terug  begin  verderprepost
[p. 233]

VI. De aftocht.

 
Zoo vreeslijk de aankomst was des wreedsten der barbaren,
 
Zoo schandlijk was 't vertrek van hem en zijne scharen.
 
Een afschrik voor zijn naam, trots, bloeddorst, woede en haat,
 
Is all' wat die barbaar voor eeuwig achterlaat.

J. Nomsz.



illustratie

HET vermoeden van Van Schaffelaar was zeer juist geweest. Toen Perrol geen antwoord van Amersfoort of Utrecht ontving, en zijne ruiters niet terugkeerden, besloot hij Naarden te verlaten. Hij bekreunde zich weinig om het bezit van de stad; wilde hij haar bezet houden, dan liep hij gevaar door het volk van den Stadhouder en de burgers der omliggende steden en dorpen, te worden ingesloten; - die van Amsterdam waren reeds in aantocht! - en trok hij af, dan was het niet noodig, de stad of de burgerij, welke men toch aan haar lot zou overlaten, te verschoonen. Een woeste vreugde heerschte er onder de Zwarte Bende, toen haar, nog eer de morgen aanbrak, door Walson, die door de stad rende, werd bevolen zich tot den aftocht gereed te maken en de stad te plunderen. Sinds dat oogenblik bood dat stadje het droevige schouwspel aan van een aan de woestheid van het krijgsvolk overgegeven burgerij, en alle middelen, hoe verschrikkelijk ook, werden door de ruiters aangewend, om de plaats, waar de kostbaarheden en het geld verborgen waren, te weten te komen; gelukkig hij, die iets aan te wijzen had, en dus niet werd vermoord, omdat hij niet overgaf, hetgeen hij niet bezat.

‘De voertuigen, die in de stad gevonden of in den omtrek geprest waren, werden bevracht met huisraad, kleedingstukken en levensmiddelen; ook het vee, dat er gevonden was, lieten zij niet achter, en droefgeestig verlieten degenen, die gedwongen waren de paarden te besturen, die stad. Van alle zijden werd deze lange trein van wagens vergezeld door de ruiters, die een genoegelijken blik wierpen op hun buit, en honderd en veertig van de voornaamste burgers, die als gijzelaars werden medegevoerd voor de brandschatting welke de stad aangeboden had te betalen, gingen zwijgend tusschen de paarden, waarop de monsters gezeten waren, die, na hen van alles beroofd, en hunne vrouwen en dochters onteerd te hebben, nog den spot dreven met hunne droefgeestigheid, en hen met de punten hunner speren aanspoorden, als de smart of de jaren sommigen hunner nu en dan niet snel genoeg deden gaan.

Perrol, die met Walson vooraan reed, zeide, terwijl zij de hoogte opreden, die tusschen Laren en de stad ligt: ‘Het zal mij benieuwen, of men mijne mannen heeft durven terughouden, of dat zij Utrecht of Amersfoort in 't geheel niet bereikt hebben.’

‘Ik denk het eerste, Messire!’ hernam Walson; ‘want niemand heeft immers vermoed, wat wij van zins waren, en van het Hollandsche krijgsvolk is in dezen omtrek seen mensch te vinden.’

‘Ik weet het,’ zeide Perrol; ‘maar ik ben bevreesd, dat het eenige bisschoppelijke ruiters zijn geweest, die hen hebben opgelicht. Als het die verdoemde Van Schaffelaar

[p. 234]

maar niet geweest is; want de bruidegom zal misschien eens in de nabuurschap van Amersfoort gekomen zijn, om wat dichter bij zijn bruidje te wezen.’ Nu lachte hij, maar vervolgde meer ernstig: ‘Het zou een nieuwe dienst zijn, waarvoor ik hem bedanken moest; ik zou ook beter gedaan hebben Quintijn met vijf en twintig man af te zenden; maar ik troost mij met den buit, en dat Froccard er ten minste ook bij geweest is.’

‘Indien de anderen gebleven zijn, Messire!’ zeide Walson, ‘dan wed ik, bij mijnheer St. George! dat hij er zich niet doorgeslagen zal hebben.’

‘Maar misschien wel doorgelogen, Walson!’ zeide Perrol vroolijk. ‘Doch zie eens welk een verrukkelijk gezicht zich hier voor ons opdoet; wat een aantal zwaar beladen wagens, jammer maar dat wij zoo weinig klinkende munt gevonden hebben.’ Walson hield nu ook zijn paard staande, zag om en zeide lachende: ‘Ik gevoel nu geen spijt meer, dat wij Naarden verlaten hebben; want wat er is achtergebleven, is niets meer waard. Ha! ha! het is een verhuizing, die zeer gemakkelijk gaat, en waarvan wij alleen de voordeelen hebben.’

‘Zoo is het,’ riep Perrol; ‘maar geloof mij, ofschoon de som, die zij ons zullen brengen, omdat wij den rooden haan niet in hunne huizen gestoken hebben, nogal van belang is, spijt het mij, dat ik mij heb laten overhalen; want niets is aangenamer, wanneer men een stad bij wijze van processie verlaat, zooals wij deze doen, dan dat men haar achter zich in brand ziet staan; de vlam en de rook geven meer levendigheid aan het tooneel. De laatste maal nog zag ik het aan de Schaffelaar; men kan dan verzekerd wezen, dat men niets achterlaat; niets verwoest gemakkelijker dan het vuur: ééne brandende toorts in een huis of een schuur geworpen, vernielt een geheele stad; 't is evenals een bal, die vanzelf langs de helling loopt, waarop men hem gelegd heeft.’



illustratie

Een oogenblik daarna ontdekten zij, ter zijde van den weg, een der ruiters; die was afgezonden geweest, en die dood achter eenig kreupelhout lag. Perrol gelastte, zonder verder iets te zeggen, aan degenen die achter hem reden, hun makker op te nemen en op den eersten wagen te leggen, die voorbij zou komen. Nu reed hij met Walson een weinig vooruit, en onderhield zich met hem over zijne bijzondere belangen; hij gaf hem last eenige geldzaken met heer Loef van Oosterweerd af te doen, en gaf niet onduidelijk te kennen, dat hij dezen verdacht hield, van zoowel aan heer David van Bourgondië, als aan de Utrechtsche partij geld te leenen, op zulk een wijze, dat hij, buiten de dadelijke voordeelen, in het vervolg hoop had om, welke partij ook meester bleef, zijne uitschotten met woeker terug te krijgen.

‘Het is een slimme vogel,’ vervolgde hij lachende: ‘maar ik kan goed met hem terecht, en ik geloof, dat wij het verstandigste zullen doen, het graan, dat daar ginds op onze wagens ligt, in ééns aan hem over te doen. Er is tegenwoordig gebrek in Utrecht aan granen, en als ik dan aan iederen ruiter eenig geld geef, zal hij altijd nog meer voordeel hebben, dan dat hij zelf zijn aandeel te gelde maakte.’

‘De meubelen en de andere roof blijven hun toch nog over,’ zeide Walson; ‘zij hebben reeds voordeelen genoeg, en velen hunner hebben een aardige som aan geld of goud- of zilverwerk in hunne zadeltasschen.’

‘Te veel is niet eens goed,’ merkte Perrol aan, en vervolgde: ‘Maar van heer Loef gesproken; om een voorbeeld aan te halen: toen ik op den Dwarsdijk lag, vertelde hij mij, dat hij naar Wijk moest, omdat zijn nicht dien knaap, welke onder Van Schaffelaar dient, wenschte te zien; maar de zaak was eigenlijk, dat hij heer David een som gelds en misschien eenige inlichtingen kwam brengen; en in Utrecht deed hij het voorkomen, alsof hij naar de paardenmarkt geweest was, om eenige paarden te koopen, waaraan men in Utrecht gebrek had.’

Walson deelde daarop aan Perrol een besluit mede, dat hij genomen had, namelijk, om Ada ten huwelijk te vragen; en nadat deze hem meesmuilend had aangehoord, borst hij in een luid gelach los. ‘Op mijne eer! edele Brit!’ riep hij, ‘dat zou de grootste zotternij wezen, die ooit door een Engelschman begaan werd; maar wilt gij mij dan verlaten, of zijt gij voornemens met uwe gekke vrouw de Zwarte Bende te volgen? Maar

[p. 235]

gij gekscheert, Walson! mijn luitenant, getrouwd met jonkvrouw Ada! ha! ha! ha! dat zou te veel eer zijn voor mijn banier.

Doch Walson beduidde hem, dat hij in vollen ernst sprak, en zeide, dat hij zich minder om de onnoozele jonkvrouw, dan wel om haar vermogen bekommerde, en dat hij haar zonder eenig hartzeer in dit land achterlaten, maar zorgen zou hare goederen van te voren tegen baar geld te verwisselen; ook sprak hij van heer Loef en diens zoon.

‘Ja! ja! gij hebt gelijk,’ zeide Perrol, ‘die Reynoud is een stugge knaap, die evenmin als zijn vader eenige ridderlijke deugden bezit; hij draagt ons juist geene groote vriendschap toe; wees daarvan verzekerd. Maar bekommer er u niet over: hij zou in staat zijn u een langen brief te schrijven, ten einde u zijn verontwaardiging te kennen te geven over uw voornemen om zijn nicht te trouwen; doch daarbij zou hij het ook laten. Ik wil er al mijn paarden onder verwedden, dat hij nog nooit een mensch gedood heeft,’ riep hij lachende: ‘maar, waarde heer luitenant! er zijn erger hinderpalen dan de zotte grillen van dien knaap; hoor eens en luister. Ada van Rijn is een zusters dochter, van heer Loef van Oosterweerd; haar vader, die zijne vrouw reeds vroeg verloren had, was bevreesd, dat zijne dochter, die toen reeds niet wel bij het hoofd moet geweest zijn, een man zou trouwen, die niet voor haar geschikt was; daarom heeft zij slechts het vruchtgebruik harer goederen, zoolang zij ongetrouwd blijft. Doch zij kan geen huwelijk aangaan, zonder verlof van haar oom, indien zij niet onderscheiden goederen wil verliezen, die haar grootste vermogen uitmaken, en welke goederen in dat geval op haar neef overgaan. De heer Loef, die sedert haars vaders dood eenige voogd is, omdat zij geen andere bloedverwanten heeft, heeft vruchteloos getracht Ada over te halen, zich met haar neef in den echt te verbinden, waartoe hij reeds de toestemming te Rome had weten te verwerven; want ofschoon Reynoud, zoo ik geloof, waarlijk op haar verzot is, heeft zij zijne aanzoeken van de hand gewezen. In dien tijd had heer Loef dus belang, alle vrijers te verwijderen, op wie hij niets zou kunnen aanmerken; maar toen kreeg zij opeens de kuur in het hoofd, om op dien Frank, zoo heet hij, geloof ik, te verlieven, en dit stond den oom aan; want tegen dat huwelijk, dat hij in het geheim wenschte, zou hij zich in het openbaar verzet hebben; daarom heeft hij alle moeite aangewend, om dien gemeenen jongen aan zijne nicht te koppelen. Doch hetzij deze iets bemerkt heeft van de zaak, ofschoon weinige menschen er het rechte van weten, of dat hij geen zin had in de gekke meid, heer Loef deed moeite tevergeefs, om de goederen op deze wijze te benaderen, en zij kunnen dus zijn zoon nog ontgaan.’

‘Maar ik ben een Engelsch Edelman, Messire!’ riep Walson, ‘de oom zou mij dus tevergeefs de goederen van mijn vrouw trachten te onthouden; ik ben uw luitenant; en gij zelf zoudt immers niet toestaan, dat men mij die beleediging aandeed.’

‘Neen, Walson!’ hernam Perrol, ‘en niet onwaarschijnlijk zou hij zich wel wachten, om mijn luitenant zijn huwelijksgoed te onthouden, of te kennen te geven, dat hij aan

illustratie

uwe adellijke afkomst twijfelde; maar!’ vervolgde hij lachende, ‘andere bezwaren doen zich op, edele Brit! ik geloof, dat de edele jonkvrouw liever als maagd zal sterven, dan u tot man nemen; zij bemint dien knaap immers.’

‘Wat scheelt het mij, wien zij bemint,’ riep Walson driftig, ‘laat haar met dien gemeenen ruiter naar den duivel loopen, Messire! al wat gij mij gezegd hebt, schrikt mij

[p. 236]

niet af; ik zal haar noodzaken mij te trouwen, en, bij mijnheer St. George! ik zal noch de eerste, noch de laatste zijn, die met geweld een vrouw genomen heeft.’

‘Bravo!’ riep Perrol vroolijk, ‘het huwelijk is een heilig sacrament, Heer bruidegom! ik wensch u veel geluk; maar ga bedaard te werk; mogelijk weet ik u binnenkort de juiste woonplaats aan te wijzen van een aardig wijfje, dat u een middel zal verschaffen, om het hart van jonkvrouw Ada te vermurwen, of u in een beeldschoonen jonkman te herscheppen; en misschien weet ik u dan zelfs ook den prijs wel op te geven. Wees nu zoo goed onze achterhoede eens te bezoeken, om te zien of alles geregeld voortgaat; want wij vorderen traag, dunkt mij.’

Toen Walson vertrokken was, riep Perrol Vidal, die een eind weegs ter zijde reed, gaf hem eenige bevelen, en terwijl zijn knaap spoorslags in de richting van Amersfoort wegreed, zong Perrol een Fransch liedje, deed zijn paard nu eens draven, dan weder stappen of in den vollen ren plotseling stilstaan, of hij staakte zijn gezang en lachte luid; wat hij beloofde zich vermaak van Walson's vrijage.

prepostterug  begin  verder