terug  begin  verderprepost
[p. 282]

X. Het klooster.

 
Doe mij nog uw liefde eens hooren:
 
Zeg nog ééns, dat gij mij mint.
 
J. du Pré.



illustratie

HEER Jan Van Schaffelaar sidderde, toen hij de tijding kreeg van den boosaardigen aanslag van Perrol. Tevergeefs had hij Wouter voorzichtigheid aangeraden; de goede en geen kwaad denkende meester had zich, evenals de vrouwen, door het bendehoofd laten misleiden. Maria sluimerde zonder vrees aan den rand des afgronds, waarin hij haar wilde nederploffen; kon Van Schaffelaar haar toeroepen, wat Perrol gedreigd had? Zou het onschuldige kind zijn waarschuwende stem begrepen hebben? Kon hij zijne bruid doen blozen van schaamte?

Maar God had haar bewaard; hij dankte den Hemel, dat zijn lieve bruid gered was geworden. Zoo zag hij dan, dat deze vreemde ruiter nu eens zijn wraak snel wist te doen treffen, evenals met Van Baerbergh, dan weder bedaard zijn tijd kon afwachten, om hem, dien hij treffen wilde, nog heviger in het hart te grijpen. O! hij zag nu, dat deze duivel in menschelijke gedaante reeds zijn belofte was nagekomen, en alleen door hoogere bestiering zijn vloekwaardig voornemen had verijdeld gezien; daarom vernam hij met blijdschap, dat de aanvoerder der Zwarte Bende de Vergulde Helm reeds des morgens na dien vreeselijken nacht vroegtijdig ontruimd had, zoodat noch Martha, noch hare dochter, hem sedert dien tijd wedergezien hadden. Sedert was Maria door medewerking en op aanraden van pater van Broechuijsen heimelijk uit de stad vertrokken; want haar vader was niet machtig genoeg om haar te beschermen tegen een geweldigen aanslag van Perrol, die met zijne Zwarte Ruiters in Amersfoort doen kon, wat hem goeddacht.

In het begin van December begaf zich Van Schaffelaar naar Naarden, alwaar door den Stadhouder weder een leger werd bijeengebracht; zijne ruiters waren reeds vroeger derwaarts getrokken en thans te Hilversum gelegerd. Hij verheugde zich, dat de Bisschop hem eindelijk toegestaan had te vertrekken; en de hoop om Maria, die hem in zoo langen tijd niet gezien had, eens aan zijn hart te drukken, maakte hem reeds bij voorbaat gelukkig. Vijf en twintig mannen van wapenen vergezelden hem, en zoo snel de aard van den grond zulks mogelijk maakte, reed hij over de Amersfoorter bergen op den Vuurschen weg aan, om van daar het Gooiland te bereiken.

Toen hij de hoogten opreed, die tot nog toe den toenmaligen weg van Utrecht naar Amersfoort voor hem verborgen hadden, welke weg over Hees en achter de plaats heen liep, waar thans het Huis der Heide ligt, ontwaarde hij een twintigtal ruiters, die, een oogenblik te voren, voorbijgetrokken waren en den weg naar Amersfoort volgden. Hij zag het zonnelicht op de punten der lange speren flikkeren, en herkende de rusting der Zwarte Ruiters. Vóór hen uit reed een man op een fraai paard, die een grooten hoed met een lange veder droeg. Was het Perrol, die hier voorbijtrok? hij hoopte het: daarom gelastte hij zijn ruiters zich vast in den zadel te zetten, en hunne speren gereed te houden; langzaam daalden zij van de hoogten af, zonder dat de vijandelijke ruiters hen gewaar werden. Toen zij in de laagte waren, plaatste Van Schaffelaar hen, volgens het toenmalige krijgsgebruik, op een rij; de paarden werden gespoord, en snelden over en ter zijde van den

[p. 283]

breeden weg vooruit. ‘Van Schaffelaar en St. Maarten!’ riepen de mannen van wapenen.

Ofschoon de Zwarte Ruiters zich onverhoeds zagen aangevallen, riep een forsche stem: ‘Keert om, mannen! sluit het gelid, velt de speer en staat vast.’ Dit was het eenige, dat hun overbleef; want de Schaffelaars waren hen zoo op de hielen, dat zij niets anders konden doen, dan hen vast in den zadel af te wachten. Zij beantwoordden het veldgeschreeuw van hunne vijanden niet, en vingen hen onverschrokken op: maar de aanval geschiedde met zooveel kracht, dat de paarden weken, en de slagorde gebroken werd.

Nu vlogen de Zwarte Ruiters vloekende uitéén, en werden vervolgd; her- en derwaarts zetten de Schaffelaars hen na; maar in deze afzonderlijke gevechten konden zij hunne meerdere sterkte in getal niet behouden; want nu eens streden zij allen tegen twee ruiters van Perrol of omgekeerd, dan weder vochten zij man tegen man.

Van Schaffelaar, die wel de speer had aangenomen, welke zijn knaap hem overgaf, maar, zonder haar te vellen, aan de rechterzijde zijner ruiters gereden had, bespeurde met verwondering dat de vijandelijke aanvoerder niet eens den schok afgewacht had, doch zich reeds van te voren verwijderd had; daarom dacht hij dat het Perrol niet zijn kon; en toen zijne mannen de Zwarte Ruiters vervolgden, gaf hij ook zijn paard de sporen, om zich van den vreemdeling meester te maken, en zijn knaap volgde hem.

De vluchtende bereed een fraai paard en droeg een groen lakensche houpelande, die met zwart bont gevoerd scheen, en het kwam Van Schaffelaar voor, alsof hij geen harnas droeg. Een geruimen tijd wanhoopte hij om hem in te halen; want zijn hengst had veel te dragen aan den van het hoofd tot de voeten gewapenden bevelhebber. Hij had zich echter bedrogen; het paard van den vreemdeling beantwoordde niet aan de goede gedachte, die Van Schaffelaar er van gehad had, en weldra riep hij luid:

‘Sta, en geef u over, of ik werp u van het paard!’ en hij velde zijn speer. Deze bedreiging scheen eenigen invloed te hebben; want de vluchtende hield stand, wendde zijn paard, rukte zijne houpelande los en trok zijn degen. Een eind weegs van hem af, hield Van Schaffelaar zijn paard staande, richtte zijn lans op, en beschouwde den vreemdeling; maar het was noch Perrol noch zijn luitenant. Hij was nog jong, en scheen, naar zijn kleeding te oordeelen, niet tot de Zwarte Ruiters te behooren.

‘Heer!’ riep hij uit, ‘ofschoon gij zwaar gewapend zijt, en ik niets heb om mij te verdedigen dan dezen degen, zal ik mij echter niet overgeven; want ik ben van edel bloed, ofschoon ik niet gewoon ben het zwaard te voeren.’

Van Schaffelaar beschouwde zijn gelaat, terwijl hij sprak; het was bedaard en onbevreesd, en kondigde een edel gemoed aan, ofschoon het niet regelmatig en schoon gevormd was. Hij zeide daarom tot den onbekende: ‘Heer! vergeef mij de moeite, die ik u veroorzaakt heb. Vervolg gerust uw weg, en wijt hetgeen gebeurd is, alleen aan de knapen, die u vergezelden; ik meende dat gij tot de Zwarte Bende behoordet, maar deed u onrecht; God zij met u!’ Zonder het antwoord van den vreemden edelman af te wachten, boog hij zijn hoofd ten teeken van afscheid, gaf zijn paard de sporen en keerde terug.

De vreemdeling wenkte den knaap, die zijn heer wilde volgen, en vroeg hem, terwijl hij hem eenig geld gaf, wie de krijgsman was, die hem zoo edelmoedig had vrijgelaten, en Heintje noemde hem zijn meester en volgde Van Schaffelaar.

De jongeling had nu gelegenheid om te zien, wat er van zijn geleide geworden was. Hij zag Van Schaffelaar op eenigen afstand staan; deze blies op een horen, en scheen zijne ruiters terug te roepen. Sommigen hadden zich zeer ver verwijderd om hunne vijanden te vervolgen, en hij zag met verwondering, dat de kleine knaap, die hem had te woord gestaan, zonder schroom een der Zwarte Ruiters te gemoet reed, die dwars over den weg rende, om te ontsnappen aan twee vijandelijke ruiters, die hem vervolgden. De groote ruiter scheen zelf verwonderd, dat de knaap het waagde, hem in zijn vaart te stuiten, en hief met beide handen zijn zwaard op; maar de knaap liet zijn klein paard ter zijde springen en ontweek den slag. Snel op hem aanrijdende, stak hij zijn zwaard, zoo het scheen, in de voeg van het borstharnas; want de Zwarte Ruiter viel, en zijn paard werd door den knaap opgevangen en medegenomen.

Ofschoon de jongeling met belangstelling de overwinning van den knaap had gadegeslagen, ofschoon de verslagen ruiter tot zijn geleide behoorde, zoo zag hij met vreugde, dat het gevecht een einde had genomen. Langzamerhand keerden de Schaffelaars terug, sommigen langs den weg, anderen over de hoogten of door de engten daartusschen, echter zonder gevangenen, doch met eenige paarden; waarschijnlijk hadden de Zwarte Ruiters

[p. 284]

geen kwartier gevraagd of verkregen. Nu verliet Van Schaffelaar de plaats, waar de schermutseling had plaats gehad, en hij reed links af van den weg, in de richting der venen. Het kwam hem voor, alsof de ruiters, die hem vergezelden, minder in getal waren dan tijdens den aanval, en hij zag dat zij eenige gekwetsten met zich voerden.

Geheel alleen zijnde, en niemand van de mannen ziende, die met hem van Utrecht gekomen waren, reed hij naar den ruiter, die door den knaap was nedergestooten, steeg af, en onderzocht of hij zijne hulp ook nog mocht noodig hebben. De Zwarte Ruiter

illustratie

opende de oogen, toen zijn helm werd losgegespt en afgenomen; hij zag den vreemdeling aan, en zeide flauw, terwijl zijn gelaat reeds door de doodskleur werd. overdekt: ‘Neen, het is gedaan; en gij, die zelfs het veld geruimd hebt zonder te vechten, zult misschien niet begrijpen, dat het niet de naderende dood is, die mij wanhopig maakt, maar dat ik door de hand van dien ellendigen dwerg gevallen ben, wiens paard mij reeds eenmaal op den grond heeft geworpen.’ Hierop braakte hij nog eenige verwenschingen uit tegen den knaap, sloot zijne oogen weder, scheen met zijne handen iets te willen grijpen, dat hij voor zich meende te zien, en blies den laatsten adem uit.

Geheel vreemd aan zulke tooneelen van moord en bloed, verliet hem de jongeling zoo spoedig mogelijk, en reed, zijne houpelande weder tot bovenaan toeknoopende, alleen den weg naar Amersfoort op. Van tijd tot tijd keerden nu echter eenigen der Zwarte Ruiters tot hem terug. Niet ver van het Huis ten Dalen was een kleine herberg, waarin zij hun intrek namen; want zoowel de ruiters als de paarden hadden rust noodig. De jongeling lichtte met moeite een zwaren lederen zak van zijn paard, die achter den zadel, in een mantel gewikkeld, was vastgegespt geweest, en trad er mede in de herberg, terwijl zijn paard naar den stal gebracht werd.

 

In de parochie van het dorp Zoest, lag in dien tijd een vrouwenklooster, dat aan de heilige jonkvrouw Maria gewijd was, en bijgevolg Mariënburg heette, ofschoon men meer gewoon was, het eenvoudig de Brigitten te noemen, omdat de kloosterzusters naar de regelen van de heilige Brigitta leefden. Het was een gesticht, meer eerwaardig door zijne oudheid dan door zijne pracht; en de mater, die het bestuurde, vergenoegde zich met dien titel, ofschoon sommigen harer voorgangsters voorheen den naam van abdissen gedragen hadden.

In het jaar 1419 had de eigenaar van een stuk land, dat tusschen het dorp Zoest en de stad Amersfoort lag en de Birk heette, aan de reguliere kanonniken, die ruim twee jaren vroeger den regel van St. Augustinus hadden aangenomen, en zich onder het kapittel van Windesheim, een klooster buiten Zwolle, begeven hadden, toegestaan, er een klooster te bouwen, omdat zij hun huis, buiten de muren van Amersfoort gelegen, moesten verlaten. Zij hadden hun gesticht Maria's Hofken genoemd; maar ter onderscheiding van het klooster te Zoest noemde men het de Birk, en de broeders zelven de Birkenaars, of Birktenaars.

Deze beide kloosters, in de nabijheid van Amersfoort gelegen, werden op uitdrukkelijken last van den Burggraaf van Montfoort nimmer door het Utrechtsche krijgsvolk gekweld;

[p. 285]

en ofschoon de geestelijke maagden vooral wel eens bezocht hadden kunnen worden door eenige stoute stroopers van des Stadhouders partij, zoo hadden zij door bemiddeling van den Bisschop, die haar huis zoo genegen was, ook van die zijde een vredebrief gekregen, welke haar vrijwaarde tegen allen overlast van het vijandelijke krijgsvolk. Het huis had dus, hoewel de oorlog voortduurde, en reeds een aantal bewoners van Zoest naar elders gevlucht waren, tot nog toe niets geleden, en de zusters hadden er in stille afzondering geleefd, alsof het vrede was.

Het was in dit klooster, dat Maria een schuilplaats had gezocht, toen Perrol haar genoodzaakt had, om het ouderlijk huis te verlaten, waar zij niet meer veilig was voor zijne aanslagen. De snelheid, waarmede zij vertrokken was, en de voorzorgen, die men gebruikt had, gaven haar vader het vertrouwen, dat het hoofd der Zwarte Bende niets te weten was gekomen van haar vertrek, of van de plaats waar zij zich bevond; en Martha troostte zich, toen hare dochter haar verliet, door de verzekering, welke de pater haar gaf, dat de mater van het klooster haar met liefde zou ontvangen, en dat Perrol, al werd hij onderricht waar zij was, het waarschijnlijk niet zou durven wagen, de rust der kloosterlingen te verstoren, of de heiligschennende hand te slaan aan het meisje, dat zich onder de bescherming bevond van de navolgers van de heilige Brigitta. Zij troostte zich dus en dankte God, dat Hij haar bij al deze onheilen nog den zegen had geschonken, om zich uit grond van haar hart te kunnen verheugen over de redding van hare dochter, die rein en onschuldig, uit de handen van het monster was verlost geworden, en dat haar smeeken en de vermaningen van den pater van Broechuijsen zooveel invloed op het gemoed van haar man gehad hadden, dat hij zijn voornemen, om Perrol te straffen voor zijn laaghartig gedrag, had opgegeven.

Omstreeks vespertijd naderde een boer, die een zak rapen aan een dikken stok op zijn rug droeg, de Brigitten. Hij stond eenige oogenblikken stil, om te luisteren naar de kloosterklok, die getrokken werd, en waarvan het geluid zich over de vlakte verspreidde, doch zoo het scheen, door een echo met kracht werd teruggekaatst; want ook de Birkenaars gingen kerkwaarts en de zilverachtige klank der kloosterbengels verloor zich even zacht over het veld, als een zucht, over de lippen van een maagd, die haars minnaars komst verbeidt. Nu versnelde de boer zijn tred, en begaf zich naar het verblijf der zusters, dat bijna geheel uit hout was samengesteld, opende het hek, dat een soort van voorplein, voor het huis, van den weg afzonderde, en trad naar de deur. Doch hij scheen zich te bedenken, wierp zijn zak op den grond, en ging, nadat hij eenige oogenblikken de kleine ramen van het verblijf der nonnen één voor één had opgenomen, in de kerk.

Maria begaf zich, nadat de vesper was afgeloopen, uit de kerk in haar klein vertrek. Zij was, evenals de zusters, met een grauwen rok en mantel gekleed; evenwel zonder het roode kruis met de witte rondte er in op den mantel. Sedert de aanvoerder der Zwarte Bende haar eerst zoo geveinsd, en daarna zoo woest zijne gruwelijke liefde en wraakzucht had bekend gemaakt, was zij krank naar geest en lichaam. Haar kuisch gemoed treurde wel niet om de kussen, die hij haar gegeven had, of omdat zijn dartel oog een blik op hare bekoorlijkheden had geworpen: want zij wist niet wat er met haar voorgevallen was, sedert zij hare moeder geroepen, en vóórdat zij in de armen van deze haar bewustzijn terugbekomen had. O, had haar vader het haar niet gezegd, zoowel als de laatste blik van Perrol, toen hij de kamer verliet, en had de verbroken deur het haar niet bewezen, dan zou zij gedacht hebben, dat hij in het einde, toen hij haar in zwijm zag vallen, zijn snood voornemen opgegeven en hare moeder geroepen had.

De bezorgdheid der moeder, die het hart van haar kind kende, had den braven, maar ruwen vader verhinderd haar kuisch gemoed voor niets te verontrusten; daarom dacht Maria, dat hare moeder haar op haar bed nedergelegd en haar den halsdoek afgenomen had; zij wist niet dat Perrol haar ongestoord in zijne armen had geklemd en gekust; en evenwel was zij treurig. Niets verschafte haar afleiding in het stille huis, waar zij verborgen was; zij dankte God wel dagelijks voor zijne bewaring, en bad Hem voor hare ouders, Van Schaffelaar en zich zelve; maar hetgeen het bendehoofd tot haar gezegd had, herinnerde zij zich nog zoo goed, dat zij elk oogenblik bevreesd was, hem opnieuw voor zich te zien verschijnen. Zijne woorden die tot hare ziel waren doorgedrongen, verontrustten en bedroefden haar; vrees voor het leven van haar ouders en van Van Schaffelaar pijnigde haar; en zij wist niet, waarom haar hart dan eens scheen te verlangen den braven ruiteraanvoerder van den Bisschop te zien, dan weder angstig klopte, en tegen een bezoek van haar bruidegom scheen terug te deinzen. Eén woord van Perrol had hare ziel vooral

[p. 286]

geschokt. O! Als zij aan die beschuldiging dacht, en die was geen oogenblik uit haar gedachten, dan kromp haar hart van schaamte inéén; hij had immers gezegd, dat zij Van Schaffelaar niet beminde - dat zij dus zijn liefde, zijn vereering niet waardig was! Zij had haar hart onderzocht, maar er het beeld van hare ouders en van haar bruidegom in gevonden. Perrol had dus gelogen; want niemand beminde zij dan Van Schaffelaar.

Soms had zich het bleeke gelaat van Frank achter haar bruidegom vertoond; ook hem had zij lief; maar zij had slechts medelijden met hem, zij beminde hem niet zooals zijn vriend. ‘Zou hij mij beminnen?’ dacht zij, en na deze gedachte kon zij zijn beeld niet meer uit haar hart verbannen; zij zag hem altijd treurig en bleek voor zich staan, evenals toen zij hem de roos overgaf. Sedert dat oogenblik verliet haar vaak alle vertrouwen op zich zelve, en zij weende; en evenwel, zij beminde Van Schaffelaar alleen.

De nonnen, die gedurende den dienst achter het koorhek zaten, hadden alleen uit tijdverveling, en zonder eenige verdere belangstelling, naar den boer gezien, toen hij in het ruim der kerk trad; doch Maria had opgemerkt, dat de landman, na zich gebogen, en geknield zijn gebed gedaan te hebben, met bijzondere aandacht naar die zijde van het aan den dienst gewijde gebouw gezien had, waar de nonnen zaten.

De duisternis, die in de kerk heerschte, en die door de weinige lichten op het altaar niet veel verminderd werd, verhinderde haar den man te herkennen, zoo zij hem al meer gezien had; maar zijn lange gestalte, en de fiere tred, den boer anders niet eigen, waarmede hij tot midden in de kerk genaderd was, waren haar niet ontgaan, evenmin als zijn blik, die een oogenblik stijf op haar gericht was gebleven. Was het een vreemdeling, die aan zijn nieuwsgierigheid voldeed, of iemand die haar zocht en kende? Was het Van Schaffelaar, of Perrol of een zijner zendelingen? Zij wist het niet; en evenwel stelde het haar gerust, toen de boer, voordat nog de zusters uit de kerk in het klooster traden, het heilige gebouw weder verliet.

In het eenzame vertrek gekomen, dat zij bewoonde,

illustratie

zette zij zich bij het venster neder, en zag naar buiten. Het was reeds duister, en evenwel kon zij de boomen in den hof nog zien; want de sneeuw, die des morgens gevallen was, lag nog op de takken, en zij herinnerde zich, hoe zij zich in vroeger jaren wel in den tuin, achter het huis harer ouders, vermaakt had met figuren van sneeuw omver te werpen, die Frank vervaardigd had of zich door haar Vader of Van Schaffelaar in een slede te laten rijden. Doch dat alles was nu over, alleen door de wraakzucht van het bendehoofd. Zoo dacht zij na over het verledene, en werd daardoor de mater van het klooster niet gewaar, die in de cel getreden was; maar toen deze haar naam riep, schrikte zij en zag om.

‘Er is iemand beneden, mijne dochter! die u verlangt te spreken,’ zeide de mater; ‘zet daarom de kap op, het is koud en gij zoudt zieker kunnen worden: want het strijdt tegen onze regelen om hier een man te laten komen.’

Maria zag verwonderd; de boer kwam haar weder in de gedachten, daarom vroeg zij snel: ‘Om mij te spreken, eerwaarde moeder? Is het mijn vader, of komt hij uit zijn naam? O! als het Perrol maar niet is! Kent gij dien man?’

‘Neen, Maria!’ zeide de mater met afschuw, ‘de heilige Brigitta dank ik, dat die onverlaat nimmer zijn oog op mij geworpen heeft; ik ken den man niet, die beneden wacht. Hij zeide mij, dat hij uw bruidegom is; maar ik ken heer Jan van Schaffelaar niet.’

‘O, is het Van Schaffelaar?’ riep Maria verheugd, en greep haastig naar de kap; doch toen stond zij plotseling stil, en de mater moest haar nog eens aansporen om haar te volgen.

Aan het vertrek gekomen, tot hetwelk ook de mannen den toegang hadden, opende

[p. 287]

de mater de deur, en liet Maria vóór zich uitgaan. Deze wierp een snellen blik op den man, die bij de tafel stond, want zij herkende den boer, dien zij in de kerk gezien had; maar ook gelijktijdig viel het licht van de draagbare lamp, die op de tafel stond, op zijn gelaat, en terwijl hij de grove muts van het hoofd rukte, haar naam noemde, en zijne armen uitstrekkende, eenige schreden voorwaarts deed, riep Maria: ‘Mater! hij is het! De Heilige Maagd zij gedankt, dat ik u zie, Jan! O! ik dank u, dat gij gekomen zijt,’ en zij snelde in allerijl naar hem toe, en viel in zijne armen.

Het eenvoudige gesticht der vrome nonnen kon geene zalen en kamers aanwijzen, zooals de rijke en prachtige kloosters van dien tijd in andere streken van ons land, of in andere landen; maar hij, wien het werd toegestaan er eene zuster of bloedverwant te bezoeken, behoefde haar ook niet achter een traliewerk te spreken: een voorzorg, welke lastig en droevig was voor den man, die met edel gevoel in het huis der geestelijke zusters kwam, en onvoldoende tegen hem, die alleen kwam om een jonge non of leekezuster met verliefde blikken te beschouwen, of haar de vingers te kussen, en onder de hand over te halen, hem in de gelegenheid te stellen, haar op eene andere plaats met meer vrijheid van zijne liefde te kunnen verzekeren.

Daarom genoot Van Schaffelaar het geluk, zijn bruid aan zijn hart te drukken; en toen de mater zag, dat Maria hem herkende, liet zij hen alleen, om naar de eetzaal terug te keeren; de pater had haar onderricht, in welke betrekking de edele Van Schaffelaar stond met de deugdzame dochter uit de Vergulde Helm, en zij achtte daarom hare tegenwoordigheid overbodig.

‘Maria!’ zeide Van Schaffelaar teeder, die haar naar de bank geleidde, welke bij de tafel stond, ‘zet u neder; want ik weet, dat gij niet gezond zijt, en evenwel kon ik het niet langer uitstellen u eens te bezoeken, zoodra het mogelijk was. Zeg mij, Maria! zal mijn komst u geen nadeel doen?’

‘O! neen, Jan!’ antwoordde zij. ‘Ik heb u reeds gedurende de vesper gezien; doch het was zoo duister, dat ik u niet herkennen kon. Het zal mijne gezondheid niet schaden, geloof mij; ik heb zoolang naar dit oogenblik verlangd; en evenwel heeft uw bezoek mij toch verrast; maar ik ben anders wel.’

‘Verberg het mij niet, bid ik u, Maria!’ zeide Van Schaffelaar bewogen; ‘wilt gij, dat ik even aan een der leekezusters verzoek, u wat water te brengen?...’

‘O neen, blijf, bid ik u,’ hernam Maria, de hand op zijn arm leggende, ‘het zal wel overgaan.’

‘Rust dan tegen mijn borst, o! gun mij dat genoegen, Maria!’ zeide Van Schaffelaar, terwijl hij haar met aandoening gadesloeg. ‘Hoeveel maanden zijn er wel verloopen, dat ik mijn bruid niet gezien heb! daarom laat mij voor eenige oogenblikken gelukkig zijn. Leg uw hoofd op mijne schouders, Maria! en verhaal mij iets van u zelve en van uwe brave moeder.’ Maar toen hij zijn arm om haar middel geslagen, haar aan zijn hart trok, zuchtte zij, en voldeed niet aan zijn verzoek; daarom riep hij verwonderd en treurig: ‘Ben ik niet uw bruidegom, Maria? Ben ik niet dezelfde Jan van Schaffelaar, met wien uwe ouders u verloofden? Lieve bruid! draagt gij niet evenals ik den halven ring, het zinnebeeld onzer vereeniging? Maria! kent gij mij niet! Ben ik geen ridder of edelman meer, Maria? twijfelt gij aan mijne getrouwheid of liefde? O! waarom gaf ik gehoor aan uw smeeken en aan het verzoek van uwe ouders? Denkt gij dan, dat ik mijn leven niet gaarne wilde gewaagd hebben om u eens te zien en aan mijn hart te drukken, Maria? Zeg het mij in Gods naam! denkt gij, dat ik u niet meer liefheb, zooals voorheen?’

‘Neen, Van Schaffelaar! o, neen! ik weet, dat uw hart niet veranderd is,’ riep zij, en omvatte met hare zachte armen den hals van haar bruidegom. Vervolgens zeide hij zacht, en de vreugde keerde op zijn gelaat terug: ‘O! gij stelt mij gerust, Maria! maar zeg het mij, waarom hebt gij gezucht?’ Hij kuste haar, maar zij verborg haar gelaat aan zijn borst: het scheen, dat zij niet gerust in zijne armen geklemd bleef, en hij vervolgde daarom met aandoening: ‘Ben ik niet reeds zoo goed als uw echtgenoot, Maria? O! waarom wilt gij mijne omarming dan ontvluchten? Heeft het geestelijke gewaad u dan van mij vervreemd? Voorheen rusttet gij kalm op deze borst, aan dit hart, dat alleen voor u slaat en uwe ouders keurden het immers goed, en zagen het met welgevallen.’

‘Ik weet het, Van Schaffelaar!’ zeide zij zacht en treurig, ‘maar mijn hart is niet zoo opgeruimd als toen. Uwe Maria, uwe bruid, weet niet, of zij uwe liefde nog verdient...’ en hij hoorde haar weenen.

[p. 288]

‘Maria! lieve Maria!’ riep hij, ‘laat mij deze tranen wegkussen. Zeg, dat gij geschertst hebt, dat gij het zelve niet gelooft; want uwe liefde is mijn geluk.’ Doch toen hij zag, dat zij snikte, en met het hoofd schudde, vertoonde zich een dreigende uitdrukking op zijn gelaat, die weldra in een droevigen grimlach veranderde, en hij riep treurig: ‘O, Maria! waaraan denkt gij? ik wilde geen woord gerept hebben van hetgeen die wreedaard gedaan heeft, uit vrees van u zijn gruwelijke daad in het geheugen terug te roepen. Maar kent gij mij dan niet, Maria? - Hoe kunt gij vermoeden, dat gij mij minder waard zoudt zijn, nadat gij om mijnentwil met de wraakzucht van dien zwarten booswicht hebt moeten kampen? O neen, Maria! ik bemin u nog heviger, nadat gij voor mij geleden hebt. O! waarom koelde hij zijn wraak niet op mij?’

‘Op u, Van Schaffelaar?’ zeide zij langzaam doch treurig; ‘ik ben het eerste offer - en dan wil hij u treffen; dat heeft hij mij gezegd en er op gevloekt. O! als gij moest sterven vóór uw tijd, evenals die roos, welke uw naam droeg!.... Helaas! ik heb niets gedaan dan mijn plicht; ik verdien geen meerdere liefde.’

‘Gij treurt om een bloem? - Zoo is de vrouw! maar zie mij aan: ben ik even zwak als zij? - Neen! de man is gelijk aan den boom van het woud, hij valt niet bij den eersten bijlslag; God alleen kan hem verpletteren, met één slag, en Hij bemint zijne kinderen,’ zeide hij bemoedigend, en kuste haar op het voorhoofd, waarna hij vervolgde: ‘Het kwam mij ook niet in de gedachten, Maria! om u te danken of te prijzen, omdat gij deugdzaam geweest zijt; het is geen meerdere verdienste of iets vreemds in mijn bruid, de dochter van vrouw Martha, die ik spoedig moeder hoop te noemen. Maar toch bemin ik u nog meer. Heb ik niet gezien, dat de heilige Jonkvrouw Maria, wier naam gij draagt, u gered heeft uit de Roode Hand van dien Perrol? Moet mijne bruid mij niet dubbel dierbaar zijn, daar de Hemel zelf zijn bijstand verleent en hare onschuld bewaart?’



illustratie

‘Waarom treurt gij dan nog, Maria?’ vroeg hij na eenige oogenblikken; want zij antwoordde hem niet. Toen zeide zij, en zag hem aan, als wilde zij in zijn oog lezen, wat hij dacht: ‘Helaas! mijn bruidegom! ik wil u zeggen, wat mij bedroeft. O Jan! in dien vreeselijken nacht, toen ik alleen was overgelaten aan de woede van Perrol, toen ik zelfs dacht, dat de Hemel mij had losgelaten, toen...’ Doch hier zweeg zij, en verborg haar gelaat. Hij sidderde, zijn gelaat werd doodsbleek, een zucht ontsnapte aan zijne krampachtig te zamen gedrukte lippen; toen kuste hij hare lokken en zeide vriendelijk en met aandoening: ‘Welnu, Maria, vervolg! Uw bruidegom heeft u zoo lief, vertrouw hem alles; hetgeen gij zelfs voor uwe ouders verzwijgen zoudt, zeg dat mij; zijt gij niet reeds zoo goed als mijne vrouw? Mijn hart zal u nooit verstooten; o! zeg dus, Maria! - toen...?’

‘Toen,’ riep zij snikkende, zonder dat zij de uitdrukking van zijn gelaat gezien had; want indien zij de bleekheid van zijn gelaat had gadegeslagen, zou zij niet hebben durven spreken, - ‘toen, Jan! heeft hij mij gezegd, dat ik u niet liefhad, niet beminde met hart en ziel, maar dat hij alleen mij liefhad, die wreedaard!’

‘Bij mijnheer St. Maarten, en mijn dagge! hij loog als een gemeene roover en maagdenschender; - en daarom weent gij, Maria? O! zie mij aan, verkwik mijn hart, lieve bruid! door een vroolijken blik van uw schoon en onschuldig oog. Gelooft gij dan nog, wat hij u gezegd heeft om u te bedriegen? Lach eens, Maria! - verzet die dwaze gedachte; - past het nog de bruid van een edelman, hem met zulke kinderachtigheden te verontrusten en zijn hart vrees aan te jagen?’ eindigde hij verheugd. Zijne oogen fonkelden van geluk; hij zette zijn hand onder hare kin, en richtte haar hoofd een weinig op, om het lieve gelaat des te beter te kunnen zien.

‘En evenwel, Jan!’ riep zij mistroostig, ‘denk ik altijd om hetgeen hij gezegd heeft; die ijselijke woorden klinken mij nog altijd in het oor. O! zoo gaarne wenschte ik ze te vergeten; maar ik kan niet. Tevergeefs heb ik voor mij en voor u gebeden; doch de rust keert niet terug. - O! indien ik u eens niet liefhad, zooals ik u moet liefhebben!’ snikte zij.

‘Maar uw eigen hart, Maria!’ zeide Van Schaffelaar liefdevol, ‘wederspreekt immers

[p. 289]

hetgeen die booswicht gezegd heeft; waarom beangstigt gij u dan? Ik beschuldig u immers niet! Bij onzen lieven Heere Jezus zweer ik, dat ik nooit een oogenblik getwijfeld heb aan uwe liefde, sedert ik u het laatst gezien heb; ware dit zoo niet, ik zou hier niet naast u zitten, niet sterk en gezond zijn, en de halve ring zou niet op mijn hart rusten. Gij kunt mij nimmer te sterk beminnen; maar ik ben tevreden, wat verlangt gij meer?’

‘Gij twijfelt dus niet?’ vroeg Maria, meer gerustgesteld. ‘O Jan! uwe woorden doen mij zoo goed; maar ik dacht, dat hij misschien gelijk kon hebben; gij hebt mij immers zoo dikwijls in uwe brieven, die ik nog alle bewaard heb, gesmeekt niet vriendelijk te zijn tegen dien vreemden ruiter, en toch ben ik het geweest.’

‘Doch niet omdat ik voor uwe getrouwheid bevreesd was, Maria!’ zeide Van Schaffelaar met gevoel, ‘o! neen, - maar ik was beducht, dat zijn geveinsde taal bij u en uwe moeder een gerustheid en zorgeloosheid zou verwekken, welke mij beangstigden. Zie mij dus vriendelijk aan; wederspreek met die schoone oogen dien meester in logentaal. Geloof mij, Maria! hij kan mij het leven benemen, maar hij kan de liefde voor u niet uit dit hart rukken: dat gaat zijn macht te boven. In spijt van zijn laaghartige taal, zult gij mij altijd beminnen, altijd zult gij mijne Maria en mijne lieve bruid zijn, tot gij mijne vrouw wordt.’ Hierop kuste hij haar, en door zijne liefde en zijne woorden gerustgesteld, beantwoordde zij zijne blikken van innige verknochtheid. Zonder eenigen schroom te gevoelen lag zij in zijne armen, en beantwoordde den druk van zijne hand; daarom antwoordde zij, toen hij eenige oogenblikken later vroeg: ‘Twijfelt gij nog, of gij mij als uw bruidegom liefhebt, Maria?’

‘Neen, Jan! maar hoe kunt gij dit nog vragen? Ziet gij niet, dat ik gelukkig en zoo gerust ben? Zit ik niet even dicht naast u als weleer? O! ik gevoel nu, dat ik u even lief heb, als toen wij geknield voor mijn vader lagen,’ en om hem te overtuigen, sloeg zij haar arm om hem heen en kuste hem. O! zij gevoelde nu, dat zij zich voor niets beangstigd had, dat zij Van Schaffelaar alléén liefhad; zij dacht niet meer om Frank, noch om hetgeen Perrol gezegd had.

‘Maria!’ fluisterde hij zacht, ‘de kalmte, die in uw binnenste heerscht, is een bewijs uwer jeugd, en de reinheid onzer liefde zal ons gelukkig maken; want zij is gelijk aan het water der Veluwsche beken, dat des zomers zacht murmelend langs de met bloemen bedekte oevers vliet, en niet aan den bruisenden vloed, die heulen en dammen vernielt, als hij in het najaar de oevers verwoest, welke zich te voren zoo schoon er in spiegelden.’

Zij knikte hem vriendelijk toe, en hij vervolgde: ‘Zoo zal het zijn! Mijn schutsheilige en de Heilige Maagd waken immers over ons; wie zou dus ons geluk verstoren? Verberg dus nimmer iets voor mij, Maria! want ik ben uw beste vriend. Voorheen,’ zeide hij meer ernstig, ‘en voordat ik uit uw schoonen mond vernomen had, dat mijne teedere vriendschap u welgevallig was, toen Maria! heb ik wel eens aan uw liefde gewanhoopt en leedwezen gevoeld over mijn leeftijd, omdat ik wenschte even jong te zijn als gij. Maar, Maria! sedert ik uw hart gewonnen heb, denk ik daaraan niet meer; want mijn hart is jong van liefde, en als ik dan vóór u dit leven moet verlaten, hoop ik een moeder achter te laten, die, omringd van hare kinderen, bidden zal voor hun vader, totdat zij weder met haar echtvriend vereenigd wordt om nimmer te scheiden.’

Maria weende; doch nu niet meer van droefheid, maar van geluk en aandoening. Met welgevallen en een oog vol liefde, zag Van Schaffelaar op zijne schoone bruid, die tegen zijn borst rustte; ook zijn oog werd vochtig, en hij dankte den goeden Heer Jezus en zijne Heilige Moeder, dat zij zijn bruid rein en onbevlekt bewaard en in zijne armen gevoerd hadden.

Maria antwoordde hem op hetgeen hij vroeg, en op haar verzoek verhaalde hij haar, dat hij den vorigen dag van Wijk gekomen was, en waarschijnlijk eenigen tijd in de omstreken van Naarden en de grenzen van het Sticht zou blijven, en zeide nadat hij weder een harer vragen beantwoord had: ‘Uwe ouders willen u gaarne in hunne nabijheid houden, Maria! en ik wenschte ook zoo gaarne, dat gij hier kondet blijven; maar het kan niet. Bedenk maar eens, de goede pater oordeelde, dat de kloosters in Amersfoort u geen veilige schuilplaats aanboden; maar hoe zult gij dan in dit huis, dat zoo afgelegen is, voor de ondernemingen van dien mensch beveiligd zijn, daar hij de macht heeft om het klooster met geweld binnen te dringen, en vermetel genoeg is om de heiligheid van dit gebouw niet te eerbiedigen? De waardige vader vertrouwt te veel op de zorgvuldigheid, waarmede uw vlucht is voorbereid en volbracht; maar uw biechtvader weet niet,

[p. 290]

welke middelen Perrol al gebruiken kan, als het hem te doen is om uwe schuilplaats te ontdekken. Zou het voor het eerst zijn, dat een monnik of een non voor geld een geheim verried, of door bedreigingen tot bekentenis gebracht werd? Helaas, Maria! onze lieve Heer zelf werd immers voor een handvol zilver verraden, en gij zijt maar een arm meisje.’

‘Denkt gij dan, Van Schaffelaar!’ vroeg Maria angstig, ‘dat hij mij hier zou durven bezoeken of wegrooven? Heeft dit klooster niet een brief van Montfoort en zelfs van den Stadhouder, om het te beveiligen?’

‘Hoe weinig kent gij de wereld, Maria!’ zeide Van Schaffelaar glimlachend; ‘maar daarom bemin ik u des te meer. De brieven zullen misschien niet eens erkend worden door de mannen, die ze verleenden; de oorlog, Maria! verschoont niets, en geheel spoedig kan het omliggende land verwoest worden: daarom heb ik reeds aan den pater geschreven, om uwe ouders te raadplegen, en hun voorgesteld u naar Zutfen te laten brengen; een vriendin van mijn zalige moeder is mater van het klooster Spitaal. Geloof mij, zij zal u met liefde ontvangen, en gij zult daar veilig zijn; ofschoon ik u nog liever in een der Hollandsche steden zag.’

‘Maar dat is zoo ver, Van Schaffelaar!’ riep Maria. ‘Hier heb ik nog hoop, om mijn vader of mijne moeder en zelfs u te zien en te spreken; maar Zutfen is zoo ver van hier.’

‘Maar ook ver van Perrol,’ zeide Van Schaffelaar met nadruk, waarna hij snel vervolgde: ‘Hoor, Maria! ik wilde gaarne altijd dicht bij u blijven: maar ik offer gaarne mijn geluk op voor uw welzijn. Ik had gehoopt dat uwe ouders reeds een besluit genomen hadden, en dan had ik u reeds in veiligheid gebracht; maar hun verlangen is, u zoo veel mogelijk in hunne nabijheid te hebben. Hunne ouderliefde maakt hen onvoorzichtig; zij hebben

illustratie

nog niet genoeg geleerd, en, de Heere vergeve het mij! zij hechten te veel aan de verzekering van den braven, maar niet ergdenkenden grijsaard. Wat zult gij dus zeggen, als men uw gevoelen vraagt?’

‘Dat ik wil vertrekken,’ riep Maria. ‘Ik heb u allen lief; maar het bendehoofd te ontvlieden is mijn eerste verlangen en mijn plicht. Gij zult mij schrijven, als ik daar te Zutfen zijn zal, niet waar?’ vroeg zij.

‘Zeer zeker, Maria!’ antwoordde hij, en zeide zacht: ‘Wilt gij mij een bewijs van vertrouwen schenken? O! denk dan, dat uwe ouders van u gehoorzaamheid kunnen vorderen; maar dat uw bruidegom ook iets voor u is. Mochten zij u dus hier willen houden, of kwam het antwoord niet spoedig genoeg, vertrouw u dan aan mijne hoede; gij kent mij immers? Wie heeft meer belang dan ik, om over u te waken? behoort gij mij niet reeds? Mijn liefde is niet zorgeloos, maar maakt mij beangst; zult gij mij dus volgen, als ik u kom afhalen? Zult gij aan de smeekingen van uw bruidegom gehoor geven, zelfs als uwe ouders u hier zouden willen houden?’

Met gespannen aandacht wachtte hij het antwoord op zijne vraag; zij scheen zich te bedenken, en zeide eindelijk, terwijl zij hem hare hand reikte: ‘Altijd gehoorzaamde ik mijn ouders, Van Schaffelaar! maar zij en de Heilige Maagd zullen het mij vergeven, als ik om deze reden mijn plicht verzaak. Uwe bruid zal u volgen; maar ik bid u, haast u niet: een enkele dag wachtens kan mij misschien voor schuld behoeden; ik wilde u en mijnen ouders gaarne beiden genoegen geven.’

‘Ik dank u, Maria!’ riep hij, en kuste hare hand; ‘hoe ongaarne ook, moet ik u dit uitstel toestaan; maar als de toestemming komt, dan ziet gij mij spoedig, misschien reeds morgen weder. - De mater zal mij wel wachten en ontevreden zijn, dat ik zoolang bij u bleef; ik hoop maar, dat u het spreken niet vermoeid heeft.’ Dit zeggende stond hij op en vervolgde glimlachende: ‘Zoudt gij mij onder dit kleed wel gekend bebben, Maria! indien ik mijn naam niet genoemd had?’

[p. 291]

‘O ja, Jan!’ zeide zij. ‘Ware het in de kerk zoo duister niet geweest, ik zou u dadelijk herkend hebben; dat grove goed kan uwe hooge gestalte en uw deftigen tred niet verbergen, en ik zal nimmer vergeten, dat gij, ter liefde van mij, deze gemeene kleeding hebt aangeschoten, die een edelman of dapper krijgsman niet voegt.’

‘Die lof bevalt mij uit uw schoonen mond,’ zeide hij vriendelijk; ‘en indien ik eenigen prijs stel op eeretitels en bezittingen, is het alleen om die met u te deelen. Maar het verheugt mij, dat ik nu, afscheid nemende, de hoop mag voeden u spoedig weder te zien; daarom, Maria! houd goeden moed en vertrouw op God en op Van Schaffelaar!’

‘Ik ken u immers, Jan!’ zeide zij met gevoel. ‘Weet ik niet, hoe mijn welzijn u ter harte gaat? en de Hemel zal mij niet gered hebben om mij later in de handen van onzen vijand te laten vallen.’

‘Neen, Maria! dat zal hij niet,’ riep Van Schaffelaar met drift; toen vervolgde hij ernstig: ‘Maria! ik heb u niet gesproken over hetgeen Perrol bestaan heeft; ik heb u niet gevraagd, wat hij gezegd of gedaan heeft; ik wist reeds genoeg, toen ik hoorde, dat de Heilige Maagd u had bewaard; daarom zweeg ik, om u die verschrikkelijke tooneelen niet te herinneren. Doch evenwel, ook ik ben maar een mensch; ook ik heb driften, welke de godsdienst niet altijd kan bedwingen. Van Schaffelaar wil zich wreken, wil vergelden hetgeen Perrol u deed, de beleediging straffen, die men zijn bruid heeft aangedaan. Ik heb de puinhoopen van mijn voorvaderlijk huis gezien, en heb zijn bitteren spot in zijn legerplaats moeten verduren; - ik heb hem u het hof moeten laten maken, en zijn vervloekten aanslag voorbereiden; want ik kon niets voor u doen, - plichten jegens mijnen heer weerhielden mij. Maar ook gij, Maria! gij zelve hebt door mijn zwakheid mijn arm aan banden gelegd, en die arm moest u beschermen! Ik vraag mijn woord terug. Evenals gij, zou ik bij verrassing mijn woord hebben kunnen lossen, door u te verzoeken mij een bede toe te staan; doch ik heb dit niet gewild. Eénmaal, Maria! beloofde ik a geen twist te zoeken met Perrol, en ik hieid mijn woord; maar zie, Maria! nu wil ik u aan uwe voeten smeeken mij mijn vrijheid te hergeven. Thans helpt geen vrede houden meer; het wraakzwaard moet niet aarzelen in deze vuist!’

‘Mijn bruidegom!’ zeide Maria treurig, en hield hem staande; want hij wilde de knie buigen, en zij schudde het hoofd, toen zij den strijdlust in zijne oogen las. - ‘O! ik vrees zoo voor zijn bloeddorst. Van Schaffelaar! denk aan het lot van den ongelukkigen Van Baerbergh.’

‘Ook hij moet gewroken worden, Maria!’ riep hij met vuur, en strekte zijn arm uit; ‘ik bid u, handel edelmoedig, wijs mijn verzoek niet af. Of twijfelt gij aan mijn moed? zou alleen die booswicht het zwaard kunnen voeren? Zal ik u, zal ik onze liefde niet verdedigen? - zal mijnheer St. Maarten, mijn patroon, mij niet bijstaan, zoo de hel al aan zijne armen kracht moge geven?’

Doch Maria aarzelde en schudde met het hoofd. Toen riep hij treurig: ‘Wilt gij dan, Maria! dat uw bruidegom, dat ik, edelman en aanvoerder der Schaffelaars, wacht, tot hij u vermoord of van uwe eer beroofd heeft? Zal mij dan niets overblijven dan mij te verweren, als hij zich op mij werpt, nadat hij mijn bruid vermoord heeft? Zeg, Maria! laat gij mij geen andere keus?’

‘Neen, Van Schaffelaar! neen, mijn hartevriend!’ riep zij, ‘zou ik waard zijn eens uwe huisvrouw te worden, als ik langer weigerde? Ik geef u uw woord terug, - ik dacht wel te doen, toen ik het u afvroeg: vergeef het mij, indien ik misdeed; alleen vrees voor uw leven, maar niet voor uw moed, bracht mij op die gedachte. Betreft al wat uwe eer aangaat ook mij niet? Zou ik het immer kunnen verantwoorden, als door mij de edele Van Schaffelaar zich niet zijner waardig kon gedragen?’

‘Ik dank u, Maria!’ zeide hij verheugd. ‘Heb geen berouw, dat gij mijn woord hebt teruggegeven; ik ken den man, met wien ik te doen heb, en in dit leven wachten mij aan uwe zijde nog zulke schoone dagen, dat ik geen dwaas gebruik zal maken van uwe goedheid. Vaarwel dus, lieve bruid! en verwacht mij spoedig weder; want zoodra de toestemming van uwe ouders komt, of te lang wegblijft, haal ik u af; noch het weder, noch de tijd van dag of nacht zal mij terughouden.’

‘Maar evenwel niet al te spoedig toch,’ zeide Maria; ‘want dit hebt gij mij beloofd. Wees bij het terugkeeren ook voorzichtig; want ik ben bevreesd, dat men u zelfs in deze kleeding herkennen zal; waarlijk, gij hebt te veel gewaagd met mij te bezoeken! maar ik zal den bijstand des Hemels voor u afsmeeken.’

[p. 292]

‘Wees dan gegroet, Maria! en vertrouw op mijn voorzichtigheid,’ zeide hij, sloot haar in zijne armen en vervolgde: ‘Gij zijt zoo schoon, bruidje! dat ik vergat te vragen, of gij mij ook eenige bevelen te geven hebt; ik ben geheel tot uw dienst en eisch geen hooger loon dan weleer,’ en hij zag haar lachende aan.

‘Neen, Jan!’ antwoordde zij, ‘voor het oogenblik heb ik niets te verzoeken, dan dat gij voor uwe veiligheid zorg wilt dragen, en zoo gij mij dit belooft, beloon ik u gaarne met een kus.’ ‘Ik dank u, Maria!’ vervolgde hij vroolijk; ‘maar bezin u eens, vergeet gij niemand, hebt gij mij waarlijk niets meer te zeggen?’

‘Mijn vader? Is die in het leger?’ vroeg zij snel; maar Van Schaffelaar schudde met het hoofd en vervolgde: ‘Voor zoover ik weet, niet; maar ik heb u den groet van iemand overgebracht: gij vergeet mijn goeden vriend Frank.’

‘O Frank!’ riep Maria, die den jongen ruiter geheel vergeten had; en toen zij, zonder iets te zeggen, staan bleef, zeide Van Schaffelaar vriendelijk: ‘Nu, schrik maar niet, Maria! ik zal hem niet zeggen, dat gij hem geheel vergeten hebt, en hem uit uw naam groeten; hij is ongelukkig, en verdient dus, dat zijne vrienden hem niet vergeten.’

‘Ik denk dikwijls aan hem, Jan!’ zeide zij langzaam, ‘en zou zoo gaarne zien, dat hij gelukkig was; groet hem dus van mij. Uw vertrek doet mij zoo leed, dat ik den getrouwen jongen ruiter vergeten had! Helaas! elken dag bid ik ook voor hem.’

‘Ik weet wel, Maria!’ zeide Van Schaffelaar, ‘dat gij hem het beste toewenscht; daarom, stel u gerust, hij zal het niet weten; en zoo hij mij vergezelt, als ik u kom afhalen, spreek hem dan eens vriendelijk toe en tracht hem op te beuren.’

Zooals Van Schaffelaar gevreesd had, was zijn bezoek aan de mater reeds te lang voorgekomen; zij opende nu de deur, ten einde hem te verzoeken het huis te verlaten; want de tijd, waarop men gewoon was het klooster te sluiten, was reeds lang voorbij. Van Schaffelaar verzocht haar verschooning voor den overlast, dien hij haar en de portierster veroorzaakte, welke de goede moeder kloostervoogdes hem vriendelijk verleende. Hierop kuste hij Maria vaarwel, bad haar hem niet verder te vergezellen, en op hem te vertrouwen, en verliet, de mater volgende, het vertrek. Bij den uitgang van het klooster gekomen,

illustratie

legde hij eenige geldstukken in een houten bakje, dat naast de deur hing, dankte de goede, eerwaardige vrouw voor de zorg, welke zij voor zijn bruid gedragen had, en verliet het klooster, waarin Maria zich voor Perrol had verborgen.

Van Schaffelaar was even voorbij het dorp op den dijk gekomen, die van Zoest naar het Gooiland liep, en had het voornemen om dien dwars over te steken, ten einde over de Wetering der Vuursche venen en bosschen, en langs de weinig bezochte wegen, tusschen de Baarnsche venen en de Hooge Vuursche, de Gooische grens te bereiken; maar een vijftal ruiters, die van de zijde van Amersfoort kwamen, en die hij op de dik met zand overdekte kruin van den dijk niet had kunnen hooren naderen, kregen hem waarschijnlijk in het oog, toen hij den dijk beklommen had.

‘Ziet gij daar niet een kerel voor ons uit?’ riep een hunner met een ruwe stem. Van Schaffelaar stond stil, toen hij deze vraag hoorde, welke hem niet zeer aangenaam was; maar terwijl een der andere ruiters antwoordde: ‘Ja wel, Rogardo! hij draagt iets, en dat kunnen wij gemakkelijk onder ons verdeelen,’ had Van Schaffelaar zijn voornemen om den dijk te verlaten, reeds opgegeven, en hij ging dien nu over, alsof hij naar Eemnes of naar die zijde gaan wilde. Hij kromde zooveel mogelijk zijn edele gestalte onder den zak, dien hij torste, en trok de muts over zijn voorhoofd tot op zijne oogen. Hij zou zijn last hebben kunnen wegwerpen en zich met de vlucht redden; maar de aard van den grond stelde hem bloot om door de ruiters achterhaald te worden: hij verkoos daarom liever hun argwaan geen voedsel te geven, te meer omdat hij hoopte, dat dit laatste redmiddel hem desnoods altijd nog zou overblijven: de gedachte, dat Maria voor hem bad, stelde hem gerust, zoowel als de bedaarde moed, die hem altijd eigen was.

[p. 293]

Hij wachtte niet af, dat zij hem bereikten, maar bleef aan de zijde van den dijk staan, juist op een plaats, waar deze steil binnenwaarts afliep; hij had zich dus slechts te laten vallen, om buiten hun bereik te zijn, en riep, zooveel mogelijk den tongval van een landman aannemende, en terwijl hij de hand aan zijn muts bracht: ‘Goedennacht, Heeren ruiters: en goede reis!’

‘Hei, kerel! wat hebt gij in dien zak?’ riep Rogardo, die vooruitreed; ‘treed nader, schoft! en zeg waar gij zoo laat vandaan komt; en waar gij naar toe gaat.’

‘Van Zoest, Heer Ruiter!’ hernam Van Schaffelaar, ‘mijn meester zei: Jaap! breng fluks de rapen nog eens aan Hein te Baarn, en daarom is Jaap nog zoo laat op den dijk.’

‘Dus hebt gij rapen in dien zak, stomme duivel?’ vroeg een der ruiters vloekend, en Van Schaffelaar zeide droogweg: ‘Rapen, Heer! en anders niet; believen de Heeren eenige knollen, dan zal Jaap ze hun geven.’

‘Nader, schoft!’ schreeuwde Rogardo, en toen Van Schaffelaar hem genaderd was, voelde hij op den zak, stak er zijne hand in en riep: ‘De lomperd heeft niet gelogen, het zijn niets dan rapen,’ en zij lachten, toen Van Schaffelaar vervolgde: ‘Als een der Heeren reizigers den zak op zijn paard wilde nemen, zou het een groot gemak voor Jaap zijn, en het komt er op een paar dozijn knollen niet aan, als de Heeren ze lusten.’

‘Loop naar den duivel met uwe knollen, schooier!’ riep Rogardo en gaf een harden stoot tegen den zak, zoodat hij Van Schaffelaar van de schouders viel, en de rapen over en van den dijk afrolden. Maar zonder zich te bezinnen, boog zich de gewaande Jaap voorover, terwijl hij een klaaglied over het verlies van zijne rapen aanhief, en zich bezighield met zijne verloren veldvruchten weder bijeen te verzamelen. Gelukkig hadden zij door deze beweging geen gelegenheid, om zijn gelaat en zijne houding te kunnen gadeslaan, en zij vertrokken, terwijl één hunner hem nog toeriep: ‘Indien gij weder het geluk hebt om de ruiters van de Zwarte Bende tegen te komen, zorg dan, gemeene hond! dat gij wat beters dan rapen hebt, of, bij St. Veit! gij hebt ons voor het laatst gezien!’

Van Schaffelaar richtte zich op, toen zij een weinig vooruit waren, nam den zak met hetgeen er nog in was op den rug, en keerde op zijne schreden terug, om den weg in te slaan, dien hij eerst voornemens was geweest te volgen; en ofschoon zijn hart niet harder geklopt had dan anders, toen hij tegen het paard van Rogardo aanstond, zoo was hij evenwel verblijd, dat hij het volk van Perrol ontkomen was: want hij vertrouwde niet roekeloos op eigen krachten.

Wie de zege in dit ongelijke gevecht zou behaald hebben, durven wij niet beslissen; en echter vertrouwen wij, dat het Jan van Schaffelaar zou geweest zijn; want terwijl hij den zak liet onderzoeken, waren zijn handen dicht bij den teugel, en bij den voet van Rogardo; een goed paard, wellicht ook een strijdbijl waren onder zijn bereik. Als de Italiaan viel, dan behoorde hem dit alles, - en Maria lag geknield in hare cel, en bad voor haar edelen bruidegom.



illustratie

prepostterug  begin  verder