

IN de maand September gaf hertog Maximiliaan eindelijk aan de
dringende verzoeken van den stadhouder van Holland en van David van
Bourgondië gehoor; hij kwam in zijne noordelijke gewesten, en hield in 's
Gravenhage een dagvaart van al de steden van Holland. De Bisschop zond
meester Dirkc Utenweert, deken van Oud-Munster en zijn vicaris-generaal naar
den Haag om zijne belangen waar te nemen, en daar de hertog zag, dat de
algemeene stem tot den oorlog neigde, gaf hij zijne toestemming; te meer
daar men hem verzekerde, dat de stad Utrecht met het gansche Nedersticht in
ééne maand zou kunnen ten onder gebracht worden.
De hertog deed op staanden voet Utrecht aan de helpers dier stad ontzeggen; doch Montfoort en zijne partij bekreunden zich hierom weinig; zij gingen voort met zich van alles te voorzien, wat hun aan levensbehoefte en krijgsvoorraad nog ontbrak, trokken in grooten getale uit Utrecht, en veroverden en verwoestten de sloten Nijenrode en den Ham; dit was het antwoord op de oorlogsverklaring van den Hertog. De heer Van IJsselstein had op last van den Bisschop het Hoofd ter Eem van mondbehoeften en een genoegzame bezetting voorzien; doch die van Utrecht, het gewicht van deze sterkte kennende, waarmede men hun allen toevoer langs de rivier de Eem kon afsnijden, rukten er voor, en veroverden het op St. Lamberts-dag; zoo ging dan ook deze voorname sterkte voor den Bisschop verloren. De heer Van IJsselstein behaalde wel een gering voordeel op die van Montfoort, welke een strooptocht in het IJsselsteinsche deden; maar toen hij later een aantal voeten paardenvolk vereenigd had, waarmede hij het blokhuis aan de Vaart hoopte te verrassen, dat Jan van Montfoort onlangs was begonnen te versterken, stiet hij er het hoofd voor, was genoodzaakt met verlies van eenig volk af te trekken, en zich met het afbranden van eenige woningen en hoeven te vergenoegen. De Utrechtschen hadden dus tot nog toe in die afzonderlijke gevechten en aanslagen het voordeel gehad, en de hertog, die eerst daags weder naar Brabant stond te vertrekken, trachtte David van Bourgondië in de maand September te overreden om al het krijgsvolk, dat hij niet bepaald noodig had om zijn persoon en zijne steden te beschermen, met de troepen, die in Holland bijeengebracht waren, te vereenigen, ten einde met meer kracht en eenheid den vijand alle mogelijke afbreuk te doen. Na lang beraad en op het aanhouden van zijne edellieden en krijgsbevelhebbers, gaf hij eindelijk aan dit verzoek gehoor, en het legertje werd om en bij het gehucht Maren, op den Amersfoorter Berg gelegen, bijeengebracht. Hij zelf nam met den heer Van IJsselstein en eenige andere heeren zijn intrek in de gebouwen, die aan de
Abdij van Beerne toebehoorden, welke het grootste gedeelte der Marensche bergen in eigendom bezat, terwijl de overige bevelhebbers op het slot Maarsbergen gehuisvest werden.
Het was op een namiddag van een schoonen Septemberdag, dat het voet- en paardenvolk, ter oprukking gereed, geschaard stond, ten einde den zegen van hun geestelijken heer te ontvangen. In plechtgewaad naderde hen de bisschop, gevolgd van zijn geheelen stoet van geestelijke dienaars! hij hield een korte aanspraak, waarin hij met de gewone toezegging van belooning en erkentelijkheid te kennen gaf, wat van hen verlangd en verwacht werd, en gaf hun zijn bisschoppelijken zegen, welke hen, zoo hij zeide, onoverwinnelijk zou maken. Toen klonk de krijgsmuziek en het volk riep: ‘Leve de Bisschop, Bourgondië en St. Maarten!’
Na den afloop der plechtigheid verwijderde zich David van Bourgondië met zijn gevolg, en de diepste stilte werd elkeen op doodstraf aanbevolen. Met stille trom rukte het krijgsvolk voorwaarts. De avond was reeds gevallen, en de duisternis begunstigde dezen tocht, welke niet zonder gevaar was; want de weg, dien zij volgden, liep dwars over den berg op Soest aan; maar voor zij dit dorp bereiken konden, moesten zij tusschen Amersfoort en Utrecht doortrekken en den weg oversteken, die deze steden vereenigde. Het paardenvolk reed aan de vleugels en maakte de voorhoede uit; daarop volgde het voetvolk, hetwelk, behalve de legerwagens, een drietal bussen medesleepte. Gelukkig was men in Utrecht niet goed onderricht nopens het doel van deze verzameling van gewapend volk, of verwachtte men niet, dat het nog zoo spoedig zou opbreken; althans, hetzij het hieraan, of aan den zegen van den Bisschop te danken ware, zij volbrachten, zonder eenigen tegenstand te ontmoeten, hun tocht. Nog voordat de dag aanbrak, verlieten zij het dorp Soest, waar zij uitgerust hadden, en trokken verder op, om zich met het Hollandsche krijgsvolk te Laren te vereenigen. Die van Utrecht hadden de gelegenheid laten voorbijgaan om dit legertje geheel te verdelgen, of, op zijn minst genomen, te verstrooien en tot een schandelijken terugtocht te noodzaken.

IER dagen, nadat de heer Van IJsselstein, die het bisschoppelijke
leger aanvoerde, zich met de Hollandsche krijgsmacht vereenigd had, trad een
oud man, die een hond bij zich had, bij den Keulhorsterdijk in een schuitje,
dat in de Eem lag, stak de rivier over en bond het vast. Aan hem wien het
toebehoorde, de zorg overlatende om het terug te halen, richtte hij zijne
schreden langs den Eemdijk naar Amersfoort. Het was Ralph, die hier, nog
voordat de dag aanbrak, zich met Wolf op weg bevond; hij liet IJsselt aan
zijne rechterzijde liggen en volgde de rivier, zonder zijn gelijkmatigen
stap te vertragen of te versnellen, totdat hij aan een hoogte kwam, om welke
de weg heenliep. Het was de laatste verhevenheid aan deze zijde der
Amersfoorter Bergen, die bij de stad bijna tot aan de rivier reiken, of het
overblijfsel van een soort van aarden bolwerk, hier in vroeger dagen tot
verdediging van de Eem opgeworpen; in later tijd werd het met den grond
gelijk gemaakt en verdween bij het graven der Nieuwe Eem, of men heeft er
een molen op gezet. Wij weten niet wat er van is; maar wel, dat Ralph den
met gras en struiken bewassen aardhoop beklom, waarbij hem zijn staf van
veel dienst was. Daarna zette hij zich op den top op zijn gemak neder, en
hield met Wolf zijn ontbijt; het eenige onderscheid in beider maaltijd
bestond hierin, dat de meester uit een lederen zak dronk, dien hij bij zich
had, en dat de hond genoodzaakt was aan de rivier te gaan drinken, wanneer
hij dorst gevoelde. De diepste stilte heerschte nog in den omtrek, en werd
alleen afgebroken door het slaan der klokken in de stad en op de omliggende
dorpen, en het loeien van het vee in de naburige weiden. De rivier volgde
haar loop met een bijna onmerkbaar gemurmel, en naar de zijde van de stad
hoorde men het geruisch van het water der Veluwsche beken, dat zich buiten
de stad met sterk verval in de rivier stortte.
Op één oogenblik echter richtte Wolf zich op, die op het gras uitgestrekt had gelegen,
en zag naar de zijde van het water; maar toen hij gereed was om door luid geblaf te kennen te geven, dat hij iets vreemds bemerkte, vatte Ralph hem in den lederen halsband, en gebood hem zich stil te houden. Het was nog zoo duister, dat de hond alleen door de fijnheid van zijn gehoor- of reukzenuwen iets moest ontwaard hebben; want zijn meester ontdekte niets, zoover hij zien kon. Eindelijk echter hoorde hij een geluid aan de overzijde van de Eem, alsof er vele menschen in gelijken tred voortgingen, en weldra was hij zeker, dat hij zich niet bedrogen had. Toen zij, die de rivier volgden, ten naastenbij tegenover hem waren, - want het was nu zeker, dat er volk aan de overzijde was, - hielden zij stil. Een oogenblik hoorde men iemand iets zachts, doch kortaf, gebieden; het ijzer van harnas en wapenen ritselde; daarna was alles weder stil, en men hoorde niets aan de overzijde dan het schuren van den stroom langs den oever.
Reeds werd de zon achter de hoogten van de Veluwe zichtbaar toen de herder nog op dezelfde hoogte zat; hij was echter zoo verborgen tusschen eenige heesters, die er op stonden, dat men noch van hem, noch van zijn hond op eenigen afstand iets zien kon. Achter zich had hij de Amersfoorter Bergen; links het vlakke land langs de boorden der Eem; vóór zich, over de rivier, het Hoogland; daarachter, meer ter zijde in het verschiet, de Geldersche hoogten, en aan zijne rechterhand de stad met hare muren, torens en kerken. Vooral aan zijne linkerzijde had hij een uitgestrekt gezicht over het lage Eemland, en alleen de dijken, welke door het land liepen, en de boomen, die de woningen omringden, welke achter Keulhorst en Emmeklaar stonden, zoowel als de nevel, die nog over het veld hing, verhinderden hem tot aan de zee te zien. Tegenover zich zag de schaapherder een aantal soldaten, die zich achter eenig houtgewas in hinderlaag gelegd hadden: met hunne wapens naast zich, lagen zij allen dicht aaneengesloten op den grond, opdat men hen niet gemakkelijk zou bemerken; en hun aanvoerder, die nu en dan behoedzaam op verkenning uitging, vermoedde zeker niet, dat iemand van nabij zijne verrichtingen gadesloeg. Doch weldra vestigde zich het oog van Ralph op een menigte krijgsvolk, dat met Snellen tred van den Keulhorsterdijk langs den Hamweg de stad naderde. Toen de voorsten bijna onder het bereik van een boogschot van de stad af waren, verspreidden zij zich naar alle kanten in de weilanden, en begonnen al de beesten, die in het land liepen, voor zich uit te drijven, en het geheele land, zoover als Ralph het kon overzien, was weldra overdekt met deze nieuwe soort van herders of beestendrijvers.
Door den mist, die nog niet was opgetrokken, kon waarschijnlijk de wachter op
den toren niets van dat alles gewaar worden; maar het geloei der dieren, die
in hunne rust gestoord werden, en voornamelijk de melkbeesten, welke, in
plaats van door den melker

van hunne melk verlost te worden, door de ruwe krijgslieden
genoodzaakt werden zich met spoed te verwijderen, maakten den wachter
eindelijk opmerkzaam, dat er iets ongewoons plaats had. Zij, die aan de
Bloemendalsche Poort de wacht hadden, bemerkten spoedig wat er gaande was,
en schoten hun roeren af. Zoo rustig als het nu aan de zijde van de hoogte
was, waarop Ralph zat, zoo onrustig werd het aan de andere zijde der rivier.
Weinige oogenblikken nadat de wachter op den Lieve Vrouwetoren, door een herhaald geblaas op zijn hoorn, het teeken gegeven had, dat er onraad was, - want mogelijk was de toren toen nog van geen noodklok voorzien - begonnen de klokken van de St. Joriskerk en der onderscheidene kloosters te kleppen, en in de stad, die tot nog toe in een diepen slaap gedompeld was geweest, verhief zich nu ook het eentonig geluid van de bekkens, welke geslagen werden, waaraan zich een verward gedruisch van de burgers
paarde, die zoo op eens, in hunne rust gestoord, door elkander op straat liepen, en door hun geschreeuw elkander meer vervaard maakten dan hunne vijanden.
Eindelijk zag Ralph een aantal burgers uit de Bolder- en Bloemendalsche Poorten te voorschijn komen; het geringe aantal soldaten welke zij waarschijnlijk van de muren hadden kunnen zien, en hunne eigen sterkte hadden hen zeker doen besluiten om zich hun vee zoo maar niet te laten ontvoeren, en zij trokken in een verwarden hoop, voorzien van allerlei geweer, en vele ten halve gekleed, al schreeuwende vooruit. In vergelijking met de burgers, die met geheele hoopen uit de poorten stroomden, waren de soldaten ook zeer zwak; evenwel gingen zij bedaard met het voortdrijven van ossen, koeien, paarden en kleiner vee voort; en hoe meer zij zich van de stad verwijderden, hoe meer zij elkander naderden en zich aansloten. Hunne achterhoede was sterk genoeg om de driftigsten der burgers terug te drijven, en hen te noodzaken degenen, die zoo hard niet geloopen hadden in te wachten, ten einde gezamenlijk den aanval te beproeven.
Slechts enkele burgers hadden vuurwapenen; zelfs was het aantal der boogschutters niet groot; pieken, hellebaarden, pijlen, zwaarden en ook ander min krijgsmansachtig geweer diende hun tot wapen, en de soldaten, die hun het hoofd boden, waren meest van bogen of roeren voorzien. Zij, die aan de rivier in hinderlaag lagen, hidden zich nog altijd stil, en de burgers waren hen voorbijgetrokken zonder hen te ontwaren. Voorbij den Hamweg zag Ralph weldra geen soldaat, en slechts een enkel stuk vee meer, dat aan hunne handen ontsnapt was. De krijgslieden en hun roof bevonden zich dáár reeds achter of op den Keulhorsterdijk; doch meer naar de rivier ontmoette het voortdrijven van het vee zooveel moeilijkheid, dat alles zich voorbij de sluizen, in de bocht van den dijk, tusschen deze en de Eem samenpakte. Terwijl nu de soldaten alle moeite aanwendden, om het domme vee langs den Eemdijk en den weg door Keulhorst, voort te drijven, waren de burgers eindelijk in zulk een aantal bij elkander, dat zij tot den aanval besloten, en zich een gemakkelijke zegepraal beloofden op de achterhoede der soldaten, die niet konden terugtrekken, voordat de wegen wederom vrij waren. Een hoopje burgers, dat Ralph eerst niet, maar met de meeste orde uit de Bloemendalsche Poort had zien komen, scheen evenwel begeerig om in de schermutseling vooraan te zijn. Het gevecht begon; de afstand, waarop het plaats had, zoowel als de damp van het buskruit, verhinderde den schaapherder te zien, hoe alles zich toedroeg. Het scheen evenwel, alsof de soldaten zich staande hidden; de burgers vielen nu opnieuw aan, en zelfs zij, die op een afstand stonden te kijken, om te zien hoe alles zou afloopen, riepen mede: ‘Amersfoort en Montfoort vooruit!’
Op eens echter vertoonde zich een vrij aanzienlijke hoop voetknechten op den Hamweg en wel aande bocht, die de weg neemt, als hij de Eem bij de stad nadert, en de burgers, die in kleine hoopen verstrooid in het veld stonden, namen overhaast de vlucht naar de stad; sommige echter liepen naar hunne medeburgers, die bezig waren met schermutselen, misschien meer uit vrees dat zij de stad niet bijtijds zouden bereiken dan om de zwakste partij te hulp te komen. De soldaten, die vóór Keulhorst of op den dijk gestaan hadden en zich zoo goed mogelijk tegen de burgers hadden verweerd, vielen nu zelven aan, toen deze terugtraden. Een oogenblik schenen de burgers in beraad te staan, wat hun te doen stond; maar de naderende vijand, die hen uit de hinderlaag achter den Ham in den rug viel, en hen weldra geheel dreigde in te sluiten, liet hun geen andere keus dan zoo spoedig mogelijk terug te keeren, zich gevangen te geven, of te sneuvelen; het eerste was zeker het verkieslijkste, doch evenwel niet gemakkelijk.
Ralph zag nu hoe de soldaten, die tegenover hem lagen, eindelijk hunne gemakkelijke houding verlieten en zich oprichtten. Zij waren, behalve met hun zijdgeweer, met halve pieken en voetbogen gewapend; evenwel hielden zij zich nog achter het niet zeer bladrijke boomgewas, dat hen ternauwernood verborg. Even spoedig en even ordeloos als de burgers waren komen uitloopen, evenzoo was ook hun terugtocht, of liever hunne vlucht, en pijlsnel liepen zij naar de ruimte, welke er tusschen het volk, dat hun den terugtocht trachtte af te snijden, en de rivier overbleef, in de hoop van hier door te dringen. Die van de stad hadden zeker nu een paar bussen op den muur of op een der bolwerken daarbinnen gesleept; want Ralph zag het vuur en den rook van deze stukken. De schoten vielen, maar de kogels schenen niet veel kwaad te doen, dewijl de vijand misschien te ver verwijderd was; en toen de ongelukkige burgers van Amersfoort den eenigen weg, die hun nog overbleef, wilden te baat nemen, werden zij op eens in hunne vlucht gestuit door
de voetboogschutters, die nu bij de rivier te voorschijn traden en hun hunne pijlen toezonden.
Een wanhopig geschreeuw dat van de muren herhaald werd, verhief zich toen in het veld, de vrouwen en kinderen zagen daar hunne mannen en vaders aan den dood prijsgegeven. In dit hachelijk oogenblik trokken de soldaten, die in de stad in bezetting lagen, uit de Bloemendalsche Poort; zij hadden tot nog toe geweigerd de stad te verlaten, die aan hunne bescherming was toevertrouwd, zeggende geen last te hebben om buiten de stad te vechten of op het vee te passen; maar de verwoede menigte had hen gedwongen den uitval te beproeven. Zij trokken evenwel zoo langzaam voorwaarts, dat er volstrekt geene hulp van hun aanval te verwachten was; maar zij, die in de stad de bussen bedienden, en misschien de vruchteloosheid hunner schoten bemerkt hadden, gebruikten die met vrucht om hunne eigen soldaten met verhaasten tred te doen voortgaan.
De schaapherder zag nu, hoe het hoopje burgers, dat met zooveel orde was uitgetrokken, en zich bij den aanval aan de spits gesteld had, ook nu weder dien post op zich scheen te willen nemen; een kleine aarzeling, welke er onder de vijandelijke soldaten ontstond, toen die uit de stad meer en meer naderden, werd door hen te baat genomen, en zij wierpen zich vol moed op hunne bestokers. De overige burgers, niet meer beoogende dan hun lijf te redden, grepen dit oogenblik aan, en zonder acht te slaan op de pijlen der voetboogschutters, die velen hunner ternederwierpen en kwetsten, liepen zij naar de stad. De voetknechten waren door den uitval van die uit de stad, en door den dapperen aanval van die weinige burgers verhinderd geworden, hun linkervleugel meer rivierwaarts te laten oprukken, en de boogschutters waren niet sterk genoeg om de vluchtende menigte in hare vaart te stuiten; zij moesten zich dus vergenoegen hunne pijlen in den dichten hoop te schieten.
Toen de stadssoldaten het voetvolk bijna bereikten en zich gereed maakten om
hunne roeren los te branden, kwam er langs den Hamweg een bende ruiters in
vollen galop aanrukken, die waarschijnlijk tot nog toe achter de Huizen van
den Ham verborgen waren

geweest. Ralph zag hen dadelijk, misschien eer dan de soldaten,
die hunne roeren afvuurden, hij stond op, en zag met aandacht naar die
zijde, en het scheen alsof de nieuw aangekomenen hem bijzonder veel
belangstelling inboezemden, Toen de rook optrok zonder dat er een nieuwe
losbarsting was geschied, zag hij, dat de soldaten meerendeels waren
neergesabeld; zij, die ervan overgebleven waren, liepen, door de ruiters
vervolgd, zonder wapens of met slepende pieken naar de stad. Twee der
ruiters echter, die misschien de aanvoerders waren, stonden naast elkander
op den weg; zoo zij al deelgenomen hadden aan den bijval, zoo vervolgden zij
evenwel den vluchtenden vijand niet.
Bevrijd van deze bestokers, maakte het voetvolk een snelle linksche beweging, zoodat het vluchten naar de stad onmogelijk werd. Thans liep het hoopje burgers, dat tot nog toe zoo heldhaftig gestreden had, ook uiteen; de eenige keus, welke den ongelukkigen nog overbleef, was de rivier, en velen begaven zich te water. Maar ook hier troffen de pijlen en kogels; Ralph zelf scheen nu niet meer veilig te zijn; een pijl snorde hem voorbij het hoofd, en hij zag een soldaat, die zich vooroverboog om zijn voetboog te spannen, het oog op hem gericht houden. De schaapherder grimlachte, zag nog eens over de vlakte, en daalde met Wolf landwaarts van de hoogte af. Snel legde de soldaat den pijl in de groef van den boog, bracht de kolf tegen zijn rechterschouder, en mikte over den pijl. De muts van den schaapherder bewoog zich nog altijd heen en weder achter den aardhoop; de soldaat drukte de pees los, de pijl snorde door de struiken, en doorboorde de muts van schapenvel; maar toen de muts zich in de hoogte verhief, en hij zag, dat zij boven op een stok geplaatst was, vloekte hij luid op dengene, die hem twee schoten had doen verspillen. Een spottend gelach antwoordde hem; de muts boog zich voorover, als het ware om hem te groeten, en verdween.
Sedert de belegering en bestorming der stad door Filips van Bourgondië, den vader van den tegenwoordigen Bisschop, had er in Amersfoort zulk een volksbeweging niet plaats gehad; maar helaas! het was thans geene door de overwinning opgewonden menigte, die door luide kreten hare zege verkondigde; men had geene verwonnen vaandelen in Gods huis op te hangen, of plechtige omgangen tot dankzegging in te stellen; overal heerschte rouw en wanhoop. De vrouwen der verslagenen liepen, gevolgd van hare schreiende kinderen, als radeloos door de stad, de lucht met hare weeklachten vervullende, aan allen, die zij tegenkwamen, haren echtgenoot, den vader harer kinderen terugvragende, en in hare zinsvervoering de mannen en knapen, die zij ontmoetten, van lafheid beschuldigende.
Schreeuwende als bezetenen, verweten sommigen hun, dat zij ontaarde kinderen waren van hunne dappere vaderen, die weleer op den Bourgondiër de zege bevochten hadden. Anderen liepen bij de straat geheel in zich zelve gekeerd; haar blik was hartverscheurender dan die der verwoede menigte. Wanneer zij iemand ontmoetten, die op den vermisten man of vader, zoon of broeder geleek, zagen zij hem met verwilderde oogen aan, en vervolgden, zonder haar iets te zeggen, haar weg, als zij zich bedrogen zagen; uit vertwijfeling mishandelden zij zich zelven, rukten zich de loshangende haren uit het hoofd, of sloegen zich met de vuisten op den boezem. Een enkele dezer ongelukkigen had huis en kinderen verlaten, en liep met een ontbloot zwaard in de hand, en met helm en tang gewapend door de stad; de slag die haar had getroffen, had haar verstand verbijsterd, en met luide kreten en levendige gebaren, zocht zij de vrouwen over te halen, om zich te wapenen en tegen den vijand uit te vallen evenals hare moeders en grootmoeders weleer gedaan hadden. Maar zij bleef alleen; niemand volgde haar voorbeeld; en toen de burgers aan de Bolderpoort weigerden haar alleen door te laten en haar wilden ontwapenen, zakte zij in elkander, en werd dood onder de poort nedergelegd; hare kinderen hadden geene ouders meer. Het waren nu niet de lijken van de Bourgondische krijgslieden, die onbegraven in de van vee beroofde velden lagen, maar de uitgeplunderde lichamen der Amersfoorter burgers. De verwarring en de schrik waren zoo groot geweest, dat de burgers niet eens den moed hadden gehad aan hunne gesneuvelde medeburgers dezen laatsten hoon te besparen: niemand durfde zich buiten de muren wagen, voordat de achterblijvers en trosboeven van het vijandelijke leger, die de dooden uitkleedden en beroofden, zich verwijderd hadden. Vrouw en kind begaven zich nu naar buiten, en zij, die het gevecht gelukkig ontkomen waren, gingen vooraan om de plaats aan te wijzen, waar zij, die aan hunne zijde gestreden hadden, gevallen waren. Een man, dien men sedert een geruimen tijd in de verte het slagveld had zien doorkruisen, kwam nu stadwaarts, en begaf zich naar binnen, toen de anderen naar buiten snelden. Hij antwoordde niet op hetgeen men hem vroeg, maar vervolgde langzaam en pijnlijk zijn weg, zijne schreden ondersteunende door te leunen op een groot, breed zwaard, dat hem tot wandelstaf diende.
Ook in de Vergulde Helm heerschte droefheid; de vroolijke meester Wouter was ook niet teruggekeerd; ook hier beweende men een vader en echtgenoot, het hoofd des huisgezins. Ofschoon moeder en dochter hare smart minder luidruchtig geuit hadden dan vele andere vrouwen, zoo was die niet minder hevig; en daar de onzekerheid, waarin zij verkeerden, bijna even pijnlijk was als het ongeluk zelf, zoo deed de terugkomst van de drie oudste gezellen des smids voor een oogenblik hare droefheid verminderen en de hoop herleven.
Vrouw Martha bevond zich met hare dochter in het gewone huisvertrek; de grond was geheel nat van het water, dat uit de kleederen van Dirk en de twee gezellen droop, die op een bank zaten, en, op hunne zwaarden leunende, van de vermoeienissen uitrustten. Wat Dirk betreft, hij zat in den stoel van den meester, en verhaalde aan de vrouwen, die met angstige verwachting de woorden uit zijn mond opvingen, hoe alles zich had toegedragen. Op de eerste vraag van Martha, of haar man leefde of dood was, had Dirk zijne schouders opgehaald en gezegd: ‘God geve, dat ik mij bedrieg! maar ik vrees dat de Vergulde Helm zijn meester verloren heeft.’ Hij verhaalde voorts, hoe Wouter aan allen, die hij in de haast had kunnen vereenigen, aangeraden had, zich eerst behoorlijk te wapenen, en daarna wel later dan vele andere burgers was uitgetrokken, maar evenwel het eerst met ernst het gevecht had aangevangen tegen de soldaten van Van Wilpen, die het vee voor zich uitdreven en de achterhoede uitmaakten. ‘Maar toen onze meester den tweeden aanval wilde beproeven tegen de vijandelijke knechten, die vóór Keulhorst bij de rivier hadden post gevat,’ vervolgde hij, ‘toen kwamen die satansche knapen
van den
kapitein Salazar, die de tweede slagorde had, achter de huizen van den Ham
te voorschijn en vielen ons in den rug, om ons te omsingelen. Nu was er aan
geen redden van het vee meer te denken; elk zag naar een goed heenkomen om,
en de vlucht begon. De meeste burgers wierpen hunne wapens weg, en de
soldaten van Van Wilpen begonnen nu ook op hunne beurt ons duchtig met hunne
roeren en bogen te bestoken. O! waren al de burgers zoo goed gewapend
geweest, als wij van de Langestraat, en zoo moedig als mijn meester, dan
hadden wij nog wel door de slagorde van die Fransche huurknechten kunnen
heenbreken; maar het was een verwarde hoop. Vergeefs riep de meester:
‘Staat, burgers! sluit aan en volgt de jongens van de Langestraat!’ maar zij
luisterden niet naar hem, en zochten, tusschen den vijand en de Eem door,
naar de stad te ontkomen. Maar zie, daar rezen eenige voetboogschutters op,
die achter het eikenboschje aan den rivierkant verborgen gelegen hadden en
op ons schoten; nu vermeerderden de angst en de vertwijfeling; de pas was
afgesneden; alles drong weder achteruit, en met moeite worstelden wij door
die besluitelooze menigte heen. In dit oogenblik moeten zeker die luie
schobbejakken van soldaten, die hier in de stad zoo den gebraden haan
speelden, zijn aangevallen; indien zij vroeger hun plicht gedaan hadden,
zouden zij zelven en wij er misschien beter afgekomen zijn; maar zij kwamen
te laat; en hun uitval diende alleen om ons van eenige rabauwen te
verlossen, die het leven niet waard waren, terwiji er toch zooveel brave
lieden gevallen zijn. Hunne komst maakte echter, dat kapitein Salazar zich
zoo spoedig niet tot aan de rivier kon uitbreiden, en onze meester greep
deze gelegenheid aan, om een poging te doen tot behoud van de burgers, die
het gebruik van hunne armen en wapens schenen vergeten te hebben. ‘Ik wil
laten zien,’ riep hij, ‘dat de meester uit de Vergulde
Helm in zijn jeugd soldaat geweest is, en dat hij evengoed een harnas
weet te verbrijzelen als te smeden. Komaan, jongens van de Langestraat!
laten wij die knapen van den kleinen Salazar eens duchtig op de huid vallen;
indien wij zijn linkervleugel verslaan, zijn wij gered, en arme menschen,
welke als het onnoozele vee in het rond loopen, kunnen zich redden, als zij
die boogschutters onder den voet loopen! Die mij liefheeft, volge mij, val
aan! Amersfoort, val aan!’ Dit zeggende snelde hij welgemoed op den vijand
in. ‘Valt aan, jongens van de Langestraat! slaat dood!’ riepen wij, die hem
volgden; doch wij waren weinig in getal; ik was met vijf mijner makkers
achter hem, met velen van ons gild en des meesters naaste buren. De
weerlooze hoop burgers maakte nu ook grootendeels gebruik van deze
gelegenheid om stadwaarts te vluchten; maar die laffe soldaten lieten zich
reeds bij den eersten aanval door de vijandelijke rijzige ruiters overhoop
werpen, en sloegen op de vlucht. Toen kregen wij de geheele macht van dien
duivelschen Salazar op het lijf. Mij dunkt, ik zie hem nog, op een groot wit
paard zittende, achter de gelederen van zijn volk, dat hij op zijne manier
op ons aanvuurde. Vele honden zijn des hazen dood, zegt men; zoo ging het
ook bij ons: de meester

was zoo driftig, dat hij mij niet hoorde, toen ik hem aanried ook
om zijn behoud te denken; doch hij riep maar: ‘terug, Salazar! leve St.
Eloy! voor Amersfoort!’ Helaas! wat ik verwacht had gebeurde; een dezer
vreemde soldaten gaf hem zulk een slag met zijn hellebaard op het hoofd, dat
de meester bewusteloos nederviel. De soldaten juichten, toen zij hem zagen
vallen; want zij hadden de kracht van zijn arm ondervonden; eenigen wierpen
zich op hem om hem af te maken, indien hij nog leefde. Vruchteloos
beproefden wij, gezellen, ten minste zijn lichaam meester te worden; want
nauwelijks was hij gevallen, of de soldaten wierpen zich op ons. Sedert heb
ik onzen goeden meester niet wedergezien; een oogenblik boden wij nog
weerstand, en drie mijner makkers vielen aan mijnjde. De
dood van den braven meester uit de Vergulde Helm benam den moed aan hen, die bij ons waren; ook de jongens van de Langestraat zochten een goed heenkomen, of liever een andere plaats om te sterven. Van alle kanten ingesloten door het zegevierend krijgsvolk, dat lustig de trom roerde, van alle zijden bestookt met pijl en kogel, bleef er niets over, dan door het water heen aan den dood te ontkomen. Ik wierp mij met deze twee gezellen zonder aarzeling in de Eem; velen volgden ons voorbeeld, zelfs waren er onder, die voor het eerst van hun leven te water gingen. Wij bereikten met ons drieën gelukkig de overzijde, ofschoon die verdoemde voetboogschutters nog menigeen in het water doodschoten of kwetsten; zij troffen mij echter slechts aan den arm. Toen wij aan den vasten wal en gered waren, begon aan de overzijde de slachting van de arme burgers, die weldra niet eens meer het water konden bereiken, maar zich moesten overgeven. Zij werden onbarmhartig van het leven beroofd; evenwel geloof ik, dat velen nog gered zijn; want toen wij stadwaarts gingen, zagen wij de bisschoppelijke ruiters, die dwars over het veld kwamen aanrennen, en zich tusschen de soldaten en de burgers wierpen; het overschot is dus zeker gevangen genomen.’ Hier eindigde Dirk, na nog eens gezegd te hebben, dat het ongeluk alleen geschied was, omdat de smid zich voor zijne medeburgers had in de bres gesteld, en hij ried de vrouwen aan, om alle hoop nog niet op te geven, voordat men nadere berichten had.
Maria en hare moeder hadden gunstiger tijding verwacht; opnieuw stortten zij tranen over den goeden meester, die steeds een zorgvol echtgenoot en vader geweest was. Nog veel wilden zij vragen, maar de bleekheid des meesterknechts en de vermoeidheid, welke de drie mannen lieten blijken, maakten dat zij de gezellen aanrieden zich van droge kleederen te voorzien; deze verlieten dan ook het vertrek om zich in de werkplaats te gaan verkleeden. Toen zij terugkwamen, hadden moeder en dochter weder meer hoop; want de eene had de andere zoeken te troosten. Griet had gezorgd, dat er wijn en brood voor de gezellen voorhanden was; ook scheen de wijn hunne krachten te doen herleven. Zij waren alle drie op meer dan ééne plaats licht gewond, maar hadden daar zelven in voorzien; doch Maria verbond de wond, welke Dirk aan den arm had en die vrij ernstig was. ‘Ik dank u, Maria!’ zeide de gezel; ‘ik wenschte wel, dat gij uw vader ook dienzelfden dienst kondet bewijzen; dan ware hij nog hier, en wij allen waren gerust.’
‘O! ik had ook nimmer geloofd, Dirk!’ zeide vrouw Martha, ‘dat gij zoudt terugkomen zonder den meester! en toen ik u zag, dacht ik reeds, dat hij gered was.’
‘Zoo!’ antwoordde Dirk verlegen, ‘ik had het, bij mijn ziel! zelf niet geloofd, indien iemand het mij gisteren gezegd had; maar tegen de overmacht kan men niet; ook weet gij nu immers nog wat er gebeurd is, en hebt iemand om den winkel aan den gang te houden; want wat konden die drie arme borsten die na den meester gevallen zijn, u voor dienst doen? immers niets: en evenwel zou ik misschien maar beter gedaan hebben om mij maar te laten vermoorden, als gij denkt, dat ik een ontrouw gezel geweest ben.’
Martha en hare dochter hadden moeite om hem te beduiden, dat zij hem noch zijne makkers beschuldigden; de vrouw gevoelde, dat zij jegens den trouwen knecht onrechtvaardig geweest was, en toen zij hem vraagde, of de soldaten, die zich op den smid geworpen hadden, hem voor zijne oogen met hunne wapenen getroffen hadden, antwoordde hij, dat Wouter nauwelijks gevallen was, toen hij reeds door het vooruitdringend volk aan hun oog onttrokken werd, waaruit hij het besluit opmaakte, dat de meester, zoo de eerste slag hem niet gedood had, misschien nog in leven kon zijn. Maria wischte de tranen af, die langs het schoone en van alle kleur beroofde gelaat biggelden; en vroeg: ‘Maar, Dirk! ik heb u van rijzige ruiters hooren spreken; kunnen die nog niet tijdig genoeg gekomen zijn? Immers indien de heer Van Schaffelaar zich bij hen heeft bevonden, dan liep mijn goede vader geen gevaar.’
‘Tijdig,’ herhaalde Dirk, en daar hij niet opnieuw wilde zeggen, dat Wouter reeds lang gevallen was, toen de ruiters kwamen, en hij de vrouwen hare laatste hoop niet wilde benemen, zoo vervolgde hij; ‘Ja, wij willen het hopen; maar zeker weet ik het niet, en al hing er mijn leven aan, dan zou ik niet kunnen zeggen, of de heer Van Schaffelaar er bij geweest is of niet.’
‘Hoe is het mogelijk?’ zeide Martha verwonderd, ‘gij waart er immers bij, en hebt ons zelf van de ruiters verhaald.’ Zij wenschte zoo gaarne, dat hij haar verzekerd had, dat de meester nog leefde; maar de eerlijke borst, die niet anders gewoon was dan de waarheid te zeggen, haalde de schouders op en antwoordde: ‘Ja, bij mijn ziel! wij hadden geen tijd om naar het paardenvolk te kijken, toen het voetvolk ons op de huid viel. Het is voor
de tweede maal in mijn leven, dat ik een gevecht bijwoon; het kan gebeuren, dat de aanvoerders weten, wat er gebeurd is, maar wij, gemeene lieden, weten niet, wat er voorgevallen is; men heeft slagen uitgedeeld en slagen ontvangen; dat is alles, wat men weet, als men levend tehuiskomt. De meester, die in zijne jeugd de wapenen voerde, heeft mij altijd gezegd, dat hij het zoo bevonden heeft.’
‘O die akelige onzekerheid!’ zeide Maria: ‘beste Dirk! is er dan niets aan te doen om eenige inlichting te bekomen? Zal mijn lieve vader dan, indien de goede God hem tot zich genomen heeft, daar gedurende den nacht moeten liggen?’
Zij bedekte snikkende haar gelaat met hare handen, die de tranen niet konden ophouden, welke de tafel bevochtigden, waarop zij met de ellebogen rustte. Maria, eigen smart vergetende, sloot haar in hare armen; en terwijl Maria hare moeder wederkeerig omhelsde, en haar gelaat aan den moederlijken boezem verborg, zeide deze: ‘O, gezellen: bedenkt hetgeen Maria gezegd heeft; misschien is mijn man, ofschoon gekwetst, nog niet dood; mogelijk hebben die wreedaards nog medelijden met uw goeden meester gehad. Ik weet het, Dirk! wij vragen veel, maar bedenk wien wij beweenen; o! ik weet, dat Wouter door u geacht en bemind wordt. Zou er geene mogelijkheid zijn om zijn droevig overschot terug te vinden?’
‘De vijand is nog niet afgetrokken, vrouw Martha! maar zoodra het kan geschieden, zullen wij zien,’ zeide Dirk aarzelend, en schudde met het hoofd.
‘Foei, Dirk!’ zeide Griet, die moeite had om het gesprek te volgen; want zij spraken allen zacht; de droefheid en vermoeidheid hadden hunne krachten uitgeput. ‘Zal het lijk van den meester, wiens brood gij zoo vele jaren gegeten hebt, dan onbegraven in het veld blijven liggen, als dat van een vreemden schooier? Neen, neen! toen ik nog jong was, dachten de mannen er heel anders over.’ Maar Dirk noch één zijner makkers antwoordde iets; zij bewaarden een diep stilzwijgen.
‘Ik zal gaan,’ riep Maria opstaande, ‘die arme gezellen zijn vermoeid en gekwetst, ik, zijne dochter, zal gaan; het is plicht! Die vreemde soldaten zullen mij niet terugwijzen, als ik zeg, dat ik mijn vader zoek; ik zal hem de oogen sluiten, indien wij hem voor altijd verloren hebben, of hem verzorgen, als hij nog leeft. O! hij zal niet sterven, mijn goede vader, als hij zijne Maria naast zich ziet.’ Voor een oogenblik kleurden zich hare wangen, en een treurige glimlach vertoonde zich op haar gelaat, dat door geestdrift en ouderliefde bezield werd.
‘Gij zult niet gaan, Maria!’ zeide vrouw Martha, haar bij den arm vattende, ‘gij moet hier blijven, mijne dochter! het is mijn plicht uw vader te gaan zoeken; ik heb hem immers trouw beloofd voor God! Volg mij niet; mijn lieve Heere Jezus zal mij bijstaan, en de krijgslieden zullen de bedroefde vrouw geen leed doen; maar uwe onschuld zouden zij niet ontzien, na uwen vader vermoord te hebben.’
‘O, laat mij niet te huis, beste moeder!’ zeide Maria smeekende, ‘laat ons te zamen gaan.’
‘Wilt gij dan, Maria! dat ik tweemaal tranen zal storten op één dag? Wilt gij dan, dat ik mijn man en ook mijne dochter verliezen zal?’ zeide Martha ernstig, ‘want de woeste soldaat is zonder mededoogen.’
‘Gij zult niet gaan, vrouw Martha! noch uwe dochter,’ zeide Dirk nu vastberaden, terwijl hij met moeite opstond. ‘Of denkt gij, dat het volk van Salazar zich aan uwe woorden of tranen zou storen? Gij zijt nog te jong, meesteres, om die knapen in den weg te komen; onze Griet zou minder gevaar loopen, maar zij kan hier blijven; ik zal zelf gaan. Bedroeft u niet, voordat ik nader bericht breng: en indien ik niet vóór den avond terugkom, dan moet gij maar denken, dat ik bij den meester lig.’
Hij kuste de hand van Martha en hare dochter, en toen deze vroeg, of zijne wonde aan den arm hem veel pijn deed, zeide hij: ‘Neen, Maria! dat zal wel gaan. Al wat ik u verzoek, is mijner in uwe gebeden te gedenken, als ik niet wederkom; want ik ben een arme zondaar, en al hetgeen gij verzoekt, zal de Lieve Heer aan zijne gebenedijde Moeder niet weigeren; vaarwel! Wat u betreft,’ zeide hij tot de gezellen, die wilden medegaan, ‘blijft liever hier; ik kan alleen wel zoeken, en gij zoudt mij niet kunnen verdedigen tegen de overmacht; ik wil geen anderen verdediger, dan mijnen Heer Jezus. Hij zal mij genadig wezen.’ Hij wees het zwaard en den opsteker terug, die zij hem wilden ter hand stellen, gaf hun en Griet de hand en verliet langzaam, doch gelaten, het vertrek.
De getrouwe meesterknecht kwam terug, en toen men hem op een stoel nedergezet en een weinig wijn te drinken had gegeven, wees hij op het zwaard van den dapperen meester, dat hij had medegebracht.

‘Anders heb ik niet gevonden,’ zeide hij zacht; ‘en toch ben ik op de plaats geweest, waar hij viel. Beschuldig mij niet, het is mijne schuld niet; maar zij hebben sommigen der burgers van hunne kleederen beroofd en in de slooten geworpen; misschien is hij daar bij geweest, of God heeft hem gered. Groet hem dan van mij, en hij zal u zeggen, dat ik aan zijne zijde mijn plicht gedaan heb; maar ik zal hem niet weerzien.’ Hij zweeg, zijn hoofd zonk op zijne borst voorover, en hij zou gevallen zijn, indien Maria hem niet bijtijds had vastgehouden.
Toen de avond viel zat Martha voor het glasraam, en sloeg nu en dan haar vochtig oog ten hemel: zij bad. In de bedstede, die de brave smid in den vroegen morgen met spoed verlaten had, om de reden van het alarm te vernemen, rustte nu zijn trouwe knecht. Gelukkig had Martha zich bedrogen, meenende dat hij stierf; toen hij zijn bewustzijn verloor, had men hem weder bijgemaakt, en hij sliep nu. De goede Martha wilde zelve hem verzorgen, dewijl hij zooveel voor haar man gedaan had; de christelijke plicht gebood het haar immers om alles voor den armen gezel te doen, wat in haar vermogen was, en zijne verzorging zelve was geschikt, om haar eenige verstrooiing te bezorgen. Zij had Maria verzocht zich ter rust te begeven, en deze had eindelijk aan hare bede voldaan. Vader Hendrik van Broekhuijsen, pater van het St. Agatha-klooster, had het huis der rouw bezocht, en zijne troostredenen waren niet zonder vrucht geweest; hij was de biechtvader van het huisgezin, en ofschoon zijn tijd zeer kostbaar was, daar ook andere ongelukkigen zijn bijzijn behoefden, had de goede vader eenige geburen overgehaald, om, vóórdat de avond viel, met het noodige gereedschap de slooten te doorzoeken. Hij bracht echter zelf aan de bedroefde vrouw de tijding terug, dat men den meester niet gevonden had, vermaande haar om goeden moed te houden, en zich tot God te wenden, keurde het goed, dat zij hare dochter had laten ter ruste gaan, en verliet, na Dirk den pols gevoeld te hebben, het vertrek en het huis, belovende den anderen morgen bijtijds terug te komen. Zij zat dan, aan den goeden en vroolijken Wouter denkende, voor het raam, toen Griet voorzichtig binnenkwam, en haar berichtte, dat er een boerenknecht of veehoeder was, die haar alleen wenschte te spreken, maar niet wilde zeggen wie hij was, of wat hij te zeggen had.
Martha gelastte haar hem te zeggen, dat zij nu niemand spreken kon, maar dat hij op een anderen tijd moest terugkomen; doch Griet kwam spoedig en met een blij gezicht terug, en zeide vroolijk:
‘Die jongen brengt tijding van den meester, vrouw! De goede Heer geve, dat hij niet liegt!’
Natuurlijk weigerde Martha nu niet langer den vreemden man te zien, die spoedig in de kamer trad, en zelf de deur toedeed; zoodat Griet, die gedacht had ook iets te ver-
nemen, in hare hoop bedrogen werd. De binnentredende, die een ruime, half versleten kleeding van grove wollen stof en een muts van leder droeg, zag snel de kamer rond, doch werd Dirk niet gewaar, die in de bedstede achter de gordijnen lag, en Martha, die hem reeds aan de deur te gemoet kwam, kon bijna niet spreken van aandoening. ‘Leeft mijn man? om Gods wil, antwoord mij!’ vroeg zij met eene gesmoorde stem.
‘Heeft men u gezegd, dat de meester dood was?’ vroeg de vreemdeling, wiens stem misschien door vermoeienis ook niet vast was.
‘Ja! Ja! dat heeft men gezegd; maar, och! laat mij niet in de onzekerheid, zal ik hem weerzien?’ riep zij angstig.
‘Wie op God vertrouwt, is nimmer verloren; de goede Heere Jezus is machtig; Hij kan het leven wedergeven aan hem, die op den oever van den dood is,’ zeide de vreemdeling langzaam.
‘Hij leeft dan nog! Wouter leeft!’ riep Martha verheugd, terwijl zij hem bij den arm vatte, ‘bedriegt gij mij niet? O! misleid eene vrouw toch niet, knaap! Zeg mij leeft hij nog?’
‘Ik heb hem eenige uren geleden nog gezien,’ antwoordde deze, ‘en ik zou u meer zeggen, indien ik niet vreesde, dat gij te veel ontstellen zoudt.’
‘O! neen, spreek vrij op, nu hij leeft, kunt gij alles zeggen: het doet mij zoo wel. Maar hij is gekwetst? Verzwijg mij niets; want wie zal hem verzorgen, als ik het niet doe?’ riep zij, legde hare hand op zijn schouder, en zag hem vragend aan.
‘De wonden, die hij in het gevecht gekregen heeft, zijn weinig van aanbelang: een weinig verdooving in het hoofd van den slag, die hem heeft ternedergeworpen; maar hij is gevangen, vrouw Martha!’ zeide de vreemdeling.
‘En gij spreekt de waarheid, gij hebt hem gezien, gij zweert zulks bij uwe zaligheid?’ vroeg vrouw Martha, die nog twijfelde, en naar hem toetrad, ten einde de uitdrukking van zijn gelaat te zien, dat vuil en onkenbaar was. Toen de vreemdeling met het hoofd knikte, riep zij verheugd: ‘O! dan heeft de Heilige Moeder Gods mijne bede verhoord; Wouter leeft, en Maria heeft haar vader nog!’
Terwijl de brenger dezer blijde tijding met aandacht den trek van geluk en zalige tevredenheid opmerkte, welke het gelaat van de brave vrouw als bezielde, trof haar zijn fonkelend, zwart oog; zij noodzaakte hem, als het ware tegen zijn zin, eenige schreden naar het raam te doen, en riep toen verbaasd: ‘Zijt gij het, Frank; bedrieg ik mij niet? O ja, gij zijt het wel,’ en hare armen om zijn hals slaande, kuste zij, niettegenstaande zijn morsig gelaat, den jongen ruiter; want zij had zich niet bedrogen.
‘Ja, ik ben Frank, beste Martha!’ antwoordde deze, en drukte hare hand met aandoening in de zijne.
‘En waarom niet gezegd, dat gij het waart, en waarom zoolang gewacht met mij te zeggen, dat Wouter leeft?’ vroeg zij verwonderd.
‘Ja, Martha!’ zeide Frank aarzelend, ‘het ware mogelijk beter geweest, dat gij mij niet herkend hadt, ik ben natuurlijk hier niet veilig in de stad,’ vervolgde hij snel, ‘en ik vreesde u kwaad te doen door dadelijk te zeggen, dat de meester nog leeft.’
‘O! ik geloof niet, dat het mij kwaad gedaan zou hebben,’ zeide zij met gevoel; ‘kan de vervulling van de vurigste wenschen en gebeden kwaad doen? Neen! Zie, ik ben nu zoo verheugd, als ik nimmer was; maar hoe is het mogelijk, dat Wouter nog leeft? gij, of de heer Van Schaffelaar hebt hem zeker gered!’
Frank zeide haar nu, dat Wouter alleen aan een goddelijke bewaring het leven te danken had; men had hem zeker reeds voor dood gehouden, toen hij gevallen was, en dit, of het spoedig voortrukken der soldaten van Salazar, was waarschijnlijk de reden, dat men hem den doodsteek niet gegeven had. Van Schaffelaar, die, toen de soldaten van de stad verjaagd waren, zijne ruiters had gebruikt om zooveel burgers als hij maar kon het leven te redden, terwijl hij den ridder Jean de Salazar herinnerde, dat de Bisschop het maken van gevangenen had bevolen, had tevens aan den ridder gevraagd, waar het gevecht het hevigst geweest was, en de vreemde krijgsman zelf had hem de plaats aangewezen, waar die van de stad den aanval op zijn linkervleugel gedaan hadden. ‘Het waren dappere lieden,’ zeide hij, ‘en zij zijn niet teruggegaan, voordat hun aanvoerder, die zich als satan weerde, gevallen was. ‘Wij kenden den meester,’ vervolgde Frank, ‘en wisten nu, waar wij hem moesten zoeken, als hij mocht gevallen zijn. Hij was nog buiten kennis, toen wij hem vonden, en met moeite brachten wij hem bij. Onze ruiters hebben hem naar Keulhorst gedragen; hij bevond zich vrij wel, toen ik hem verliet, en
zal onze bende op een wagen volgen. Gaarne zou Van Schaffelaar hem teruggezonden hebben; maar de bevelen luiden zeer stellig, en mijn vriend kan niets voor hem doen dan een goed woord bij den Bisschop; want bij de eerste gelegenheid moeten de gevangenen naar Rhenen of Wijk overgebracht worden. Ten einde u gerust te stellen, verzochten Van Schaffelaar en uw man mij, u dit alles te berichten; ik trok deze vermomming aan, sneed den knevel af, en maakte mijn aangezicht met aarde en water onkenbaar. Ik ben door de Kamppoort binnengekomen, een melkbeest voor mij uitdrijvende, dat ik voorgaf in veiligheid te willen brengen. Voordat ik vertrek, moet ik u den groet van den heer Van Schaffelaar en den meester overbrengen; zij verzoeken u, zoowel als uwe dochter, goeden moed te houden, en uw man heeft mij verzocht te vragen, of Dirk en zijne gezellen, die zoo braaf gestreden hebben, gered zijn of niet?’ eindigde hij snel.
‘Dirk ligt daar,’ antwoordde Martha, ‘hij is met twee zijner makkers teruggekomen, en heeft nog een vergeefschen tocht gedaan om zijns meesters lijk te zoeken, en dit heeft hem bijna het leven gekost; wij dachten, dat Wouter in eene der slooten geworpen was.’
‘Indien hij ook onder de handen van de knapen gekomen was, die de lijken hebben uitgeschud, dan zouden wij ons over zijn behoud niet behoeven te verheugen,’ zeide Frank, en wendde zich naar de deur.
‘Gij zult dus vertrekken zonder Maria te zien,’ zeide Martha verwonderd; ‘neen, dat kan niet; ik wil ook het arme kind niet langer in onzekerheid laten.’

‘Ik kan niet langer blijven, beste vrouw!’ antwoordde Frank; maar eer hij kon vervolgen, werd de deur geopend, en Maria zelve trad snel het vertrek binnen.
‘Is er goede tijding van vader?’ riep zij, in het donkere vertrek rondziende, ‘moeder, zeg mij toch wat er van is, leeft hij?’
Martha aarzelde, en Frank bewaarde een diep stilzwijgen; doch toen Maria angstig vervolgde: ‘Och ik zie het al! alle hoop is vervlogen: hij leeft niet meer,’ toen sloot Martha haar in hare armen en zeide verheugd: ‘Neen; mijne dochter! uw vader is niet verslagen, de Heer heeft hem ons gelaten, en uw bruidegom heeft hem verzorgd. Daar staat Frank, hij brengt u den groet van den meester en van heer Jan.’
‘Dus gered!’ zeide Maria, haar oog dankbaar ten hemel slaande, ‘door U, o God! en door Van Schaffelaar. O, moederr! dat is te veel geluk na zooveel droefheid! Zij beefde van aandoening, en hare moeder zette haar op een stoel neder. Griet, die de lamp aanstak, gaf zoo luide hare vreugde over de goede tijding te kennen, dat Dirk zich bewoog, en met een zwakke stem vroeg, wat er gebeurde. Frank, die sedert de komst van Maria nog niets gesproken had, trad naar de bedstede, gaf den knecht te drinken, en deelde hem behoedzaam mede, dat alle hoop op behoud van den meester nog niet voorbij was, daar men bericht had, dat hij gevangen was genomen.
‘Maar gij zegt niets tot Frank, Maria!’ zeide haar moeder, nadat zij haar had laten drinken, ‘en evenwel hebben wij aan hem deze vreugde te danken.’
‘O! het is zoo, moeder!’ zeide zij, ‘maar ik dacht om niets dan om mijn vader. Ik dank u, Frank! o! gij hebt mij zulk een groote weldaad gedaan! Kom een weinig nader bij, want ik kan nog niet opstaan; ik zal God bidden, dat hij er u voor zegene,’ en zij stak hem hare hand toe.
‘Bid voor mij, Maria!’ zeide Frank, haar langzaam naderende; ‘maar ik verdien niets voor de tijding, die ik breng, elkeen zou hetzelfde gedaan hebben.’ Hij vatte hare hand en kuste die.
‘Wat is dat, Frank?’ zeide Martha verwonderd; ‘voor welke jonkvrouw ziet gij mijne dochter wel aan? men zou waarlijk zeggen, dat die kinderen elkander nooit gezien hadden. Maria! Frank waagt zijn leven om thans hier te komen; gij hadt hem uwe wang moeten aanbieden, zooals het een brave burgerdochter betaamt, of zijt gij vies van het zwarte gelaat van den armen jongen, dat hij om onzentwil heeft vuil gemaakt?’ eindigde zij lachende.
‘O, neen, lieve moeder!’ zeide Maria schielijk, terwijl zij met moeite opstond en hare wang, die over de bestraffing van hare moeder kleurde, aan Frank te kussen gaf.
‘Ik bid u, zet u neder, Maria!’ zeide Frank aangedaan, ‘wanneer men om het verlies van een braven vader getreurd heeft, kan men ook zoo spoedig aan alles niet denken.’
‘Gij kunt ook niet meenen, dat ik u thans minder zou genegen zijn dan voorheen,’ zeide Maria vriendelijk; ‘maar uwe hand beeft, indien ik wel heb; ga zitten, en verkwik u. Ik geloof, moeder! dat zijne krachten zijn uitgeput, evenals bij Dirk. Ga toch zitten, Frank!’
‘Ik dank u, Maria!’ hernam deze; ‘o! ik ben nog sterk; gij hebt u vergist,’ zeide hij glimlachende, ‘een krijgsman mag niet beven, en ik moet heen; de heer Van Schaffelaar wacht mij misschien reeds terug; hij heeft mij vooral verzocht u te groeten, en uw vader...’
‘Gij wilt dus vertrekken, voordat gij mij alles verhaald hebt, wat gij weet, en hoe mijn vader het maakt,’ riep zij schielijk, en wierp een smeekenden blik op hem. Maar Frank zeide, dat hij reeds alles aan hare moeder verhaald had, en voor zijne en hunne eigen veiligheid niet langer durfde blijven. Doch vrouw Martha en Maria wilden hem volstrekt niet laten gaan, maar tot den volgenden morgen houden. Vergeefsch was zijn tegenstreven; eindelijk gaf hij, onder het loozen van een zucht, zijne toestemming, en hield met het van vreugde opgetogen gezin den avondmaaltijd; want, ofschoon de meester uit de Vergulde Helm gevangen was, zoo had men hoop hem spoedig door bemiddeling van Maria's bruidegom, misschien wel zonder losprijs, in Amersfoort te zien terugkeeren.
Den volgenden morgen was het ontbijt in de bovenkamer aan de tuinzijde door
de zorg van Griet gereedgezet, omdat Dirk nog in het gewone huisvertrek te
bed lag. Vrouw Martha had dezen nacht aan de zijde van hare dochter
geslapen, en Maria was, nadat zij met Martha gezamenlijk de

Heilige Moeder Gods en alle Heiligen vurig gedankt had, als het
ware, in de armen van hare moeder, al sprekende over haar goeden vader,
ingeslapen. Zij gevoelden zich beiden zoo gelukkig, dat weldra een
verkwikkende slaap zich van haar meester maakte; het was alsof een weldadige
geest om haar rustbed zweefde; want zelfs in den slaap behield haar gelaat
een uitdrukking van hemelsche vreugde. Nu en dan zweefde er een bevallig
lachje op het wezen van de schoone, deugdzame vrouwen, en zoo al een droom
haar naar het slachtveld terugbracht, zoo was het om den dapperen bruidegom
met zijne ruiters den meester
te zien redden, en hem aan de handen der soldaten te zien onttrekken, of door den Bisschop zijne vrijlating te hooren toestaan.
Terwijl Martha zich nu den anderen morgen, nadat zij zich met hare dochter in een vroolijk gesprek onder het aankleeden verdiept had, naar beneden spoedde, om te zien, hoe het met den zieke was, begaf Maria zich naar het vertrek, waar het ontbijt wachtte. Deze kamer, die even groot was als het huisvertrek, was evenwel veel deftiger gestoffeerd: de tafel en stoelen waren van noteboomenhout vervaardigd; een trezoor van eikenhout, dat zeer fraai gebeeldhouwd was, stond op den achtergrond van de kamer, die halverwege met hout was beschoten; voor het overige waren de muren netjes gepleisterd en gewit. Onder de tafel lag een fijn gevlochten mat, en een met veel kunst bewerkte zware ijzeren vuurhaard stond voor een staande ijzeren plaat onder den grooten schoorsteenmantel op den haardsteen. Een der kleine kruisramen stond open, en Maria blikte vroolijk in den tuin; het schoone weder had haar aan het venster gelokt, en zij deed eenige verdorde bladeren van den stengel eener bloem af, die in het breede kozijn stond. Het eenvoudige gewaad, dat zij aan had, zat echter netjes aan de bevallige leest, en ofschoon haar hulsel niet met zooveel zorg was opgezet als wel anders, zoo zat het misschien ook minder gedwongen.
In dit oogenblik trad Frank in het vertrek; zij keerde dadelijk het hoofd om, en zeide vroolijk; ‘Goedenmorgen, Frank! hebt gij wel gerust in de Vergulde Helm?’ De jongeling had reeds een stap teruggedaan, zoodra hij haar gewaar werd; maar toen zij omzag, was hij genoodzaakt te blijven. ‘Ik dank u, Maria!’ antwoordde hij terstond, ‘ik heb zeer gerust geslapen, kunt gij mij hetzelfde zeggen van u en uwe moeder?’
‘O ja, Frank!’ hernam zij op denzelfden toon; ‘nu, wij zouden niet goed kunnen slapen na de goede tijding, die gij ons gebracht hebt!’ Zij had den blik niet gezien dien Frank op haar had geworpen, vóórdat zij omzag, en wist niet, dat hij gedurende den nacht geen oog gesloten had.
‘Indien mijne komst u en uwe moeder eenige rust bezorgd heeft,’ zeide Frank met gevoel, ‘dan heb ik opnieuw reden om het oogenblik te zegenen, waarin uw vader en mijn vriend mij verzochten stadwaarts te gaan; wanneer het hart treurig gestemd is geweest, is de rust zoo heilzaam.’
‘Ja, gij hebt wel gelijk, Frank!’ zeide het meisje in gedachten, en vervolgde, toen de ruiter een weinig naderbij gekomen was, ‘maar nu zie ik eerst, dat gij zoo bleek zijt; gisterenavond was uw gelaat zoo besmeerd, dat men uwe kleur niet ontdekken kon, gij zijt immers niet ongesteld; want dan laten wij u niet vertrekken,’ eindigde zij met deelneming.
‘O! wel neen, Maria!’ antwoordde Frank, ‘ik zeide u immers toen reeds, dat ik gezond was; ik zal zoo bleek zijn, omdat ik mijn knevel heb afgesneden,’ zeide hij gedwongen lachende.
‘Gij hebt dus een knevel gedragen, die geheel uw gelaat bedekte,’ zeide zij, schalksch lachende; doch haar gelaat veranderde snel, toen zij een stap in het vertrek had gedaan; zij vatte zijne hand, voordat hij ze kon terugtrekken, en riep: ‘maar waarlijk, Frank! gij hebt de koorts; ik geloof dat uwe hand beeft, evenals die van Dirk, toen pater van St. Aagten mij onderrichtte, hoe ik hem den pols kon onderzoeken.’
‘Gij gekscheert met mij,’ zeide Frank, schijnbaar vroolijk, en trok zijne hand terug; ‘het dragen van het harnas vermoeit wel een weinig, en men is zoo gewoon om dien zwaren last om zich heen te hebben, dat men beeft, als men ongewapend is.’
‘En Van Schaffelaar dan?’ zeide Maria, ‘is die dan ook niet aan het harnas gewoon? en toch heb ik nimmer kunnen bemerken, dat zijne hand beefde.’
‘Nimmer, Maria?....’ zeide de ruiter vragend, terwijl hij haar opmerkzaam aanzag. Zij scheen zich te bezinnen, lachte en antwoordde toen: ‘Nu, ja!’ Zij bloosde en vervolgde snel: ‘Nu ja! nimmer heb ik ontdekt, dat de zwaarte van zijne wapenen zijne hand minder vast maakte.’
‘De heer Van Schaffelaar is ook sterker dan ik,’ hernam de jongeling; ‘maar zoo gij iets aan hem hebt mede te geven of te zeggen, zoo onderricht mij er van.’
‘Gij zult mijne boodschappen getrouw overbrengen, niet waar?’ vroeg zij vroolijk.
‘Zeer zeker, Maria!’ zeide Frank, en zij vervolgde: ‘Welnu, nader dan, of zet u neder; want ik moet deze bloem nog van hare dorre bladeren ontdoen, voordat wij gaan aanzitten.’
‘Ik zal hier blijven, Maria!’ antwoordde Frank, met den arm op den hoogen rug van
den stoel leunende; ‘dáár aan het raam zou mij een der buren ontdekken kunnen.’
‘En wie zou u erkennen in dit akelige gewaad?’ vroeg zij schalksch lachende, ‘vooral als gij de muts ophebt. O, ik ken wel een zekere jonkvrouw in Utrecht, die zoo niet met u bij den weg zou willen gaan.’
‘En evenwel heb ik jarenlang zulk een kleed, zoo niet veel slechter, gedragen,’ antwoordde hij droevig, ‘en ik weet, dat men, met lompen bedekt, gelukkig kan zijn.’
‘Frank? vergeef het mij,’ riep zij smeekend; ‘o! indien gij denkt, dat ik het gezegd heb om u verdriet aan te doen, dan...’
‘Neen, Maria! neen, dat geloof ik niet,’ zeide hij snel. ‘Zie niet zoo treurig, bid ik u, dan kunt gij alles zeggen wat gij wilt, zonder mij leed te doen; maar gij wildet mij immers met iets belasten voor den meester en mijn besten vriend en beschermer Van Schaffelaar.’
‘Nu dan, zoo gij het mij vergeven hebt,’ zeide zij ernstig, en hare schoone handen plukten de dorre bladeren van de stengels af, ‘zoo verzoek ik u aan mijn vader te zeggen, dat ik niet zal ophouden te bidden voor zijne beterschap en vrijheid, totdat hij terugkomt. Zeg hem niet, dat mijne goede moeder en ik zoo bedroefd geweest zijn: hij mocht eens denken, dat wij ongesteld zouden worden, en gij kunt hem immers verzekeren, dat wij gezond en gelukkig waren, toen gij ons verliet.’
‘O ja!’ antwoordde Frank, en zijn sprekend oog vestigde zich op het meisje, dat in een bevallige houding aan het raam stond, en nu eens hare bloemen, en dan weder hem aanzag, ‘ik kan hem zeggen, dat gij steeds gezond en schoon zijt!’
‘Dat laatste behoeft niet, heer ruiter,’ zeide zij lachende, en hare wangen kleurden zich bevallig.
‘En aan den heer Van Schaffelaar?’ vroeg Frank snel.
‘Aan mijn bruidegom,’ hernam Maria, het laatste blad, dat zij wilde wegnemen, buiten het venster werpende, ‘o! dien moet gij bedanken voor hetgeen hij voor mijn vader deed. Zeg hem dat ik voor hem bidden zal, en dat ik hoop, dat hij mijn vader spoedig de vrijheid zal kunnen laten hergeven: zeg hem, dat mijn liefde en genegenheid...’
‘Ik zal hem dat alles zeggen,’ zeide de jongeling snel, haar in de rede vallende, en somber voor zich nederziende.
‘O ja, doe dat, Frank!’ vervolgde zij, en zij was zoo in gedachten verdiept,
dat zij waarschijnlijk niet had opgemerkt, dat hij haar in hare rede
gestoord had, ‘zeg hem, dat ik nu geen tijd had om te schrijven; maar geef
hem deze bloem.’ Dit zeggende, keerde zij zich om, en reikte hem er eene
toe. De jongeling stak snel de hand uit, nam de bloem aan, en bracht die
naar zijn gelaat; maar even snel

verwijderde hij zijne hand weder, en zeide langzaam; ‘Ik zal hem
deze bloem geven, Maria! ik zweer het u.’
‘Zeg hem dan nog, - o! ik verlang veel, niet waar, Frank?’ zeide zij aarzelend, toen zij den duisteren trek gewaar werd, die over zijn gelaat zweefde.
‘Nimmer te veel, Maria! wat zal ik aan Van Schaffelaar zeggen?’ vroeg hij bedaard, nog altijd de bloem in de hand houdende.
‘Zeg hem dan,’ vervolgde zij vertrouwelijk, dat er aan het boompje, dat ik heb opgekweekt, drie knopjes gekomen waren, maar dat het eene, voordat het uitliep, is verkwijnd; ik heb het toen afgeknipt. De andere waren vol leven, en ik heb ze naar hem en mij genoemd! elken dag bezag ik dan het boompje en de zwellende knoppen; nu staan zij in vollen bloei. Zeg hem, dat het de roos is, die ik Maria genoemd heb, welke ik hem zend; dat ik de andere voor mij behoud, en dat ik hem hoop te zien, voordat zij verwelkt. Maar zoo gij denkt dat hij lachen zal, om dezen kinderachtigen inval, zoo zeg hem van dit alles niets, beste Frank! eindigde zij, en zag hem vragend aan.
‘En waarom zou hij lachen, Maria! als ik hem de roos geef?’ zeide Frank aangedaan; ‘ik zal hem alles ver-
halen, zooals gij het mij gezegd hebt, zelfs van het verdorde knopje; niets heeft meer waarde voor den man dan een geschenk van haar, die hij bemint, en te vernemen, dat zij steeds aan hem denkt.’
‘Gij weet dit,’ zeide Maria vertrouwelijk, ‘o! ik zie wel dat uw hart u ook niet meer toebehoort, Frank! Verhaal mij toch eens van uwe Ada iets; hebt gij haar in lang niet gezien?’
‘En wie heeft u van haar gesproken?’ vroeg de jonge ruiter verrast en mistroostig.
‘Wel, Van Schaffelaar,’ zeide zij, ‘en mijn vader; want die heeft haar immers gezien, toen zij met haar oom van Wijk terugkeerde; hij trof hem met dien Perrol aan de Bilt aan, of mogelijk weet gij dit niet eens!’ Toen de jongeling haar niet antwoordde, maar, in gedachte verdiept, op de roos staarde, die hij in de hand hield, vervolgde zij: ‘Maar zeg mij eens, is zij zoo schoon, als men mij gezegd heeft, en heeft zij u wel van harte lief? Groet haar dan eens van mij als gij haar ziet; want zij zal immers niet te trotsch wezen om mij hare vriendschap te schenken, ofschoon ik maar een burgermeisje ben?’
‘Ja, zij is schoon, Maria! zooals men u gezegd heeft,’ antwoordde Frank met drift, ‘en zij is mij genegen; denk ook niet, dat zij trotsch is, de arme Ada; o neen! en zij verdient uwe vriendschap; want zij is zeer ongelukkig.’
Is het dan toch waar, Frank!’ vroeg Maria met deelneming, ‘dat hare geestvermogens zoo zwak zijn? mijn vader zeide mij toch dat zij zeer wel was.’
‘Helaas, ja!’ hernam hij, ‘het is maar al te waar; soms is het, alsof de Heiligen en de goede God haar verlaten, en dan is het donker in haar gemoed.’
‘O, gij doet wel, dat gij haar liefhebt!’ zeide Maria gemoedvol, ‘uwe liefde zal misschien haar verstand weder doen opklaren. God zal uwe gebeden verhooren, en de Heilige Moeder zal u gelukkig met haar maken; bemin haar altijd!’
‘Haar,’ riep Frank somber, ‘neen, Maria! ik bemin haar niet, ik heb haar mijne vriendschap geschonken; maar mijn hart... nimmer!’
‘En zij heeft u lief!’ zeide Maria verwonderd, waarna zij met deelneming vervolgde; ‘O Frank! dan beklaag ik haar, dan is zij dubbel ongelukkig.’
Hij antwoordde niet; maar geheel terneergeslagen boog hij het hoofd voorover, en haalde een ijzeren doosje te voorschijn, nam er een vuurslag, zwam en een vuursteen uit, legde de roos er voorzichtig in, en verborg het doosje weder. Toen hij opzag, wischte zij met de hand hare oogen af, en hij vroeg schielijk: ‘Gij weent, Maria?’
‘Ik denk aan de ongelukkige jonkvrouw,’ antwoordde zij, het hoofd schuddende, ‘en ik kan mij zoo goed voorstellen, hoe weinig vreugde het leven meer voor haar kan hebben.’
De jongeling bewaarde een oogenblik het stilzwijgen en zeide aangedaan, toen Maria het raam dichtdeed: ‘Gij zijt zoo goed, Maria! bid voor haar; o! zij was waard uwe zuster te zijn; want ook zij is goed, ofschoon zij haar verstand moet missen.’
Verder kon hij niets zeggen, want Martha trad het vertrek binnen, en zeide vroolijk: ‘Ik breng goede tijding van Dirk; maar, mijn deugd! wat laat gij beiden de lip hangen! Kom, Frank! ik wensch u goedenmorgen, jongen! daar gij het spreken schijnt verleerd te hebben.’
Lachend bood zij hem nu hare blanke, ronde wang tot kussen aan; want zij had den jongeling lief, en zou hem zoo gaarne vroolijk gezien hebben. Zij behandelde hem gelijk het eener brave burgervrouw betaamde, die met de wetten der herbergzaamheid bekend was; en Frank, die reeds, eer Van Schaffelaar hem als knaap tot zich nam, in de Vergulde Helm als kind van den huize behandeld werd, moest tusschen moeder en dochter aanzitten.
De morgen was nog niet ver gevorderd, toen Frank zich reeds buiten de Utrechtsche poort bevond, die in dien tijd nog de St. Joosten Poort genoemd werd; hij begaf zich op weg om Van Schaffelaar op te zoeken, maar vermeed opzettelijk dicht langs de stad te gaan, en volgde daarna eerst den Utrechtschen weg. Zijn gelaat was weder even onkenbaar gemaakt als den vorigen avond, en hij stapte snel voorwaarts, zonder acht te geven op hetgeen er om hem voorviel. Toen hij evenwel gereed stond, om den weg te verlaten, en rechtsaf zijn weg door het veld naar de Birk te nemen, stond hij stil, zag nog eens terug naar de stad, die in de diepte voor hem lag, en zuchtte. Toen hij zijn
hoofd omwendde, werd hij vóór zich uit op den weg, die nog altijd klimmende was, een stofwolk gewaar; hij zag spoedig, dat het een hoop paardenvolk was, welke in den draf naderde, en de nieuwsgierigheid, en mogelijk ook een edeler gevoel, maakte dat hij zich in het houtgewas aan den weg verborg.
Spoedig naderden de ruiters, en Perrol reed hem voorbij. Het hoofd der Zwarte Bende was licht gewapend, en droeg over zijn harnas een houppelande van zwart laken, met breede bonte randen van sabelvel; met behendigheid bestuurde hij den fraaien, witten hengst, dien hij bereed; een lange, roode veer wapperde op zijn zwarten, ijzeren stormhoed. Zijn gelaat was trotsch, doch opgeruimd, en hij wierp een zegevierenden blik op de landstreek, die beneden hem lag. Vidal reed achter hem, vier trompenaars bliezen een marsch, die door het hooger gedeelte des bergs werd teruggekaatst. Hierop volgden omstreeks een dertigtal ruiters, waarvan sommigen met speren gewapend waren, terwijl de overigen kruisbogen hadden. Niet de minste gewaarwording liet zich op hunne zwarte troniën bemerken, ofschoon zich een bevallige landstreek voor hun oog opdeed; en even gedwee als de jachttijger den negerkoning op zijn jachtpartij vergezelt, zoo volgden zij hun hoofdman, wiens sombere standaard in hun midden wapperde.
Toen zij voorbij waren, zag hij, dat er boven op den berg nog meer ruiters aankwamen, die een wagen schenen te begeleiden; Perrol had waarschijnlijk geen geduld gehad om langer zijn paard in den stap te houden, en was vooruitgesneld. Frank verwijderde zich nu, nadat hij nog een somberen en dreigenden blik naar den aanvoerder geworpen had, die bijna door het stof niet meer zichtbaar was. Evenwel bleef hij wederom staan, toen hij geheel van den weg verwijderd was; hij haalde het doosje te voorschijn, opende het, en staarde eenige oogenblikken op de roos. Een traan viel uit zijn oog op de bloem. ‘Gij heet Maria,’ zeide hij met verrukking, en wilde de roos er uitnemen, toen hij een sterke hand op zijn schouder voelde liggen; snel sloot hij de doos, zag om en zeide, gerust ademhalende, terwijl hij de rechterhand uit zijne borst terugtrok: ‘Ha! Ralph! zijt gij het? Ik dacht....’ Maar toen hij zweeg, en zijn oog voor den ernstigen blik van den ouden man nedersloeg, zeide de schaapheraer bestraffend: ‘Ongelukkige! ik vreesde het reeds; gij hebt het meisje met de blonde lokken wedergezien! - arme Frank!’
