
HET wordt tijd, dat wij eens den braven meester uit de
Vergulde Helm gaan opzoeken. Ons hart zal zeker met meer genoegen bij
hem vertoeven dan bij de tooneelen, die wij zoo even voor ons zagen, waarin de
misdaad steeds zegevierend was. Het kan niet anders, of iemand als het hoofd der
Zwarte Bende moet oogenschijnlijk een groot overwicht hebben op een braaf man
als heer Jan van Schaffelaar; deze betreedt alleen den rechten weg, den weg van
eer en deugd, om zich van een aangedanen hoon te zuiveren, en dan zelfs doet de
godsdienst hem nog aarzelen; want dagelijks zegt hij, geknield voor God, dat hij
aan zijne vijanden vergiffenis schenkt. Maar Perrol bedient zich van alle
middelen; elke weg, die hem nader bij zijn doel kan brengen, is hem welkom;
zonder schroom betreedt hij dien, en telt de slachtoffers niet, die hij aan
zijne gruwelijke driften opoffert.
Meester Wouter zat gevangen in het slot van Wijk bij Duurstede. Hij bewoonde een kamertje boven in een der torens, hetzelfde vertrek, waar Reinoud van Brederode eenige jaren vroeger door denzelfden Bisschop was opgesloten geweest. Maar geen kluisters boeiden hem voeten of handen; hij kon ten minste zoo ver gaan als de muren van zijn gevangenis zich uitstrekten, en als hij op een bank stond, kon hij uit het kleine raam, dat met ijzeren staven voorzien was, over de rivier de Lek en de Betuwe zien; een geluk, hetwelk hem geheel zou benomen geweest zijn, indien hij, evenals de heer van Brederode, was vastgekluisterd geweest aan een der zware ijzeren ringen, die in den muur bevestigd waren.
Hij was zoo even op de bank geklommen, om zich met het riviergezicht te verlustigen en de frissche lucht in te ademen, toen hij voetstappen op de trap hoorde, en het hoofd omwendde; maar hij beangstigde zich niet. Ofschoon hij niet kon raden, wie hem kwam bezoeken, zoo wist hij echter dat hij niet voor zijn leven te vreezen had, maar aangenaam gevoelde hij zich verrast, toen hij de deur hoorde openen en Van Schaffelaar zag binnentreden.
‘Hoe hebt gij het, meester?’ was de eerste vraag van dezen, terwijl hij den smid, die van de bank was afgesprongen, de hand gaf.
‘Zoo redelijk wel; maar de verveling kwelt mij,’ hernam Wouter, die niet zoo opgeruimd scheen, als toen hij in vrijheid was; ‘zeg, hebt gij goede tijding medegebracht, dat gij zoo spoedig terugkeert?’
Van Schaffelaar schudde het hoofd en zette zich neder, nadat hij Wouter gevraagd had,
of hij ook iets verlangde, en gelastte vervolgens den stokkeknecht te vertrekken, en hem onder aan de trap te wachten, toen de meester niets behoefde.
‘Frank is zoo even eerst van hier vertrokken,’ zeide Wouter, en schonk twee tinnen bekers vol met bier, ‘de goede jongen heeft mij nogal trouw bezocht. Sedert gij mij een quaakbord geschonken hebt, bezoekt hij mij meer, zoo hij zegt, om het spel te leeren; maar, bij St. Eloy! dikwijls moet ik hem herinneren om met de steenen te gooien; en ik geloof, dat hem het geklaag over mijn verlangen om naar huis te keeren, een weinig verveelt. Doch, Jan! zeg het mij maar ronduit, heeft de Bisschop zich nog niets laten verluiden om mij in vrijheid te stellen?’
‘Helaas! neen, Wouter!’ riep Van Schaffelaar, ‘zoo even sprak ik hem, en vroeg nogmaals om u vrij te laten; maar mijn bede zoowel als de losprijs, dien gij, en zelfs de verachtelijke Perrol, hebt aangeboden, kunnen hem evenmin overhalen als de smeekschriften door uwe dochter, in naam harer moeder, en door den braven vader van Broechuijsen opgesteld.’
‘Maar wat wil die vreemde geestelijke toch, die zich met geweld op den zetel heeft nedergezet?’ zeide Wouter met drift, en sloeg op de tafel.
‘Hij is mijn heer, beste meester!’ antwoordde Van Schaffelaar. ‘O! hoe heeft hij het nederige smeekschrift, dat door mijn lieve bruid geschreven is, onverhoord kunnen laten, dat zoo alle kenteekenen draagt van opgesteld te zijn door een treurende dochter! maar 't is alsof het priesterlijk gewaad het hart met een harnas omkleedt, en belet edelmoedig te zijn of zich te laten vermurwen. Zeide hij mij niet, dat het slecht geschreven en gevlekt was? iets dat in mijn oog er de meeste waarde van uitmaakte; want ik zag, dacht mij, Maria, met de pen in de hand, sidderende van vrees en hoop. - O, meester! ik zag de tranen, die om u uit hare schoone, reine oogen op het papier nedervielen.’
‘Maar welke reden geeft die Bisschop voor zijn verstoktheid?’ vroeg Wouter.
‘Hij wil noch losprijs, noch dank, als hij u vrijlaat, zegt hij,’ hernam Van Schaffelaar; ‘doch die tijd is nog niet dáár, maar wel nabij, verzekerde hij mij, en uwe vrijheid zal het loon zijn voor mijne getrouwe diensten. Geloof mij, Wouter! het aanbod en de bedreigingen van dien Perrol houden u gevangen; want zijn Eerwaarde haat hem.’
Toen antwoordde hij nog op eenige vragen, die de smid hem deed, en betuigde hem, dat hij niets betreffende de Vergulde Helm had kunnen vernemen, ofschoon hij in de nabijheid van Amersfoort geweest was, en vervolgde: ‘Maar ik moet u nog zeggen, wat ik gedaan heb, en wat er gebeurd is; verwonder u dan nog, dat bisschop David niet zeer vriendelijk was! De Zwarte Bende heeft Naarden geplunderd!’
‘Naarden!’ riep Wouter verbaasd.
‘Ja, het is maar al te waar; hoor, meester! hoe ik er kennis van bekomen heb. Gij weet, dat de Bisschop van zijn vrienden te Utrecht vernomen had, dat zijne vijanden het voornemen hadden om Eemnes te versterken, en dat ik werd afgezonden, om eenige berichten in te winnen. Verwijderd van den weg, bevond ik mij in den vroegen morgen in de nabijheid van Soest, toen Heintje, dien ik had afgezonden, om in het dorp te gaan vernemen, of er ook eenig krijgsvolk in het veld was, mij de verontrustende tijding medebracht, dat er des nachts een groote bende rijzige ruiters door het dorp was getrokken, maar dat niemand het gewaagd had het hoofd buiten de deur te steken. Ik vermoedde toen al dadelijk, dat het volk tot de Zwarte Bende behoorde, maar tevens, dat de dorpelingen door de duisternis en den schrik het aantal ruiters veel vergroot hadden. Evenwel werd er veel omzichtigheid vereischt; want ik had maar twintig mijner rijzige ruiters, buiten mijn knaap, medegenomen. Ging de vijand naar Eemnes, waarom dan des nachts daarheen gereden? en deze nachtelijke optocht geleek meer naar dien eener stroopbende. Zoo spoedig mogelijk dus den Stichtschen grond achter mij latende, reed ik op Laren aan; maar vóórdat wij dit dorp naderden, zag ik in de verte een ruiter in vollen ren op ons aankomen. Op mijn bevel verlieten de mijnen dadelijk den weg, en alleen Heintje, dien ik genoodzaakt had een boerenpak aan te trekken, stapte op mijn bevel af, om zijn paardendek, zoo het scheen, te verleggen. Zoodra de ruiter dichterbij kwam, hield hij een oogenblik zijn paard in den draf, en scheen eenig gevaar te duchten; maar Heintje schreeuwde hem toe naderbij te komen; want dat zijn paard, waarvan hij den poot bezag, kreupel was geworden, en nu naderde de ruiter. Toen wij hem beter konden zien, zag ik, dat het één van de Zwarte Bende was; mijne jongens vielen hem nu dadelijk te lijf, en voordat hij kon terugkeeren, sloeg een mijner ruiters hem met zijn speer van het paard. In het
eerst trachtte hij ons door
allerlei leugens om den tuin te leiden; maar toen Heintje in hem den gruwelijken
beul herkende, die hem te Utrecht den arm had opengekorven, besloot

ik geen medelijden met hem te hebben, en beval mijn volk, hem zoolang
met hunne zwaarden te slaan, totdat hij de waarheid zeide. Toen ik den lafaard
beloofde hem het leven te schenken, onderrichtte hij mij, nog vóórdat hij de
klingen gevoeld had, het navolgende: Perrol was met zijn geheele bende uit
Amersfoort getrokken en des nachts voor de poort te Naarden aangekokomen. Hij
had zijn volk verborgen, en een tiental zijner ruiters, als boerenwijven
gekleed, met manden aan den arm, vertoonden zich met het opgaan der zon vóór de
poort, alsof zij met hare waren ter markt wilden gaan. Zoodra was echter de
poort door den burgemeester niet geopend, of de ruiters wierpen hunne manden
weg, vielen op hem en die kleine wacht aan, en degenen, die opgezeten waren en
naar dit oogenblik wachtten, renden dadelijk, toen zij het afgesproken teeken
hoorden, de stad in, vertrapten alles onder den voet. De burgers gaven echter de
stad nog niet gewonnen, en hevig werd er op het kerkhof en in de kerk zelve
gevochten; maar Perrol en zijn luitenant voerden in persoon de ruiters aan, en
de dappere poorters moesten zwichten. Meer dan veertig hunner lieten daar het
leven bij, en velen zochten uit de stad te ontkomen of zich te verbergen; maar
dit gelukte slechts weinigen, en zij moesten zelven hun vijanden hunne beste
goederen aanwijzen. Perrol had dadelijk van zijne overwinning naar Amersfoort en
Utrecht bericht willen zenden, met verzoek om de stad intijds te laten bezetten,
indien men haar wenschte te behouden, en de ruiter had, zoo hij zeide, aan zijn
hoofdman verzocht, de tijding te mogen overbrengen, omdat hij priester was, en
het gejammer der arme burgers niet langer kon aanhooren; maar naar hetgeen
Heintje mij gezegd had, en naar de uitdrukking van zijn valsch gelaat te
oordeelen, zou ik denken, dat Perrol hem juist om andere redenen had
weggezonden, indien het hoofd der Zwarte Bende voor eenig edel gevoel vatbaar
was. Zoodra ik het voornemen van den vijand had vernomen, reed ik naar de
hoogten, over welke de wegen heen loopen, en liet die bezetten. Meer dan één
bode van Perrol viel in den loop van den dag, en zelfs des nachts in onze
handen, ofschoon niet levend; want zij vochten verwoed tot den dood toe, zoodra
zij de onmogelijkheid inzagen om te ontkomen, en dreigden ons nog, als wij hen
niet ongemoeid doorlieten, dat hun aanvoerder de stad zou laten plunderen. Hunne
woorden waren maar al te waar; want toen de nacht verliep, en hij waarschijnlijk
uit het wegblijven van zijne ruiters bemerkte, dat hij op geen ondersteuning kon
rekenen, verliet hij de stad, en van verre kon ik in de morgenschemering flauw
de menigte karren en wagens zien, die zwaar beladen waren met den roof der
burgerij. Daar mijn langer vertoeven op deze plaats onnoodig was, keerde ik met
mijne ruiters, die rust behoefden, terug, en niets heeft mij meer verwonderd,
dan dat hij bij zijn aftocht de stad niet in brand had gestoken.’
‘Het is een duivelsche vent!’ zeide Wouter, toen Van Schaffelaar zweeg, ‘en een dapper ruiter; jammer maar, dat hij voor zoo slecht bekend staat, en dat gij met hem niet op een goeden voet staat. Als ik tehuis was, zou ik waarlijk verheugd zijn, dat hij in de Vergulde Helm tehuis ligt; hij ziet niet op een paar stukken geld, en ik kan goede zaken met hem doen. - Gij ziet immers uit de brieven van Maria, dat hij zich wel gedraagt,’ eindigde hij, toen Van Schaffelaar droevig het hoofd schudde.
‘Ja juist, Maria!’ riep Van Schaffelaar treurig. ‘O! meester! ik wenschte zoo gaarne
dat gij gelijk hadt; maar ik doorgrond hem beter; ik begrijp nu maar al te wel, waarmede hij mij bedreigd heeft in die legerplaats, waarheen heer David mij gezonden had. Geloof mij, uwe vrouw en Maria kunnen hem niet leeren kennen achter het masker van vriendelijkheid, dat hij heeft aangenomen.
‘En welk belang zou hij bij mijn bevrijding kunnen hebben?’ vroeg Wouter, en vervolgde toen Van Schaffelaar zweeg: ‘Gij deedt wel, om over niets van dat alles te schrijven; want mijn vrouw zou zich maar ongerust maken, en Maria ook, zoo het onschuldig kind al begreep, dat iemand zoo slecht zou kunnen zijn, om haar ongeluk alleen uit wraakzucht te bewerken. Maar ik geloof, dat het hoofd der Zwarte Bende zoo zwart niet is, als gij wel denkt; of meent gij nog, dat hij, en niet het volk van Salazar, de Schaffelaar verbrand heeft?’
‘Meester!’ riep Van Schaffelaar met drift, en sloeg met de vuist op de tafel, ‘ik weet wel, dat gij wapens voor de Zwarte Bende gemaakt hebt; maar het bedroeft mij u Perrol te hooren verdedigen. Bij de zaligheid van mijn vader! 't is goed, dat ik in u den vader van mijn bruid moet en wil eerbiedigen, anders....
‘Wouter!’ vervolgde hij langzaam, want zijn drift was bedaard, ‘het smart mij, dat ik u het monster hoor verontschuldigen, dat op mijn bruid loert, dat uw kind, uwe Maria, ten val wil brengen, maar gij hebt niet gehoord, waarmede hij gedreigd heeft; gij waart niet met mij in de legerplaats; ik vergeef het u dus. Doch ik bezweer u bij al wat heilig is! geloof mij: niemand dan hij vermoordde mijn ouden Hans, verwoestte mijn voorvaderlijk verblijf. Het is waar, geen mensch wist wie de moordbrander was dan Ralph; maar de oude schaapherder liegt niet; mijn hart zegt het mij.’
‘De mannen van Salazar zijn even woest als die van de Zwarte Bende,’ zeide Wouter, ‘en...’
‘Maar,’ viel Van Schaffelaar hem in de rede: ‘Jean de Salazar is geen Perrol; en zoo hij al in staat mag zijn het huis van een vijand te verwoesten, zoo geloof ik niet, dat hij de Schaffelaar zou vernielen; want tusschen ons beiden is nimmer twist geweest. Te laat misschien zult gij gewaar worden, dat ik mij niet voor niets verontrust heb, dat mijn vrees geen ijdele vrees was; dan zal Maria, indien zij niet van rouw en droefheid gestorven is, het bejammeren, dat zij mijn zwaard in de scheede vastgeklonken heeft; dan zult gij kunnen weenen over uw kind, en mij zal niets overblijven dan haar te wreken en te sterven,’ eindigde hij treurig. Hij bedekte nu zijn gelaat met zijne handen; tevergeefs trachtte de brave Wouter hem te overtuigen, dat hij zich voor Perrol niet bevreesd behoefde te maken, vooral als de Bisschop hem in vrijheid stelde, en hij naar Amersfoort kon terugkeeren.
