terug  begin  verderprepost
[p. 49]



illustratie

III. [De Roode Draak]

 
Zegt u uw hart dan niet, hoe zeer gij wordt bemind?
 
Voelt gij dan niet, hoe mij uw afzijn kan bedroeven,
 
Door 't geen uw hart zelf ondervindt?
 
Dan mint gij mij niet meer - náár denkbeeld! 't doet mij beven!
 
E. Wolf, geb. Bekker.



illustratie

BISSCHOP David, door de wederspannigheid der ingezetenen van Utrecht, uit deze stad, den zetel van zijn bisdom, verdreven, hield meestentijds zijn verblijf in Wijk-bij-Duurstede; de ingezetenen, en zij die aan het hoofd der regeering stonden, waren door de voorrechten, welke de Bisschop hun van tijd tot tijd verleend had, zoodanig in zijn voordeel gestemd, dat zij met kracht de aanzoeken van de partij, die in Utrecht meester was, om, even als deze, hun wettigen heer ook af te vallen, van de hand hadden gewezen. Zij genoten nu ook het voorrecht en het voordeel, den Bisschop en zijn stoet van geestelijke en wereldlijke heeren te herbergen; en het groote aantal zijner aanhangers, die uit Utrecht, Amersfoort, Montfoort, en andere plaatsen gevlucht of verdreven waren, veroorzaakte, dat alle huizen in de stad, van den zolder tot den kelder, zooals men zegt, in gebruik genomen waren; hetgeen een stijging der huurprijzen en levensmiddelen deed ontstaan, die velen een groot voordeel aanbracht. Kramers met allerlei koopwaren, reizende goochelaars, speellieden en zeggers of vertellers van allerlei wonderlijke historiën, welke lieden toen nog niet geheel uitgestorven waren, bezochten nu ook dit stadje, en verspreidden er een vroeger onbekende levendigheid.

De bisschop had het dus der gehechtheid van deze stad aan zijn persoon te danken, dat ook dit toevluchtsoord niet voor hem gesloten was; ook kon hij hier in veiligheid vertoeven, totdat zich een gelegenheid opdeed, om zich, hetzij door geweld of door list, weder meester van Utrecht te maken. Het kasteel, dat aan het zuidwestelijk gedeelte der stad lag, en door hem aanmerkelijk was verfraaid, verstrekte hem tot verblijfplaats; aldaar had hij gelegenheid en den tijd om zich de dagen te herinneren, toen de macht van zijn vader, en later van zijn broeder Karel, hem in het bezit van het bisdom rugsteunde, terwijl hij nu van de genade des Oostenrijkers afhing, die met zijne nicht gehuwd was, en, zich weinig bekreunende of Montfoort of Bourgondië in Utrecht meester was, alleen maar handelde om zijn eigen oogmerken te bereiken. Goedschiks moest de vernederde Bisschop dus aanzien, dat een zijner leenmannen in zijne stad het bevel voerde, dat zijn gezag straffeloos gehoond, en zijn bisdom in den grond bedorven werd; hij moest dankzeggen en nederig vragen, terwijl zijn hart met moeite de woede verkropte over het weinige, dat voor hem gedaan werd. Zijn eenige hoop bestond in de mogelijkheid, dat zijne vijanden zich misschien zouden laten verleiden, om iets tegen Holland te ondernemen, en met verlangen zag hij de tijding te gemoet, dat de fakkel der brandstichting zijne bondgenooten uit den slaap zou opwekken, waarin zij als verzonken schenen.

Omstreeks het midden der maand Juni zat Van Schaffelaar met Frank voor de ramen der tweede verdieping van de herberg de Roode Draak, op de markt te Wijk. Het luiden der klok kondigde de vrijheid der paardenmarkt aan, die den volgenden dag zou gehouden

[p. 50]

worden, en de drukte, welke er op de markt heerschte, liet voorzien dat het een der meest bezochte marktdagen zou zijn, die men in lang niet gezien had.

Van Schaffelaar had met aandacht gezien naar de vlugge sprongen van een aap, die op den schouder van een grooten bruinen beer gezeten was; hij kon uit het venster, over de hoofden der aanschouwers heen, in den kring zien, binnen welken het logge dier zich bewoog, dat, aangemoedigd door het zien en het voelen van den stok zijns meesters, op het geluid van een trom in het rond danste. Toen de makker van den berenleider de inzameling der kleine koperen geldstukken verricht had, zweeg de muziek; de opeengepakte hoop menschen verspreidde zich, en de beer werd met den aap weder naar een ander oord der stad gevoerd; slechts eenige kinderen volgden de berenleiders, in de hoop van zich elders nog eens op dezelfde vertooning te vergasten.

Toen de trom zich niet meer liet hooren, keerde Van Schaffelaar het hoofd om, en liet zijn oog vallen op Frank, die, aan de andere zijde van de lompe tafel, voor het kruisraam zat. Evenals zag hij naar hetgeen er op de markt voorviel, zoo staarde hij op de kleine groene glasruiten; maar de onbeweeglijkheid van zijn blik en zijn gelaat verried, dat hij niets zag van hetgeen hem omringde.

‘Waaraan denkt gij, Frank?’ vroeg Van Schaffelaar vertrouwelijk, terwijl hij zich een weinig over de tafel boog.

‘Ik?’ vroeg Frank, schielijk van schrik opspringende, toen hij zoo op eens werd aangesproken.

‘Ja! gij!’ vervolgde van Schaffelaar.

‘O, ik denk aan niets,’ antwoordde Frank bedaard, ‘er is daar buiten zooveel te zien; welk een drukte is er op de markt!’

‘En hoe is u die vertooning van die dieren bevallen?’ vroeg nogmaals de andere, terwijl hij hem oplettend gadesloeg.

‘Vrij wel!’ hernam Frank verlegen, die van al hunne kunsten niets gezien had, en nu opmerkzaam over de markt rondzag, of hij ook ontdekken kon, wat voor beesten het geweest waren. Doch zijne pogingen waren vruchteloos, en Van Schaffelaar had moeite om een glimlach te onderdrukken, toen Frank op eens vervolgde: ‘Het is ook al een onaangenaam beroep om berenleider te wezen;’ want het geluid van den berendans klonk hem flauw door het raam in de ooren, en hij herinnerde zich nu, dat hij voor weinige oogenblikken hetzelfde eentonige getrommel gehoord had.

Van Schaffelaar dacht in het eerst, dat hij zich bedrogen had en dat Frank, ofschoon dan geen oplettend aanschouwer geweest zijnde, evenwel toch wat van de kunsten gezien had. Doch op de vraag, welke beer hem voorkwam de oudste te zijn, de bruine of de zwarte, noemde Frank, op goed geluk, den bruine, waarop Van Schaffelaar het hoofd schudde en zeide:

‘Te vergeefs is het, beste Frank! dat gij voor mij zoekt te verbergen, dat uwe gedachten op geheel iets anders gevestigd geweest zijn. Ik zie het al, gij hebt niets gezien en weinig gehoord; maar waarom mij uw hart niet geopend? ik ben niet rijk en machtig; gij weet het; maar Van Schaffelaar heeft toch eenigen invloed bij onzen heer Bisschop, die ofschoon hij zich zelven niet kan helpen, nog wel iets kan doen voor een ruiter, zooals gij zijt.’

‘Indien ik voorgewend heb,’ zeide Frank, ‘dat mij niets ontgaan is van die kunsten hier op de markt, zoo is het, omdat ik vreesde door u uitgelachen te worden; maar als ik eens wat diepdenkend ben, zoo is het niet van dien aard om er u, laat staan zijn Eerwaarde, mede lastig te vallen; dat zal wel overgaan, Van Schaffelaar! ik dank u,’ en met voorgewende vroolijkheid vertoonde zich een gedwongen lach op zijn bleek gelaat.

‘Ik zelf, Frank!’ hernam Van Schaffelaar vertrouwelijk, die geen acht sloeg op de gedwongen opgeruimdheid van den jongeling; ‘ik ben reeds eenige jaren ouder dan gij, en toch verdiep ik mij ook wel eens in mijne gedachten; zooeven nog dacht ik aan Maria, aan hare moeder en den vroolijken meester uit de Vergulde Helm, en ik zou gaarne willen weten, hoe zij het met hunne gezondheid maken; ik wed, dat gij ook dikwerf aan uwe vrienden in Amersfoort denkt.’

‘Zeer zeker,’ hernam Frank langzaam; ‘de vriendschapsbewijzen, die ik van hen ontvangen heb, zal ik, zoolang ik leef, niet vergeten; ik hoop dat God hen in deze tijden bewaren zal.’

‘In het vervolg van tijd, als wij den oorlog gelukkig doorkomen,’ zeide Van Schaffelaar

[p. 51]

vroolijk, ‘dan zullen wij genoegelijke dagen doorbrengen; gij moet ons dan dikwerf bezoeken. Ha! wij zullen dan eens zien, of er nog herten op de Veluwe zijn, op de Schaffelaar zal steeds een vertrek voor den rijzigen ruiter Frank gereed zijn, als hij met den Gelderschen pot tevreden is, en het rond onthaal van zijn gastheer en diens vrouw hem bevalt. Nu, wij kennen elkander immers, en de gastvrouw is u ook niet onbekend; Maria, de dochter van meester Wouter, is nog een

illustratie

oude bekende, niet waar? Heugt het u nog wel Frank! dat wij dikwijls met haar gespeeld hebben in den tuin in de Langestraat, en hoe vlug het lieve kind kon loopen, als zij ons uittartte haar te krijgen? Ha, ha! beste jongen! het heugt mij ook nog, dat ik meestentijds gelukkiger of sneller was in haar te achterhalen dan gij; maar dat is al een geruimen tijd geleden; ik beminde Maria toen al in het geheim, en nu is zij mijne bruid! O, Frank als gij ook eens bruidegom zijt van een meisje dat gij bemint, en dat u liefheeft, zult gij eerst gewaar worden, welk geluk er in dit woord ligt opgesloten.’

Frank antwoordde niet, maar uitte een onwillekeurigen uitroep, en terwijl hij zijn rug naar het glasraam wendde, drukte hij zijne linkerhand tegen zijne borst en liet het hoofd op de rechterhand vallen, die met den arm op de tafel steunde.

‘Wat zegt gij?’ vroeg Van Schaffelaar; er is hieronder in het voorhuis zulk een leven, dat ik u niet verstaan kan.’

‘Helaas! ik zeg,’ zeide Frank, zich geweld aandoende om te spreken, ‘dat niet iedereen voor zulk een geluk geschapen is.’

‘En waarom niet?’ hernam Van Schaffelaar; ‘kan elk man niet rondzien naar een huisvrouw? heeft hij niet de gelegenheid, uit de meisjes die hij ziet, een bruid te kiezen, volgens de begeerte van zijn hart?’

‘Maar indien deze keuze eens valt op iemand boven zijn stand, wat dan?’ riep Frank met drift, waarna hij somber vervolgde: ‘Een edelman, zooals gij, kan kiezen; maar iemand van mijn soort, zonder naam of ouders, wie zou zijne bruid willen zijn?’

‘Wie?’ zeide Van Schaffelaar verwonderd; ‘welk meisje vraagt naar naam of afkomst, als een welgemaakt jonkman haar zijne liefde bekend maakt, als hij haar hart doet spreken? Vooral een krijgsman kan dit alles ontberen, Frank! Wanneer hij haar in prachtigen dos, op een moedig paard gezeten, fier voorbijrijdt, terwijl de trompetten schetteren, kan zij haar oog niet van hem afwenden; en als de ruiter op zijn borstharnas de hand legt, zijn hoofd met den wapperenden vederbos voor haar buigt, en zijn vurigen blik om wederliefde schijnt te smeeken, dan kan zij zoo hardvochtig niet zijn om zijne liefde te versmaden. Gij zijt nog jong en geschikt voor den krijg; waarom zou u het geluk ook niet toelachen, dat aan zoovele onbekende krijgslieden te beurt gevallen is?’

Doch Frank antwoordde niet veel op deze bemoedigende toespraak van zijn vriend en weldoener, en deze vroeg: ‘Is uwe gedachte gevestigd op die jonkvrouw te Utrecht, Frank? die zal immers uwe hand niet weigeren; want ik geloof, dat zij veel van u houdt. Zij is ongelukkig, maar ik zou uwe keus niet misbillijken; zie, ik wenschte, dat zij u kon behagen.’

‘Aan haar,’ hernam Frank, het hoofd schuddende, ‘denk ik niet; ik beklaag haar, en wenschte gaarne als vriend alles voor haar te doen, dat haar gelukkig maken kon; maar haar beminnen, Van Schaffelaar! haar den zoeten naam van bruid geven, dat kan ik niet.’

‘Maar wat hapert er dan aan uw geluk, vriend!’ hernam Van Schaffelaar met vuur. ‘O! maak aan dat lang en somber zwijgen een einde; gij zijt zoo jong, maar gij verteert

[p. 52]

van hartzeer. Spreek toch, bid ik u, gij zijt een man; waarom zal ik het verzwijgen: gij sterft, Frank! zonder het zelf te weten!’

‘O! ik gevoel het wel,’ antwoordde deze zacht, ‘het zal gaan zooals de oude Ralph gezegd heeft; het noodlot wil het zoo.’

‘Denkt gij aan hetgeen die grijsaard in zijne drift gezegd mag hebben!’ vroeg Van Schaffelaar verwonderd, ‘kom, stoor u niet daaraan, laat hem praten.’

‘En toch verliet ik den ouden man, die mij had opgevoed,’ zeide Frank. ‘hij zwerft nu alleen op de heide rond.’

‘Hij kon niet vergen, dat gij steeds bij hem zoudt blijven,’ hernam Van Schaffelaar, ‘misdeedt gij al, toen gij mij volgdet, het zou dwaasheid zijn nu de loopbaan te verlaten, welke gij zijt ingetreden; gevoel u daarover niet bezwaard.’

‘Helaas! het is ook daarover niet, ik moet het u ronduit zeggen, dat ik tusschenbeide zoo droefgeestig ben,’ antwoordde Frank, waarna hij, opstaande, met drift vervolgde: ‘maar dat zal overgaan, dat moet voorbijgaan. Van Schaffelaar! alles wat ik ben, wat ik misschien nog eenmaal worden kan, heb ik aan u te danken; uwe bezorgdheid voor mij, die ik niet verdien, vernedert mij in mijne oogen. Wat verlangt de herdersknaap nog meer dan gij hem gegeven hebt, of moet hij zich niet gelukkig achten, dat een edelman, als gij, hem vriend noemt, en als zijns gelijke behandelt, dat hij in zijn huis en aan zijne tafel ontvangen wordt? Vraag dus niet meer, edele vriend! ik zal weer vroolijk en gelukkig zijn.’

‘Het zal mij veel genoegen doen, Frank!’ antwoordde Van Schaffelaar, hem hartelijk de hand schuddende, waarna hij lachend vervolgde: ‘en na den oorlog houden wij te zamen bruiloft, indien gij u over de jonkvrouw ontfermt, of een andere bruid kunt vinden.’

De jonge ruiter zeide niets, maar keerde zich snel om, en ging naar de deur van het vertrek. Hij opende ze, en terwijl hij zijne hand tegen zijn voorhoofd drukte, riep hij: ‘Henri! Henri!’

‘Wat wilt gij!’ vroeg Van Schaffelaar, toen Frank de deur toedeed, en weder naar de tafel trad.

‘Ik heb dorst,’ antwoordde deze, ‘ik wil hem een kan bier of wijn laten geven.’

‘Mijn God! Frank!’ riep Van Schaffelaar op eens, ‘wat ziet gij bleek, zijt gij ziek? wil ik den meester laten komen?’

‘Neen, Van Schaffelaar!’ antwoordde deze langzaam, terwijl hij ging zitten, ‘ik ben een weinig koud; een teug wijns zal alles wel weer goed maken.’

‘Of willen wij een kleine wandeling gaan doen? de lucht zal u versterken; wij zullen zacht gaan, en gij kunt op mijn arm steunen.’

‘O, neen, ik dank u, ik wil liever hier blijven,’ hernam Frank, waarna Van Schaffelaar uitriep: ‘Zoo als gij wilt; maar waar blijft die praatzieke jongen toch?’ Hij trad hierop naar de deur, maar op het oogenblik, dat hij gereed stond om de hand aan de klink te slaan, liet zich eenig gerucht voor de deur hooren, die nu geopend werd en onze oude kennis Heintje trad met de muts onder den arm de kamer in.

‘Ik geloof, dat Frank geroepen heeft,’ zeide hij, zich buigende; want Van Schaffelaar zag hem verstoord aan.

‘Indien gij het geloofdet, was het uw plicht om dadelijk te zien of het zoo was,’ zeide deze barsch.

‘Ik dacht, dat gij wijn verlangdet, Heer!’ antwoordde de knaap nederig, ‘en heb dien medegebracht; anders was ik reeds eerder hier geweest.’

‘Het is goed, knaap!’ vervolgde Van Schaffelaar, ‘maar ik wil dat gij voortaan eerst komt vragen, wat ik of Frank van u verlange.’

Henri zette een aarden kan en twee bekers op de tafel. Hij droeg nu een fraai gewaad, geheel van rood laken, uitgezonderd de linkermouw en de achterpijp van de hozen of broek, welke van geel laken waren, hetgeen overeenkwam met de kleuren van het wapen zijns meesters; een manteltje van zwart laken en een half roode, half gele muts voltooiden zijne kleeding.

‘Zal er ook nog iets anders van uwe bevelen zijn, Heer!’ vroeg de knaap, eerbiedig wachtende.

‘Neen!’ antwoordde Van Schaffelaar, ‘maar denk om hetgeen ik u gezegd heb, en gedraag u zoo, als het den knaap van een edelman betaamt; ik zou niet gaarne zien, dat i emand die mijne livrei draagt zich bespottelijk aanstelde.’

[p. 53]

Henri boog zich en verliet het vertrek met haast, om zich weder bij het gezelschap te voegen, dat hij zoo ongaarne had verlaten. Men zou in hem den haveloozen staljongen niet herkend hebben, nu hij goed gekleed was, en sedert geruimen tijd vrij gemakkelijk en zeer goed geleefd had. Gebruik makende van het ontzag, dat men voor hem in de herberg had, waar zijn meester reeds lang was gehuisvest, wist hij zich door zijn grootspreken en den stijven, gemaakten toon, dien hij aangenomen had, een zeker gezag aan te matigen, hetwelk niemand aan den trouwen knaap van den heer Van Schaffelaar, ruiteraanvoerder van den eerwaardigen heer Bisschop, durfde betwisten.

‘Daar begint het leven weder,’ zeide Van Schaffelaar lachende, nadat zij gedronken hadden. ‘Zoo is Heintje niet beneden, of het spel is volmaakt: het is een aardige soort van een jongen.’

‘Ja, maar tevens ook een goede soort,’ hernam Frank; ‘hij is beter dan hij er uitziet, geloof ik; maar de tijd zal het leeren.

Hoor eens! ik geloof, dat hij bezig is wat te vertellen; mogelijk verhaalt hij aan zijne toehoorders de een of andere vreemde historie, die hij van een ander gehoord heeft, en waarin hij nu zich zelven misschien als hoofdpersoon voorstelt; mogelijk worden wij ook niet vergeten, want in zulke gevallen kan hij liegen, alsof het geschreven stond,’ zeide Van Schaffelaar luisterende.

‘Ik geloof, dat gij u niet bedriegt,’ antwoordde Frank, ‘hij schreeuwt even hard als de paap, die heden morgen de meditatie hield.’

‘Bevindt gij u nu wat beter, Frank?’ vroeg Van Schaffelaar, ‘ik zie, de wijn smaakt u.’

‘O ja!’ hernam deze, wij hebben nu den tijd niet om ziek te worden, en de wijn is goed.’ Hierop ledigde hij zijn beker tot den bodem.

‘Het is zoo,’ zeide Van Schaffelaar; ‘maar geloof mij, de wijn van vader Wouter was eenige soorten beter.’

‘Dien heb ik niet geproefd,’ hernam Frank, in

illustratie

den beker ziende dien hij in de hand hield.

‘Ja, dat speet den meester genoeg,’ vervolgde Van Schaffelaar, ‘en gij zult bij gelegenheid nog wel eens een boetpredikatie moeten aanhooren, omdat gij toen niet medegekomen zijt. Zeg eens! wat mij betreft, ik kan hier niet vandaan; maar als de zaken zoo slepende blijven, zou ik u wel kunnen toestaan, u voor een dag of vijf, zes, van hier te verwijderen. Wilt ge? dan laat ik een vrijgeleide voor u vragen aan Montfoort; hij zal het mij niet weigeren, en, ik ben er zeker van, zulk een uitstapje zou goed voor u zijn.’

‘Maar hoe spoedig kan de oorlog uitbarsten!’ hernam Frank, ‘en dan zou ik niet bij de hand zijn! bedenk dat het volk, dat op de voorposten ligt, volgens uwe eigen gedachten, niet veel te vertrouwen is; en ik zou u en mijne banier verlaten, als het gevaar en de eer naderen! neen, ik verkies hier te blijven, maar ik zeg u dank voor uw aanbod. Doch luister eens!’ vervolgde hij, ‘ik geloof, dat uw schildknaap zijn verhaal geëindigd heeft.’

‘Ik hoor zijne stem nu niet meer boven allen uit,’ zeide Van Schaffelaar; maar hunne aandacht vestigde zich weldra op het geluid van de stem des knaaps, welke zich op de trap en het portaal liet hooren. Hij scheen aan degenen, wien hij tot wegwijzer diende, met groote beweging aanwijzing te doen, hoe de trap zich kronkelde, en waar het touw hing, tevens verschooning vragende voor de duisternis, welke er op trap en portaal heerschte.

‘Bij alle Heiligen! wat richt de jongen nu voor grappen aan?’ zeide Van Schaffelaar lachende tegen Frank, die tegenover hem zat, en verheugd was, dat hij het gesprek over het reisplan, dat hem niet beviel, had kunnen afbreken.

De deur van het vertrek werd nu wijd geopend, en Henri trad vooruit: ‘Heer Loef van Oosterweerd en zijne nicht!’ riep hij, boog zich en trad weder achterwaarts.

Van Schaffelaar en Frank stonden op, verwonderd over het bezoek, dat zij ontvingen. Een lang schraal man, die een kleeding droeg van zwart laken, met fluweel van dezelfde kleur afgezet, en daarover een houpelande van bruin laken met zwartbonte randen, trad

[p. 54]

nu in het vertrek, gevolgd door een vrouw van een rijzige gestalte, in een grijs regenkleed gehuld, wier gelaat onder de kaper, welke zij droeg, geheel verborgen was.

‘Ik vraag verschooning, Heeren!’ zeide de binnengetredene, die al een man van jaren scheen te zijn, en zijn hoed in de hand hield, ‘dat ik zoo maar kom binnenvallen; maar nood breekt wet, zegt men wel eens, en reizigers hebben altijd wat voor. Ik heb de eer den heer Van Schaffelaar te zien, niet waar, Frank?’

‘Ja, Heer Loef! om u te dienen,’ antwoordde Frank, die zijn groet beantwoordde, en zich boog voor het meisje, dat hem vergezelde. ‘Dit vertrek behoort aan hem, ofschoon ik voor het oogenblik mijn intrek bij hem genomen heb.’

‘Ik had mij ook eerst moeten laten aandienen; maar die knaap hier.....’ zeide heer Loef.

‘En waarom, Heer?’ haastte zich Van Schaffelaar te zeggen, ‘gij zijt ons welkom, de gasten van mijn vriend zijn de mijne. Ik bid u, ga zitten, Jonkvrouw! en gij ook, Heer! - Henri! geef stoelen aan, en haal spoedig een beker.’

‘Ik had niet gedacht u zoo spoedig en vooral niet heden te zien, Jonkvrouw!’ zeide Frank vriendelijk en beleefd tegen het meisje, dat tot nu toe nog niet gesproken had. ‘Zet u hier neder, gij kunt op uw gemak naar buiten zien.’ Hij nam een groen kussen, dat op een kist lag, en legde het op den stoel, die bij het raam stond, en dien hij gebruikt had.

‘Ik had ook niet gedacht u te zien, Frank!’ antwoordde zij, toen zij gezeten was; ‘maar gij hebt mij niet gezegd, dat het u verheugt, dat ik gekomen ben,’ zeide zij, hem aanziende.

‘En behoeft men dan nog te zeggen, dat het bezoek van vrienden altijd aangenaam is?’ antwoordde de jongeling eenigszins verlegen.

‘Neen, Frank!’ zeide zij, ‘maar men hoort zulks gaarne bevestigen, en ik had gehoopt...’ Hier zweeg zij, en keerde het hoofd naar de zijde van het glasraam.

‘Ik heb nergens plaats kunnen vinden,’ zeide heer Loef in antwoord op een vraag van Van Schaffelaar; ‘eindelijk ben ik hier te land gekomen; maar het was de oude deun: de Roode Draak is vol, wij kunnen niemand meer herbergen; gelukkig dat deze geestige knaap mij gewaar werd, toen de waard mij afwees.’ Dit zeggende, wees hij op Heintje, die den beker binnenbracht en zich deftig boog, toen heer Loef hem zoo streelend uitduidde. Aan dezen nu zijn degen overgevende, zeide hij: ‘Eilieve, knaap! zet dit lastig zijdgeweer, dat mij van huis af tegen de zijde geschuurd heeft, eens in dien hoek.’ Hier vervolgde hij: ‘Ik hoorde, dat Frank hier zijn intrek had, Heer! en ik besloot de vrijheid te nemen, voor een oogenblik hier eene schuilplaats te verzoeken voor mij en Ada; want mijn knecht en haar kamermeisje zullen zich beneden wel behelpen, en op stal was nog een klein plaatsje voor mijne paarden.’

‘Ik bewoon deze kamer,’ zeide Van Schaffelaar; ‘zooals gij ziet, is het geen fraai verblijf, maar in den zomer heeft men geen last van rook, die hier dezen winter onverdraaglijk geweest is: en als de groene glasruiten het oog vermoeien, zet men het glasraam

illustratie

open, en laat de aangename frissche buitenlucht binnenkomen; buitendien heb ik achter aan de plaats nog een klein slaapvertrek, en dat is alles wat een paar ruiters noodig hebben en verlangen kunnen; de woningen zijn tegenwoordig duur in Wijk, Heer Loef!’

Terwijl deze nu met Van Schaffelaar raadpleegde, waar hij zich het best zou kunnen vervoegen om nachtverblijf te verkrijgen, gaf deze hem meesmuilende te kennen, dat er geene vrees was, of voor geld zou er nog wel een goede herberg te vinden wezen, welke zaak echter niet naar den zin van den ouden heer scheen te zijn.

‘Zult gij uw regenkleed niet afdoen, Jonkvrouw!’ vroeg Frank aan het meisje, dat nog steeds bewegingloos voor het glasraam zat. Zij antwoordde niet, maar hare kaper voor zich nederleggende, maakte zij het kleed los, dat aan den hals was dichtgehaakt, en toen Frank, die naast haar stond, het uit hare handen aannam, om het van hare schouders te lichten, teneinde het achter haar op den stoel te laten vallen, raakten hunne handen elkander.

[p. 55]

‘Ik dank u, Frank,’ zeide zij met gevoel, en een weemoedige glimlach vertoonde zich op haar schoon bleek gelaat.

‘En hoe gaat het met uwe gezondheid, Jonkvrouw?’ zeide Frank aarzelend, ‘ik mag immers vooronderstellen, dat het als een goed voorteeken kan beschouwd worden, dat gij uw oom eens gevolgd zijt.’

‘O, ik ben wel,’ antwoordde zij droevig, het hoofd schuddende, ‘dat is, zoo wel als Ada zijn kan: maar gij, Frank! gij zijt niet gezond,’ vervolgde zij, terwijl zij haar groot zwart oog zwaarmoedig op hem vestigde.

Frank wist niet, wat hij het meisje zou antwoorden, dat hij achtte en lief had, doch wier vurige liefde hij had versmaad; dat met belangstelling de reden scheen te willen weten, waarom zijn gelaat nu als het ware van allen blos beroofd was, en de geestkleur had aangenomen. Toen hij zweeg, legde zij driftig hare hand op de zijne die op de leuning van haar stoel rustte en terwijl zij die krampachtig drukte, vroeg zij nogmaals met een gesmoorde stem: ‘Waarom verkwijnt gij, Frank! o! geef toch antwoord; is het niet genoeg, dat ik ongelukkig ben?’

Doch toen Frank een antwoord stamelde, kwam haar oom hem nog bijtijds te hulp, en wendde zich op eens tot hem zeggende: ‘Maar, Heer ruiter! daar krijgt gij op eens een bezoek van een uwer bekenden en van een schoone jonkvrouw, en gij vraagt niet eens, waaraan gij dit bezoek te danken hebt.’

‘Vergeef mij, Heer!’ haastte zich Frank te antwoorden, ‘maar ik verzocht uw schoone nicht, mij nopens den staat van hare gezondheid in te lichten; mag ik dan vragen, waaraan ik de eer van uw bezoek verschuldigd ben?’

‘Nu ja, zeer gaarne!’ antwoordde heer Loef, zich in zijn stoel uitstrekkende, ‘mijne nicht bevond zich in den laatsten tijd weer eenigszins welvarender, en de meester ried een klein uitstapje als zeer gezond aan. Ik zou nu wel naar Amersfoort of Montfoort en omliggende dorpen hebben kunnen gaan; want in de andere steden ziet men de Utrechtschen thans met geen goede oogen aan; maar de paardenmarkt, welke hier zal gehouden worden, lokte mij uit, het eens te wagen in vijandelijk land te komen, in de hoop van een goeden koop of ruil te doen, en door de vrijheid van de markt tegen alle onaangenaamheden beveiligd te worden; en als ik het zoo zeggen mag, rekende ik ook in tijd van nood op uwe voorspraak, Frank! gij zoudt een oud bekende immers niet in verlegenheid laten?’

‘Ik geloof, dat gij dan een weinig te veel gerekend hebt, niet op mijn goeden wil, maar op mijne macht. Bedenk eens, Heer! wat zou de voorspraak van een ruiter, die over een klein gedeelte eener bende het bevel voert, voor u hebben kunnen doen?’ antwoordde Frank.

‘Meer dan gij denkt, ik heb er de bewijzen van,’ vervolgde heer Loef; ‘en bovendien,’ zeide hij lachende, ‘mijne schoone nicht kon ik alleen bewegen om aan den raad van den meester te voldoen, door haar voor te stellen naar Wijk te rijden; want het schijnt dat deze stad haar bijzonder na aan het hart ligt. Dit is dus de reden, dat ik geene zwarigheid gemaakt heb om hierheen te komen; ofschoon ik in Utrecht woon, behoef ik niet te schromen in de nabijheid van mijn genadigen heer van Utrecht te komen, en het gezelschap van mijne nicht laat immers genoeg blijken, dat ik enkel voor vermaak op reis ben, en geen kwaad in het schild voer?’

‘Maar hoe hebt gij de voorposten kunnen voorbijkomen, zonder te worden aangehouden?’ vroeg Van Schaffelaar.

‘Ja, dat was ook zoo gemakkelijk niet,’ antwoordde heer Loef; ‘ik vermoedde wel, dat de weg niet vrij zou zijn, ofschoon ik daaromtrent geene juiste berichten had kunnen inwinnen. Dit bevestigde zich heden morgen, toen ik aan het Huisje ten Halve afsteeg. Daar hoorde ik, dat Koten bezet was, waarom ik het Wijksche Zandpad verliet, in de hoop, dat misschien de wegen tusschen dit pad en de rivier zouden vrij zijn; maar dat bleek ook weldra anders te wezen; ten minste op de hoogte van Koten, stieten wij, aan den Utrechtschen weg, op eenig krijgsvolk, dat daar lag.’

‘Waren het voetknechten?’ vroeg Frank.

‘Neen,’ hernam de Utrechtsche heer, ‘het waren rijzige ruiters en zoo ik geloof van de Zwarte Bende.’

‘En lieten die u doortrekken?’ vroeg Van Schaffelaar; ‘nu, dat zal u toch in de beurs hebben doen tasten.’

‘Ja, daarvoor was ik bang genoeg,’ hernam heer Loef; ‘maar zie, nu kwam mij hun

[p. 56]

aanvoerder te gemoet, voor wien ik mij had laten brengen, en deze maakte geen zwarigheid om mij ten gevalle van Frank door te laten. Het kostte mij dus niets dan een drinkgeld aan den zwarten knaap, dien hij mij tot hier aan de stad medegaf, uit vrees, zoo hij zeide, dat mijne nicht anders misschien hier of daar niet met dien eerbied zou behandeld worden, welke zulk een jonkvrouw toekomt,’ eindigde hij meesmuilende.

Ada liet niet blijken, dat zij hoorde, dat er over haar gesproken werd. Toen Frank zich tot haar oom gewend had, om hem te antwoorden, had zij hare hand van de zijne afgenomen, en zag nu weder onbeweeglijk door het raam.

‘Ziedaar iets, dat ik niet begrijp,’ zeide Frank verwonderd; ‘hoe is het mogelijk, dat Perrol zoo bereid is om mij te verplichten door u een dienst te bewijzen, daar ik nimmer met hem op een gemeenzamen voet heb omgegaan, en ik twijfel, of hij mij zelfs wel kennen zou.’

‘En toch is het zoo,’ antwoordde heer Loef, ‘tenzij hij zulks alleen gedaan heeft uit hoffelijkheid voor mijne nicht; evenwel scheen hij u goed te kennen, Frank! zoowel als den heer Van Schaffelaar; ten minste hij verzocht mij u beiden van zijnentwege te groeten.’

‘Ik wil liever, dat hij u heeft doorgelaten, om Frank genoegen te doen, dan om den wil van deze jonkvrouw,’ zeide Van Schaffelaar, wiens wenkbrauwen zich somber te zamen trokken.

Ada, op wier gelaat zich nu een bittere glimlach vertoond had, toen haar oom over haar sprak, knikte hem met het hoofd toe; doch hij bemerkte zulks niet, en vervolgde: ‘De eerbewijzen, die dat mensch aan de vrouwen bewijst, strekken meer tot hare schande dan tot hare eer; en wat den morgengroet betreft, dien hij mij toezendt, die is mij even welkom als een stoot van zijn dolk mij zou zijn.’

Heer Loef wist zoo spoedig niet, wat hij hierop zou antwoorden, en terwijl Frank aan Ada vroeg, wat zij drinken wilde, werd de deur geopend, en Henri kwam zijn meester berichten, dat er een edelknaap van den Bisschop was om hem een boodschap over te brengen. Van Schaffelaar boog zich voor heer Loef en zijne nicht, en verliet met Henri het vertrek.

Deze kwam eenige oogenblikken daarna terug, om uit naam van zijnen heer verschooning te verzoeken, dat hij was uitgegaan zonder afscheid te nemen, daar hij op staanden voet naar het slot moest, alwaar de eerwaarde heer hem wachtte.

Henri bracht nu, op bevel van Frank, een stuk koud vleesch en brood binnen, alsmede een groote schaal met meikersen, boter, kaas en beschuit. Ook zette hij een kan met zuiver welwater op de tafel, en haalde een kleine glazen drinkschaal uit een kist, die in het vertrek stond, te voorschijn, waarin de zaken van waarde van Van Schaffelaar geborgen waren, wischte ze met een schoonen witten doek uit, en plaatste haar voor de jonkvrouw, waarna hij het vertrek verliet.

Frank vulde nu de schaal, waarvan de voet van zuiver goud kunstig met bloemwerk was ingelegd, met het heldere water dat in het glas parelde, en noodigde de jonkvrouw en haar oom uit om toe te tasten.

Ada en Frank hielden zich alleen aan de vruchten; maar de oude heer toonde, door de wijze, waarop hij het vleesch aansprak, dat de rit zijn eetlust had opgewekt.

Na het wisselen van eenige woorden, zeide heer Loef, terwijl hij zich een beker wijn inschonk: ‘Hé! zeg mij eens, Frank! uw vriend schijnt in het geheel geen vriend van dien vreemden ruiterhoofdman te zijn; wat mag daarvan toch wel de reden zijn; hij kwam mij voor als een hupsch krijgsman. Messire Per... ja, hoe noemdet gij hem ook weer?’

‘Perrol met de Roode hand,’ zeide Frank.

‘O ja! Perrol, zoo is het ook,’ vervolgde Loef; ‘dat andere is zeker een bijnaam. Maar nu, wat is er toch tusschen die twee heeren voorgevallen?’

‘Ja, dat mag een ander zeggen,’ hernam Frank, die niets wist van hetgeen te Amersfoort met Maria had plaats gehad. ‘Ik weet het niet, en evenwel ben ik er niet over verwonderd; want eenigen tijd geleden hebben zij te zamen woorden gehad; maar de twist werd bijgelegd op last van heer David. Mijn vriend is niet haatdragend, maar heeft geene reden om op de vriendschap van Perrol te roemen, die getracht heeft hem in Amersfoort op een lage wijze gevangen te laten nemen. Ofschoon ik geen tien woorden met dien man gesproken heb, zoo doet het mij, ronduit gezegd, leed, dat gij u bij hem van mijn naam bediend hebt om iets te verzoeken; ik wilde liever dat hij mij geslagen had; men ontvangt liever een beleediging dan een bewijs van vriendschap van iemand, dien men veracht; het eerste kan men met het zwaard afdoen, maar het laatste niet.’

[p. 57]

‘Ik hoop, Frank! dat gij nimmer twisten zult met dat verachtelijke bendehoofd,’ zeide Ada, terwijl zij nu eens hem, dan weder haar oom onrustig aanzag.

‘En wat weet gij van hem?’ vroeg heer Loef snel, ‘gij oordeelt, Ada! en gij kent hem zoomin als ik.’

‘Ik ken hem zeker

illustratie

zoo goed niet als gij, Heer oom!’ antwoordde zij; ‘maar ik weet, wat mijn neef Reynoud van hem gezegd heeft; en om van Frank niet te spreken, en nog minder om te oordeelen naar het gevoelen van een zinneloos meisje, zooals ik ben, zoo wil ik alleen zeggen, dat de man, van wien de edele Van Schaffelaar geen groet wil ontvangen, al een heel verachtelijk mensch moet zijn.’

‘De heer Van Schaffelaar is zeker een edel mensch,’ haastte zich heer Loef te zeggen, doch alleen Frank luisterde naar hem; want Ada was, toen zij zweeg, in hare gedachten verdiept geraakt. Zij staarde onafgebroken, doch treurig, op de drinkschaal. die zij met de hand vasthield; nu en dan volgde zij met hare fraai gevormde en blanke vingers den loop der gouden bloemen en ranken op den voet. ‘Ik heb zijn vader ook zeer goed gekend,’ vervolgde heer Loef; ‘deze was ook een achtenswaardig en dapper heer, die zeer gezien was bij den Bisschop David, en veel jaren geleden, toen zijn Eerwaarde, voordat hij bevestigd was, op het huis ter Horst woonde, heb ik aldaar dien heer wel gesproken.’

‘Indien hij evenzoo gedacht en gehandeld heeft als zijn zoon,’ zeide Frank, ‘dan kan het niet anders, of hij moet een braaf mensch geweest zijn. Eenige oogenblikken daarna stond heer Loef op, nam zijn hoed en degen en zeide: ‘Ik zal nu eens gaan zien, of ik hier of daar een paar vertrekken voor dezen nacht kan bekomen, en tevens nazien of mijne paarden het noodige gehad hebben, en of mijne dienaars zich ook te mijnen koste wat ruim te goed doen; want daar is die soort van volk maar al te geneigd toe. Intusschen zeg ik u dank, Frank! voor de vriendelijke ontvangst, die wij hier ontmoet hebben, en ik zal u moeten verzoeken toe te staan, dat ik mijne nicht nog voor eenige oogenblikken hier laat; het is zoo druk bij den weg, dat ik spoediger zal klaar komen, als ik alleen ga; ook is men geneigd altijd het meeste te vragen, als men iemand met eene vrouw ziet aankomen.’

‘Het is ook goed, Heer! om niet langer te wachten,’ antwoordde Frank opstaande, ‘hoe later het op den dag wordt, hoe moeielijker het worden zal, om een geschikt verblijf te vinden; ik hoop, dat gij spoedig slagen zult.’

‘Ik ook, Frank! tot weerziens dan,’ vervolgde Heer Loef lachende: ‘ik moet wel een groot vertrouwen in u stellen, vriend! dat ik mijne schoone nicht zoo met u alleen laat; of wil zij ook, dat ik haar kamermeisje boven zend?’

‘Ik?’ zeide zij vragend, het hoofd oprichtende; want zij had niet begrepen, wat hij bedoelde.

‘Ja, Ada!’ vervolgde haar oom; indien gij bang zijt om met den jongen ruiter alleen te zijn, zal ik Annetje bij u zenden.’

De jonkvrouw wierp een fieren blik op hem, en zeide bedaard: ‘Indien gij mij wilt beleedigen, Heeroom! zoo zend haar hier; als zij in dit vertrek is, zult gij ten minste geen nood hebben, dat zij beneden op uwe kosten teert.’

Heer Loef antwoordde niet, maar haalde bijna onmerkbaar de schouders op, groette Frank met de hand en verliet het vertrek.

[p. 58]



illustratie

Toen Frank met de jonkvrouw alleen was, zette hij zich over haar aan de tafel neder, en beschouwde haar met een blik, die eenige onrust verried, doch tevens van zijne belangstelling getuigde. Ada van Rijn, de dochter eener zuster van heer Loef, en na den dood harer ouders in het huis van haar oom met diens zoon opgevoed, was eene schoone vrouw. Nagenoeg even lang als Frank, zou men hen, naar het gelaat te oordeelen, voor broeder en zuster gehouden hebben. Beiden waren zij bleek van gelaat, ofschoon de huid van den jongeling een bruinen gloed had, welken die van het meisje miste; geen enkele tint van den blos der gezondheid verhoogde de schoonheid van het matblank gelaat van het meisje, dat tegenover hem zat. Hare lange, glinsterende, gitzwarte haarlokken waren in ontelbare vlechten boven op het hoofd te zamen gestrengeld, en ondersteunden den langen wimpel van het met goud doorweven, ragfijn kamerdoek, dat, als zij opstond, tot bij den grond langs haar rug nederhing. Hare zuiver afgeteekende zwarte wenkbrauwen verhieven zich in een bevalligen boog boven hare zwarte oogen, die uitermate schoon zouden geweest zijn, indien niet een zekere onrustigheid, welke dikwijls tot wildheid oversloeg, er de aanlokkelijkheid aan ontnomen had. Een neus van dezelfde gedaante als die van Frank, doch van veel netter vorm, en een kleine mond met helder witte tanden, maakten dat niemand die haar gelaat en hare slanke gestalte beschouwde, haar niet anders dan schoon kon vinden; en evenwel veroorzaakte de fiere oogopslag, de krampachtige trek, die doorgaans haar anders zoo bevalligen mond misvormde, en de eeuwigdurende onrust, welke in haar geheele doen en laten doorstraalde, als zij voor een oogenblik niet in zich zelve gekeerd zat, dat men aan veel minder schoone meisjes boven haar de voorkeur zou gegeven hebben. Zij droeg een lang en wijd kleed van blauw damast, met witte, bonte randen, dat van voren tot aan haar middel met knoopjes, van gouddraad gewerkt, was dichtgemaakt. Haar hals prijkte met geene versierselen, hetzij ze dezen opschik verachtte, of dat zij die, op raad van haar oom, voorzichtigheidshalve nu niet aangedaan had; maar hij werd gedekt door een doek, met gouddraad doorweven. Hare handen waren met fijn lederen handschoenen bedekt geweest, en zij droeg eenige fraaie ringen aan hare vingers. Aan den gordel, waarop beeldjes, van dun goud gedreven, vastgehecht waren, hing een roodlederen beurs of taschje met een gouden gesp dichtgemaakt; daarnevens hing aan een afzonderlijk zijden koord een mesje, of zoo men wil, een zeer kleine dolk in een scheede van gedreven zilver, welks hecht, van ivoor vervaardigd, tevens tot een fluitje diende, om hare bedienden te roepen, als zij hun dienst verlangde. Mogelijk droeg zij dit mes, behalve om het op reis te gebruiken, als een zeker kenteeken van hare adellijke geboorte, die haar recht gaf blazoen en wapen te dragen. Deze geheele kleeding gaf haar iets gezag-inboezemends, te meer daar zij meestentijds een diep stilzwijgen placht te bewaren, behalve jegens hen, wien ze genegen was. Het scheen, alsof zij het vertrek, waarin zij zich bevond, oplettend beschouwde, nu eens de onregelmatige, dunne kinderbinten gadesloeg, dan weder de gladde, met kalk helder gewitte muren opnam, tegen welke hier en daar eenige kleedingstukken of wapens hingen; het was, alsof zij de plompe stoelen telde, en naar de groene takken zag, die, uit hoofde van het warme weder, onder den schoorsteenmantel lagen, of de kronkelingen naoogde, welke de figuren in het zand op den houten vloer maakten.

‘Deze kamer moet u wel zeer afvallen bij uwe vertrekken te Utrecht, Jonkvrouw Ada!’ zeide Frank eindelijk.

‘Het is mij hetzelfde, waar ik ben,’ antwoordde zij, het hoofd schuddende; ‘ik sla geen acht op hetgeen mij omringt,’ en hem aanziende, terwijl zij zich snel tot hem keerde, vroeg zij met hevige gemoedsdrift: ‘Gelooft gij, Frank! dat ik juist hierheen heb willen gaan, zooals zij gezegd hebben, gelooft gij dit?’

Frank aarzelde haar te antwoorden, en zij vervolgde, zulks niet eens bemerkende: ‘Neen, gij gelooft het niet, niet waar? gij kunt dit niet van mij verwachten. Eénmaal, Frank! éénmaal,’ zeide zij treurig, ‘heb ik vergeten, wat ik aan mij zelve verschuldigd was, en heb u opgezocht; maar toen, o! toen hoopte ik nog, maar nu... Neen Frank! gij kunt niet gelooven, dat ik u ten tweede male met mijne liefde zou willen lastig vallen.’ Hierop sloeg zij de oogen neder en zuchtte diep.

[p. 59]

‘Ada!’ riep Frank, ‘beste Jonkvrouw! ik wil dadelijk sterven of mij in het aangezicht laten slaan, indien ik iets gedacht heb, dat u zou beleedigen; ik geloof niet, wat uw oom gezegd heeft.’

‘O! gij stelt mij gerust, Frank!’ zeide zij, terwijl zij hem droevig toelachte, ‘ik stel nog veel prijs op uwe achting, ofschoon ik...’ Hier zweeg zij, waarna zij zacht vervolgde: ‘en evenwel zou ik zoo gaarne ver gaan, o! zoo ver gaan, om u op te zoeken, indien... maar, helaas! het is zoo niet,’ eindigde zij treurig.

‘ik vind mij zoo vereerd door uwe genegenheid, edele Jonkvrouw! dat er niets is, dat ik niet voor u zou willen doen; voor altijd wil ik uw trouwe vriend zijn. Wilt gij mij gelukkig maken, den armen ruiter van een last, die zijn hart bezwaart, ontlasten, zoo sta hem toe uw broader te worden; bemin hem als een zuster.’ Ada antwoordde hem niet, maar streek met hare vingers langs hare haren die achter de ooren glad weggestreken waren. ‘Hoe maakt het heer Reynoud, Jonkvrouw?’ vroeg de ruiter, om hare gedachten op iets anders te vestigen.

‘O, Reynoud? die is wel, Frank!’ antwoordde zij snel, ‘hij is ook mijn vriend, het is mijn neef! en evenwel heb ik hem lief, alsof hij mijn broeder ware, maar meer ook niet, en dat maakt hem ongelukkig. Maar hij weet niet, dat wij hier zijn, Frank!’ vervolgde zij met drift, terwijl zij hem vertrouwelijk toeknikte. ‘Reynoud weet daar niets van, evenmin als ik dezen morgen, toen wij uitreden, wist, dat ik naar Wijk zou gaan; dat heeft mijn oom, zoo hij zegt, zoo in eens in het hoofd gekregen; gelooft gij het, Frank? Ik geloof het niet; denkt gij, dat de man, wiens naam mijn oom vergeten had, hem zoo geheel en al onbekend was?’ zeide zij glimlachende, ‘dan moest ik, nu drie nachten geleden, zijn stem niet gehoord hebben, toen ik langs de trap afdaalde, die bij de kamer van mijn oom is, nadat ik op de tinne in den maneschijn gewandeld had.’

‘Bedriegt gij u niet?’ vroeg Frank verwonderd, ‘of spreekt gij werkelijk van den aanvoerder der Zwarte Bende?’

‘Neen, ik bedrieg mij niet,’ hernam Ada, ‘ik bedoel dien Perrol, bijgenaamd met de Roode Hand, van wien mijn neef Reynoud mij zooveel verhaald heeft, en die zich niet kon begrijpen, dat de Bisschop zulk een mensch in zijne soldij neemt.’

‘En wat kan hij in Utrecht te doen hebben, indien hij geen verrader is,’ zeide Frank; ‘en vanwaar kent heer Loef hem?’

‘Gij vraagt meer dan ik weet,’ antwoordde de jonkvrouw; ‘ik zie en hoor zooveel, dat ik in mijn zwak geheugen niet kan onthouden en samenknoopen; en als ik het een of ander vraag, of ergens onderzoek naar doe, zoo houden zij zich stil, verwonderd zelfs, dat de gekke jonkvrouw iets bemerkt heeft,’ eindigde zij, droevig lachend. Hierna zich naar Frank vooroverbuigende, vervolgde zij: ‘Maar Reynoud denkt zoo niet; doch die brave jongen weet zelf niet, wat er gebeurt; na Ada bemoeit hij zich met niets dan met zijn boeken en handschriften.’

Indien Frank niet te diep nagedacht had over hetgeen het meisje hem zeide, en hij niet te sterk bewogen was geweest met haar ongelukkigen toestand, zou hij, niettegenstaande het doorgaande gerucht en geloop, dat er in de Roode Draak plaats had, bemerkt hebben, dat er iemand de trap opgekomen, en naar het slaapvertrek gegaan was. Maar, zooals wij zeggen, had hij dit niet gehoord; ook was dit vertrek gesloten, en de sleutel onder de berusting van den knaap van zijn vriend, hetgeen in de druk bezochte herberg, daar elkeen maar uit- en inliep, geen nuttelooze voorzorg was. Op eens echter naderde iemand met zware voetstappen; de deur werd geopend, en Frank zag tot zijne verwondering Van Schaffelaar in volle wapenrusting binnentreden.

‘Is heer Loef reeds uitgegaan?’ vroeg hij, de jonkvrouw met de hand groetende.

‘Ja, zoo even,’ zeide Frank, ‘hij zoekt naar een verblijf voor dezen nacht.’

‘Indien hij zulks onverhoopt niet mocht vinden; Frank!’ volgde Van Schaffelaar, ‘zoo biedt de jonkvrouw en haar oom onze vertrekken aan, wij zullen ons dan wel ergens anders behelpen.’ Hij zag, dit zeggende, naar Ada, die echter evenmin zijn binnentreden bemerkt, als zijn aanbod scheen gehoord te hebben.

‘Uw aanbod maakt het verzoek onnoodig, dat ik u wilde gedaan hebben, Van Schaffelaar!’ zeide Frank; maar waarom zoo in het harnas? wij hebben immers dezen morgen reeds uwe ruiters bezocht?

‘Het is zoo,’ hernam zijn vriend ernstig, ‘maar ik moet terstond een last ten uitvoer brengen, die zijn Eerwaarde mij heeft opgedragen. Vaarwel, tot hedenavond!’ dit zeggende, reikte hij hem de hand.

[p. 60]

‘En waar gaat gij heen?’ vroeg Frank, ‘het spijt mij, dat ik niet met u gaan kan; indien het evenwel geen haast had, mogelijk zal heer Loef spoedig...’

‘Neen, dat kan niet,’ viel zijn vriend hem in de rede; ‘ik moet alléén gaan en zonder vertraging; het was ternauwernood, dat zijn Eerwaarde mij toestond mij te wapenen; ook zou ik zonder dat niet gegaan zijn,’ eindigde hij somber, toen zijn vriend hem vragend

illustratie

aanzag. ‘Ik heb de eer u te groeten, Jonkvrouw!’ zeide Van Schaffelaar, terwijl hij zich diep voor haar boog; ‘zooals gezegd is tot hedenavond, Frank! indien gij het een of ander noodig hebt, roep dan iemand hier uit het huis; wantik neem Henri mede.’ Hierop verliet hij met verhaaste schreden het vertrek.

Toen de deur dicht was, stond Frank een poos in gedachten verzonken; na eenige oogenblikken wilde hij zijn vriend volgen, ten einde hem iets te zeggen of te vragen, maar hij had te lang gewacht, hij hoorde de paarden voor de deur reeds steigeren, en toen hij voor het venster trad, zag hij Van Schaffelaar, die, gevolgd door Henri zich in sterken draf over de markt verwijderde.

‘Gij zoudt uw vriend zeker gaarne gevolgd zijn, Frank!’ zeide Ada, die nadat zij Van Schaffelaar's groet beleefd beantwoord had, den jongen ruiter opmerkzaam beschouwde: ‘het spijt mij, dat gij hier blijven moet om mij gezelschap te houden.’

‘Neen, Jonkvrouw!’ antwoordde deze, ‘het is uwe schuld niet, dat ik hem alleen moet laten gaan; hij heeft order om niemand mede te nemen: ik kan echter niet begrijpen waarom.’

‘Die willekeurige orders, welke een krijgsman steeds moet opvolgen,’ zeide zij, ‘hebben Reynoud, zoo hij zegt, afkeerig gemaakt van uw stand, en hem doen verkiezen om stil te leven en den tijd naar zijn eigen verkiezing te besteden; zoudt gij ook geen lust gevoelen, Frank, om zoo te leven?’

‘Neen Ada!’ antwoordde hij, ‘van jongs af gewoon in het veld te wezen, zou ik niet lang leven, indien ik den geheelen dag in huis met eenige oude geschriften zat opgesloten, en ik ben ook te oud om schrijven en al die dingen te leeren, welke men kennen moet, om een geleerde of klerk te worden. Maar waarom vraagt gij mij dit?’

‘Waarom?’ zeide zij langzaam, ‘kunt gij dit nog vragen? Zie ik niet op uw gelaat, dat het ruiterleven u te zwaar valt? het zou zoo goed voor u zijn eenigen tijd te rusten.’

‘En juist nu,’ hernam, Frank met levendigheid, ‘nu het oogenblik nabij is, waarnaar ik zoolang gehaakt heb! O neen, Ada! ik ben nog sterk genoeg; geloof mij, de wapens zijn mij nog niet te zwaar.’

‘Bovendien zijt gij nog zoo jong; gij zijt niet bestand tegen dat ruwe leven,’ hernam Ada, waarna zij aarzelend vervolgde: ‘Duid het mij niet ten kwade, Frank! maar een zuster mag immers overal naar vragen; hadt gij niet zeer veel gedronken, toen ik binnenkwam?’

Frank! die juist den beker in de hand hield, toen zij dit vroeg, zette dien neder, zonder hem aan zijne lippen te brengen; hij gevoelde, dat hare vraag niet van allen grond ontbloot was. Hij zweeg.

Toen zij geen antwoord ontving, zeide zij zacht: ‘Het is hier bedompt in het vertrek, Frank! ik bid u, open hier dit raam aan mijne zijde, dan kan ik frissche lucht scheppen.’

Hij stond op, trad achter haar stoel, schoof den grendel van het raam terug, en stiet het open, waarna hij zich naast haar plaatste, en zelf met genoegen de warme doch zuivere buitenlucht inademde.

‘Zijt gij verstoord over mijne vraag, Frank?’ vroeg zij verlegen; ‘o, vergeef het mij; gij weet immers, dat Ada niet zoo verstandig is als andere menschen, en gij hebt gezegd, dat gij mij als een zuster liefhebt.’

‘Dat heb ik ook gezegd, Ada!’ antwoordde Frank vriendelijk, ‘ik behoef u niets te vergeven; gij hadt recht om mij zulks te vragen en geen ongelijk; maar geloof niet, dat ik den wijn om den wijn drink,’ en een droevige glimlach vertoonde zich op zijn gelaat.

‘En waarom drinkt gij dan?’ vroeg Ada.

[p. 61]

‘Waarom?’ vervolgde Frank, die niet wilde zeggen, dat zulks was om de sombere gedachten te verdrijven, die zijne ziel folterden, ‘omdat het zoo onder de ruiters gebruikelijk is; een kwade gewoonte, anders niet.’

De jonkvrouw schudde het hoofd, als geloofde zij zijne woorden niet, en zeide, terwijl zij haar hoofd op hare rechterhand liet vooroverzinken: ‘Helaas, Frank! gij schijnt de arme krankzinnige ook maar iets te willen wijsmaken; zij is niet verstandig genoeg om uw vertrouwen te bezitten.’

‘Om aller Heiligen wil! geloof zulks niet,’ zeide Frank met drift, ‘verre zij het van mij, om u mijn vertrouwen te weigeren; maar ik kan geen andere reden geven; indien gij mij en u zelve niet bedroeven wilt, zoo berust in hetgeen ik gezegd heb.’

Zij zweeg en bleef onbeweeglijk zitten; maar weldra ontwaarde Frank aan de tranen, die, tusschen hare vingers door, op haar blauw damasten kleed vielen, dat zij weende. Hij vatte nu hare linkerhand, die op haar schoot rustte, kuste ze, en terwijl hij zich tot haar boog, zeide hij met deelneming: ‘Waarom weent gij, Ada? indien het om mij is, o, dan vraag ik u om vergeving; ik verdien niet, dat gij, edele Jonkvrouw! u om mijn lot bekommert.’

‘En indien ik over mij zelve tranen stortte?’ vroeg het ongelukkige meisje, zonder op te zien.

‘Dan zou ik zeggen, dat gij niet wel doet, lieve zuster!’ zeide Frank aangedaan; ‘wordt het lief en leed ons hier op aarde niet van hooger hand opgelegd? gij bevindt u heden zeer wel; mogen wij dan niet hopen, dat eindelijk de voorspraak van de Moeder Gods en alle Heiligen, welke al uwe vrienden dagelijks voor u inroepen, zooveel bij den hemelschen Vader zal verwerven, dat gij geheel gezond wordt; wat zal u dan kunnen verhinderen gelukkig te zijn? gij zijt immers rijk, jong en schoon!’

Op dit oogenblik liet zich op de markt, dicht bij het huis, een schel en eigenaardig gefluit hooren, waarop Frank dadelijk hare hand los liet, en een paar schreden terugtrad. Wat Ada betreft, zij richtte verschrikt haar hoofd op, en in dezelfde richting als Frank naar buiten ziende, vroeg zij snel en onrustig: ‘Wat is dat? kent gij dien schooier met dien zwarten hond, Frank? Is hij het, die gefloten heeft? wat kan u zulks aangaan?’

‘Ik ken hem,’ antwoordde Frank bedaard, ‘het is Ralph, de schaapherder; het is de man, die mij heeft opgevoed, en aan wien ik naast God en mijne ouders het leven te danken heb.’

‘Hij komt niet herwaarts,’ zeide Ada.

‘Neen, nimmer bezoekt hij mij, wanneer ik niet alleen ben, hij treedt de huizen der stedelingen niet gaarne binnen; maar als hij mij ontmoet, geeft hij mij gewoonlijk een teeken, dat hij mij gezien heeft. De laatste maal, dat ik hem sprak, beloofde hij mij, dat hij mij dikwijls zou bezoeken, omdat ik geene gelegenheid heb hem te zien; de grijsaard heeft mij zoo lief. Maar daar komt heer Loef, uw oom, aan,’ zeide Frank, en zette zich weder voor het ongeopende glasraam neder, terwijl Ada den herder naoogde, wiens ruige muts nog lang, boven de hoofden der menschen uitstekende, zichtbaar was.



illustratie

prepostterug  begin  verder