terug  begin  verderprepost
[p. 62]



illustratie

IV. De legerplaats.

 
Voor een der tenten, 't rijkst van stoffenen sieraden,
 
Lag, door zijn langen baard en pracht van lijfsgewaden
 
Ontzaglijk, op een kleed, gewerkt in Khoracan,
 
Een krijgsman eenzaam: 't was de tweede Soliman;
 
C.G. Withuis.
 
Maar, ‘Neen!’ vervangt hun woest getier
 
‘Eerst losprijs voor ontslag!’
 
H. Tollens Cz.



illustratie

DE strooptochten der Utrechtschen, en de brandschattingen, welke zij gewoon waren te heffen, noodzaakten den Bisschop, om, zooveel zijne zwakke macht zulks gedoogde, voor de plaatsen, die hem getrouw gebleven waren, te zorgen, door er een behoorlijke bezetting in te leggen. Behalve de bezetting, die in Rhenen en Wijk bij Duurstede lag, was hij nog verplicht eenig volk in de omliggende plaatsen op de been te houden, ten einde zijne vijanden te beletten, tot vóór de poorten der stad, die hij bewoonde, alles uit te plunderen of plat te branden. De dorpen Werkhoven en Odijk met de omliggende woningen, hoe gaarne hij die had willen bezetten, had hij aan hun noodlot moeten overlaten; doch in het dorp Koten lag Gerrit van Nijveld met een afdeeling voetknechten. Zijn linkervleugel strekte tot aan den Utrechtschen weg, terwijl de rechtervleugel de brug over den Krommen Rijn bezet hield, en over die rivier tot aan het dorp Neer-Langbroek reikte. De Zwarte Bende, zijnde een troep vreemde ruiters, die aan Perrol behoorde, en door Bisschop David was in soldij genomen, bezette den Dwarsdijk en het land tusschen den linkervleugel van Nijveld's voetvolk en de rivier de Lek, aan welke zij zich aansloot. Amerongen, Leersum, en de streek tusschen deze plaatsen en Neer-Langbroek werden door de ruiters, onder het bevel van Jan van Schaffelaar, tegen allen overlast beveiligd. Reeds sedert geruimen tijd had de Bisschop nu en dan bericht gekregen van hen, die hem en zijner zaak waren toegedaan, dat er gestadig over en weer onderhandeld werd tusschen Gerrit van Nijveld, Perrol en Jan van Montfoort; de voorzichtigheid gebood hem deze berichten niet losweg te gelooven of in den wind te slaan. Hij was, door middel van geld en het zenden van bespieders onder zijne eigen krijgsknechten, zoowel als door de berichten, welke hij van zijne geheime vrienden uit Utrecht kreeg, zooveel te weten gekomen, dat er werkelijk onderhandelingen aangeknoopt waren; maar het gelukte hem niet te ontdekken, hoe verre die gevorderd waren; hetzij de drie zoo even genoemde personen niemand hun vertrouwen geschonken hadden, of dat de lieden, die zij in hun dienst hadden, het vertrouwen waardig waren, dat men in hen stelde.

Het was gevaarlijk eenigen argwaan te laten blijken; Perrol werd, behalve door zijne belofte om den bisschop met lijf en ziel te dienen, door niets gebonden dan door de soldij, welke hij trok; het was dus te vreezen, dat, zoodra hij bemerkte, dat men hem wantrouwde, hij zich niet zou ontzien van partij te veranderen, als het belang hem zulks aanried. De bisschop wist zeer goed, dat deze man, van wien hij genoodzaakt was zich te bedienen, geheel meester was over de ruiters, met wie hij in het land was gekomen,

[p. 63]

en dat het hun onverschillig was, onder welke banier zij dienden. Wat het voetvolk aangaat, dat onder Van Nijveld stond, dit waren wel geen vreemdelingen, maar de gehechtheid aan hun bevelhebber, waarvan zij reeds meermalen blijken hadden gegeven, deed vreezen, dat ook zij de zijde van den Bisschop zouden verlaten, indien hun hoofd van partij veranderde; en daar Gerrit van Nijveld vermaagschapt was met de hoofden der Utrechtsche partij, kon men op zijne getrouwheid niet al te sterk rekenen, die ook alleen kon gewaarborgd worden door zijne tot nog toe bewezen diensten.

Ten einde dus geene stad in hunne macht te laten, had de Bisschop verkozen hen op de voorposten te plaatsen. Hij gaf hun, als het ware, een blik van vertrouwen, door hen in de gelegenheid te stellen elk oogenblik tot den vijand over te loopen; ook had hij niet nagelaten hun te doen gevoelen, dat hij hun dezen gewichtigen post had toevertrouwd, omdat hij evenzeer rekende op hunne gehechtheid aan zijn persoon als op hun moed en hunne waakzaamheid. Sinds twee dagen echter, hadden noch Perrol, noch Van Nijveld zich te Wijk vertoond om bij den Bisschop hunne opwachting te maken; zij hadden zich vergenoegd te laten weten, dat zij zich ongesteld gevoelden, maar dat alles wel was, en dat de vijand niets nieuws scheen te willen ondernemen. Volgens ingekomen geheime berichten vertoonden deze bevelhebbers zich inderdaad niet onder hun volk, maar hielden zich in hunne kwartieren; men vermoedde echter, dat hunne ziekte slechts een voorwendsel was om niet naar Wijk te komen. Dit een en ander vermeerderde de ongerustheid van bisschop David, ofschoon hij hun wegblijven niet aan dezelfde reden toeschreef; hij gevoelde zeer goed, dat Van Nijveld, indien hij voornemens was hem te verlaten, zich schaamde om zich in zijne tegenwoordigheid te vertoonen; terwijl Perrol het een overtollige moeite rekende, den heer te bezoeken, wien hij eerstdaags ontrouw zou worden. Deze onzekerheid deed hem besluiten hun te gelasten, een meer voorwaartsche stelling aan te nemen, hetwelk hen van Wijk zou verwijderen; hij kon dan Koten en Dwarsdijk door andere troepen laten bezetten, en deze maatregel was zeer geschikt om de veiligheid van Wijk te bevorderen, en tevens aan den dag te brengen, in hoeverre men op hunne getrouwheid kon staat maken.

De bisschop was omringd door vele heeren en vrienden, maar den eenen vertrouwde hij te weinig, de andere bezat geen moeds genoeg om Perrol een onwelkome boodschap te brengen, of geene genoegzame scherpzinnigheid om op te merken, hoedanig de geest was van het krijgsvolk; ja zelfs hadden sommigen reeds geweigerd een order over te brengen aan den gehaten vreemdeling, die in den beginne door den Bisschop, tot hun spijt, met zooveel onderscheiding was behandeld. Niemand kwam hem dus geschikter voor, om dezen lastigen en gevaarlijken post op zich te nemen dan Van Schaffelaar, die zijn geheel vertrouwen bezat, en van wiens moed, bezadigdheid en kunde hij zeer overtuigd was. Het kostte echter eenige moeite, om dezen, die met deze opdracht in het geheel niet tevreden was, hierin te doen bewilligen. De Bisschop gelastte hem in persoon, alléén te gaan, ongewapend, en aan niemand te zeggen, werwaarts hij zich begaf, daar hij alle opzien wilde vermijden en vreesde, dat het zenden van zijne bevelen met een gewapenden troep aanleiding tot misverstand mocht geven, indien Perrol en Van Nijveld geen kwaad in den zin hadden. Ofschoon Van Schaffelaar, om hem genoegen te geven, en allen schijn van vrees voor zijn leven of vrijheid te voorkomen, hierin berustte, zoo was hij echter niet te bewegen ongewapend te gaan. De Bisschop gaf dus eindelijk toe, en liet hem vrij om zich te kleeden en zich te wapenen naar goedvinden, en ook een knaap mede te nemen. Hij gaf Van Schaffelaar twee geschreven orders en zijn zegen, waarna deze, zooals wij weten, zich naar de Roode Draak spoedde om zich gereed te maken.

Heer Jan van Schaffelaar bevond zich dus op eens op weg naar het dorp Koten, dat omtrent een uur van Wijk verwijderd ligt. Hij bereed hetzelfde paard, waarop wij hem in Amersfoort ontmoet hebben, en droeg de wapenrusting, welke meester Wouter niet verzuimd had, volgens zijne belofte, den volgenden dag op de Schaffelaar te laten brengen. De platen, waarvan zij vervaardigd was, waren bijzonder deugdzaam, en toch niet dik, een groot voordeel voor ruiter en paard; want de harnassen uit vaste stukken bestaande, boden meer tegenstand aan den stoot eener speer dan het zware maliën hemd, dat wij Frank hebben zien dragen, waarvan de maliën of ringen dikwijls met zulk een kracht geraakt werden, dat zij niet zelden het lichaam kwetsten, ofschoon de stoot niet doordrong; zij waren dus gewoonlijk te zwaar of niet sterk genoeg. Niettegenstaande het zeer warm was, droeg hij zijn helm op het hoofd; de neusriem was echter los en het vizier geopend. De witte vederen, die

[p. 64]

uit den kam staken, bewogen zich golvend door de beweging van het paard, en nu en dan veroorzaakte de wind, dat zij zijne schouders raakten. Hij was geheel overdekt met ijzer; zelfs zijne voeten waren met ijzeren reepen gewapend; in de gapingen van het harnas, onder den arm en in de vouw, zag men het jak van gevlochten ijzerdraad, dat hij aan had; voor het overige kon men aan de achterste helft zijner dijen, welke niet gewapend waren, ontdekken, dat hij onder het harnas een lederen kleeding droeg. Een lang breed zwaard, geschikt om met twee handen gevoerd te worden, hing aan zijne zijde, zoowel als zijn dolk. Moor droeg een hoze van roode stof met gele randen, welke hem uitgezonderd zijne oogen, zijn bek, zijne pooten en zijn staart geheel bedekte, en een weinig lager dan de buik, in plooien nederhing. Voor den kop en de borst was een ijzeren plaat gegespt, en zijn rug werd ook gedekt door een lederen versiersel, dat uit ineengevlochten ringen gevormd en met ijzeren plaatjes bedekt was, hetwelk bevallig op den rooden grond afstak. Van Schaffelaar droeg een half witten, half blauwen wapenrok over zijn harnas, waarop het wapen van den Bisschop was geschilderd. Over

illustratie

zijne schouders en op zijn rug hing zijn schild, dat zijn eigen wapen voerde, zijnde een gele balk op een rood veld, met een witte lelie in den rechterhoek; onder den wapenrok uit, kwam een net van kleine ijzeren ringen te voorschijn, dat alléén aan meester Wouter en zijn beste gezellen menigen dag werks gekost had, en tot aan de knie reiken kon. Wat zijn knaap betreft, die op een eerbiedigen afstand achter hem reed, deze droeg alleen een borstharnas en een helm zonder vizier als wapenen van verdediging, en manteltje van half rood, half geel laken, dat aan de binnenzijde met grijze stof gevoerd was. Hij zat op een klein bruin paardje, dat vlug en sterk scheen; maar al zijn bekwaamheid in de rijkunst werd vereischt om het koppige dier te dwingen, Moor niet te zeer op den voet te volgen.

Het omliggende land, uit goeden kleigrond bestaande, welke overheerlijk bouwland oplevert, was hier en daar verdeeld in groote boomgaarden van appelen, peren en ander ooft. De vruchten, die zich al gezet hadden, beloofden een voordeelig jaar aan de huurders of eigenaars der boomgaarden, indien deze door het weder of den moedwil van het krijgsvolk niet in hunne hoop bedrogen werden. Hoe meer Van Schaffelaar het dorp naderde, hoe dichter de woningen bij elkander stonden, die hij reeds nu en dan was voorbijgereden, en die meestal aan den weg of een klein eind wegs in het land gelegen waren; eindelijk kon men bemerken, dat het voetvolk bij de bewoners der boerenwoningen en hutten was ingelegerd. Velen waren buiten de huizen bezig met hunne wapenen schoon te maken, meestal omringd door eenige kinderen, die met aandacht naar de blinkende wapenen zagen. De ongewone bedrijvigheid, die er onder het krijgsvolk scheen te heerschen, deed het voorkomen, alsof zij een bezoek hunner aanvoerders verwachtten. Behalve dat helm, schild en harnas werden gepolijst, werden de armborsten van nieuwe pezen voorzien, hellebaard, piek en zwaard geslepen, en hier en daar zag men er ook eenigen, die niet van de minsten in rang onder den troep schenen te zijn, en die bezig waren om zware handbussen af te trekken of schoon te maken. Het waren lompen vuurwapenen, die thans door een soldaat met een blik van medelijden zouden worden aangezien; doch die, ofschoon minder volmaakt dan zijn hedendaagsch modelgeweer, evenwel in staat waren, om den machtigen ridder van zijn hengst ter aarde te werpen, en die een liefhebber van oude wapenen zich gelukkig rekent te bezitten.

De drukte, welke er onder de soldeniers heerschte, kwam Van Schaffelaar in het eerst niet vreemd voor; doch toen hij ook gewaar werd, dat men bezig was, om een eind van

[p. 65]

den weg verwijderd, het buskruit in lederen zakken te doen, dat waarschijnlijk den geheelen morgen op een lap zeildoek in de zon had liggen te drogen, begon hij te vermoeden, dat er wat buitengewoons gebeurde, te meer daar hij eenig boerenvolk gewaar werd, dat op last van een rotmeester een hoop pijlen tot bossen bond, en er een kar mede bevrachtte, en hij in het dorp eenige opgeladen karren en wagens zag staan. Velen der soldeniers hadden hem gegroet, toen hij voorbijreed; doch het kwam hem echter voor, alsof zij eenigszins bevreemd waren over zijne komst, en dat zij hierover met elkander spraken. Zonder echter naar de reden van hunne bezigheid te vragen, reed hij het dorp in, doch hield op eenigen afstand van de kerk stil. Zijn blik richtte zich evenwel niet naar het gewijde gebouw, ofschoon het door zijne grootte en aanzienlijkheid, zoowel als door zijn toren zulks wel verdiende, maar hij zag naar den toren van het huis Oud-Rhijnestein. Doch noch van den bouwvalligen trans, noch van de muren van het nieuwe huis, dat den heer van Nieuwaal toekwam, wapperde de vlag van den Bisschop; wel stond op den toren een stok of staak, maar het bolkijn of doek, dat het blazoen voerde, was neergehaald. Een sombere ernst vertoonde zich op het gelaat van Van Schaffelaar, die zoo op eens zijn onaangenaam voorgevoel bevestigd zag; doch hij wilde zijn weg vervolgen, ten einde den last, hem door zijn meester gegeven, te volbrengen, toen iemand, die uit een nabijgelegen huis kwam, hem met den hoed groette en zeide: ‘Goedendag, Heer van Schaffelaar!’

Deze beschouwde den krijgsman, die tot hem sprak, en zeide, zijn groet met de hand beantwoordende: ‘Ik dank u, Volkert! hoe zit het? nog zoo geheel op uw gemak, terwijl de knechten van uw heer zich, zoo het schijnt, tot den opmarsch gereedmaken? het komt mij voor, dat gij, zijn luitenant, reeds van het hoofd tot de voeten gewapend en gereed moest zijn om op te zitten.’

‘Nu, nu! dat heeft immers zulk een haast niet, Heer!’ antwoordde de andere eenigszins verlegen; ‘men moet dien luiaards wel wat te doen geven; zij zouden anders te veel aan het gemak gewennen; maar waarheen is de rit zoo, indien ik het vragen mag?’

‘Naar den heer van Nijveld; dewijl hij niet meer in Wijk kan komen, dienen wij wel eens te komen zien, hoe hij het maakt,’ zeide Van Schaffelaar spottend.

‘Ik geloof, dat uwe reis dan dezen keer vergeefsch zal zijn,’ antwoordde de luitenant, ‘het is hem niet mogelijk u nu te ontvangen.’

‘En toch,’ zeide Van Schaffelaar met nadruk, ‘zal ik moeten verzoeken hem te zien; ik heb een lastbrief aan uw aanvoerder, dien ik hem in persoon moet overhandigen, ten einde ik zijn antwoord aan zijn Eerwaarde zou kunnen overbrengen.’

Het gelaat van den reeds bejaarden krijgsman nam een ernstige plooi aan; hij sloeg zijne armen over elkander, en zag een oogenblik stijf voor zich; toen trad hij bij het paard van Van Schaffelaar, legde zijne linkerhand op den ijzeren ketting, die tot toom diende, en zeide langzaam: ‘Geloof mij, Heer! het doet mij leed; maar gij kunt mijnheer Van Nijveld nu niet spreken.’

‘En waarom niet?’ vroeg Van Schaffelaar met drift; ‘waarom is Gerrit van Nijveld onzichtbaar, als mijnheer David het goedvindt hem zijne bevelen te doen kennen? Wat moet zijn Eerwaarde denken, als ik hem zijn lastbrief ongeopend terugbreng? Ga heen, Volkert! ik verzoek het u, en zeg hem, dat ik hem zien en spreken moet; want het moet duidelijk blijken, of uw bevelhebber zich aan de gehoorzaamheid onttrekt, die hij onzen wettigen heer verplicht is te bewijzen.’

Maar Volkert antwoordde niet, noch maakte zich gereed, om aan het verzoek van Van Schaffelaar te voldoen. Eindelijk zeide hij; ‘Bij al wat heilig is, en op mijn woord, Heer! ik verzeker u, dat de heer Van Nijveld niet in de mogelijkheid is u te ontvangen.’

‘Is hij dan zoo ziek?’ vroeg Van Schaffelaar; doch Volkert schudde met het hoofd. ‘Dus bevindt hij zich hier niet; en waar is hij dan, toch niet naar Montfoort, niet waar?’ vervolgde hij, den onderbevelhebber vorschend aanziende. En toen deze stilzwijgend met het hoofd knikte, riep Van Schaffelaar: ‘dus naar Utrecht, krijgsman! dus op het punt, om een overlooper te worden? Ha! ik gevoel nu, dat mijne vrees niet ongegrond was, toen ik mij van het neerhalen der banier van mijn heer niet veel goeds voorspelde. En zult gij en de soldeniers die hier liggen, allen de voetstappen van uw aanvoerder volgen?’

‘Helaas, Heer!’ hernam Volkert aangedaan, ik wenschte van harte, dat het anders ware, maar zie, zoovele jaren heb ik onder den heer Van Nijveld gediend, hij is zulk een

[p. 66]

goed en dapper heer, dat ik, ondanks mij zelven, hem volgen zal; een soldenier is meer gehecht aan zijn bevelhebber dan aan de partij, welke deze voorstaat.’

‘En deze voetknechten, en zij, die onder den anderen luitenant dienen?’ vroeg Van Schaffelaar schielijk.

‘Zullen allen hun aanvoerder volgen; alle redenen, om hen van dit voornemen af te brengen, zouden vruchteloos en zelfs gevaarlijk zijn. Geloof mij, Heer! ik meen te kunnen raden, wat gij voorhebt; maar even waar als het is, dat gij op dit oogenblik hier zoo zeker zijt als onder uw eigen bende, even zeker is het, dat mijn plicht mij later zou gebieden voor de belangen van mijnen heer te zorgen en u gevangen te nemen. Ik bid u daarom,’ vervolgde hij, den teugel van het paard loslatende, ‘geen onberaden stap te doen, die mij en u zelven veel verdriet zou veroorzaken.’

Toen hij zag dat Van Schaffelaar over zijne woorden nadacht, zeide hij: ‘Indien gij het goedvindt, zal ik de bevelen aan Mijnheer Van Nijveld ter hand stellen, zoodra hij terugkomt; mogelijk kunnen zij nog, ik hoop het althans, eenigen invloed op zijn gedrag hebben; doch gij moet zelf weten, of gij denkt ze mij te kunnen achterlaten.’

‘Dat zal het eenige zijn, wat mij overblijft,’ zeide Van Schaffelaar, en hij haalde een dichtgevouwen perkament uit zijn gordel te voorschijn. ‘Geef dit aan uw heer; wij willen hopen, dat het nog bijtijds komt om zijne denkwijze te veranderen, en hem den naam van verrader te sparen. Vaarwel, krijgsman! God zij met u; meld u bij mij aan, indien gij nog besluiten mocht mijnheer den Bisschop getrouw te blijven.’

‘Ik dank u, Heer!’ antwoordde Volkert, ‘ik hoop, dat het geluk zulk een goed en dapper heer, als gij zijt, steeds zal volgen, en bid u mij niet te verachten; zooals ik gezegd heb, ik ben aan mijn bevelhebber verknocht; een band, die reeds sinds zooveel jaren bestaat, wordt maar zoo niet op eens losgemaakt.’

‘Ik laak u niet, Volkert!’ zeide Van Schaffelaar, ‘ofschoon uw voornemen mij leed doet. Maar nog ééne vraag, eer ik vertrek: Is er ook iets bijzonders voorgevallen bij uwe buurlieden, en denkt gij, dat ik de Zwarte Bende even marschvaardig zal vinden, als hier de voetknechten?’ Dit zeggende, sloeg hij het gelaat van Volkert opmerkzaam gade.

‘Moet gij dan aan Messire Perrol ook orders brengen?’ vroeg deze verbaasd.

‘En indien dit zoo ware, zou dat dan zoo vreemd zijn?’ zeide Van Schaffelaar glimlachende, ‘of denkt gij, dat die hoofdman ook niet te vinden zal zijn?’



illustratie

‘Ik vrees maar al te zeer, Heer!’ antwoordde Volkert, ‘gij kunt u misschien een vergeefsche of onaangename moeite besparen door mij den brief voor het hoofd der Zwarte Ruiters mede te geven; want binnenkort moet ik toch in zijne nabuurschap zijn.’

‘Ik dank u, krijgsman!’ hernam Van Schaffelaar; ‘maar ik durf de order niet door een ander laten bezorgen; anders maakte ik gaarne van uw aanbod gebruik; want op mijne eer! ik heb liever niets te doen met dien Messire Perrol.’

‘Het spijt mij,’ zeide Volkert, ‘er blijft mij dus niets over dan u te waarschuwen om voorzichtig te zijn; want gij begeeft u in het hol van den leeuw, Heer Van Schaffelaar! en geen mensch zou u kunnen redden, indien hem de lust beving om u te verscheuren.’

‘Zoo is het, Volkert!’ antwoordde Van Schaffelaar, zich vast in den zadel zettende, ‘ik weet naar wien ik mij begeef; maar de macht, die mijnheer Daniël en andere Heiligen tegen het verscheurend gedierte beveiligde, kan ook mij behoeden, indien mijne zonden niet maken, dat de goede God mij verlaat. In allen gevalle hoop ik door Zijn bijstand eerlijk te vallen; ik groet u!’ Dit zeggende, gaf hij Moor den vrijen teugel, groette Volkert met de hand, en verwijderde zich in vollen draf, gevolgd door zijn knaap, die van dit gesprek niets gehoord had, maar zich in dien tusschentijd door de bewoners van een der huizen een kleine kan bier had laten geven, die hij, zonder af te stijgen, ledigde. Wat den luitenant der Nijvelders betreft, hij groette Van Schaffelaar diep, toen deze zich verwijderde. Een sombere tint vertoonde zich op zijn gelaat, terwijl hij den ruiter naoogde, waarna hij op eens aan zijne werkeloosheid een einde maakte, en zich met overhaaste stappen naar het huis Rhijnestein begaf.

[p. 67]



illustratie

MESSIRE Perrol lag, zooals wij weten, op de uiterste linkerzijde van het volk des Bisschops dat in het open veld had post gevat. Zijne ruiters hadden de wegen tusschen de Lek en weg van Wijk op Utrecht bezet; de weinige huizen en stallen, die er in het buurtje Dwarsdijk waren, hadden hem genoodzaakt voor zijne ruiters en hunne paarden van afstand tot afstand hutten te laten opslaan, waarin zij een geschikt verblijf konden vinden; want de kapel, waarin Perrol zijne ruiters en paarden had willen huisvesten, was op uitdrukkelijken last van den Bisschop van deze ontheiliging bevrijd gebleven. Het omliggende land, ofschoon niet zoo hoog als te Koten, bood vruchtbare zaailanden aan, die tarwe en veldvruchten in overvloed opleverden.

Wat Perrol betreft, die, uit Frankrijk verdreven, met zijn bende naar het Sticht gekomen was, men wist niet met zekerheid, of hij een edelman was of niet; ook scheen hij zich niet gelegen te laten liggen aan een rang, die hem al of niet toekwam; want niets zou hem gemakkelijker geweest zijn, dan den een of anderen naam aan te nemen, daar men niet eens wist, uit welk land hij geboortig was. Deze hield hem voor een Piëmontees, gene voor een Spanjaard, een ander weer vermoedde, dat hij uit het zuiden van Frankrijk afkomstig zou zijn; mogelijk omdat hij zich in al die landen van tijd tot tijd had opgehouden. Wat de ruiters aangaat, die hem toebehoorden, het was een mengelmoes van alle natiën, welke zich door den ijzeren wil van dezen gelukzoeker tot één lichaam hadden laten vereenigen, en zich om het voordeel, dat zijn dienst hun aanbood aan zijn gezag hadden onderworpen. Het was een hoop roovers, het uitvaagsel van onderscheiden legers, en echter door hem met zorg bijeenvergaderd tot een bende, welke hij alleen regeeren kon, en die alleen aan hem gehoorzaamde: het waren menschen van verschillenden ouderdom, voor wie niets heilig was; liegen, bedriegen, vloeken, moorden, plunderen, vechten, God en alle Heiligen lasteren, was voor hen niets vreemds. Maar Perrol deed dit alles ook: voor hem was ook niets heilig; en wat hun somtijds nog eenige vrees kon veroorzaken, daarmee dreef hij den spot. Dit was de voornaamste reden, waarom zij hem gehoorzaamden en vreesden als een machtiger wezen, en het ontzag, dat zij voor hem hadden, maakte, dat de woede hunner toomelooze driften alleen gevaarlijk voor hen was, die niet tot de Zwarte Bende behoorden; want zij huiverden, als zijdachten aan de straffen, welke degenen troffen, die tegen hunne wapenbroeders het zwaard trokken, of zich met hun goed verrijkten. Rees er twist door dronkenschap of andere oorzaken, dan had men slechts te zeggen, dat Perrol of zijn luitenant naderde; de zwaarden werden met sidderende hand opgestoken, en de roes verdween. Zelfs was de vrees voor dien man zoo groot, dat niemand hunner het waagde, wanneer zij in het openbaar over hem spraken, zijn bijnaam te noemen, of, zoo zij het al wisten, te zeggen, waarom hij Perrol met de Roode Hand genoemd werd.

De strenge krijgstucht, die onder de Zwarte Bende was ingevoerd, maakte dat deze knapen niet gevaarlijk waren dan voor hen, met wie hun aanvoerder in oorlog was. De wapenrustingen, zoowel van het voet- als van het paardenvolk, waaruit de bende bestond, waren van zwart ijzer. Voetbogen, pieken en handbussen waren de wapenen der ruiterknechten; krijgsbogen, korte handbussen en speren, die der rijzige ruiters; de mannen van wapenen, die speren droegen, hadden helmen, van vizieren voorzien, en waren geheel gewapend; geen der leden van de bende droeg echter een pluim of een vederbos. Wanneer men deze bende ruiters, welke achthonderd man sterk was, die in den oorlog oud geworden, of door Perrol zelven geoefend waren, zag geschaard staan en gezeten op hunne zwarte paarden, terwijl niets deze doodsche kleur afbrak, dan kon men niet nalaten een zekere vrees te gevoelen voor den man, die over deze zwarte gedaanten het bevel voerde, en dien zij op zijne oogwenken dienden.

Ook in de woningen, stallen en hutten te Dwarsdijk scheen een ongewone beweging plaats te hebben; de paarden werden geroskamd en de wapens schoongemaakt; en evenwel heerschte, omstreeks twee pijlschoten van de kapel, een diepe stilte, niettegenstaande hier

[p. 68]

het paviljoen van Perrol was opgeslagen. Op een groot grasveld stond een ruime tent van grijs laken met roode randen, vóór deze was een paal in den grond gestoken, waaraan de standaard van Perrol was vastgebonden. Deze bestond uit een vierkant stuk zwarte zijde met een gouden franje; een rechtstandig zwaard was er met goud en zilverdraad op geborduurd; en daaronder de spreuk van Perrol: Je le tiens haut. Vooraan in de tent stond een der wapenrustingen van het hoofd der Zwarte Ruiters; zij was geheel zwart, en een groote roode vederbos kwam uit den helmkam te voorschijn; een weinig ter zijde hing een schild en een zwaard, benevens een wapenbijl, een ijzeren knots of hamer. Zijn eerste knaap, Vidal genaamd, die nog Jong was, en door zijn inborst een verwonderlijke uitzondering maakte op hen die Perrol omringden, was juist bezig om met een lap van zacht leder het zwaard en de letters af te vegen, welke op het schild waren opgelegd, en die zoo het hem voorkwam, niet genoeg schitterden.

Naast de tent lagen onderscheidene latten en palen van de tenten, welke men van zins was op te zetten of reeds afgebroken had. Perrol zelf was buiten zijn paviljoen, eenige schreden van den ingang verwijderd; onder een boom, die hem tegen de stralen der zon beschutte, lag hij op een veldbed, dat hij aan den voet had laten nederzetten. Het stuk laken, dat er overheen gespreid was, zoowel als de hoes van het kussen, waarop hij met den arm rustte, was van rood scharlaken. Hij droeg tot kleeding een engsluitend, wit, hertslederen kleed, waaruit aan de opening voor den hals een strook linnen van het hemd te voorschijn kwam. De hozen of kousen liepen van de punt zijner voeten tot boven onder den gordel, waar zij waren vastgemaakt; het wambuis of jak, dat men toen nog misschien een Jakeboenhomme noemde, doch nu een borstrok zou genoemd hebben, bedekte zijn bovenlijf van de handen af, en eindigde insgelijks onder den gordel, zoodat het scheen, alsof dit lederen pak uit één stuk bestond. Hij droeg langgeneusde en zeer dunne schoenen

illustratie

van rood leder van Cordova, welke tot aan den enkel reikten, en op de wreef waren doorgeslagen, zoodat men de kous zien kon. Het lederen kleed, dat op de borst met kleine knoopjes van gouddraad werd gesloten, was geheel en al gestikt met onderscheidene figuren van gekleurde zijde, en getuigden van Perrol's neiging tot pracht en de bedrevenheid der borduurders van Parijs. Op elke knie, bij voorbeeld, vertoonde zich het hoofd van een denkbeeldig wezen, en de pijpen van de hozen of mouwen van het jak waren met wijnranken en bloemen versierd. Op de borst zag men aan de eene zijde iemand, die in gevecht was met een leeuw, en aan de andere zijde een man, die met een of ander monster worstelde. In één woord, het geheel, ofschoon niet zonder verdiensten, wat het werk betrof, zou heden ten dage een uitmuntend kleed geweest zijn voor den clown van een of ander paardenspel. De spleet of het gulpje, voor in de hozen, was bedekt met een dik stuk gebogen leer, dat ook geborduurd was, en, iets lager dan de gordel, aan een knoopje was vastgemaakt. De gordel zelf was van rood leder en van voren gesloten met een gouden of vergulden leeuwenkop, welke de gesp bedekte; en tusschen de tanden van het dier was een gouden ketting vastgemaakt, waaraan een lange dolk hing, die, wanneer Perrol opstond, in het midden voor zijn lijf slingerde. Zijne linkerhand was bloot; doch zijne rechter was bedekt met een handschoen van dun zwart leer, die tot halverwege den arm

[p. 69]

reikte. Deze kleeding, die, ofschoon toen niet vreemd, in den tegenwoordigen tijd voor ongepast zou gehouden worden, ware niet zeer geschikt geweest, bijaldien hij eenig gebrek van zijn leest had willen verbergen; maar was ook des te meer in staat om de juiste evenredigheid en de mannelijke kracht van zijn lichaamsbouw ten toon te spreiden. Zijne gespierde, buigzame en slanke gestalte vertoonde zich in al haar voordeel; zijn gelaat, dat schoon was, droeg echter de sporen van een woest en buitensporig leven, en de bruine tint, die zijn gelaat en zijn gespierden hals overdekte, getuigde dat hij vele jaren in zuidelijke landen had doorgebracht. De muts of kaproen van rood laken had hij afgeworpen, en zijn gitzwart haar hing, tegen de toen gebruikelijke dracht, in menigvuldige dichte lokken over zijn hals en op zijne schouders. Zijn mond miste geen zijner tanden; zijn neus was flauw gebogen, en in zijn donkergrauwe oogen schitterde een vurige gloed. Hij scheen omstreeks veertig jaar oud te zijn; ofschoon zijne wijze van leven hem misschien een vroegen ouderdom had berokkend. Wanneer niets hem kwelde, en hij alles aanwendde om te behagen, dan scheen hij eenige jaren jonger; men kon dan zien, dat hij in zijne jeugd een zeer schoon man moest geweest zijn; de bevallige, edele trek, welke dan zijn gelaat bezielde, maakte hem nog gevaarlijk voor de vrouw of de maagd, die hij wenschte te bekoren, zelfs als zij hem kende. Maar wanneer de toorn in hem opwelde, dan sloegen zijne ruiters, zelfs de woeste Walson, zijn luitenant, hem sidderend gade; dan was zijn gelaat afschuwelijk en vreeselijk; dan begreep men, dat alles waarheid was, wat men van hem verhaalde; dan zag men Perrol met de Roode Hand in zijne ware gedaante; dan was elk zijner woorden een akelige godslastering, elk zijner daden een gruwelijke misdaad.

Zeer zelden echter liet Perrol zich geheel en al door zijne driften vervoeren; gewoon anderen te regeeren, had hij zich van jongs af toegelegd zich zelven te beheerschen. Op het oogenblik, dat wij hem gadeslaan, lag hij in een gemakkelijke houding uitgestrekt; zijn hoofd rustte op zijne linkerhand en de rechter drukte hij op de veer, welke zijn hand aan het hecht sloeg, want dit wapen, dat juist in evenwicht hing, had anders gemakkelijk uit de scheede kunnen vallen. Hij richtte nu zijn gelaat een weinig ter zijde, en riep met een zachte en aangename stem: ‘Riso! geef mij wijn.’ Dadelijk stond een zijner pages op, die achter hem onder den boom op de kleine bank zat, en trad naar zijn meester, nadat hij in de tent een zilveren beker gevuld had. Het was een kind van elf of twaalf jaren, dat in lichtblauw laken gekleed was, en aan zijn gordel een scheede droeg met een mes, hetwelk hem soms bij zijne functiën te pas kwam. De page bood hem den beker aan op een schenkbord van hetzelfde metaal. Perrol rekte zich uit; want de warmte maakte hem loom, eindelijk wentelde hij zich om, en vatte den beker aan; doch alsof deze voor zijn hand te zwaar ware, trok hij zijn arm terug. Het scheen alsof iets, dat hij in de verte ontwaarde, hem den wijn deed vergeten, dien hij gevraagd had; hij hield de hand boven de half geopende oogen, en vroeg slaperig:

illustratie

‘Riso! kunt gij zien, wien Walson daar bij zich heeft?’

De page wierp een blik naar den weg, die naar het buurtje liep, en zag den luitenant met een ruiter tusschen het geboomte waarin het kapelletje verscholen lag.

‘Het is Sir Walson met een ruiter, dien ik niet ken,’ zeide hij, waarna hij ook de hand boven de helderblauwe oogen houdende, vervolgde: ‘Messire! hij draagt de kleuren van den Bisschop, en zij zijn met hun beiden; want ik zie zijn page achter hem.’

‘Het is goed, Riso!’ zeide Perrol geeuwende, ‘breng den wijn weg, ik zal nu niet drinken.’ De knaap verwijderde zich, en zijn meester, zonder zich verder te bekommeren om het bezoek, dat hem wachtte, zong binnensmonds, met een stem, welke men schoon kon noemen, het referein van een Provençaalsche ballade, en nam toen zijne vorige liggende houding wederom aan.

Weinig tijds daarna trad Walson op het veld, waarop het paviljoen stond. Hij was even groot als Perrol, maar gezetter en niet zoo slank; en zoo al zijne gestalte niets schoons, niets edels had, zoo scheen hij hem in sterkte te evenaren. Zijn gelaat was somber en onaangenaam, en had niets van dat krijgshaftige, dat anders den krijgsman onderscheidt. Hij was evenwel bekend als stout en moedig, waarom Perrol hem meer als

[p. 70]

vriend, dan als zijn onderhoorige behandelde; mogelijk, dat zijn haar, hetwelk een hoogblonde naar het roode overhellende tint had, zijn uiterlijk zoo vreemd en onaangenaam maakte. Zijne kleeding was van bruin leder, doch zonder borduursel; hij droeg een lederen muts, een breed kort zwaard en een opsteker.

Het was Van Schaffelaar, dien hij met diens knaap naar het bendehoofd geleidde. Hij trad nu eenige schreden voorwaarts, en daar hij dacht dat Perrol was ingeslapen, riep hij luid: ‘Messire Perrol! zie hier iemand, die verlangt u te spreken, het is de heer Van Schaffelaar!’

Perrol keerde zich snel naar hem toe, en zich oprichtende, zoodat hij op het veldbed zat, zeide hij vroolijk: ‘Het is mij goed, Walson! hij is mij welkom! Kom nader, Van Schaffelaar! en neem het een ruiter niet kwalijk, dat hij niet opstaat om u te ontvangen: de warmte maakt mij loom. Wees zoo goed af te stijgen.’

Van Schaffelaar reed eenige stappen voorwaarts, groette Perrol met de hand, en zeide koel: ‘Ik denk niet lang te blijven, Messire! het zal dus de moeite niet waard zijn om den zadel te verlaten.’

‘Geef wijn, Riso!’ riep Perrol, waarna hij glimlachende vervolgde: ‘Ik heb dezen morgen ten gevalle van u en den jongeling, die onder u dient, en die uw vriend is, is het niet zoo? iemand doorgelaten; gij hebt hem mogelijk reeds gezien met die jonkvrouw, die niet onaardig zou zijn, indien zij niet mal was. Vindt gij niet, dat zij er uitziet als een non, die tien jaren in het klooster heeft geleefd, zonder eenmaal bij den paap te biechten? ha! ha!’ eindigde hij lachende.

‘Ik heb dien heer reeds gezien,’ antwoordde Van Schaffelaar, ‘ofschoon gij hem, wat ons betreft, wel hadt kunnen doen terugkeeren.’

‘Gij drinkt niet?’ zeide Perrol, toen hij zag, dat Van Schaffelaar den beker weigerde aan te nemen, dien de page hem aanbood. ‘Kom hier, Riso! - op uwe gezondheid, Heer ruiter!’ Dit zeggende, ledigde hij een der bekers, en vervolgde: ‘Komt gij mij bezoeken om mij te bedanken voor den groet, dien ik met dien ouden Utrechtsman heb medegegeven? dat had immers zulk een haast niet.’

‘Neen Messire! Ik kom...’ antwoordde Van Schaffelaar; doch eer hij verder kon spreken, viel Perrol hem in de rede:

‘O! zoo! nu begrijp ik het, de Bisschop is zeker ongerust over mijne gezondheid, en zooals gij ziet, ik houd nog mijn gemak. Ik ben u zeer verplicht voor de moeite, die gij neemt.’

Van Schaffelaar's gelaat, dat tot nog toe niets verraden had van hetgeen er in hem omging, liet nu blijken, dat hij gemelijk was, dat men hem in de rede viel, waarom hij zijn stem verhief en antwoordde: ‘Ik kom niet, Messire! om u te groeten voor mij zelven, veel minder om onderzoek te doen naar uwe gezondheid: mijnheer David zou u dan zeker zijn eigen geneesheer gezonden hebben; maar ik kom om u de bevelen van zijn Eerwaarde over te brengen.’

‘Bevelen...! Gij?’ riep Perrol, terwijl hij zijn linkerbeen van het veldbed afzette. Een sombere tint overtoog zijn gelaat; in zijne oogen schitterde een vurige gloed, toen hij die op Van Schaffelaar gevestigd hield, die geheel bedaard doch met eene vaste en sterke stem vervolgde:

‘Ja, bevelen van den heer, dien wij beiden dienen, Messire!’

‘Ha! ik kan u wel verstaan, Heer! ofschoon het hier in het open veld niet gemakkelijk te redewisselen is op zulk een afstand,’ antwoordde Perrol, en zijn gelaat was weder onbewolkt; ‘vergeef mij mijne verwondering; maar de genade van heer David is zoo groot! Juist u te zenden... Welnu, ik ben geheel gehoor; wat heeft mijn heer en meester te bevelen?’ Dit zeggende, strekte hij zich weder op zijn veldbed uit, terwijl hij achteloos met zijne kaproen naar een vlinder sloeg, die om hem heen fladderde.

‘Zijn Eerwaarde heeft u zijn wil schriftelijk doen kennen,’ antwoordde Van Schaffelaar. ‘Zit af, Henri! en geef dezen brief aan den heer bevelhebber.’ Dit zeggende, gaf hij den brief over aan zijn knaap, die afgestegen was, en zijn paardje bij den teugel leidende, naar Perrol trad.

‘Riso! neem den brief aan,’ riep deze, en vervolgde glimlachend: ‘Waarlijk, Heer Van Schaffelaar! gij zit daar, bij mijne eer! zoo hoog verheven op uw hengst, dat het voor u moeielijk is iemand een bevel te overhandigen, die zoo laag geplaatst is als ik.’ Toen Riso hem het perkament overgegeven had, bezag hij het van alle zijden, alsook het zegel, dat

[p. 71]

er aanhing, en vroeg: ‘Hoe bevindt zich de eerwaarde heer? ik hoop, wel! wees zoo goed hem te zeggen, dat ik zijne bevelen met aandacht in overweging zal nemen.’ Dit zeggende, wierp hij den brief naast zich neder.

De spottende toon, waarop hij dit zeide, en de minachting, waarmede hij de order nederlegde, maakten dat Van Schaffelaar zijne verontwaardiging nauwelijks bedwingen kon; maar hij had zich vast voorgenomen zijne bedaardheid niet te verliezen, en zeide met nadruk: ‘Ik moet u uitnoodigen, Messire! om dadelijk kennis te nemen van het geschrift; mijnheer David heeft mij gelast uw antwoord mede te brengen; ik kan dus zonder dat niet terugkeeren.’

‘Is het u dan bekend, wat de bisschop verlangt?’ vroeg Perrol geeuwende en zich uitrekkende.

‘Neen!’ antwoordde Van Schaffelaar kortaf.

‘Dat spijt mij,’ zeide Perrol grimlachende, ‘maar ik heb nu niemand bij de hand, die lezen kan, en gij zult genoodzaakt zijn om zonder antwoord de terugreis aan te nemen.’

‘Ik kan lezen, Messire!’ hernam Van Schaffelaar, ‘geef mij den brief, en ik zal u zeggen wat hij behelst.’

‘Ik kan niet,’ zeide Perrol glimlachende, ‘ik ben niet gewoon de orders, welke ik ontvang, door elkeen te laten hooren.’

‘Verwijder u, Henri!’ zeide Van Schaffelaar. ‘Zend uw page weg, Messire! en ik zal den brief voorlezen, indien gij het wilt.’

‘Maar ik wil het niet,’ antwoordde Perrol op ernstigen toon, ‘de order is alleen voor mij; indien zijn Eerwaarde u met zijn vertrouwen vereerde, had hij de moeite niet behoeven te nemen om ze te laten schrijven, en hij zou mij met recht ten kwade kunnen duiden, indien ik u er inzage van liet nemen. Riso! geef wijn,’ riep hij vroolijk.

‘En als ik u gelast, in naam van mijn genadigen heer van Utrecht, uw heer en meester, om dadelijk de bevelen te lezen en uit te voeren?’ vroeg Van Schaffelaar met waardigheid.

‘Dan antwoord ik, en zweer u, op mijn eer! en bij alle heiligen, zoo u dat genoegen verschaft, dat ik nu geene gelegenheid heb om de bevelen te lezen,’ antwoordde Perrol glimlachende,

illustratie

en vervolgde, voordat hij dronk: ‘Op uwe gezondheid ledig ik dezen beker, gevuld met den heerlijken wijn van het eiland Cyprus en ook op de gezondheid en getrouwheid van het meisje, dat gij bemint, Heer krijgsmakker! Ja, laten wij van dien geestelijken heer en zijne orders zwijgen; ik houd van die papen niet,’ riep hij vroolijk. ‘Waarom zouden twee mannen, als wij, er ons hoofd over breken? laten wij over onze eigen zaken spreken. Het is een vroolijke knaap, die wapensmid; hij maakt, voor den duivel, alles zoo goed als ik het ergens gevonden heb, en dat is de reden, dat ik onderscheiden stukken voor mij en mijn volk bij hem heb laten maken, vooral omdat hij de vader van uw liefste is. Zij ziet er goed uit, op mijn eer! want ik heb haar gezien op dien dag, toen gij ook juist in Amersfoort waart, en waarlijk indien gij mij niet vóór geweest waart, ik geloof waarachtig, dat ik op haar verliefd zou geworden zijn. Maar vreest gij niet, dat zij u zal vergeten, Heer ruiter! nu gij zoo van haar verwijderd zijt? vooral als er eens een knapper en jonger

[p. 72]

aanbidder in de nabuurschap was; want wij zijn niet jong meer, Heer Van Schaffelaar! Hij houdt nog van gekscheren, die meester uit de Vergulde Helm. Verbeeldt u, dat hij mij wijs wilde maken, dat gij zijne dochter zoudt huwen; een aardige schoonvader voor iemand van onzen rang, ha! ha! Ik wacht hem zelfs dezen dag nog om mij wat te brengen, dat ik bij hem besteld heb. Hebt gij iets te zeggen aan uwe Maria? zoo heet zij immers?’

‘Niets, Messire!’ antwoordde Van Schaffelaar koel; maar zijn gelaat was bleek van verontwaardiging.

‘Wat zijt gij hier in het Noorden koud en ongevoelig! Het is alsof het bloed in uwe aderen verstijfd is; gij hebt uw uitverkoren schoone in weken niet gezien, en weet niet, wat gij haar wilt doen weten! het verwondert mij niet, dat de vrouwen hier den vreemden mannen genegen zijn,’ zeide Perrol lachende en zag eerst Van Schaffelaar, en daarna Walson aan, die in zijne nabijheid, met zijne handen op den rug, bedaard stond te kijken. Ofschoon op een eerbiedigen afstand, stonden ook eenige rijzige ruiters, die nieuwsgierig waren, wat de ruiter, die van Wijk gekomen was, te zeggen had, en hoe Perrol hem zou ontvangen; hun aantal, dat in den beginne zeer gering was geweest, groeide van tijd tot tijd aan.

‘Aangeboden diensten zijn niet aangenaam,’ zeide Van Schaffelaar ijskoud, ‘vooral als men den man niet genoeg kent, die zijn dienst aanbiedt, en men niet weet, of het spotternij of ernst is. Maar gij hebt gelijk, Messire! wij zijn koud en onverschillig in deze landen; heb ik er u geen bewijs van gegeven, door u aan te hooren, zonder u in de rede te vallen?’ eindigde hij schamper lachende; en de gesloten vuist, die op zijn dijstuk rustte, deed de ijzeren plaat geluid geven; want de verontwaardiging deed hem beven.

‘Het is waar, ik heb uw geduld bewonderd,’ hernam Perrol met gemaakte bedaardheid. ‘Riso! wijn! het spreken maakt den mond droog. - Op uwe gezondheid en uw geduld, Heer Van Schaffelaar! maar sta mij toe te zeggen, dat het onbeleefd zou zijn mij in de rede te vallen,’ zeide hij op spottenden toon.

‘Op een anderen tijd zou ik u geene gelegenheid verschaft hebben, om over mijne lankmoedigheid verwonderd of verheugd te zijn, maar u, bij God! het zwijgen opgelegd hebben,’ riep Van Schaffelaar met drift.

‘En hoe zou dit geschied zijn?’ zeide Perrol, die zich oprichtte, en den beker, dien hij nog in de hand hield, op het gras nederwierp. ‘Gij hadt hier, zoo het mij voorkomt, ruimte genoeg om die oplegging te doen, en ik had juist lust om mij er mede te vermaken. Bezin u eens wel, Heer Van Schaffelaar! zou het nog geen tijd zijn om uw ongeduld bot te vieren?’ vroeg hij spottend, en hij hield zijne oogen tergend op zijn tegenstander gevestigd.

Een oogenblik stond Van Schaffelaar in beraad wat te doen; onwillekeurig greep hij naar zijn handschoen, om dien Perrol voor de voeten te werpen, en hem op een kamp op leven en dood uit te dagen; doch hetgeen hij aan Maria, en daarna, nog voor weinige uren, plechtig aan den Bisschop beloofd had, hield hem terug, en hij zeide langzaam en droevig: ‘Zijn Eerwaarde heeft mij verboden twist te zoeken of dezen dag het zwaard te voeren, anders dan tot lijfsweer.

‘En zult gij dit gebod naar de letter opvolgen?’ vroeg Perrol snel.

‘Ik hoop ja, zoo God mij niet verlaat,’ antwoordde Van Schaffelaar bedaard.

‘Het is goed voor u, dat ik heden te vadsig ben, om anders dan met den beker en met het woord te strijden; ware dit niet zoo, dan zou ik eens zien, of ik u het gebod ook kon doen overtreden,’ zeide Perrol meesmuilende.

‘Het zou tevergeefs zijn,’ antwoordde Van Schaffelaar bedaard.

‘En indien ik u beleedigde en beschimpte, indien ik u mijn handschoen toewierp, of u voor een lafaard schold, wat zoudt gij dan doen, gehoorzame ruiter?’ zeide Perrol lachende.

‘Nog eens, zeg ik u,’ hernam Van Schaffelaar, even bedaard, ‘dat ik God zou bidden mij de kracht tegeven, om aan hetgeen ik beloofd had, te voldoen.’

‘En indien mijne hand u een klap op de wang gaf, die, ofschoon gedeeltelijk achter uw helm verscholen, thans van vrees of kwaadheid bleek is?’ vervolgde Perrol met drift, en het deed hem genoegen zich met den braven krijgsman te kunnen vermaken, die alleen zijn bedaardheid niet verloor, omdat hij den tergenden vijand verachtte.

‘Niemand heeft mij ooit zelfs niet met den vinger aangeraakt, Messire!’ antwoordde Van Schaffelaar, ‘en ik raad u, u geheel te wapenen, voordat gij het beproeft; want God

[p. 73]

zij mij genadig; indien gij mij aanraakt, zoo zal ik u den tijd niet geven om uw harnas aan te doen.’

‘Is dit zoo de gewoonte hier in het land?’ zeide Perrol; ‘het is voorwaar gemakkelijk; in Frankrijk, en overal waar ik geweest ben, geeft men altijd iemand den tijd om zich te wapenen.’

‘Er is eene zekere soort van menschen, die men doodslaat, waar men hen aantreft, evenals een dollen hond, zonder te waarschuwen of te bedenken; ik onderstel, dat het overal wel zoo zijn zal,’ hernam Van Schaffelaar; ‘maar ook hier is een ongewapend man meest altijd heilig, Messire! gij zijt er immers van overtuigd; want ik heb mijn ros slechts aan te sporen en het vertrapt u met zijne hoeven.’

‘Riso! vul den beker,’ riep Perrol. ‘Drinkt gij niet, Walson? ik wil dezen beker ledigen op de gezondheid van den vromen ridder, die een open brief van lafaard schijnt te hebben. Voor den duivel! nooit hoorde ik iets dergelijks; hoe zal men voortaan een dapper man van een bloodaard kunnen onderscheiden, indien zulke orders worden aangenomen, en zulke brieven geldig zijn? Op uwe gezondheid, Heer Van Schaffelaar! maar waarvoor dient dat harnas, en al die wapenen? Zijn Eerwaarde heeft u immers toegestaan u als een lafaard te gedragen; waartoe dus die onnoodige vermomming? ha! ha! Of was het slechts om meer klem aan uw verzoek te geven en om ons bang te maken?’ Dit zeggende, hief Perrol den beker hoog op, waarna hij dronk.

‘Mensch!’ riep Van Schaffelaar, de hand aan zijn zwaard slaande, ‘sta op en wapen u, want dat gaat te ver; dit gras moet uw of mijn bloed drinken, indien gij niet zelf de verachtelijkste spotter en lafaard zijt, die er leeft. Kom voorwaarts, en laat uw hengst herwaarts brengen, of ik zal afstappen en u bewijzen, dat een edelman hier in het land den dolksteek geven of ontvangen kan, zonder zijne oogen te verblikken.’

‘Ha!’ riep Perrol, ‘ik wensch u gelijk, mijn Edelman! dat is mannelijke taal; maar wij beven nog niet, en wij zijn karig met ons bloed; wij zijn niet jong genoeg meer, om er roekeloos mede te zijn. Walson!’ vervolgde hij lachende, ‘onze dronk is ongepast geweest, hij is een dapper man.’

‘De dronk smaakte te goed om niet van pas te zijn toegebracht,’ zeide deze lachende, en zette zijn beker op het schenkbord, dat Riso hem voorhield. ‘Zoo het mij voorkomt, Messire! is het maar een loos alarm, en die dappere heer zou zoo niet spreken, indien hij niet een weinig vertrouwde op uwe onverschilligheid of luiheid, als ik het zoo noemen mag, maar voor iemand uit dit land houdt hij zich goed.’ Dit zeggende, zag hij om zich heen, en de ruiters der Zwarte Bende, die zachtjes aan meer genaderd waren, gaven door een zacht gemompel te kennen, dat zij zich bijzonder vermaakten met hetgeen er voorviel. Vidal stond onbeweeglijk voor den ingang van het paviljoen, indien men in zijn hart had kunnen lezen, zou men bemerkt hebben, dat hij met belangstelling hoorde en zag, wat er gebeurde. Hij was de eenige, die zich niet verheugde over de beleediging, die Van Schaffelaar werd aangedaan.

Wat den knaap van dezen laatste betreft, hij was bij zijn paard blijven staan, nadat hij den brief aan Riso had overgegeven, en bevond zich een weinig achterwaarts, bezijden zijn heer. Hij gaf noch door teekenen noch door woorden te kennen, wat er in hem omging, maar bewaarde een gepast en deftig stilzwijgen; hoe meer evenwel de ruiters naderden, hoe meer hij een zekere ongerustheid liet blijken die zijn meester niet gewaar werd. Toen ook Walson zich in het gesprek mengde, besteeg hij zijn paardje, dat springend en steigerend met moeite aan den teugel gehoorzaamde, geheel anders dan Moor, die, even bedaard als zijn berijder, onbeweeglijk bleef staan, doch nu en dan den kop trotsch oprichtte en door zijne neusgaten snoof. ‘En wat bekreun ik mij om u!’ riep Van Schaffelaar met vuur, en zijn oog op Walson vestigende: ‘spreek met mijn knaap, indien hij u te woord wil staan, maar zwijg, als ik met uw meester spreek. Nog eens, Perrol! sta op, en val mij aan als een man, die wapens draagt, of ik werp dat woord van lafaard op u terug!’ Toen hij zag, dat Perrol zich niet bewoog, vervolgde hij: ‘Gij zijt zelf een lafaard, aanvoerder van de Zwarte Bende.’

‘Ha!’ zeide Perrol en zijn blik werd duister; zijne hand omvatte de greep van zijn dolk; doch hij wierp snel het wapen van zich af, en zich op zijn veldbed weder geheel uitstrekkende, vervolgde hij vroolijk: ‘Gij zegt veel, Heer Van Schaffelaar! en verstaat geene jokkernij; maar het is goed, dat ik bekend ben met de order, welke gij gekregen en gewillig op u genomen hebt. Ik houd veel van gekscheren; gij houdt u goed, en ik

[p. 74]

heb te veel eerbied voor den wil van den Eerwaarden vader, mijn meester, om u tegen uw eigen wil en den zijnen in gevaar te stellen uw harnas te bederven.’

‘Gij verwijst mij naar uw knaap, ofschoon ik beter edelman ben dan gij,’ riep Walson kwaadaardig lachende; ‘maar zie, daar gaat hij heen, voordat ik hem aanspreek.’

‘Hij is verstandiger dan zijn heer,’ lachte Perrol, ‘misschien heeft hij ook bevel gekregen om niemand leed te doen.’

Van Schaffelaar zag om, en inderdaad zijn knaap had hem verlaten; hij zag hem met lossen teugel de vlucht nemen, en hoorde, dat de ruiters hem allerlei smaadredenen naschreeuwden. Ofschoon hij te veel menschenkennis bezat, om veel op den knaap te rekenen, of zich te laten misleiden door snoevende bewoordingen, die hij gewoon was te bezigen, zoo vond hij zich echter zeer teleurgesteld, toen Henri hem verliet.

Een blik rondom zich werpende, en die bruine en gebaarde troniën om zich heen ziende, die meestal het woeste gelaat van roovers en stroopers meer nabij kwamen, dan dat van gewone krijgslieden, kon hij zich de vlucht van den armen knaap zeer goed gegrijpen, en hij vergaf het hem.



illustratie

Maar nu gevoelde hij zich ook geheel alleen; en evenwel vertoonde zich een droevige glimlach op zijn gelaat, wanneer hij bedacht, dat hij toch weinig bijstand had kunnen verwachten van den kleinen mismaakten knaap, en hij dacht aan Frank en zijne Schaffelaars, aan Maria, zijne bruid, die nu misschien met hare moeder over hem zat te praten, of zich met hare vogels of met den kleinen Snip vermaakte.

‘Uw dwerg heeft het hazenpad gekozen, Heer overbrenger van bevelen! wilt gij hem niet volgen? gij ziet hem, zoo het mij voorkomt, met belustheid na,’ zeide Perrol geeuwende. ‘Laat het om mijnentwille niet! ik ken immers uwe orders, voor u bestaat er geen vluchten.’

Nu wenkte hij Van Schaffelaar met de hand toe, en wees hem naar het buurtje en naar Henri, die het geboomte reeds bereikt had.

‘Ik zie naar de banier van mijnheer David, en ik zie haar niet,’ antwoordde Van Schaffelaar langzaam. ‘Het woord lafaard schijnt u wel te bevallen, Messire! Maar zeg mij eens, een overlooper is dat ook geen lafaard? is een verrader niet een dubbele en meineedige lafaard, staat die laatste naam u aan? Welnu dien geef ik u; hij komt u van rechtswege toe. Nog eens, waar is de banier?’

‘De banier? Heer van Schaffelaar!’ antwoordde Perrol glimlachende, ‘ziet gij haar daar niet voor mijn paviljoen, is zij niet goed geplaatst! - Ik kan haar hier niet goed zien, Walson! hoe is het er mede?’

‘Zij wappert goed, Messire!’ hernam deze, ‘indien de heer ruiter maar zien wil, zal hij bemerken, dat zij naar de zijde van Wijk waait, misschien om den Bisschop te begroeten.’

‘Maar dat is de banier niet van mijn en uw meester,’ zeide Van Schaffelaar.

‘Het is waar,’ hernam Perrol, ‘het is de mijne, staat zij u niet aan? hebt gij er iets op aan te merken? er zijn geen schoone kleuren in, maar al wat krijgshaftig is, moet deftig zijn; en dan is mijn banier altijd dezelfde, hetzij bij nacht of bij dag, altijd zwart. Ziet gij het ontbloote zwaard niet, altijd gereed om te treffen? Kunt gij de spreuk lezen, en begrijpt gij die?’ zeide hij lachende, en zag Van Schaffelaar scherp aan.

‘De beteekenis is duidelijk, dunkt mij,’ zeide Walson, ‘evenwel kan ik u de spreuk vertolken, het kan tot waarschuwing dienen,’ en hij wenkte den page om hem een beker in te schenken.

‘Verplicht, Heer Walson, het zou te veel gevergd zijn,’ antwoordde Van Schaffelaar grimlachende, waarna hij, zich in den zadel verzettende, luide, doch schamper vervolgde: ‘Op het zwarte ziet men niet gemakkelijk een vlek, gij hebt wèl gedaan de zwarte kleur

[p. 75]

tot uwe banier te nemen; de spreuk is goed ten minste zoo goed als een andere, en de beteekenis van het rechtstandige, bloote, puntige zwaard niet onduidelijk; maar gij zult mij moeten toestemmen, Messire Perrol! dat het nog toepasselijker en beter zou zijn, als het zwaard door een hand werd vastgehouden, bij voorbeeld door een roode hand!’ Hij richtte bij deze woorden zijn krijgshaftig oog op het gelaat van Perrol, ten einde niets te verliezen van den indruk, welken hij vermoedde, dat deze laatste woorden op hem zouden maken.

Per moio! verdoemenis over u!’ schreeuwde Perrol, en sprong wild op en van het veldbed af. Zijne van woede bevende hand vatte de greep van zijn wapen, deed het in de scheede trillen; hij schudde met het hoofd om zijne haarlokken achterwaarts te werpen, die voor zijn gelaat hingen; zijn knevel en baard stonden op; zijne bleeke lippen openden zich krampachtig, en lieten zijne tanden bloot, die zich op elkander klemden: zijn geheele gelaat had een doodelijke kleur aangenomen, maar zijne oogen schoten vuurvlammen; hij was verschrikkelijk leelijk. Hij boog zich voorover en bukte, en elkeen dacht, dat hij in zijn moordlust op Van Schaffelaar zou aanspringen.

Deze vergenoegde zich echter met de hand aan zijn zwaard te slaan; en wachtte rustig af wat er zou gebeuren; hij was niet wraakzuchtig, en evenwel deed het hem genoegen iets gevonden te hebben, dat Perrol trof en leed deed.

Dit alles duurde echter slechts een enkel oogenblik; Perrol stiet zijn dolk weder geheel terug, en richtte zich op; hij streek de haren van zijn hoog voorhoofd weg, en zijn gelaat veranderde als door een tooverslag. Zijn fonkelend oog was altijd dreigend; doch de trekken van zijn wezen waren niet meer akelig om te aanschouwen, maar edel en fier; zijn mond behield slechts een schamperen trek.

Hij legde zijn linkerhand op zijne heup, zette den rechtervoet voorwaarts, en vertoonde zich in al zijne lengte; het was nu een edel ridder, fier en dreigend, maar niet meer de op zijne prooi loerende booswicht.

‘Vidal!’ riep Perrol met een krachtige stem.

Deze naderde terstond. ‘Mijne wapens!’ vervolgde hij, ‘en laat mijn Hector zadelen.’ De schildknaap boog en verwijderde zich.

‘En nu, Heer Van Schaffelaar!’ zeide hij met drift, en strekte zijne hand met den zwarten handschoen naar dezen uit, ‘nu zult gij kunnen zeggen, dat gij Perrol gezien hebt, voor den duivel! maar wie zal het hooren? Of denkt gij, dat uw ellendige romp nog leven zal, als hij van dit veld wordt afgeworpen? Ik alleen zal hooren, wat gij prevelt als mijn lemmer u terneerstoot? het zal mogelijk een schietgebed zijn, niet waar? Bid maar, Per moio! want uw laatste uur genaakt; gij, lafaards! hebt zelden den moed om het zwaard te trekken, alvorens eenige schietgebeden gedaan te hebben. Bid! gij zijt immers vazal van een bisschop; of wilt gij biechten bij den paap, die bij mijne bende is, en mij tevens als beul dient? ha! ha! Met de hulp van God en den geheelen stoet van heiligen, zult gij mogelijk nog den moed hebben mij af te wachten, zonder den dwerg te volgen, die u voorgegaan is. Voor den Satan! gij zult zien, dat mijne spreuk goed en waar is,’ en hij zag met ongeduld naar de zijde van zijn paviljoen.

‘Laster niet, maar maak spoed!’ zeide Van Schaffelaar bedaard, ‘dezen ochtend, Perrol! heb Ik voor mij gebeden, nu zal ik bidden voor u.’

‘Vervloekte papenvriend!’ riep Perrol, ‘indien gij voor mij wilt bidden, zoo smeek mijnheer satan, dat hij u den hals omdraait; de aanvoerder der Zwarte Bende houdt niet van monniken en die soort van volk. Vidal, haast u!’

‘Hier ben ik,’ zeide deze, die naar hem toetrad, en den helm in de hand hield, terwijl eenige pages de andere wapenstukken aandroegen.

Van Schaffelaar, die de hand aan zijn helm sloeg om te onderzoeken of het vizier gemakkelijk gesloten kon worden, zag dan nu eindelijk het zoolang gevreesde oogenblik gekomen, dat hij zich met Perrol zou meten; hij dacht aan zijne bruid, aan het geluk dat hem in hare armen wachtte, en zijn gelaat werd somber; zijn hart werd droevig aangedaan.

‘Gij schijnt niet opgeruimd,’ zeide Perrol grimlachende, terwijl Vidal hem de scheenen dijstukken vastgespte. Maar Van Schaffelaar antwoordde niet. ‘Denkt gij misschien aan Maria?’ vroeg Perrol, ‘ik heb den naam onthouden; een ander zal haar beminnen, en gij zult haar niet bezitten.’ Van Schaffelaar huiverde. ‘Maar wat na uw dood geschiedt, zal u niet deren,’ eindigde Perrol lachende.

‘Zijt gij gereed?’ riep Van Schaffelaar.

[p. 76]

‘Terstond; - een oogenblik geduld, laten wij nog een weinig te zamen praten, het is voor het laatst. Vidal! het rechterkniestuk drukt mij, en doet mij zeer; dat kan zoo

illustratie

niet,’ zeide hij langzaam. Hij was geheel meester geworden van zijne drift; nog gevoelde hij wel lust, om Van Schaffelaar te bestrijden; maar evenals een kat met een muis, zoo wilde hij zich vooraf nog vermaken met den man, dien hij wilde vernietigen. Hij gevoelde wat Van Schaffelaar het meest griefde, en hij vervolgde: ‘Ja denk aan haar, niets is natuurlijker, wanneer men verliefd is; Maria is schoon en beminnelijk, op mijn woord van eer! zij is een lieve maagd. Hebt gij iets, dat gij haar gaarne deedt toekomen? daar staat Sir Walson, die u dezen dienst niet zal weigeren. Op mij zoudt gij misschien minnenijdig zijn; maar hij is niet zeer gezien bij de vrouwen; en evenwel als gij hier sterft, wat kan het u dan schelen, al zag Maria mij ook met goede oogen aan? ik wil zelf uw jongsten groet aan haar overbrengen.’

Van Schaffelaar zweeg; maar een enkele kreet verried echter, dat Perrol's woorden hem tot in het hart doordrongen. Zonder het te weten, raakte hij Moor met een zijner sporen; het dier steigerde en stampte op den grond met zijne hoeven. Op dit oogenblik ontstond er eenig gerucht onder de Zwarte Ruiters. Perrol en Walson zagen verwonderd naar de zijde van Dwarsdijk; doch Van Schaffelaar bemerkte niet, dat er iets bijzonders plaats had; het beslissend oogenblik, dat naderde, hield zijne gedachten bezig. Mogelijk bad hij voor de ziel van zijn vijand, zooals hij beloofd had; doch plotseling ontwaarde hij iemand, die zich op eenigen afstand naast hem plaatste; het was zijn knaap. Het paardje was sterk bezweet, en ook het gelaat van Henri verried, dat hij een groot eind wegs had afgelegd; hij veegde zich het zweet van het voorhoofd, en schikte zijn manteltje in orde. Van Schaffelaar knikte hem vriendelijk toe, doch zeide niets; de terugkomst van den knaap deed hem genoegen, en evenwel wenschte hij, dat de arme jongen zich op een andere plaats bevonden had.

‘Hebben de ruiters u niet willen doorlaten, en hebben zij u eens wakker afgerost, klein gedrocht?’ riep Walson tegen Henri, terwijl de strijdhengst van Perrol bij het bit werd voortgeleid.

‘Indien gij iets weten wilt, akelige roodkop!’ schreeuwde Henri driftig, ‘zoo vraag het aan uw knaap, indien gij nog iemand hebt kunnen vinden, die zulk een verloopen Engelschman, als gij, dienen wil; gij zijt mijn heer niet!’

‘Wees voorzichtig, Walson!’ zeide Perrol lachende, ‘dat mannetje is klein, maar lichtgeraakt, zoo aanstonds werpt hij u zijn handschoen toe.’

‘O!’ riep Walson vroolijk, ‘ik zal mij wel wachten hem te beleedigen, wie zou met zulk een afschuwelijken dwerg willen vechten!’

‘En wie zou met u te doen willen hebben?’ schreeuwde Henri, die zich in den zadel oprichtte, ‘de beul en anders niemand, dronken Engelschman!’

‘Welnu!’ zei Walson binnensmonds, terwijl hij een wraakgierigen blik op den knaap wierp, en een paar stappen voorwaarts deed; doch Perrol riep snel: ‘Ho! met uw verlof, Sir! die arme knaap is immers beneden u, en wie zal gaan rondzeggen, hoe het met zijn meester afgeloopen is, als gij hem neerhouwt.’

[p. 77]

‘Ik had geen voornemen hem met het zwaard in aanraking te brengen,’ hernam Walson gemelijk, terwijl hij terugtrad, ‘ik wilde het monster slechts met mijne handen verworgen, of hem nog gedrochtelijker maken.’

Dit zeggende, lachte hij, en bezag zijn groote, breede handen.

illustratie

‘Gij zijt zelf een gedrochtelijke reus!’ riep Henri kwaadaardig, ‘ik wil op uwe schouders klimmen, opdat de dwerg u met zijn dolk de hersenpan stuk stoote; want de Heer zal mij bijstaan, en ik zal op uw romp treden en u den kop afslaan, evenals mijnheer David den leelijken reus deed.’

Van Schaffelaar gaf aan zijn knaap door een teeken te kennen, dat hij zwijgen moest, en Perrol zeide: ‘Gij doet wel om hem het spreken te verbieden; hij is óók een snoever.’

‘Zooals er velen zijn,’ antwoordde deze, ‘maar hij is evenwel langs het hazenpad teruggekeerd.’

‘Het is waar,’ hernam Perrol, waarna hij uitriep: ‘Riso! nog een beker wijn, ik heb dorst. Wilt gij niets drinken, Heer Van Schaffelaar! voordat wij beginnen?’

‘Alles behoorde reeds gedaan te zijn, Messire!’ zeide deze koel; ‘ik voor mij ben niet gewoon te drinken, voordat het gevecht begint; wij zoeken in dit land nimmer den moed in den beker of in de overmacht. Zijt gij gereed?’

Henri, die Van Schaffelaar onopgemerkt genaderd was, riep nu zoo zacht dat deze alleen het hooren kon: ‘Wees in Gods naam bedaard, Heer! en terg hem niet: maar zoek tijd te winnen.’

‘Zoo denk ik er ook over, en bij de ziel van den satan en op mijne eer! zweer ik u, dat ik niet gewoon ben te drinken, voordat ik het zwaard trek.’ Dit zeggende, ledigde Perrol zijn beker, en gaf hem aan Riso terug. Hij lachte, stiet Vidal, die hem het borstharnas wilde aandoen, van zich af, en wierp zich weder half geeuwende op zijn veldbed neder.

‘Bij alle heiligen in het paradijs! daar zouden wij vergeten, dat u het vechten verboden is,’ riep hij luid; ‘zijn Eerwaarde zou mij als ontrouw en meineedig beschouwen en vervloeken, als ik het verlof niet eerbiedigde, dat hij u heeft verleend.’

‘Gij trekt u dan terug?’ riep Van Schaffelaar een blik vol verachting op hem werpende, en sloeg met zijne vuist op zijne dijstukken. ‘Op een lafhartige wijze weigert gij den tweestrijd, na al wat gij gezegd hebt?’

‘Voor heden moet ik weigeren,’ antwoordde Perrol, op een vroolijken toon. ‘Mijnheer de Bisschop zal mijne gehoorzaamheid op prijs weten te stellen; gij hebt order en verlof om u laf te gedragen; dat verlof zal voor ons beiden geldig zijn.’

‘Op een anderen keer,’ riep Van Schaffelaar, ‘zal ik misschien andere bevelen uit te voeren hebben, Messire! ik vertrek en vraag u nogmaals, welk antwoord ik den Bisschop brengen zal?’

‘Welk antwoord?’ zeide Perrol, zich uitrekkende, ‘maar gaat gij ons nu reeds verlaten? stijg af, en laat ons te zamen overleggen, wat wij aan zijn Eerwaarde zullen zeggen.’

‘Breng uw antwoord zelf naar Wijk; want ik vertrek,’ antwoordde Van Schaffelaar, en hij haalde den teugel aan.

‘Nog niet, Heer Edelman!’ riep Perrol, ‘ik laat u nog niet gaan; een oogenblik geduld.’ Toen hij zag, dat Van Schaffelaar zijn paard deed omkeeren en zich niet aan hem stoorde, vervolgde hij: ‘Ik wil niet, dat gij nu reeds vertrekt!’ en hij riep met een sterke stem: ‘Laat niets door, ruiters! sluit u; de eerste, die terugtreedt, is des doods!’

‘En dacht gij dan te kunnen heengaan zonder mijne toestemming?’ vroeg Perrol, schamper lachende. ‘Zie om u heen, Heer afgezant; gij zijt wel bewaard.’

Van Schaffelaar had zijn paard laten stilstaan, toen Perrol aan zijn volk gelastte om hem niet door te laten. Hij wierp een vluchtigen blik op de Zwarte Ruiters, op Walson en op het bendehoofd en zeide koel: ‘Ik heb uwe toestemming niet noodig, laat uwe ruiters uiteengaan, of ik zal mij den doortocht weten te verschaffen.’

‘Gij zijt hier in mijne legerplaats,’ antwoordde Perrol trotsch. ‘Ik alleen heb hier te bevelen, indien gij vertrekken wilt, kunt gij het verzoeken.’

‘Ik wil niets verzoeken van een vreemden huurling, die in soldij van mijn meester staat; in zijn naam beveel ik u, aan die mannen te gelasten mij door te laten,’ riep Van Schaffelaar met waardigheid.

[p. 78]

‘En wat spreekt gij van vreemden huurling,’ antwoordde Perrol geraakt, ‘uw meester die zelf een vreemdeling en een bastaard is, moet mijne diensten koopen; maar gij zijt vazal van een vreemdeling, en de Utrechtsche edelman is goed genoeg om aan een huurling orders te brengen, en zijn antwoord bescheiden af te wachten; goed genoeg, zeg ik, maar ook niet te goed, voor den duivel!’ Toen hij Walson aanzag, en lachende het oog langs den kring van zijne ruiters liet gaan, ondersteunden zij zijn woorden door een ruw

illustratie

gelach dat weldra nog luider werd; want een hunner was Henri van achteren genaderd met het voornemen, om hem bij zijn mantel te vatten en van het paard te trekken. De knaap, die steeds het oog hield op Walson, zag hem niet; maar het paardje dat nu en dan den kop omkeerde, sloeg juist achteruit, toen de ruiter zijne hand uitstrekte. Indien niet gelukkig de ijzers tegen zijn borstharnas waren gekomen, zou hij er mogelijk het leven bij ingeschoten hebben; maar hij gevoelde evenwel geen lust om een tweede poging te doen; want toen Henri, die door het slaan van zijn paard bijna uit het zadel was geworpen, het weder tot bedaren had gebracht, zag hij, dat de spotboef uit de bende, die had gedacht hem te betrekken, op handen en voeten achteruit kroop, om zich buiten het bereik van het paardje te begeven, daarna met moeite opstond, en zich bij zijn gezellen voegde. ‘Indien er adellijk bloed door uwe aderen vloeide,’ zeide Van Schaffelaar, ‘dan zoudt gij anders handelen; want uw gedrag is een edelman en ridder onwaardig.’

‘En ziet gij mij dan aan voor een dorper?’ vroeg de andere vroolijk; ‘ik ben Perrol, aanvoerder der Zwarte Bende, ziedaar mijn titel, ziedaar mijn blazoen;’ - hij wees op de banier! - ‘of denkt gij, dat het mij moeite zou gekost hebben een naam en een wapen te verkrijgen, indien ik het gewild had? ha! Draag ik geen gouden sporen? Hebben niet de grootste heeren zich gaarne mijne vrienden genoemd? Heeft mijnheer David zelf mij niet meer eer aangedaan dan aan u en zijne edelen? en het schoone geslacht vooral; hebben niet de voornaamste vrouwen mij met hare liefde vereerd, en er mij de zoetste bewijzen van gegeven? Maar waarin bestaat dan toch uw adeldom, Edelman? Welke groote dienst heeft uw vader gedaan om van knecht te worden verheven? Waar liggen uw landgoederen? Vertel iets van uw kasteel,’ zeide hij lachende, ‘verhaal ons hoeveel grachten, hoeveel torens dat slot beschermen; zeg mij de hoogte en dikte der muren, en hoeveel mannen van wapenen de bezetting uitmaken.’

‘Gij liegt,’ riep Van Schaffelaar, ‘niemand heeft mijn vader anders dan als edelman gekend, en de eerste der Van Schaffelaars, die ruim drie eeuwen geleden, zich op het slagveld den rang van edelman waardig maakte, diens vrome naam en bezittingen zijn mijn eigendom; ik ben zijn eenige afstammeling. Maar nimmer hebben de Van Schaffelaars zich toegelegd om groote goederen te bemachtigen of af te bedelen; zij hadden geen onneembare roofnesten noodig om den buit te verzekeren; de macht van hun leenheer beveiligde hen, en het huis van mijne voorouders was altijd sterk genoeg om stroopende benden te weerstaan.’

‘Ik heb grooten lust om dat verblijf van uw geslacht eens te zien; indien ik ooit in de nabuurschap kom, zal ik er aan denken,’ zeide Perrol, op zijne woorden drukkende. ‘Maar daar staat ook een edelman, laatste, ik wil zeggen eenige afstammeling der vrome Van Schaffelaars!’ en hij lachte boosaardig. ‘Sir Walson is ook van adel, hij zou u ook nog kunnen verhalen, hoe oud, hoe machtig zijn geslacht is, en geweest is, en u misschien eenige steenbrokken toonen, waar de voorvaderlijke burcht gestaan heeft, indien gij den edelen Brit naar zijn vaderland wildet vergezellen; en, - die edelman is mijn luitenant.’

‘Wie een onrechte zaak voorstaat, verbeurt zijn adeldom,’ zeide Van Schaffelaar fier; ‘een waardig edelman kan onmogelijk onder de Zwarte Bende dienen. Nog eens, ik wil vertrekken, en St. Maarten! voor uwe rekening kome hetgeen er gebeuren zal, Messire!’

‘Zoo driftig niet, Heer!’ antwoordde Perrol, ‘ik wil u eerst nog wat verhalen, dat niet

[p. 79]

ondienstig zal zijn om aan te hooren. - Riso! schenk in, een vollen beker. - Ik was nog jong, het is jaren geleden; Walson was nog niet bij mij, ik geloof, dat hij nog in zijn vaderland diende, dat hij zoo verstandig geweest is, om te verlaten, een land vol mist en nevel; en Frankrijk is zoo schoon! En zie, Heer Van Schaffelaar! ik werd verliefd op de dochter van een edelman, en had niets dan mijn zwaard, mijne jeugd en mijne ruiters; want reeds toen was ik het hoofd der Zwarte Bende. O! dat die tijden konden terugkeeren! toen was ik jong en sterk, de aarde was voor mij een hemel; ik was in Provence, en de vrouwen.... - Riso! schenk in! ik drink op de gezondheid van de Provençaalsche meisjes; dat zij leven! - Heb geduld! Heer Edelman! ik heb zeer spoedig gedaan; ik vervolg. Ik begaf mij naar dien edelman en vroeg om de hand van zijne dochter. Hij vroeg wie ik was; ik noemde mij, en hij meesmuilde; zoo waar als gij geheel in mijne macht zijt!’ riep Perrol met drift, ‘hij zag mij lachend aan! hij bracht mij aan het geopende glasraam, toonde mij de omliggende landstreek, en zeide: ‘zoo ver uw oog strekt, knaap!’ (let wel, hij noemde mij knaap, maar hij was reeds een grijskop) ‘zoo ver uw oog kan zien, behoort het land aan mij. Ziet gij hier onder u dit sterke kasteel met zijne torens en muren, met zijne ophaalbruggen en valdeuren, met zijn grachten en sluippoorten? Welnu! nacht en dag worden de muren bewaakt door mijne mannen van wapenen, er zijn er tweehonderd hier, en ik heb nog vier burchten, even sterk als deze, welke ik evengoed kan bezetten, en als ik mijne heervaart uitschrijf, dan vereenig ik veertien edellieden onder mijne banier en hunne vazallen volgen haar.’

Toen toonde hij mij zijn wapen, dat met schitterende kleuren op een bord boven den schoorsteen was afgemaald, gaf er mij een hoogdravende beschrijving van, en wees mij de afbeeldingen van eenigen zijner voorvaders, die boven hunne wapenrustingen hingen. Ik geloof, dat hij, ik weet niet welken ouden Griek als zijn stamheer opgaf; hij stelde mij voor aan zijne vrouw, die van even hooge geboorte was als hij; zij verwaardigde mij niet eens met een enkelen groet. Hij wees mij zijn zoon die schoon, jong en sterk was, en zeide tot mij, ‘dat deze dapper en braaf, en de hoop van zijn geslacht was, en dat zijne dochter schoon, rijk en welopgevoed, aanspraak kon maken, om met een vorst in den echt te treden.’ Toen hij dit alles gezegd en aangetoond had, wierp

illustratie

hij een blik op zijne vrouw en zijn zoon, en vroeg mij lachend, wat ik kon aanwijzen, om tegen dit alles op te wegen? Zijne vrouw zag mij trotsch aan; de jonge edelman raakte aan het gevest van zijn degen, en wat denkt gij dat ik antwoordde, Heer Van Schaffelaar? Wat zoudt gij gezegd hebben? - Riso! vul den beker! - Welnu, ik zal het u zeggen:

Ik zeide hem dank voor hetgeen hij mij getoond en gezegd had, ik haalde mijn zwaard twee handbreed uit de scheede, en zeide lachende:

‘Ziedaar het antwoord, Heer! op uw vraag. Al wat gij mij hebt aangewezen, kasteelen en krijgsvolk, edellieden, vazallen en een fraai wapen, dat alles zal ik mij met mijn zwaard weten te verschaffen; mijn adeldom staat op dit lemmer geschreven; en als ik uwe dochter tot mijne vrouw neem, zullen ook tevens hare voorouders de mijne worden. Wat uw zoon betreft, ik bied hem het onderbevelhebberschap in mijne bende aan; want zij is groot genoeg om twee hoofden noodig te hebben.’

Maar hij was niet tevreden met mijn antwoord, noemde mij een onbeschaamden en gemeenen knaap, en dreigde mij met gevangenschap, indien ik ooit weder mijn voet in een zijner sloten of op zijn grondgebied durfde zetten. Ik bad hem, let wel, Heer ruiter! ik bad hem om mij zijne dochter te laten zien, ten einde mij op hare genegenheid te beroepen; want ik had haar duivels lief. Maar hij zeide mij, dat zij mij verachtte, dat zij nimmer mijne vrouw zou worden, gelastte mij op staanden voet zijn burcht te verlaten en riep zijne knechten; maar ik ging heen en zij durfden mij niet aanraken. Wat zegt gij van dit alles?’

[p. 80]

‘Dat die edelman edel en verstandig handelde, en u genadiger antwoord gaf, dan menigeen zou gedaan hebben,’ antwoordde Van Schaffelaar ongeduldig.

‘Gij denkt zoo,’ hernam Perrol, ‘ik dacht zoo niet; maar sta mij toe nog eens te laten schenken. - Riso! - ik vervolg, ha! nu moeten wij zien, wat verder gebeurde.

Wij springen twee jaren verder; twee jaren, het is niet lang. - Op zekeren nacht werd de burcht, welke ik zoo sterk gezien had, overvallen; dezelfde mannen, die vroeger de muren en torens bewaakten, werden over de kling gejaagd.

Twee dagen later rookten de puinhoopen van den vernielden burcht nog. Gij zult nimmer de boorden van de Durance bezoeken; een of andere herder zou u daar wellicht nog eenige bijzonderheden, die nu te lang zijn, nopens diens bouwval verhalen. Dat voorvaderlijke kasteel was vernietigd, met de afbeeldsels zijner voorouders, hunne wapenrustingen en zijne tweehonderd gewapenden; maar hij was nog groot en machtig. Zijn zoon, die zooveel beloofde, zoo schoon, zoo dapper was, ging op zekeren morgen op de jacht, door één knaap vergezeld; hij ontmoette in een hollen weg iemand, die geheel alleen was, deze was ook jong; welnu, die twee jongelieden grepen het zwaard, zoodra zij elkander zagen, zij zeiden niets, maar vielen op elkander aan.

O! men is zoo driftig als men jong is, Heer Van Schaffelaar! vooral in het Zuiden. Welnu, tegen den middag zat de edelman met zijne vrouw en zijne dochter, die ik bemind had, bij het lijk van den jongen edelman; zij hadden geen zoon, zij had geen broeder meer; hij, die de roem van hun geslacht was, op wien al hunne hoop rustte, was door zijn knaap teruggebracht, reeds koud en verstijfd en het hoofd tot aan den mond gekloofd. Een maand later was de edelman weduwnaar; zij was trotsch en onverschillig, de hoogadellijke vrouw; maar zij was toch moeder. Gij huivert, Heer Van Schaffelaar! ha! het zwaarste is voorbij, luister! De oude edelman was nu de eenige, maar ook de laatste van zijn stam, doch hij was nog altijd machtig; nog had hij vier sterke kasteelen, nog waren veertien edellieden zijne leenmannen. Maar zie! de goede koning Lodewijk, die nog regeert - want dit alles gebeurde in Frankrijk - ontving een ongeteekenden brief, waarin men hem berichtte, dat onze edelman met diens neef van Bretagne briefwisseling hield. Men zegt, dat hij wantrouwig is; maar, op mijne eer, ik zweer u van neen; want hij geloofde, ha! ha! wat men hem berichtte, zonder de zaak te onderzoeken; en evenwel zweer ik u bij mijnheer satan en zijne benden! dat de beschuldiging valsch was. En om elkeen af te schrikken om edelman te willen worden, of iets te doen voor een titel, dien de vorsten naar willekeur geven of afnemen, zoo werd zijn wapen verbroken; zijne goederen werden aan de kroon vervallen verklaard, en de edellieden die hem leenplichtig waren, van alle gehoorzaamheid ontheven. Men ontnam hem eer, naam, wapen en goederen; maar men liet hem het leven; hij was oud, en het leven was veeleer een lijden dan een genot voor hem. Zult gij nu nog zeggen, Heer Van Schaffelaar! dat die trotsche grijskop een verstandig antwoord gaf?’

Van Schaffelaar zweeg. ‘Riso!’ riep Perrol, ‘schenk in, mijn page! - maar in één ding had de edelman toch gelijk gehad, in ééne zaak had hij waarheid gesproken,’ riep Perrol lachende, en hief den beker op, ‘namelijk, dat zijne dochter nimmer mijne vrouw zou worden: want ik nam haar tot mijne bijzit; en eer nog de twee jaren vervlogen waren, liet ik haar uit mijne legerplaats jagen met al de lichte deernen, die mijne ruiters bedierven.’ Dit zeggende ledigde hij den beker, gaf dien aan zijn page, en eindigde zonder dat zich eenige aandoening op zijn gelaat liet blijken. ‘Ik zal niet meer drinken, Riso! verwijder u met den wijn. - Maar zijt gij stom geworden, Heer Van Schaffelaar, wat zegt gij? beklaagt gij u nu nog, dat gij u den tijd gegund hebt oom naar mij te luisteren?’

‘Indien ik van een ander vernam, dat gij dat alles gedaan hadt,’ antwoordde deze bedaard, ‘dan zou ik mogelijk nog woorden kunnen vinden, om u mijn afschuw te kennen te geven; maar nu gij het zelf zegt, nu gij u daarop beroemt, nu schiet mij niet anders over dan te zwijgen; doch nu ken ik u en uwe manier van handelen.’

‘Mij beroemen op een zaak van zoo weinig belang!’ zeide Perrol verwonderd, en vervolgde spottend: ‘Ha! Heer Van Schaffelaar! gij doet mij onrecht; het is de goede koning Lodewijk, wien de eer toekomt; voor het overige, wat is het? een kasteel, dat in den nacht beladderd wordt, eenige krijgslieden, die men in den slaap afmaakt, een maagd minder, en een knaap, bijna zonder baard, die zich bij den eersten houw het hoofd laat kloven. O! ik zou u andere gebeurtenissen kunnen verhalen; maar gij zegt, dat gij mij nu kent; juist daarom, Heer ruiter! heb ik mij de moeite gegeven, zooveel woorden te

[p. 81]

verspillen. Alles, wat ik gedaan heb in mijn leven, ben ik gewoon om overal luid te zeggen; want dit betaamt den man van moed, en ik hoop, dat gij dit ook kunt doen, Heer Van Schaffelaar! maar ik wil u ook nog zeggen, waarom dit alles zóó geschied is en niet anders. Sedert lang wist ik, dat men zich op een lafaard moet wreken, door hem een langzamen, smartelijken dood te doen ondergaan,’ zeide hij, vreeselijk grimlachende; ‘maar de oude edelman was nog bezield met een jeugdigen moed; doch het was mij ook bekend, dat men zich op een dapper man nog beter wreken kan dan op een ellendeling, met smarten die erger zijn dan de pijnlijkste dood, namelijk door hem te treffen in hetgeen hem dierbaar is.’

‘Ha!’ riep Van Schaffelaar, ‘dat is verschrikkelijk,’ en hij huiverde; een koude rilling overliep hem van het hoofd tot de voeten.

‘Verschrikkelijk?’ vroeg Perrol ijskoud, en zijne bliksemende oogen richtten zich strak op Van Schaffelaar, ‘gij vindt dit verschrikkelijk, en het redt u nu het leven! of dacht gij straffeloos hier te kunnen komen, mij in mijne rust te storen, om bevelen over te nemen van een paap; mij te beleedigen, straffeloos te beschimpen, na hetgeen tusschen ons is voorgevallen? Denkt gij dat ik niet weet, wie den Bisschop ontraden heeft mij in zijn dienst te nemen, en hetgeen gij toen gezegd hebt? Vergeet gij dat gij een mijner ruiters hebt vermoord, en dat ik, Perrol! mij met u heb moeten verzoenen. Per moio! dacht gij,’ vervolgde hij met verheffing van stem, ‘mijne legerplaats levend te verlaten, na hetgeen gij gezegd hebt, indien het niet zóó zijn moest en niet anders?’

‘Gij denkt dan, dat alles voor uwe machtspreuken moet zwichten, verachtelijke en koelbloedige moordenaar! dat alles voor u beeft en moet onderdoen?’ riep Van Schaffelaar luid, en de hand dreigend naar hem uitstrekkende.

‘En wie zal voor u de partij opnemen? is het de Bisschop, wien zwaard en herdersstaf ontvallen zijn?’ vroeg Perrol lachende.

‘Neen!’ antwoordde Van Schaffelaar met waardigheid, ‘het is een Wezen, tegen hetwelk gij niets zijt; God zal mij bijstaan, gij kunt Hem beleedigen, maar Hem verraden, zooals mijnheer David, dat kunt gij niet.’

‘Ha!’ riep Perrol, ‘indien gij met zulke machtige beschermheeren voor den dag komt dan zal ik mijnheer satan moeten te hulp roepen,’ en hij vervolgde, schamper lachende: ‘maar goede Heer! vele lieden hebben zich tegen mij verzet, zeggende, dat de almachtige God met hen streed, en evenwel heb ik hen allen in het stof geworpen; en zie, deze hand,’ hij strekte zijne hand met den zwarten handschoen naar Van Schaffelaar uit, ‘deze hand heeft hun voor eeuwig het zwijgen opgelegd.’

‘Dan is het daarom, dat de Heer haar geteekend heeft!’ riep Van Schaffelaar koel, ‘- maar ik vertrek, Messire! voordat uw roode hand ook mij het zwijgen oplegt.’

‘O wee, Heer! wat hebt gij gezegd!’ gilde Henri.

‘Verdoemd, nog eens!’ schreeuwde Perrol, terwijl hij opsprong: ‘sluit aan, kerels! wijkt niet, of, voor den duivel! ik zal u vinden! grijpt dien ellendeling, maar doodt hem niet. Ha! armzalige spotter! ik zal u laten slaan als een gemeen lijfeigene, en u teekenen, dat elk u dadelijk zal kunnen herkennen!’ Hij hield zijne armen over elkander geslagen; zijne borst bewoog zich onstuimig; hij bevochtigde met zijne tong zijne lippen, die bleek van woede zagen; diepe rimpels waren in het gefronste voorhoofd, en zijne oogen schoten bliksemstralen op zijn vijand.

‘Ruimte voor Van Schaffelaar en St. Maarten!’ riep Van Schaffelaar door het vizier van zijn helm, dat hij snel gesloten had; hij trok zijn groot zwaard, en zag naar welke zijde hij zich den doortocht banen wilde. Wat Walson betreft, deze stond niet ver van Perrol; een kwaadaardige lach vertoonde zich op zijn hatelijk gelaat, en indien Perrol niet gelast had Van Schaffelaar levend te grijpen, dan zou hij zich zeker dadelijk op hem geworpen hebben. Er was nu geen bloed te vergieten, en hij bemoeide er zich dus niet mede, ofschoon hij er zich mede vermaakte; maar omdat hij alleen het oog naar Van Schaffelaar richtte, zag hij niet, hoe de door hem zoo verachte knaap, die even spoedig als zijn heer het zwaard getrokken had, en zich achter dezen hield, zooals het een dapperen knaap betaamde, nu en dan een wraakgierigen blik op hem wierp; hij wist niet, dat de dwerg slechts op een gunstig oogenblik wachtte, om op hem in te rijden en hem het zwaard in de borst te stooten.

‘Voorwaarts, kerels! voor den duivel! grijpt hem,’ schreeuwde Perrol ongeduldig, en stampte met den voet, ‘en ik zal u geld en wijn laten geven.’ Vidal stond naast hem

[p. 82]

en had, zonder dat hem dit gelast was, den helm van zijn meester opgenomen, welken hij hield in de linker- en een zware strijdbijl in de rechterhand. Perrol was bedaard, maar lachte niet; de jonge page, die achter hem stond en het schild vasthield, beefde.

Dit alles geschiedde als in een oogenblik; de ruiters hadden zich van de palen en latten der reeds afgebroken tenten meester gemaakt, en gingen er Van Schaffelaar al juichende en scheldende mede te keer. Meer en meer verengde zich de kring, binnen welken zich Van Schaffelaar bevond, die maar al te goed wist, hoe gemakkelijk men hem met deze palen, die veelal vorksgewijs waren, van het paard kon lichten. Zijne oogen dus sluitend voor hetgeen hem zou overkomen, als hem dit ongeluk te beurt viel, riep hij nog eens:

illustratie

‘Ruimte voor Van Schaffelaar en St. Maarten!’ hetgeen de Zwarte Ruiters beantwoordden door ‘Leve Perrol! leve de Zwarte Bende!’ te roepen. Hij vatte zijn zwaard met beide handen, en was gereed Moor de sporen in de zijde te drukken, toen Henri hem op zijde reed, en met de linkerhand den ketting sterk aanhaalde, waarmede Moor bestuurd werd. Van Schaffelaar, in het eerst denkende, dat het een zijner bespringers was, die hem in zijne vaart wilde stuiten, greep de hand, welke zich van den teugel meester maakte; maar voordat hij zag, dat het zijn knaap was, of hem vragen kon, wat hem zoo stout maakte, drong een licht gewapend ruiter door de mannen van de Zwarte Bende heen, en zijn paard raakte bijna dat van Van Schaffelaar, voordat deze hem gewaar werd. Het was een man in de kracht zijner jaren, niet groot, doch gezet van gestalte; zijne roode wangen en zijn vroolijk open gelaat verrieden, dat hij een vriend van een goed voorziene tafel en het edele druivennat was, en Henri, die, zoodra hij hem in den kring en bij zijn meester zag, den teugel losliet, riep verheugd: ‘God zij gedankt, ziedaar den braven Heer Van Nijveld; wij zijn gered, Heer!’

‘Bij alle Heiligen!’ riep de ruiter, verwonderd in het rond ziende, ‘wat gebeurt hier? allen tegen één! en dat met wapens die geen wapens zijn, welke aan een krijgsman passen.’ De ruiters, ofschoon ze niet terugtraden, zetten de houten latten, die zij in de hand hielden, bij den voet neder, en wachtten nadere bevelen. De belofte van geld en wijn, hun door Perrol gedaan, had op hen de verwachte uitwerking gehad; zij haakten naar het oogenblik, waarin zij Van Schaffelaar, die hun aanvoerder beleedigd had, van zijne wapenrusting zouden kunnen berooven, en hem met hunne stijgbeugelriemen geeselen; want daarmede had Perrol hem immers gedreigd.

‘Verroer u niet, Heer! ik zal u bijstaan,’ zeide Van Nijveld zacht tot Van Schaffelaar, toen hij langs hem heen stapte; want deze, ofschoon hij zijn zwaard had laten zakken, wist niet of hij moest wachten of van deze gelegenheid gebruik maken, om zich met geweld te verwijderen. Deze weinige woorden maakten echter aan zijne besluiteloosheid een einde; hij bleef.

Het zal misschien sommigen verwonderen, daar Perrol zich in den kring bevond, of liever met Vidal en Walson een gedeelte daarvan uitmaakte, dat Van Schaffelaar niet de voorkeur had gegeven langs deze zijde door te breken. Perrol en Walson waren toch bijna of slecht gewapend; zij zouden zeker Moor in zijne vaart niet hebben kunnen stuiten, en het fiere dier had zeer