rivier is haar bestaan verschuldigd aan het water, dat door de onderscheiden beken uit de Veluwe of door de Utrechtsche en Geldersche venen wordt aangebracht, in welke men alleen door oplettende nasporingen den ouden Rijntak kan terugvinden, die in vroegere eeuwen van den Heymenberg tot in het meer Flevo stroomde, en veeltijds al het land dat tusschen de Stichtsche en Geldersche heuvelen gelegen is, in

[p. 7]

een uitgestrekt moeras herschiep. Het is een oude stad, die, zooals men zegt, reeds in het begin der elfde eeuw bekend was, en haar naam ontvangen heeft van den overtocht over de Eem. De stad is in een gezond oord gelegen, en was reeds in dien tijd met vruchtbaar bouwland en boomgewas omringd. De rivier de Eem gaf gelegenheid tot het drijven van een zeer voordeeligen koophandel, wiens aanwakkering, zoowel als de gunstige stand der brouwerijen en andere neringen, de uitlegging der stad noodzakelijk had doen worden, welke sinds eenige jaren had plaats gehad. De nieuwe stad verschilde veel van de oude, die geheel bestraat was, en waarvan de daken der huizen, schuren of luifels, bijna alle met pannen of leien gedekt waren. Ook trof men in de nieuwe stad weinig huizen aan, die konden wedijveren met die der oude; de gracht, welke deze had omringd, was nog in wezen, en gaf gelegenheid om de oude gedaante na te gaan; zelfs de muren, tusschen eenige van groote steenen opgemetselde torens of versterkte huizen, duidden de plaats aan, waar de eerste stadsmuur gestaan had, en uit het toegroeien der grachten, welker boorden met wilgeboomen beplant waren, kon men zien, dat de stad, op hare nieuwe muren en grachten betrouwende, de oude het vervallen.

Niet ver van de Vijepoort, nu de Binnenkamp genaamd, trof men in dien tijd een voor de bouworde van die dagen, zeer groot en goed huis aan; want men hield het voor het fraaiste huis in de Langestraat. Het werd toen bewoond door Wouter, meester smid en harnasmaker, en was geheel van roode gebakken steenen opgemetseld. Ter wederzijde van de deur bevonden zich twee kruisramen, welker onderste helften van zware luiken voorzien waren, waarvan het onderste gedeelte nederwaarts en het bovenste opwaarts openging; deze ramen met de deur besloegen de geheele breedte van het huis. De tweede verdieping, die op de gebeeldhouwde stijlen der ramen rustte, kwam een weinig vooruit, en bevatte drie kruiskozijnen met ruitjes in lood gezet, en van onderen mede van luiken voorzien. De derde verdieping, die een hoog geplaatst zoldervenster of luik bevatte, stak insgelijks vooruit, en eindigde ter wederzijde met drie trappen, welker liggende kanten met een rollaag van geslepen steenen gedekt waren, en waarvan de staande zijden de gedaante hadden van kleine ronde torentjes; een versiersel van ijzer, boven op den trapgevel, was voorzien van een doorgehakt vaantje, dat den wind aanwees. Een breede met leien overdekte luifel, boven de deur, sneed de onderste ramen vlak in het midden, en hing aan ijzers in de gewerkte kozijnen, aan de boveneinden der vensters vastgemaakt. Ter rechterzijde van het huis was een overdekte gang, die naar den hof en de werkplaats toegang gaf, en aan de straatzijde met een poort was afgesloten. Onder het middelste venster van de tweede verdieping stak een fraai, met veel bloem- en krulwerk voorzien ijzer tot voorbij de luifel rechtuit, hetwelk als een meesterstuk van smeedwerk kon aangemerkt worden. Op het uiterste einde daarvan stond een gesloten helm, wiens kam fraai was bewerkt; het vizier, de neusband, niets was vergeten, en het geheele zwaar vergulde stuk was zeer geschikt om degenen te recht te wijzen, die het In den Vergulden Helm, dat met groote letters voor de luifel geschilderd was, misschien niet lezen konden. Aan de eene zijde van de deur verving een schuin kelderluik de plaats van de stoep, doch aan de andere zijde werd deze gebruikt om op een paar schragen een lange, draagbare toonbank te plaatsen, waarin, evenals thans, in een zoogenaamden lessenaar met glas overdekt, de goederen ten verkoop waren gespreid. Geen glas dekte deze kast of lade, hetgeen toen nog niet in gebruik was; ook beveiligden de luifels van den ouden, goeden tijd, die hoe langer hoe zeldzamer beginnen te worden, de koopwaren genoegzaam tegen den regen. Een traliewerk, van ijzer gevlochten, deed denzelfden, zoo niet beteren dienst dan het glas, tegen de nieuwsgierigheid van groote en kleine kinderen en van die soort van menschen, welke sinds eeuwen herwaarts nog steeds de gewoonte behouden om zich eens anders goed toe te eigenen.

Allerhande kleinigheden waren hier uitgestald; groote en kleine scharen en tornmesjes of vingerhoeden trokken de oogen der meisjes en vrouwen tot zich; ofschoon de eersten bevreesd zouden geweest zijn, om zulk een scherp werktuig tegen een kus van minnaar of bruidegom ten geschenke te krijgen zonder hem bovendien een klein kopergeld in ruil te geven. Elk vond hier wat van zijne gading; groote en kleine messen, roskammen, onderscheiden soorten van bitten lokten den burger of huisman; sporen en knijven of miséricordes in fraaie scheeden, fraaie spangen en stalen kettingen lokten den edelman of den soldaat.

Doch niet alleen deed het bezichtigen van deze voorwerpen nu en dan een jongen

[p. 8]

knaap of man zijn blik over deze koopwaren gaan; neen het lieve kopje dat zich somtijds in den winkel voor het vensterglas vertoonde, was er de reden van. Voor het oog zag men dan naar mes of spoor, terwijl men alleen verwijlde om het genoegen te hebben Maria, de schoone dochter van Wouter den smid, steelsgewijze gade te slaan. Richtte zij, die veeltijds ijverig bezig was met het stikken van een lederen draagband of ander handwerk, haar blik eens naar buiten, dan beijverde elk zich om haar vriendelijk te groeten, hetgeen zij nimmer, zich tot haar werk keerende, verzuimde te beantwoorden, en verheugd vervolgde de knaap zijn weg.

Bleef een ruiter of een voetknecht onbeschoft voor het raam staan om naar binnen te gluren, dan zag het schoone kind voor zich neder; zij gunde hem geen blik, en zocht hij, door haar aardigheden toe te roepen, hare opmerkzaamheid tot zich te lokken, dan verliet zij hare zitplaats; de oude Griet, de dienstmaagd van het huis, nam dan veeltijds bezit van haar stoel, en de krijgslieden gingen hunnen weg, de oude vrouw verwenschende, die, daar zij niet sterk van gehoor was, zeer weinig van hun afscheidsgroet kon verstaan.

Niet zelden trad een jonker of ridder, als hij het meisje zag, den winkel binnen om naar het een of ander te vragen; doch als zij dan haar vader of den meesterknecht riep, en hij genoodzaakt was met hen te handelen, verliet hij dikwijls het huis, ontevreden, dat hij zijn koop niet uit hare hand ontvangen had, en dus niet in de gelegenheid was geweest om haar eenige aardigheden te zeggen.

Zelfs was zij een voetangel voor geestelijke heeren, vooral als deze nog wat jong waren, menig frater of kanunnik had ook, voor de uitstalling staande, zijn oog niet kunnen afhouden van het lieve meisje, en zijn weg vervolgd, na haar eerbiedigen groet vriendelijk beantwoord te hebben. Dat er van die heeren geweest zijn, welke haar, trots den besten ruiter, noodzaakten hare toevlucht tot de tronie van Griet te nemen, willen wij niet gelooven; maar wel, dat nu en dan een broeder of priester het huis binnentrad, om naar den prijs van een passer of eenig voorwerp te vragen, dat hij gebruiken kon en na het houden van een praatje met het bescheidene, zedige meisje, naar zijne woning of convent terugkeerde en den ongehuwden staat en het priesterleven verwenschte.

 

Op het oogenblik, dat de ruiter, dien wij eenigen tijd uit het oog verloren hebben, in de Vergulde Helm binnentrad, was Griet juist aan het stoffen, terwijl een knecht onledig was met een lederen lap een geheele wapenrusting, die in één der hoeken stond, af te vegen. De tamelijk groote winkel was ruim voorzien van allerhande ijzerwerk voor huiselijk gebruik, voor den landbouw en van wapenen tot verdediging en aanval.

‘Goedenmorgen, Heer Jan!’ riepen Griet en de knecht bijna gelijktijdig uit, terwijl zij hunne verwondering lieten blijken.

‘Ik dank u, hoe gaat het hier?’ hernam de ruiter.

‘Wie had dat kunnen denken, en wat zal Maria zeggen?’ vervolgde Griet, die zijne vraag niet goed verstaan had, niettegenstaande het stil was in den winkel; want men kon er bijna het geluid der hamerslagen niet hooren, omdat de smederij achter in den hof was, en aan de Muurhuizen uitkwam.

‘O! de meester en zijne vrouw en dochter zijn allen wel, Heer!’ zeide Dirk, de meesterknecht. ‘Zij zullen wel verwonderd zijn u te zien.’ Nadat heer Jan, zooals zij hem noemden, door hen onderricht was, dat de smid in zijne werkplaats en zijne vrouw en dochter in het huisvertrek waren, opende hij, na de dienstmaagd alvorens verhinderd te hebben de huisgenooten van zijne komst te verwittigen, een deur achter in den winkel, en gaf door zijn vertrek aan Dirk gelegenheid om tot Griet te zeggen: ‘Gij ziet, het gaat altijd zoo: spreekt men over den duivel, dan ziet men zijn staart; evenwel dacht ik niet, dat ik hem den winkel zou zien instappen, op het oogenblik dat wij berekenden, in hoeveel weken hij hier niet geweest was.’

‘Daar hebt gij wel gelijk aan, man!’ antwoordde zij, ‘ik was bevreesd, dat wij hem in lang niet zouden zien, en wat den duivel en zijn staart aangaat, hij, die nu in de smederij is, heeft veel van den boozen geest.’ Zoo vervolgden zij nu hun gesprek, terwijl zij hun werk daarom niet verzuimden; doch tot hunne eer moet gezegd worden, dat, ofschoon zij

[p. 9]

zich over de huishoudelijke aangelegenheden huns meesters onderhielden, al hunne uitdrukkingen ware belangstelling te kennen gaven.

De ruiter had zachtjes de deur achter zich dicht gedaan, en trad met behoedzame schreden door de gang, ten einde de huisgenooten te verrassen; ook gelukte het hem, onbemerkt de kamerdeur, die openstond, te bereiken. Hij blikte nu in het nette oud-vaderlandsch huisvertrek. Drie kruiskozijnen, met vrij groote en witte ruitjes, verlichtten het; voor elk kon des avonds een gordijn geschoven worden. De schoorsteen, juist tegenover de deur geplaatst, was groot, en stak ver in de kamer uit; de staande plaat was blank geschuurd, niettegenstaande eenige regelmatige turven reeds op den haardsteen gereed lagen, om, zoodra de avond kwam, en het hoofd des huisgezins met zijn werk gedaan had, te worden aangestoken. Een redelijk groote tafel stond voor den haard. Tegenover het venster, dat naast den schoorsteen was, en op de buitengang uitzag, was op een zwarten voet een groote en fraai gebeeldhouwde eikenhouten kist geplaatst, welke diende om de dagelijksche kleederen te bergen. In het achtereinde van de kamer was een hooge bedstede met gordijnen; en ter wederzijde daarvan een diepe kast, tot berging van allerlei huiselijke benoodigdheden.

Vlak tegenover deze slaapplaats, waarvan de gordijnen waren opengeschoven, en waarin het zindelijke beddegoed te pronk lag, waren de twee andere ramen, welke over een kleine plaats het uitzicht in den hof hadden; voor één dier ramen stond een klein, rond tafeltje, waaraan twee vrouwen gezeten waren.

De oudste droeg een zwart jak, dat tot aan de knie kwam, en een langen rok van dezelfde kleur en stoffage; de mouwen kwamen tot halverwege de handen, en waren met een breeden zoom voorzien. Haar hoofdhulsel had de gedaante van een suikerbrood; uit deze soort van muts, die van geruit goed gemaakt was, kwamen op het voorhoofd twee breede, doorschijnende strooken te voorschijn, die de slapen des hoofds en de hooren bedekten, naar achteren liepen, en op den rug een soort van kap vormden. Het jak werd iets hooger dan de heup door een

illustratie

band of gordel vastgehouden, die van voren met een gesp van zilver gesloten was; een helder witte halsdoek reikte tot boven aan den hals, om welken zij geene versiersels droeg. Aan haar gordel hing een taschje of beurs en een ring met eenige sleutels; een enkele gouden ring was aan haar rechterhand te zien, als de mouw van haar kleed zich een wenig verplaatste. Zij scheen ongeveer veertig jaren oud te zijn; mogelijk was zij wel wat ouder, daar de muts, die zij droeg, het haar en de slapen bedekte. De goedheid stond op haar gelaat te lezen, en men zag duidelijk de sporen van vroegere schoonheid, welke zelfs nog niet geheel vervlogen was; haar vel was nog blank, hare wangen waren frisch van kleur, hare oogen levendig, en haar mond prijkte nog met al de tanden: het eenige, dat men had kunnen aanmerken, was, dat zij een weinig te gezet was. In één woord, men kon vrouw Martha nog schoon noemen, al vergeleek men haar met hare dochter, die nu het bevallige meisje was, hetwelk hare moeder eenmaal scheen geweest te zijn.

Maria was nog zeer jong; het was nauwelijks achttien jaren geleden, dat hare blijde ouders haar voor het eerst met den ouderlijken kus welkom in het leven hadden gewenscht. De jeugdige maagd was nu gelijk het teeder rozenknopje, dat alleen naar de stralen van het koesterend zonlicht wacht, om zich in al hare schoonheid en natuurpracht te vertoonen. Beschermd door haar vader, met zorg door hare liefdevolle moeder in deugd en zedigheid opgevoed, was zij vroolijk, en zonder het verdriet te kennen was zij de jaren genaderd, waarin de maagd door een zeker geheim verlangen, zonder daf zij weet waarom of waarvoor, zich verdiept in een treurig gepeins, dat niet zonder liefelijkheid is. Hare kleeding was, wat het fatsoen betreft, vrij gelijk aan die harer moeder; alleen de stof was meer verschillend. Een grijze rok omhulde haar net gevormde leden, van onder welke nu en dan

[p. 10]

echter de, voor de meisjes van dit land, zeer kleine voetjes te voorschijn kwamen; want de lange, eenigszins opwaarts gebogen neuzen der tootschoenen konden er de bevalligheid van bedekken, maar deden ze daarentegen smaller voorkomen. Het jak was van een blauwe stof met roode bloemen; de einden der lange mouwen, zoowel als de boorden aan den hals en van onderen, waren omzoomd met een breed lint van semijte of zijde. Het borstlijf was ook van dezelfde soort van band of lint, met figuren, fraai van teekening, opgelegd; en een zijden veter, waarmede het lijf was dichtgeregen, hing met zijn zilveren nestels een eind wegs over den rok. Haar hoofdhulsel of tuit was van blauwe sindale, een soort van taf; uit den top kwam een wimpel of doorschijnende sluier te voorschijn, die omtrent tot aan den gordel langs den rug nederhing. De muts, waarop dit gevaarte rustte, was mede van kamerdoek, doch veel klaarder dan dat harer moeder, en door de strooken, welke langs het hoofd afhingen, zag men haar fraai blond haar, dat glad achter de ooren was weggestreken. Haar sneeuwwitte halsdoek was niet zoo gesloten als die harer moeder, en was van voren toegemaakt met een klein gouden hartje; aan een smal zwart lint, dat om haar hals liep en door het hartje ging, hing een gouden kruis tot halverwege haar borstlijf af. Aan haar groenen semijten gordel, die, van voren iets lager dan van achteren, in een punt samenliep, en gesloten was met een zilveren spang of gesp, hing een speldenkussen en een kokertje, waarin naalden, schaar en andere kleinigheden waren gestoken. De blanke, fraai gevormde hals scheen met den halsdoek in kleur te willen wedijveren; en schoon hij al niet zoo wit was, zoo had hij een duizendmaal bevalliger kleur; het zachte, bijna onmerkbare rozenrood, dat door het fluweelachtige, fijne vel scheen, en dat de bekwaamste schilder bijna niet met zijn penseel had kunnen nabootsen, werd hier en daar alleen gebroken door de schier onzichtbare blauwe aderen. Nog door den doorschijnenden dubbelen halsdoek volgde het bekoorde oog den rondom, molligen omtrek van den hals en de schouders, totdat het nijdige jak haar fraai gevormd lichaam voor elken bespiedenden blik bedekte; de zwelling echter van het borstlijf verried den ontluikenden boezem. Maar waarom zou men de verborgen bekoorlijkheden van de zedige maagd getracht hebben te bespieden, daar haar gelaat voor elke beschouwing openlag? Het sneeuwwitte en gladde voorhoofd kwam bevallig te voorschijn tusschen de twee natuurlijke gordijnen, welke gevormd werden door het haar, dat, zacht en glanzig, gelijk de kostbare zijde, in bevalligen bocht achter het kleine oor verdween, hetwelk, met een gouden hartje versierd, door de strook van de muts zichtbaar was. Hoedanig zullen wij de fraai gevormde wenkbrauwen, hoe het goddelijk schoone, blauwe, open oog beschrijven, waarin slechts goedheid te lezen stond, zonder immer door drift te worden bezield? Het kon reeds door den onschuldigen blik, even rein als de onbewolkte azuren hemel, het hart van den knaap of man met onstuimig of driftig verlangen doen jagen; maar door Maria's eenvoudige ongekunsteldheid in bedwang gehouden, durfde men slechts door zijne blikken de aandoening van zijn hart verraden. Hoedanig haar neus en kleinen mond te schetsen, en hare rozekleurige lippen, die, als zij zich in een lachende plooi samentrokken, twee rijen gelijke tanden ontblootten, welke het gepolijste elpenbeen in witheid overtroffen, en misschien alleen een weinig kleiner hadden moeten zijn, om aan den strengsten eisch der schoonheid te voldoen? Hoedanig slechts een flauw denkbeeld te geven van hare van gezondheid bloeiende wangen, waarvan de rozen zich onmerkbaar in de kleur der leliën verloren?

Wij hebben getracht de dochter van den harnasmaker-hoefsmid te beschrijven; getracht, zeggen wij; want wie zal het wagen een jonge maagd harer waardig af te malen? Mocht men denken, dat wij haar te schoon hebben voorgesteld, men zal zich bedriegen; wie zal toch, wanneer hij een uitgestrekt bevallig landschap beschrijven wil, op eenige minder fraaie partijen letten, tenzij men met een geest van onvergenoegdheid en bedilzucht bezield zij? Zoo hebben wij ook gezegd, wat elkeen volmondig erkende, eenige door de natuur stiefmoederlijk bedeelde vrouwen alleen uitgezonderd; want Maria was het schoonste meisje van Amersfoort. Wie is niet trotsch op de erkende, ongekunstelde en duurzame schoonheid van de vaderlandsche vrouwen? Of zouden de vrouwen in het jaar veertienhonderd minder bevallig geweest zijn dan de bekoorlijke lezeressen, welke misschien een oog in deze bladen zullen werpen? Zou Amersfoort zelf misschien niet heden ten dage nog jonge meisjes bevatten, even aanlokkelijk als de dochter uit de Vergulde Helm? ten minste toen wij met dit geschrift in de hand, voet voor voet er de gebeurtenissen van gevolgd hebben, hebben wij meermalen met genoegen gezien, dat de schoone meisjes er niet zeldzaam waren.

[p. 11]

Toen de ruiter zich bij de deur bevond, had hij nauwelijks den tijd

illustratie

om de opmerking te maken, dat het jonge meisje in een houding welke neerslachtigheid verried, het voorovergebogen hoofd met den arm ondersteunde, terwijl hare moeder, die met eenig naaiwerk bezig was, zonder op te zien, zeide:

‘Wees verstandig, Maria! en niet bedroefd; bedenk dat het tijd is om de tafel te dekken; uw vader zal ontevreden zijn, wanneer wij niet dadelijk gaan eten, als hij terugkomt of als gij weent bij de gedachte dat die vreemde heer, wellicht zal terugkomen.’

De droefheid van het meisje deed allen lust om haar te verrassen of te beluisteren bij hem vergaan, en hij stond gereed om binnen te treden, toen een kleine hond, die hem nu gewaard werd, van onder het tafeltje kwam te voorschijn schieten, en luid begon te blaffen, doch zich weer achteruit begaf, zoodra de vreemdeling in het vertrek trad.

De vrouw van den smid richtte dadelijk haar hoofd op, zoowel als hare dochter, die niet zoodra onzen ruiter gezien had, of zij sprong op, snelde naar hem toe, en omarmde hem onder het uitroepen van: ‘Welkom, Jan! hoe gaat het? ach, wat ben ik blijde, dat gij komt!’

‘Zeer wel, Maria! gelijk gij ziet; maar waarom die tranen? zeg mij...’ vroeg de ruiter, en kuste haar, terwijl hij haar omvat hield en zijn oog vol belangstelling en liefde op haar vestigde. Doch zij haastte zich niet te antwoorden, waarop hij schielijk vervolgde: ‘Ik groet u moeder! gij zijt te goed om het mij ten kwade te duiden, dat ik deze kleine deerne het eerst gekust heb; zij heeft er zoowel schuld aan als ik. Hoe vaart de meester?’

Zij was opgestaan; doch zijn onverhoedsche verschijning had haar verhinderd dadelijk te antwoorden; maar nadat hij haar op de beide wangen gekust had, zeide zij: ‘Mijn man is wel, Heer Van Schaffelaar! gelijk, Goddank, wij allen.’

‘Wilt gij mij dan niet tot zoon hebben, of vergeet gij, dat mijn naam Jan is?’ zeide hij lachende: ‘Maria heeft beter geheugen.’

‘Ik heb u in zoolang niet gezien, Jan!’ hernam Martha, ‘ik kan er mij nog niet aan gewennen, dat ik de eer nog zal beleven, den heer Van Schaffelaar als zoon te noemen.’

‘Zeg mij dan eens, moederlief!’ vervolgde hij met belangstelling, ‘waarom Maria geweend heeft.’ Hij hield moeder en dochter met zijne armen omvat, en zag beurtelings nu de eene dan de andere aan.

Het was een belangwekkend gezicht, deze twee schoone vrouwen in de armen te zien leunen van den grooten, welgemaakten man, terwijl de hond om hen heen sprong.

‘Heeft Maria wat misdaan, moeder? O vergeef het haar, bid ik u. Heeft zij misschien te veel gespeeld met den kleinen Snip, die grooten lust had mij in de beenen te bijten, maar mij nu weder schijnt te herkennen; en heeft zij daardoor mogelijk verzuimd iets naar uw zin te doen? Och! zeg het mij toch, hare tranen en uw zwijgen maken mij ongerust.’

‘Ik ben nu weer welgemoed; uwe Maria is weer vroolijk, nu zij u gezien heeft, zeide deze lachende, en leide haar hoofd vertrouwelijk aan zijne borst.

‘Of heeft misschien haar vader...’ vervolgde hij, de moeder vragend aanziende.

‘O neen! geen van beiden hebben wij haar beknord; het is slechts een zonderlinge inval, dien gij haar vergeven moet, het is een kinderachtigheid van het meisje, het is niets, ik verzeker het u,’ antwoordde deze.

Maria wierp hare moeder een dankbaren blik toe: Van Schaffelaar boog zich voorover om het meisje nogmaals te kussen; maar zij wist behendig uit zijn armen te ontslippen en hem met haar vinger spottend dreigende, zeide zij:

‘Indien gij mij belooft niets meer te vragen, maar anders niet.’

‘Ik beloof het,’ was het antwoord, en de overeenkomst werd met twee kussen bezegeld, ofschoon Maria lachende aanmerkte, dat er maar over één onderhandeld was.

Vrouw Martha noodigde Van Schaffelaar nu uit om te gaan zitten, zijn zwaard af te leggen, en te zeggen, of hij ook begeerde iets te eten of te drinken.

‘Daar uw knaap niet bij de hand is, bied ik u mijne hulp aan,’ zeide Maria lachende, ‘de dochter van een wapensmid moet desnoods een harnas kunnen ontgespen.’

‘De vrouw van een krijgsman ook,’ merkte hare moeder aan.

‘Welnu, neem er dan eens de proef van, Maria!’ zeide Van Schaffelaar, die zijne hand-

[p. 12]

schoenen uittrok. ‘Ik geloof niet, dat een ridder ooit een schooner schildknaap had; ik moet u ook tevens raadplegen, of ik een knaap, die mij zijn dienst aangeboden heeft, al dan niet zal aannemen.’

‘Mij?’ vroeg zij, terwijl zij zijn zwaard losmaakte en in een hoek van het vertrek zette. ‘Ja u, ten minste uwe schoone oogen, want op deze heeft hij zich als zijne voorspraak beroepen,’ antwoordde hij schertsende.

‘Gij moet haar die dingen niet zeggen: zij zou denken, dat het waar was,’ zeide Martha. Maria knoopte ondertusschen zijn lederen kolder los, die onder de armen was toegemaakt, zeggende: ‘Is hij braaf en trouw, Jan! zoo neem hem, indien het moet zijn! als gij in den strijd moet gaan, dan wensch ik u zoo gaarne omringd te zien van trouwe knapen, ofschoon ik elken dag de Heilige Moeder Gods bid, dat het anders wezen moge.’

‘Ik weet niet of hij een dappere jongen dan of hij een snoever is,’ hernam Van Schaffelaar lachende; ‘maar wel, dat hij eer naar een soort van dwerg uit de tijden van Lancelot van het Meer gelijkt dan naar een schoonen page; evenwel, zoo gij denkt, niet bang voor hem te zijn, dan zal ik hem in mijn dienst nemen.’

Zoo sprekende, zette hij zijn Mechelschen hoed af en nam naast Maria plaats. Men zeide hem nu, dat een vreemd heer bezig was met den meester in de werkplaats te spreken, en ried hem de komst van den smid af te wachten. Met bezorgdheid deed hij onderzoek, hoe Maria en hare ouders den langen tijd, dat hij hen niet gezien had, hadden doorgebracht; daarentegen bestormde men hem met vragen over de tijdsomstandigheden, en of hij dacht, dat Utrecht, dus ook Amersfoort, zich spoedig aan den Bisschop zou onderwerpen.

‘Maar is het niet te veel van u gewaagd, om u in dezen tijd hier te vertoonen? hoe hebt gij in de stad kunnen komen, Jan?’ zeide vrouw Martha.

‘O neen, moeder!’ hernam hij, ‘ik loop geen gevaar; en al ware dit ook het geval, indien de zaken zich niet schikken, zal het hoe langer hoe gevaarlijker worden hier te komen; daarom beter nu dan later, en ik wilde zulks toch zoo gaarne.’

‘En hoe lang denkt gij te blijven, Jan?’ vroeg Maria, die vertrouwelijk naast hem op een bank aan het tafeltje zat.

‘Tot heden namiddag, en niet later dan vier uren, mijn liefste!’ antwoordde hij.

‘Dan reeds vertrekken!’ zeide zij mistroostig en hare moeder riep; ‘Dat is waarlijk de moeite en het gevaar niet waard. Wij zijn verheugd u eens te zien; maar gij hadt immers iemand kunnen zenden om te vernemen, hoe het hier gesteld was, en te zeggen hoe gij het hadt.’

‘Ik wenschte u gaarne eens allen te zien,’ hernam Van Schaffelaar, die opstond, vrouw Martha naderde en haar iets in het oor fluisterde, waarna hij overluid vervolgde: ‘om die reden ben ik gekomen,’ en hij ging weder zitten.

De moeder wisselde een vertrouwelijken blik met den ruiter en zeide; ‘nu verwondert het mij niet meer,’ en zag lachende naar hare dochter, die nu gewaar werd, dat men over haar gesproken had. Het scheen ook, dat zij eenigszins gissen kon, wat Van Schaffelaar gezegd had; ten minste, toen hij haar met zijn rechterarm omvatte, en met de linkerhand haar kleine zachte hand opnam, en die aan zijne lippen drukte, bedekte zij haar gelaat met haar andere hand, en antwoordde niet, toen hij haar zacht toevoegde: ‘Ik ben van voornemen een verzoek aan uwe ouders te doen; en als ik hunne toestemming mag verkrijgen, Maria, dan zal het alleen van u afhangen om mij zoo gelukkig te maken als de zielen der gelukzaligen hierboven!’

‘Ik bid u, lieve Jan! haar niets meer te zeggen,’ zeide de moeder; ‘zij luistert te gaarne naar de zoetigheden, die gij haar toevoegt; zij moet den disch nog dekken, en daar hoor ik reeds, zoo ik het wel heb, haar vader aankomen.’ Hierop zag zij naar Maria.

Men hoorde nu ook duidelijk de stem van den smid, die met iemand anders in gesprek was. Zij schenen van de plaats in de buitengang te treden; want men hoorde den kelderachtigen weerklank hunner voetstappen. Wouter deed den vreemde uitgeleide tot aan de straat. Op het oogenblik, toen zij voorbij het raam gingen, dat in de kamer uitzag, wierp de vertrekkende een blik in het vertrek, en bracht de hand aan den rand van den hoogen hoed. Vrouw Martha werd dit niet gewaar, daar zij juist met den rug naar het venster stond; maar Van Schaffelaar rees snel overeind, en terwijl de uitdrukking van zijn gelaat verwondering en wrevel verried, riep hij vragende: ‘Perrol?’ Ofschoon de vreemde heer

[p. 13]



illustratie

zich slechts een oogenblik voor het raam had opgehouden, en Van Schaffelaar niet had kunnen bespeuren, of deze hem gezien of herkend had, zoo had hij evenwel den spottenden, dartelenblik van diens gelaat zeer goed opgemerkt, waarom hij nu eens de moeder, dan weder hare dochter aanzag, welke laatste haar gelaat had afgewend, toen de begunstiger haars vaders langs het venster trad.

‘Perrol!’ riep Van Schaffelaar nogmaals gramstorig. ‘Wat doet hij hier? wat heeft hij met meester Wouter te spreken? hoe komt hij in de stad? is het om hem, dat uwe schoone oogen geweend hebben, Maria? Zeg! antwoord mij, en ik ga hem noodzaken aan uwe voeten om vergiffenis te smeeken; zeg het uwen vriend, die u beschermen moet; al moest ik sterven, zoo wil ik uwe beleediging trachten te wreken,’ eindigde hij driftig.

‘En wat raakt mij die vreemde,’ zeide Maria; terwijl zij hem met hare armen vasthield, opdat hij het vertrek niet verlaten zou, ‘heb ik niet mijn vader om mij te beschermen en mijn goede moeder.’

‘Maar gij zijt bedroefd, liefste! - Maria weent!’ zeide Van Schaffelaar, die zijn arm om het meisje sloeg; ‘zeg mij, is het om dien zwarten ellendeling?’ ‘Het zijn de eerste tranen, die ik om u moet storten, Jan!’ antwoordde Maria aangedaan.

‘Om mij! Jezus Maria! om mij!’ riep hij verwonderd.

‘En gelooft gij dan, dat uw drift mij niet beangst, dat ik niet beef op de gedachte van u in twist te zien gewikkeld met dien man, dien ik veracht, maar toch vrees?’ zeide zij, met hare hand de tranen afvegende, die langs hare wangen liepen, en onder hare zijdeachtige oogharen gelijk paarlen blonken.

‘Gij wilt uw leven op het spel zetten, Jan!’ zeide Martha lachende, ‘omdat Maria niet weet wat zij doet; ik dacht, dat gij aan haar vader en ook aan mij wat te vragen hadt.’

‘Het is waar, moeder!’ hernam hij bedaard, ‘maar antwoord mij op ééne vraag, en ik zal...’

‘Antwoord hem niet, moederlief!’ viel Maria hem in de rede, ‘ik heb hem betaald, zelfs te veel betaald, op voorwaarde dat hij niet meer zou vragen, en zie, daar begint hij wederom.’

‘Daar komt uw vader aan: haast u de tafel gereed te maken,’ zeide de moeder; ‘en u, lieve zoon! bid ik, vraag den meester niets; gij zult mij daardoor verplichten.’

‘En mij ook,’ riep Maria vroolijk, terwijl zij haastig naar een der kasten huppelde, om het tafelgoed voor den dag te halen. Men hoorde nu de deur van den winkel in de gang open- en toedoen en met een vroolijke en zware stem zingen:

illustratie

 
‘Tik, rik, gaat de moker, tik, rikker-de-tik,
 
Zoekt gij meester Wouter den Smid? die ben ik.’

De persoon, die zichzelven dus aankondigde, trad weldra het vertrek binnen.

‘Goedendag, meester! hoe gaat het met de gezondheid en de zaken?’ zeide Van Schaffelaar, die naar hem toetrad en hem hand reikte.

‘Is het mogelijk, heer Jan! gij hier,’ riep de smid verwonderd. ‘Wel, kijk! wie had dat kunnen droomen? wat hebben wij elkander in lang niet gezien. Hebt gij al wat gedronken, of hebben de vrouwen, zooals naar gewoonte, het voornaamste vergeten? Wat heeft Maria wel gezegd?’

‘De heer Van Schaffelaar heeft bij verkiezing tot uwe komst gewacht,’ merkte Martha aan.

‘Welnu, moeder! haal dan spoedig eens een kan van den wijn, dien ik in den nazomer uit Dordrecht gekregen heb,’ zeide de smid.

Martha verliet het vertrek, en Van Schaffelaar zette zich, op Wouters verzoek, tegenover hem aan het tafeltje.

De meester uit de Vergulde Helm was niet zoo lang als de ruiter, maar breed geschouderd en sterk van lichaamsbouw. Zijn

[p. 14]

vriendelijk gelaat was dikwerf niet in overeenstemming met zijne woorden; hij had in zijne jeugd de wapenen gedragen, en het overige van zijn leven in de werkplaats gesleten, zoodat zijne taal en gebaren een ruwheid hadden, welke dikwerf verkeerd werd opgenomen door hen, die hem niet kenden. Zijn gelaat en zijne handen waren groezelig van kleur door het werken aan het vuur. Hij was blootshoofds, en droeg een wambuis en hozen, die hem voor broek en kousen dienden, van rood en grijs gestreept laken, zonder eenig versiersel of uitmonstering dan eenige groote, koperen knoopen. Hij had lompe schoenen aan,

illustratie

die een geheel andere gedaante hadden dan de lange tootschoenen zijner dochter, de laarzen van Van Schaffelaar, of de muilen of stillegangers van vrouw Martha.

‘Het doet mij genoegen u in mijn huis te zien,’ zeide Wouter; ‘maar zie, het is evenwel te veel gewaagd en dat op klaarlichten dag.’

‘O neen!’ antwoordde Van Schaffelaar, die gestadig naar het meisje zag, dat met bevalligen zwier den disch bereidde, ‘gij weet, dat ik zeer goed bekend ben met Montfoort, ofschoon hij thans in vijandschap met mijn heer is; ik heb van hem een vrijgeleide, en mag heden tot vier uren na den middag hier in de stad blijven.’

‘Dat is wat anders, en dan kunnen wij u gerust welkom heeten. Komaan, moeder! nu spoedig hier den wijn,’ vervolgde de smid tot Martha, die met een Keulsche wijnkan in de hand in de kamer trad. ‘Maria! waar zijn de bekers?’

Deze, welke het zindelijke tafelkleed over de tafel gelegd had, plaatste er vier zilveren borden en een tinnen op, en haastte zich nu om twee zilveren bekers voor haar vader te plaatsen.

‘Ik heet u welkom met dezen beker Rijnwijn,’ zeide Wouter.

‘Ik dank u allen,’ antwoordde Van Schaffelaar, den groet van vrouw Martha en hare dochter beantwoordende.

‘Is hij echt, heer Van Schaffelaar?’ vroeg Wouter, toen zij de bekers geledigd hadden, terwijl hij met genoegen zijne lippen aflikte.

‘Hij zou niet beter kunnen zijn, meester!’ hernam Van Schaffelaar; ‘hij is van goed gewas, en van die soort, welke een ruiter zoo gaarne drinkt, maar zoo zelden krijgen kan.’

‘Maar waar blijft Griet nu met het eten?’ riep de smid; ‘moet onze reiziger van de graat vallen? bedenk, dat hij dezen avond nog terug, en krachten hebben moet, om desnoods aan eenige stroopers het hoofd te bieden.’

Martha was juist gereed om hem te zeggen, dat spoedig aan zijn verzoek zou voldaan worden, toen Griet met een grooten schotel gekookt vleesch binnentrad. Hij schonk nu nog eens in, en nadat de bekers waren uitgedronken, plaatste hij de kan op de gedekte tafel.

‘Zijt gij niet tevreden, Maria?’ vraagde haar vader vroolijk, ‘dat uw vrijer in de stad is? jammer maar, dat hij spoedig weder weg moet? maar ik geloof waarachtig, dat uwe oogen nog rood zien van het weenen; foei, dat staat leelijk voor een verliefde deern!’

‘Kom, Wouterlief! plaag het kind niet, en berg liever dat wapen weg, eer er iets aan bederft,’ zeide zijne vrouw. Zij bedoelde een spiegelgladde, stalen strijdbijl met ebbenhouten steel, die op de kist gelegen had, en nu door Van Schaffelaar was opgenomen om des smids gedachten van Maria af te trekken.

‘Bekijk haar nog eens, heer Jan,’ zeide Wouter met zelfvoldoening, ‘zulk een proefstuk, ik durf het zeggen, wordt niet door elken wapensmid geleverd.’

Het scherp, zoowel als de stalen punten, die zich achter en bovenaan bevonden, waren met fraaie figuren van echt goud gedamasceerd, hetgeen met recht voor een groote kunst gehouden werd; de steel was met zilver en ivoor ingelegd, en aan het einde van het handvatsel was een zilveren ring, waardoor een riem of een keten kon gestoken worden. Van Schaffelaar betoonde opnieuw zijn tevredenheid en Wouter zijn schoenen uitgedaan hebbende, ging op de kist staan en hing het pronkwapen, nadat hij het afgeveegd had, weder aan den muur.

‘Ik geloof niet, dat gij er veel fraaier zien zult,’ zei Wouter; ‘zulk een wapen zou niet misstaan aan het hof, en evenwel zou het in een gevecht goeden dienst doen; het moet een goede helm of een sterk schild zijn, dat een tweeden slag noodig heeft, alvorens te splijten. De heer, die dezen morgen hier was en zoo even vertrokken is, was er bij uitstek over voldaan; gij moet hem kennen, hij is een beste heer, ik verzeker het; ik moet hem vóór Witten Donderdag vijftig helmen, even zooveel zwaarden en honderd

[p. 15]

speerpunten leveren; en indien dit naar genoegen uitvalt, geloof ik, dat het er niet bij zal blijven. Maar gij kent hem zeker, het is Messire Perrol.’

illustratie

‘Ja, ik ken hem, hij is aanvoerder der Zwarte Bende en in dienst van mijn heer,’ antwoordde Van Schaffelaar, over de lofspraak van den smid niet voldaan; hetgeen deze niet bemerkte, maar lachende vervolgde: ‘Laat ons dan aanzitten; maar onderwijl moet ik u nog zeggen, heer Van Schaffelaar! dat hij een goed oog heeft op uw meisje.’

‘Hij, Perrol met de Roode hand? bij de zaligheid mijns vaders! ik hoop dat het anders wezen mag,’ riep Van Schaffelaar driftig.

‘Nu, nu, het heeft immers niets te beduiden!’ zeide Wouter; ‘wie ziet niet gaarne een knappe meid; ik zie al, Maria heeft niet gaarne, dat ik het vertel, maar waarom niet?’

‘Wouter! Wouter! ik bid u, laat ons toch gaan eten,’ riep Martha verlegen, ‘ziet gij niet, dat gij het kind bedroefd maakt?’

‘Ha, ha! bedroefd!’ hernam de smid, luid lachende; ‘waarom zou een jonge deern zich al niet bedroeven, en dat om een enkelen kus.’

‘Kus...! heeft Perrol met de Roode hand haar gekust?’ riep Van Schaffelaar, terwijl zijn gelaat doodsbleek werd.

‘O, mijn vader! wat hebt gij gezegd?’ snikte Maria. Zij verborg haar gelaat aan de borst van hare moeder, die haar in hare armen sloot en zeide: ‘Daar hebt gij het nu, Wouter! dat niet weet, dat niet deert; waarom vertelt gij dingen, die liever verzwegen moesten worden? Ween niet, Maria! Jan weet wel, dat het uwe schuld niet is, maar die van uw vader, waarom brengt hij zulke vreemde soldeniers hier?’

‘Gelooft gij, dat Perrol nog in de stad is?’ vroeg Van Schaffelaar woest, terwijl hij zijn hoed opzette en zijn zwaard greep.

‘Wat wilt gij, Jan?’ vroeg de smid verbaasd.

‘Hem opzoeken,’ riep deze, met den voet stampende, en knarsetandende, ‘hem in het aangezicht slaan, en hem de lippen afsnijden, waarmede hij mijne Maria bezoedeld heeft.’

‘Hij is reeds vertrokken, heer Van Schaffelaar!’ riep de smid bedaard; ‘maar waarom maakt gij u zoo driftig? Maria heeft geen schuld; en gelooft gij, dat ik, als vader, geen zorg zou dragen voor hare eer en voor de uwe? Deze armen hebben nog geen hulp noodig om in mijn huis elken onbeschaamde terecht te zetten; maar ik ben ook jong geweest; in mijn tijd rekende men het een krijgsman niet ten kwade, als hij een ongetrouwde vrouw een kus ontstal, en een vriend of vrijer zag daarin niets laakbaars. Maria zat aan de tafel, met het hoofd voorovergebogen, toen Perrol haar op haar hals heeft gekust; ziedaar het al.’

‘Al is hij weg, ik zal hem wel weervinden,’ zeide Van Schaffelaar, zijn hoed en zijn zwaard op den grond werpende; ‘indien hij een braaf ruiter ware, dan zou ik er niets van zeggen; maar Perrol!...’

‘Laten wij dan gaan zitten, Jan!’ zeide de smid; ‘komaan, Maria! zet u naast Van Schaffelaar, en droog uwe tranen af. Hier, Martha? en kijk maar zoo knorrig niet. Ik houd er niet van iets te verbergen; nu is immers alles afgepraat; of wilt gij, dat ik vertellen zal van dien Franschen ridder, die u omhelsde, toen wij bruid en bruidegom waren?’

‘Wouter! ik bid u, houd op met die leugens,’ zeide zij, naast hem gaande zitten, ‘wat moeten de heer van Schaffelaar en Maria wel denken?’

‘Dat gij een hupsche knappe deern geweest zijt,’ antwoordde hij lachende, ‘die het den Franschman niet kwalijk naamt, en nu een lieve, brave vrouw, die ik nog hartelijk liefheb.’ Dit zeggende, trok hij haar naar zich toe, en kuste haar.

‘Ik stel den heer Van Schaffelaar voor, evenzoo te handelen als ik; wij hebben den vrede al gesloten,’ zeide hij vroolijk, terwijl hij begon te zingen.

[p. 16]
 
‘Een ruiter kust gaarne schoone vrouwen,
 
Een ruiter drinkt gaarne goeden wijn:
 
Maar een ruiter houdt niet veel van trouwen,
 
Een ruiter wil immer vroolijk zijn.’

Terwijl de meester dit gedeelte van een lied voordroeg, dat hij in zijne jeugd geleerd had, was de oude Griet ook in het vertrek gekomen, en had aan het einde der tafel plaats genomen; de dienstboden waren toen nog overal gewoon mede aan den disch hunner meesters te zitten, al hadden zij gasten van hoogen rang. Het scheen, dat Van Schaffelaar ook van dezen tusschentijd gebruik had gemaakt om Maria te troosten en haar te doen

illustratie

gevoelen, dat hij haar het gebeurde niet kwalijk nam; ook was zijn gelaat weder opgeruimd, zooals gewoonlijk, en hij liet hare hand los, die hij zacht in de zijne gevat hield, toen haar vader zich gereed maakte om te bidden.

Nadat het korte gebed door den meester van het huis was uitgesproken, schonk hij zijn beker en dien van zijn gast vol, en heette hem nogmaals welkom, zich beklagende, dat de onverwachte komst van heer Jan zijne vrouw buiten de gelegenheid gesteld had om de tafel behoorlijk te verzorgen.

De vrouwen dronken uit tinnen bekers bier, dat in de stad gebrouwen was, ook de smid was anders gewoon dit te drinken; maar om zijn gast eer aan te doen, was de wijn nu uit den kelder gehaald.

Het middagmaal bestond uit een voorgerecht van rauwe appelen, die eerst werden gegeten; doch waarvan Wouter geen liefhebber was, omdat zooals hij zeide, de maag er te veel door verkoeld werd; voorts uit een gekookten, gerookten schapenbout, dewijl het gelukkig geen vastendag was, en gezouten haring, welke echter door niemand dan door Griet werd gegeten, uit gedroogde erwten, wortelen en grof brood. De spijzen waren met boter klaargemaakt; en een tinnen bakje, dat in onderscheiden afdeelingen verdeeld was, bevatte mosterd, zout, peper en eenige andere specerijen.

Onder den noen of middagmaaltijd onderhield zich Wouter met Van Schaffelaar over de tijdsomstandigheden; de laatste verhaalde, hoe de burggraaf van Montfoort de leden van den Raad, die voor het afdanken der gehuurde krijgsknechten gestemd hadden, genoodzaakt had de stad Utrecht te verlaten; en hoe hij sedert door de ruiters of stalbroeders (zoo heette deze soort van soldeniers) gerugsteund, zijn gezag hoe langer hoe meer had uitgebreid. De smid was van oordeel, dat Maximiliaan niet wel gedaan had met de heerlijkheid van Purmerend verbeurd te verklaren, die aan Montfoort behoorde, en de goederen aan te houden, die aan Utrechtsche ingezetenen behoorden, ja zelfs sommigen hunner gevangen te houden. ‘Ik voor mij, zeide hij, “ik geloof dat het den Hertog in de oogen steekt, dat zoovelen van de Hoeksche partij in Utrecht een schuilplaats gevonden hebben; en indien ik u de waarheid zal zeggen, Van Schaffelaar! dan geloof ik, dat de herstelling van den Bisschop in zijne rechten maar een gezocht voorwendsel is; de geheele zaak berust op het eigenbelang van den Oostenrijker, die zich inderdaad weinig om den eerwaarden Vader, heer David, bekommert.”

‘Het kan zijn,’ hernam Van Schaffelaar, ‘de menschen doen zoo weinig zonder hun voordeel op het oog te hebben, vooral de groote heeren; maar meester! mijnheer de Bisschop zal toch, hetzij Utrecht zich aan den Hertog goedschiks onderwerpt, of met geweld ten onder gebracht wordt, weer in zijn rang hersteld worden, welke hem van God en de menschen toekomt, ofschoon het arme Sticht deze vreemde tusschenkomst droevig zal moeten bezuren.’

‘Maar Utrecht is een groote, machtige stad,’ zeide Wouter; ‘de muren en poorten zijn goed versterkt, en aan bezetting zal het niet ontbreken; zelfs Amersfoort is voor geen klein gerucht vervaard, en Montfoort is een sterk stadje, dat nog zoo gemakkelijk niet te nemen is; de burggraaf is een dapper man, en indien de zaken goed bestuurd worden, dan zullen er nog wat slagen vallen, voordat de Bisschop in Utrecht wordt ingehaald.’

‘Zou de oorlog dan onvermijdelijk zijn, vader?’ vroeg Maria beangst.

‘Ik vrees er voor, kindlief! en ik hoop, dat de Heilige Moeder Gods alles ten beste zal schikken: ofschoon deze tijd, bij St. Eloy! een goede tijd is voor een wapensmid,’ eindigde Wouter, vergenoegd zijne handen wrijvende.

[p. 17]

‘Het is een ongelukkig beroep, dat alleen voordeelig gaat, als het land met oorlog en plundering geplaagd wordt,’ zeide Martha.

‘En een krijgsman dan, moeder!’ vroeg hare dochter, ‘hoeveel gevaren staat die niet uit?’

‘Een ruiter deelt slagen uit,’ zeide Van Schaffelaar opgeruimd, ‘evenals een smid: het eenig onderscheid is maar, dat hij er ook tusschenbeide ontvangt: dit maakt de meerdere onaangenaamheid van het krijgsmansleven uit.

‘Ha ha,’ lachte Wouter, ‘maar sta mij toe te zeggen, heer Jan! dat men een soldenier het best kan vergelijken bij een wandelend aambeeld, op hetwelk ieder zoo hard mogelijk tracht te hameren om de wapenrustingen te breken, die wij met zooveel zorg en vlijt hebben gesmeed.’

Vervolgens liep het gesprek over de huiselijke aangelegenheden van den smid en zijn gast. Maria en vrouw Martha wilden gaarne van alles onderricht worden; Maria vroeg zelfs naar zijn paard, en toen zij hoorde, dat het was medegekomen beklaagde zij zich, dat hij niet tot voor het huis doorgereden was. ‘Het zal Moor spijten, als hij verneemt, dat gij zoo verlangend geweest zijt hem te zien liefste! indien gij echter iets aan hem te belasten hebt, zal ik getrouw de boodschap overbrengen,’ zeide Van Schaffelaar vroolijk.

‘Gij zult alles getrouw overbrengen?’ vroeg zij schalks lachende.

‘Alles, Maria!’

‘Kan ik daarvan verzekerd wezen, Jan!’

‘Op mijn woord, indien het mogelijk is.’

‘Welnu, breng dit dan getrouw aan Moor over,’ zeide zij lachende, terwijl zij opstond en hem kuste.

‘Dochter! dochter! past het nu aan een meisje om zich zoo te gedragen?’ zeide Martha, met den vinger dreigende.

‘Bravo, Maria!’ riep haar vader lachende, ‘de mannen brengen gaarne zulke boodschappen over; laat het kind toch eens vroolijk zijn, vrouwlief! de vreugde zal kort genoeg duren.’

‘Hetgeen ik moet overbrengen heeft zooveel waarde, dat ik zonder belooning er niet toe kan besluiten,’ zeide Van Schaffelaar lachende, en hij hield haar met zijn arm omvat.

‘Een vriend voor zulk een kleinen dienst een belooning aan te bieden zou onbeleefd zijn,’ zeide Maria, haar gelaat afwendende.

‘Welnu, betaal u zelf dan maar, Van Schaffelaar!’ zeide de smid vroolijk: ‘de vrouwen houden zich altijd, alsof zij er mede...’ Hier verhinderde zijne vrouw hem te vervolgen, daar zij hare hand voor zijn mond hield.

‘Het is uw vader, die zulks goedvindt, liefste Maria!’ zeide Van Schaffelaar zichzelven betalende.

‘Genoeg! te veel!’ riep Maria; ‘foei Jan! ik had niet gedacht, dat gij zoo inhalig zoudt wezen. Ik zal voortaan mijn eigene boodschappen doen,’ zeide zij zacht, en schoof een weinig ter zijde. Zij wendde alle pogingen aan om een ontevreden gelaat aan te nemen; doch het gelukte haar niet, haar bevallig wezen in eene onvriendelijke plooi samen te trekken. Hare moeder waarschuwde haar berispende dat de strooken van haar hulsel gebogen waren, en terwijl zij dit met de nette vingers van haar blanke hand herstelde, en ter zijde naar Van Schaffelaar en ook naar haar vader zag, zeide deze laatste op eenmaal: ‘Maar hoe heeft Frank het toch, heer Jan? heeft niemand daarnaar gevraagd? Maria! hebt gij nu dien armen jongen zoo geheel vergeten, en aan Moor denkt gij wel?’

‘Ik heb nog niet naar hem gevraagd, vader!’ zeide Maria blozend, ‘ik vertrouw dat hij wèl zal zijn.’

‘Wèl is hij,’ zeide Van Schaffelaar, ‘ten minste het gaat nogal, ofschoon het beter kon.’

‘En waarom hebt gij hem dan niet medegebracht?’ vroeg vrouw Martha, ‘het ware toch beter geweest dan zoo alleen te komen.’

‘Het is zoo; maar dat zou niet gemakkelijk gegaan zijn; ook geloof ik, dat hij wel wat anders in het hoofd had dan met mij mede te gaan.’

‘Ha, ha! ik begrijp het al,’ riep Wouter, ‘dan is hij verliefd, niet waar?’

‘Frank verliefd?’ vroeg Maria verwonderd.

‘Ja, en waarom niet, Maria? de meester heeft het geraden,’ zeide Van Schaffelaar vroolijk. ‘Frank is immers een knappe jongen.’

‘En die, bij St. Eloy! wel naar een meid kan omzien,’ zeide Wouter, ‘gij zit immers naast uw vrijer, Maria! gun dan den armen jongen ten minste ook een klein genoegen; hij moet zich wel getroosten, daar zijne Amersfoortsche vrienden niet eens aan hem denken.’

[p. 18]

Maria zweeg verlegen; maar hare moeder vatte het woord op en zeide: ‘Onze dochter heeft wel gelijk! hij had nog wel wat kunnen wachten tot hij wat om- en aanhad; dat had nog geen haast. Gij hadt wel wat beters kunnen zeggen dan aan de klok te hangen, dat wij ons meer met heer Jan dan met een knaap bemoeid hebben, die ons eigenlijk niet aangaat.’

‘Ho, ho! moeder! wat rijdt gij weer op den bezem!’ riep Wouter lachende; ‘zoodra de vrouwen van vrijen en trouwen hooren, dan zijn ze in haar element. Zeg het nu maar ronduit, moeder! Ha, ha! zijt gij jaloersch op den armen jongen of op zijn meid? En wat zegt Griet er wel van?’ vroeg hij luid, en wendde zich naar deze, die tot nu toe alleen maar nu en dan aan het gesprek had deelgenomen.

‘Dat men eerst weten moet, wie de jonkman in het oog heeft, voordat men kan oordeelen, meester!’ hernam zij.



illustratie

‘De oude Griet heeft meer verstand om over eene vrijpartij te spreken, dan gij, Wouter!’ zeide zijne vrouw.

‘Ik wilde u juist hetzelfde zeggen, lieve Martha!’ hernam de smid; ‘maar wees zoo goed om te vragen, hetgeen gij weten wilt; ik zal zwijgen.’ Dit zeggende wierp hij een blik vol beteekenis op Van Schaffelaar, zag zijn vrouw van ter zijde aan, haalde zijne schouders op, schonk de bekers vol, nam den zijnen in de hand, en eindigde lachende: ‘Op uwe gezondheid, heer Van Schaffelaar.’

‘Als gij wat eer gezwegen hadt, dan was alles nu al afgepraat,’ hernam zijne vrouw, die Griet eens aanzag, en met het hoofd schudde. ‘Wees zoo goed, heer Jan! en zeg mij, zoo gij het weet, hoe zijn meisje heet en wat hare ouders doen.’

Van Schaffelaar had den kleinen twist tusschen den man en de vrouw onopgemerkt laten voorbijgaan, en stak Maria zijne hand toe, in het vertrouwen, dat zij hem de hare zou reiken; eindelijk had hij haar ook, door den smeekenden blik van zijn donker oog, overgehaald aan zijn verlangen te voldoen. En echter nog niet tevreden, wilde hij, dat zij weder vlak naast hem zou komen zitten. Zij deed vruchtelooze pogingen om hare kleine hand, die hij zorgvuldig vasthield, wederom vrij te krijgen, maar zij scheen zich eindelijk te onderwerpen, daar zij hem gewillig hare hand overliet en aan zijne zijde plaats nam; doch op het oogenblik, dat haar vader hem den dronk toebracht, dien hij moest beantwoorden, en hare moeder hem aansprak, rukte zij schielijk hare hand los, en schoof ter zijde.

‘Maria! bedenk, hoe spoedig ik weder vertrekken moet,’ zeide hij zacht, doch met gevoel, waarna hij vervolgde: ‘Om u de waarheid te zeggen, lieve vrouw Martha! zoo weet ik er zelf niet veel van, daar Frank er mij niets van gezegd heeft, ofschoon ik hem er meermalen naar gevraagd heb; ja, hij zegt dat hij niet verliefd is, en dat al hetgeen men mij gezegd heeft, maar uitstrooisels zijn. Ik heb dan gehoord, dat zekere jonkvrouw uit Utrecht, die bij haar oom, heer Loef Van Oosterweerd woont, hem ondubbelzinnige blijken van hare liefde heeft gegeven, en dat heer Loef hem zeer vriendelijk ontvangen heeft.’

‘Is zij rijk?’ vroeg Martha. ‘O, zeg het mij, of zij jong en schoon is, Jan!’ zeide Maria, die weder wat naar hem was toegeschikt.

‘Ik geloof, dat zij dat alles is,’ antwoordde hij, ‘ten minste weet ik, dat haar oom zeer rijk is, maar tevens zeer gierig; ook heb ik gehoord en dit zou mij doen denken, dat Frank waarlijk niet op haar verliefd is, dat zij op den duur niet goed bij het verstand is, en het er nu en dan zoo wat doorloopt.

‘Een mooie gekke vrouw met geld is zoo kwaad niet, als zij maar niet nijdig is,’ zeide Wouter.

‘Ik hoop toch, dat Frank haar niet zal nemen; een jongen, die zijne ouders niet kent, is ook geen goed man voor zulk een vrouw van aanzien,’ zeide Martha.

‘En waarom niet?’ zeide Wouter; ‘het kan wel zijn, dat, zooals Van Schaffelaar zegt, onze arme Frank niet van de jonkvrouw houdt, en evenwel zin heeft in hare bezittingen; voor een armen ruiter is het geen zaak van klein gewicht, om in eens zoo maar een rijk man te worden; dat brengt den jongen van stuk.’

‘Ik geloof niet, vader! dat Frank een vrouw zal nemen uit eigenbelang,’ zeide Maria; ‘gaarne zou ik haar eens zien, die hem bemint. Zij is schoon, niet waar, Jan? en niet

[p. 19]

trotsch; ik houd reeds veel van haar, omdat zij Frank liefheeft en wil wedder, dat men haar zinneloos noemt, omdat zij een armen verlaten ruiter bemint: en ik, ik vind, dat het, een bewijs is van hare oprechtheid en der goedheid van haar hart.’

‘Spreek altijd zoo, Maria!’ riep Van Schaffelaar aangedaan, en hij sloot haar in zijne armen, ‘en nimmer zal het mij vervelen naar u te luisteren; indien ik u niet reeds met geheel mijn hart beminde, dan zou ik u in dit oogenblik voor eeuwig mijn liefde schenken.’

‘En vreest gij niet, heer Jan Van Schaffelaar!’ zeide zij vriendelijk lachende, terwijl zij zijn haar met hare fijne vingers gladstreek, ‘dat men u voor zinneloos zal houden, omdat gij de vrijer zijt van Maria, Wouter's dochter? Bedenk eens, gij, een edelman, en ik, een burgermeisje; gij, zoo dapper, zoo gezien bij den eerwaarden heer Bisschop en alle krijgslieden, en ik...’

‘En gij, zoo bevallig, ofschoon wat dartel,’ viel Van Schaffelaar haar in de rede, en drukte hare hand aan zijne lippen; ‘hoe men mij noemt om onze liefde, scheelt mij weinig; alleen als ik uw hart verloor, zou ik zinneloos worden, Maria!... doch voor korten tijd slechts; weldra zou ik sterven van verdriet...’

‘Dat nimmer,’ zeide zij zacht, en een traan ontrolde haar bekoorlijk oog; ‘indien mijn hart u ontrouw werd, zou het aan mij staan om van berouw en smart te sterven; maar neen, Jan! bij de Heilige Moeder Gods, ik gevoel, dat ik u altijd zal liefhebben.’

‘Om mij voortdurend gelukkig te maken,’ zeide Van Schaffelaar, haar op het voorhoofd kussende.

‘Amen!’ zeide de smid: ‘onder uw goedvinden zullen wij God danken voor hetgeen wij genoten hebben.’ Hierna sprak hij het dankgebed uit, en de oude Griet verliet nu de tafel, bracht de overgebleven spijzen weg, en zette daarentegen eenige andere gerechten op de tafel, hoofdzakelijk bestaande uit fijn brood, dat hard gebakken was, boter en een paar soorten van kaas, onderscheidene soorten van koekjes, amandelen, okkernoten, enz.

Griet verliet nu het vertrek, dewijl zij geen deelnam aan het nagerecht. Vrouw Martha had op last van haar man een nieuwe kan wijn gehaald, Maria voor haar en hare moeder ook zilveren bekers gekregen, en de smid deed de deur dicht, toen zijn vrouw gezeten was.

‘Ziezoo!’ zeide hij, ‘nu zijn wij eens geheel onder ons, uitgezonderd de kleine Snip, die zich onder de vrienden geplaatst heeft.’ Het hondje had zich namelijk op de bank tusschen Van Schaffelaar en zijn vrijster geplaatst, en niet voldaan met het koekje, dat de laatste hem reeds gegeven had, zag hij dan hem, dan haar met bedelende blikken aan, ja verstoutte zich nu en dan zelfs hunne aandacht tot zich te trekken door een zacht gekef of het aankrabben met zijn poot. ‘Wat zit die hond daar aardig, Martha!’

illustratie

vervolgde hij; ‘hebt gij niet eens verteld, Maria! dat de hond het zinnebeeld der getrouwheid is?’

‘Ja, vader! ten minste zoo is mij meer dan eens gezegd,’ antwoordde zij, en streelde den kleinen Snip.

‘Welnu, kinderen!’ vervolgde hij ernstig, ‘ik hoop dat dit onnoozele dier een voorteeken zal zijn van de getrouwheid, die tusschen u beiden zal plaats vinden; een getrouwe vrouw is zoo noodig voor den krijgsman, als hij op last van zijn leenheer of aangenomen gebieder in het veld trekt en een soldaat heeft driemaal zooveel getrouwheid noodig als een burger, om zijn vrouw en de huwelijkstrouw niet te vergeten, als het in den oorlog lustig toegaat; ik weet er zoowat van, ofschoon ik nog vrij man was, toen ik de wapens droeg.’

‘Ook zou ik u nooit genomen hebben, als gij niet van het soldatenleven hadt afgezien, Wouter!’ zei Martha.

‘Ik voor mij,’ antwoordde hij lachende, ‘ik wil niet zeggen, dat ik u niet zou hebben durven trouwen, zoolang ik nog soldaat was.’

‘Kom, kom, Wouter! staak nu eens vooral die malle praatjes; de tijd gaat zoo spoedig om, dat wij dien niet behoeven te verslijten met elkander te hekelen; heer Jan heeft mij gezegd, dat hij iets wenschte te vragen, waartoe het mij nu voorkomt, dat dit oogenblik zeer geschikt zou zijn.’ Dit zeggende, wierp Martha een vriendelijken en aanmoedigenden blik op Van Schaffelaar.

‘Welnu, het zal mij genoegen doen te vernemen, wat onze gast te zeggen heeft of verlangt; ik heb zijn gedachten reeds vooruit geraden; een oud soldaat weet wat een edelman verlangt, als hij ten oorlog gaat. Heb ik wel geraden, Van Schaffelaar? Nu, zeg

[p. 20]

op, gij schijnt te aarzelen; ik weet het toch al, en heb er voor gezorgd; een opperdeugdzaam harnas heb ik voor u klaargemaakt.’



illustratie

‘Och, Wouter!’ riep Martha knorrig, ‘gij droomt van harnassen; heer Jan denkt daar niet aan.’

‘Hoor vrouwlief! antwoordde hij, “bemoei u met uwe huishouding, maar niet met dingen, waarvan gij niets weet; ik weet beter dan gij de gedachten van een krijgsman te raden; wat zegt gij er van, Van Schaffelaar! heb ik het geraden of niet?”

“Ja en neen, meester!” antwoordde deze, zeker verlangt een ruiter met goede wapenen te dienen; en ofschoon ik reeds vroeger deugdzaam bewerkte wapens van u heb gekregen, kan een nieuw stel mij nimmer te onpas komen, vooral als zij door u of in uwe werkplaats vervaardigd zijn; een goed soldaat haakt steeds naar eene goede rusting. Aan die zijde hebt gij dus aan mijn verlangen voldaan, reeds voordat het tot rijpheid gekomen was; ik dank u van harte.’ Dit zeggende, reikte hij hem de hand, waarna hij vervolgde: ‘Aan de andere zijde moet ik erkennen, dat uwe vrouw gelijk heeft, dat ik u over een ander onderwerp wenschte te spreken; namelijk over iets, dat mij dierbaarder is dan mij zelven, en u meer dan al uwe wapenen en bezittingen; ik wenschte u te spreken over Maria.’

‘Zeer gaarne zal ik en mijne vrouw aanhooren, wat gij te zeggen hebt,’ zeide de smid; ‘want van die zaken weet Martha ook mede te praten, en Maria zal gaarne luisteren. Nu, nu, kind! bloos maar niet.’

‘Meester!’ zeide Van Schaffelaar, ‘reeds een jaar is er verloopen, sedert het mij werd toegestaan Maria te vrijen; voor mij, die haar reeds sedert lang beminde, is deze tijd omgevlogen; ik heb haar thans zoo lief, als ik voorheen niet wist, dat ik zou kunnen liefhebben; haar gedrag, hare opvoeding, haar inborst heb ik leeren kennen, ofschoon ik hare deugden niet naar behooren weet te schatten.’

‘O, Jan, zeg niets meer,’ zeide Maria verlegen. ‘Ik bid u, zeg niets meer.’

‘En waarom zou ik aan uwe waardige ouders niet zeggen, Maria! hoe hoog ik u acht; doch ik wil u wel gehoorzamen en vervolgen. Beste vrienden! wat mij zelven betreft, Maria zal het best weten hoe na ik haar aan het hart lig, en ik mag aan u, hare ouders, indien gij u zelven er niet reeds van bewust waart, wel zeggen, zonder onbescheiden te zijn, dat ik mij durf vleien, dat mijne liefde haar niet ongevallig is; zij heeft mij immers reeds zoovele blijken gegeven van teedere verknochtheid. Dit alles, waarde meester! gevoegd bij den tegenwoordigen toestand van het land, doet er mij naar haken, om door een naderen, meer vasten en onverbreekbaren band aan haar verbonden te worden; ik ben gekomen ten einde u om hare hand te verzoeken, en haar voor God en de menschen tot mijne echte vrouw te nemen.’

Toen hij begon te spreken, kon men hooren dat hij sterk aangedaan was; maar langzamerhand werd zijn stem vaster en meer bedaard. Deze woorden, die met zooveel gevoel werden uitgesproken, dat Maria en hare moeder tranen stortten van aandoening, en zelf de oogen van den ruwen werkman vochtig werden, verrieden dat Van Schaffelaar de waarde kende van zijn verzoek. Kan er ook iets van meer belang voor den braven edelman zijn dan de keuze van eene deugdzame huisvrouw, de moeder zijner kinderen, van haar aan wie hij zijn eer en die van zijn geslacht wil toevertrouwen?

‘Heer van Schaffelaar!’ zeide de smid, na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, ‘ik had dit verzoek moeten verwachten, maar zie, ik dacht er niet aan. Ik zal niet zeggen hoe het ons vereert, u om de hand onzer dochter aanzoek te zien doen; de geheele stad moge er verwonderd over zijn, ik niet; ik ken u; en weet dat Maria, ofschoon niet van adel, uwer waardig is; ik dank u dus in haar naam. Maar,’ vervolgde hij aarzelende, ‘zou het wel een geschikte tijd zijn om bruiloft te houden? Indien gij haar met u medevoert, zal zij dan hier, dan daar haar verblijf moeten houden; hare moeder en ik zelf zouden dat niet gaarne zien. Uwe jonge vrouw hier achter te laten, komt mij ook niet

[p. 21]

aannemelijk voor; een vrouw moet immers lief en leed deelen met haar man; ik weet inderdaad niet, wat te doen. Wat zegt gij er van, Martha?’

‘Ik bedank heer Jan voor zijn aanzoek, en uit naam van Maria,’ zeide zij, ‘maar om haar nu te missen, en het meisje, dat ik zoo lang met zorg heb opgevoed, zoo maar op hare jaren de wereld te laten ingaan, en wel in dezen akeligen tijd, ach neen! daartoe kan ik niet besluiten.’

‘Bedenk, meester! bedenk, lieve moeder!’ hernam Van Schaffelaar met vuur, ‘dat juist die redenen mij overhalen om op mijn aanzoek te blijven staan. Maria is nog jong, het is zoo, maar ik ben zoo jeugdig niet; een jongeling is veeltijds zonder reden ongeduldig in huwelijkszaken; op mijn jaren ben ik het op vaster gronden. Zal Maria niet veiliger wezen als mijne vrouw, dan zonder deze aanspraak op elks ontzag? Is er iets heiliger, na een moeder, dan een getrouwde vrouw? ik geloof het niet. En dan nog dewijl ik zie, dat het woord er uit moet, juist in dezen tijd, juist omdat weldra de oorlog met woede kan beginnen, zou het mij zoo onbegrensd gelukkig maken, Maria de mijne te kunnen noemen, voordat, o ja, mijne vrienden! voordat misschien de dood mij verhindert haar echtgenoot te worden.’

‘O, Jan, Jan! gij sterven!’ riep Maria snikkende, ‘welk een akelige gedachte! neen, als gij mij trouwt, moet gij mij nooit verlaten, zweer mij dit. O God! gij sterven! en ik dan!’

‘Maria! beste Maria!’ antwoordde hij aangedaan, en sloot haar kussende in zijne armen, ‘ik bid u, ween niet, ik wil niet sterven, maar met en voor u leven. Wij, ruiters, spreken zonder omwegen over den dood; ik had dat niet moeten zeggen.’ Hij wischte haar de tranen uit de oogen, en haar vol liefde aanziende, vervolgde hij: ‘Komaan, lief kind! zie mij eens aan! ben ik niet groot en sterk? Draag ik niet de rusting van uw vader, van den meester uit de Vergulde Helm? Is Moor niet een goed paard? Zijn mijne rijzige ruiters niet dapper, en is mijnheer St. Maarten niet een goed patroon? Wie zou den arm doen buigen, die uw ring droeg? wie het hart treffen, dat door u reeds geheel is ingenomen? Wie zal mij overwinnen, indien mijne kleine, lieve Maria, te huis, met verlangen naar haar echtvriend uitziet?’ eindigde hij zacht, terwijl hij vroolijk lachende haar nogmaals kuste.

‘Waarom daarover ook gesproken?’ zeide Martha, die zelve geweend had.

‘De oorlog is zoo vreeselijk niet, ik weet er zoo wat van,’ zeide de smid; ‘indien men het wint, verliest men zelden veel volk, en indien men een slag verliest, loopt men zoo hard, dat men niet kan achterhaald worden; het komt gewoonlijk op den kop neder van die arme snaken, welke handgemeen worden, voordat het ruchtbaar wordt of hunne partij voor- of achteruit moet. Kom meid! huil daarom maar niet, alles zal beter afloopen dan gij denkt; een vrijster van een edelman moet om zoo weinig de lip niet laten hangen.’

Van Schaffelaar, die geen naverwanten had, en Maria erfgenaam wenschte te maken, verlangde ook daarom te huwen. De smid daarentegen hield hem voor, hoe hij reeds onaangenaamheden in de stad had gehad over de verkeering tusschen een edelman in dienst van den Bisschop en zijne dochter; en hij liet zijne vrees blijken, dat hij bij de gisting der gemoederen aan zijn persoon en zijne goederen zou kunnen benadeeld worden, indien het huwelijk doorging voordat de zaken geschikt waren. Vrouw Martha wilde er ook niet van hooren, hare dochter te laten vertrekken op een oogenblik, dat haar man haar geen behoorlijke woonplaats kon aanwijzen en bij haar blijven. Van Schaffelaar gevoelde de gegrondheid dezer tegenwerpingen zeer goed; het kwam hem ook niet in de gedachten om een beroep te doen op de liefde van Maria, als te wel bekend met de rechten harer ouders,