terug  begin  verderprepost
[p. 294]

XI. Frank.

 
'k Ben zonder hindernis in 's vijands heir getreden,
 
..................................................
 
Maar hoe! wat 's dit? Wat angst kruipt ijlings door mijn leden,
 
Zie ik voor 't eerst mijn moed in nood terug getreden?
 
O eischt de stem der deugd, dat ik mijn poging staak?
 
Mr. R. Feith.
 
 
 
Mij dunkt ik hoor gerucht, daar roept een aan de poort;
 
O vreught! het is mijn heer: ik heb zijn stem gehoord.
 
J. van Vondel.



illustratie

DEN volgenden morgen, en lang voordat het begon te schemeren, werd de poort van Naarden, op last van den bevelhebber der stadhouderlijke lijfwacht en iemand uit de regeering der stad geopend, en de burgers en soldaten, die gezamenlijk de stad bewaakten. lieten een boer naar buiten, die een paard voor zich uit dreef, dat met beddegoed en kleeren beladen was. Toen rees de valbrug weder, ofschoon men niet noodig oordeelde de hamei te sluiten; de poortdeuren werden toegeworpen, en alles keerde weder tot rust terug.

Het had het grootste gedeelte van den nacht geregend; de sneeuw, die des avonds nog op het veld lag, was verdwenen, en de wegen waren bijzonder moeielijk om te gaan, hoewel het hier een goede zandgrond was. De boer, die zich weinig om den kouden regen scheen te bekommeren, droeg zorg, dat zijn paard den stap niet verminderde; hij ontmoette geen mensch op den weg van Blarikum, dien hij volgde, en die meestal door een boschachtige streek liep. Toen hij eindelijk buiten het hout en op de heide kwam, had hij niets gehoord, buiten het vallen van den regen, het ruischen der dennen, en den tred van zijn paard, dan het blaffen der groote honden op het pachthuis te Oud-Busseum, ofschoon hij door de duisternis niets had kunnen zien van den steenen toren, die aan de linkerzijde der woning lag, en op eenigen afstand aan het pachthuis het aanzicht gaf van een vaste brug met zijn wijktoren.

Hij was echter nauwelijks drie voetboogschoten ver op de vlakte voortgestapt, of hij hoorde een paard achter zich: weinige oogenblikken daarna riep men hem toe, dat hij zou stilhouden, en een man, die een eenvoudige ruiterkleeding droeg, reed hem op zijde en riep:

‘Gij zijt vroeger vertrokken dan ik dacht, Kars! maar ik vermoedde, dat gij reeds op weg waart, want gelukkig hadden zij de hamei opengelaten; anders stond ik misschien nog vóór de stad te wachten.’

‘Komt gij mij dan misschien eenige bevelen van den heer aanvoerder brengen, Heer Frank?’ vroeg de boer.

‘Neen!’ antwoordde deze, die van het paard sprong; ‘maar ik kom u ontslaan van de gevaarlijke zending, die gij op u hebt genomen. De reden is eigenlijk, dat ik zelf de plaats eens wenschte op te nemen, waar men u heenzendt en ik vernam de zaak te laat om mij zelven aan te bieden. Ik zal u een goed drinkgeld geven, en gij kunt zeggen, dat ik u den last heb overgebracht om mij in uwe plaats te laten gaan, en mij te Blarikum te wachten.’

De jonge boer maakte eenige tegenwerpingen: doch het gelukte Frank die te overwinnen.

[p. 295]

Daarop verwisselden zij van kleederen, en de last van het paard des boers werd op dat van Frank overgepakt, hetwelk zonder zadel was.

‘Gij hebt nu veel van een dorper,’ zeide Kars, die van den regen, welke hem tot op het lijf was doorgedrongen, bibberde, en de touwen vastknoopte, die voor torsriemen dienden. ‘Men zal u niet herkennen; want uw gelaat is onkenbaar onder die muts; maar gij deedt beter mijn stijven vos te nemen dan dat sterke ruiterspaard.’

‘Ik zal wel zorgen, dat hij zijne krachten niet verraadt,’ antwoordde Frank. ‘O! mijn eigen hengst behoeft men slechts aan te zien om het strijdpaard te herkennen; maar wie deze ruige merrie van den aanvoerder niet kent, zal zich licht bedriegen; ook zal de Steeg hem wel wat mak maken. Gij wacht mij dus aan het dorp...?’

Doch hij hield zijn paard staande, dat hij reeds had aangespoord om voort te rijden, legde zijn hand op den schouder van den boer, en zeide langzaam en somber: ‘Kars! indien de dag voorbijgaat, zonder dat ik terugkom, dan kunt gij terugkeeren en alle schuld op mij laden; er zal slechts één dag voor den Stadhouder verloren zijn. Aan heer Jan van Schaffelaar, den bisschoppelijken ruiteraanvoerder, kunt gij echter de waarheid zeggen; groet hem uit mijn naam, indien ik niet wederkom, en verzoek hem mij te vergeven, hetgeen ik gedaan heb...’

‘Vraag mij niets!’ riep hij met drift, toen de boer hem in de rede wilde vallen, ‘maar rijd nu maar voort, en houd u niet op in den regen; ik zal dan te gelijk kunnen zien of gij reeds goed te paard kunt zitten,’ eindigde hij gedwongen lachende.

Kars knikte met het hoofd, sprong op zijn paard, en riep: ‘Ik zal het zeggen en u wachten. Veel geluk! God geleide u, Heer ruiter!’ en verwijderde zich met al de snelheid van het slechte paard, dat hij bereed.

In gedachten verdiept, liep Frank met groote schreden naast zijn paard; hij was even onkenbaar, als toen hij in Amersfoort was gekomen; zijn somber gelaat geleek wel niet veel op de zorgelooze tronie van den boer; maar indien men wilde vooronderstellen, dat hij met verlating van huis en hof zijn besten inboedel voor de roofgierige krijgslieden in veiligheid bracht, dan was de neerslachtigheid, welke zijn gansche houding te kennen gaf, meer te verklaren.

Zonder zich aan den regen of den slechten weg te storen, ging Frank voort; het verheugde hem, dat Kars, de zoon van den boschwachter te Hilversum zich zoo gemakkelijk had laten overhalen, om hetgeen hij te verrichten had, aan hem over te dragen. Hij vertrouwde, dat het dezen niet ten kwade zou geduid worden, en Van Schaffelaar hem mettertijd wel onder zijne ruiters zou opnemen, als hij vernam, dat Frank hem had toegezegd, hem als ruiterknecht onder zijn speer te nemen. Frank hoopte, dat men het, wat hem zelven betrof, zou toeschrijven aan dwaze nieuwsgierigheid, of een verlangen, om zich verdienstelijk te maken. Hij had zich gehaast den jongen weg te zenden, om zich des te vrijer aan zijne gedachten te kunnen overgeven; maar hij gevoelde zich nu geheel verlaten; zijn hart gaf zich geen lucht, zooals weleer op de heide, door een treurig gezang; ternauwernood loosde hij nu en dan een pijnlijken zucht; doch de zon schoot nu ook hare gouden stralen niet over het woeste veld; het was nog duister, en de doordringende regen verminderde nog niet.

Toen hij het Loo ten einde was, en nabij eenige dorre heesters op den rand van de hoogte stond, haalde hij den teugel aan, en zag om zich heen; een doodelijke stilte heerschte er, zoowel op de hoogte als in de laagte, en ofschoon het reeds begon te schemeren, verhinderde de regen hem zelfs den kerktoren van het dorp Blarikum te zien, dat aan zijne voeten lag. De gure zeewind, die over de heide tot hem doordrong, kon hem niet nopen een enkelen blik naar de zijde te werpen, waar de zilte waterplas zich, als het dag geweest was, aan zijn oog vertoond zou hebben; want zijn blik bleef op één punt gericht. Waarschijnlijk trachtte hij tevergeefs naar de zijde van de Eem te ontwaren, wat hij zocht; hij stampte ten minste ongeduldig met den voet, en riep toornig: ‘Eemnes...! Eemnes...! terwijl hij, evenals wilde hij zijne oogen dwingen, om door den nevel heen te zien, die zijn gezicht belemmerde, met de hand over zijne oogen streek, waarna hij op zijn wambuis sloeg, en woest lachende, de vuist dreigend vooruitstrekte.

Hetzij een andere gedachte zich van hem meester maakte, en hij zich dit oponthoud niet langer durfde toestaan, of dat hij zelf schrikte, toen hij zijn lachen over de vlakte hoorde klinken, hij dreef zijn paard plotseling voort, en daalde van de hoogte neder,

Hij nam zijn weg zooveel mogelijk buitenom het zeer verspreid liggende dorp, waar

[p. 296]

nog alles in rust was, stak vervolgens het Melkpad dwars over, en naderde voorts langs den naasten weg de landscheiding tusschen Gooiland en het Sticht. Sedert hij het bouwland van de Blarikumer Eng verlaten had, had zijn weg hem weder over de heide gevoerd; doch plotseling verliet hem de woeste, onbebouwbare grond, die hier als door een tooverslag in weiland veranderde, en hij bemerkte, dat hij eindelijk aan de uiterste grens van Gooiland was.

Hij stond stil, en verhinderde zijn paard verder voort te gaan; want de moeilijke en ongelijke weg had de opgepakte goederen doen verschuiven, en hij haalde de touwen vaster aan, voordat hij de Meenesteeg inreed, die, daar zij eenigszins lager lag dan de Gooische grond, zoowel als het weiland, gedeeltelijk onder water lag.



illustratie

Terwijl hij hiermede bezig was, naderde iemand, die langs de landscheiding van de zijde van Hilversum scheen te komen. Frank werd hem niet gewaar, zoowel door den regen, die het ver zien verhinderde, als door den ijver, waarmede hij den laatsten knoop in het touw legde: doch hij richtte zich snel op, en schrikte, toen men hem toeriep:

‘Ha! zijt gij daar? ik heb mij dus niet bedrogen, maar ik kom, God zij gedankt! nog bijtijds.’ Frank herkende de stem van Ralph, en zag dezen met snelle schreden naderen; hij kon geen woord uitbrengen, doch zuchtte diep, en leunde geheel verslagen tegen zijn paard.

‘Frank, waartoe dient deze verkleeding? wat doet gij hier?’ vroeg Ralph, toen hij hem op zijde trad; want hij wees onvergenoegd op de ellendige kleeding, welke de jonkman aanhad. ‘Vader Ralph!’ zeide Frank en zuchtte, ‘hebt gij mij nooit meer in zulk een kleed gezien, dat gij er verwonderd over zijt?’

‘Ja wel,’ hernam Ralph, ‘maar ik weet ook, dat gij het schooierskleed voor het harnas verwisseld hebt. Ha! ha! indien gij dat kleed zoo gaarne draagt, waarom verliet gij mij dan? Maar waar gaat gij heen?’

‘Daarhéén, Ralph!’ zeide Frank schoorvoetend, en wees op den kerktoren van Eemnes, die in het grauw verschiet flauw zichtbaar was.

‘Dáár, ongelukkige!’ riep Ralph en stiet met zijn staf op den grond, ‘zijt gij dan uw leven moede? en gij zijt nog zoo jong!’

‘De plicht gebiedt, vader!’ zeide Frank langzaam. ‘Een ruiter moet gehoorzamen; de Stadhouder zond mij om den vijand te verkennen.’

‘Er was dus niemand dan gij te vinden, om voor geld als verspieder zijn leven te wagen?’ riep Ralph verachtend lachende: ‘zult gij mij nog zeggen, dat er geen schande aan zulk geld kleeft?’

‘Ik verdien geen geld, Ralph!’ riep Frank snel, en richtte fier het hoofd op; maar hij liet het op de borst zakken, toen Ralph vervolgde: ‘Dan liegt gij, Frank! ik weet, dat gij mij bedriegt; maar het is nog tijd om terug te gaan; bedenk, dat de Zwarte Bende in het dorp ligt.’

‘Ik weet het,’ antwoordde Frank somber, en toen de schaapherder hem vragend bleef aanstaren, vervolgde hij met verheffing van stem: ‘Ralph! mogelijk ziet gij mij thans voor de laatste maal, en hetgeen gij eenmaal door uw geest zaagt, zal bewaarheid worden; ik moet immers voor u sterven; daarom, vader! verhinder mij niet in de laatste daad van mijn leven, en ik zal u dankend gedenken tot aan mijn dood. Ik weet, dat Perrol daar genesteld is; dáár zal mijne hand hem treffen; dezen avond zal zijn lijk zoo koud zijn als een steen, en waarschijnlijk,’ zeide hij droevig grimlachende, ‘zal dit hart dan rust hebben, en de man van wapenen zal even koud zijn als het bendehoofd...!’

‘Frank!’ viel Ralph hem in de rede, en legde zijn arm op den schouder van den ruiter,

[p. 297]

‘Frank! denkt gij dan niet aan mij, aan u zelven? Huivert gij dan niet bij de gedachte om iemand, zelfs hem te vermoorden? Kind! bedenk eens wat gij, zonder wapenen, zijt tegen Perrol met de Roode Hand; wat is uw oogmerk, ongelukkige knaap?’

‘Vader!’ zeide Frank somber, ‘dat alles heb ik mij zelven gezegd; maar mijn voornemen staat vast. Kunt gij het een moord noemen, dien Perrol te verhinderen nieuwe euveldaden te verrichten? Ha? mijn moed en het staal, dat aan mijn borst rust, zullen mij bijstaan; morgen zal Van Schaffelaar geen vijand meer hebben, en die duivel zal zijn Roode Hand niet meer op Maria leggen, of ik zal omkomen.’

‘Dat zult gij!’ riep Ralph luid. ‘Frank! gij waagt uw leven, en ik dacht, dat gij haar liefhadt. Kan die ongelukkige drift u niet eens met het leven verzoenen? Zij is immers de uwe, als die vreemdeling en haar bruidegom elkander vernield hebben.’

‘Ralph!’ riep Frank verwijtend, ‘kent gij mij niet? Bij de Heilige Moeder Gods! gij spreekt als satan, en indien gij vader Ralph niet waart, aan wien ik het leven te danken heb, dan...’

‘Dan stiet gij mij neder, knaap!’ riep de schaapherder spottend, ‘alsof het mij van een ondankbaren voedsterzoon zou verwonderen; maar weet, dat uw voornemen mij erger grieft, dan uw moordpriem zou kunnen doen.’ Toen vervolgde hij jammerende: ‘Ga niet, Frank! maar wacht. Ik bekreun mij niet om Van Schaffelaar of om zijn blonde bruid, ik zie niets dan mijn Frank; laat de Roode Hand hen verstikken, als gij maar behouden blijft.’

‘Vaarwel, Ralph!’ zeide Frank treurig. ‘Ik had gehoopt, dat ons laatste gesprek anders zijn zou; ik kan u niet danken voor deze liefde, die ik moet vervloeken en afwijzen; maar ik bid, dat de Hemel het u vergeven zal.’ Dit zeggende, rukte hij zich los, en sprong met één sprong achter op zijn paard, dat tegelijkertijd vooruitsnelde.

‘Frank! hoor mij om Gods wil!’ riep Ralph, die hem snel volgde, en toen deze den draf van zijn paard een weinig verminderde, en hem met de hand vaarwel zeide, vervolgde de herder: ‘Blijf, ik moet u spreken, kind! Wat zoudt gij doen, als Maria reeds verloren was? Frank, gij komt te laat!’

‘Vaarwel, vader!’ riep hem de ruiter, die zich pijlsnel verwijderde, en misschien zijne woorden niet verstaan had, uit de verte toe.

De schaapherder gaf een wanhopigen gil, bleef staan, en zag, op zijn staf leunende, den knaap, dien hij had opgevoed, de Meenesteeg langs rijden; de tranen, die hem uit de oogen geperst werden, vereenigden zich met den regen, die langs zijn gelaat en zijn baard afliep. Al meer en meer verloor hij Frank uit het gezicht; toen vermeesterde hem de droefheid; hij viel op den natten heidegrond neder en jammerde. Hij sloeg zich op de borst, en verwenschte den ondankbaren knaap en de schoone Maria, die, zonder haar schuld, de oorzaak was van het lijden des jongen ruiters, waarna hij uitriep:

‘Voor niets heb ik u dan opgevoed, en hebt gij uwe jeugd op de heide aan mijne zijde gesleten; zorg en liefde hielpen niet, en gij verliet mij, zoodra gij een paard hadt hooren brieschen, de trompet klonk, en een ruiter u tot zich nam. Maar gij verachttet mij niet, en hoordet naar mijne woorden, ofschoon gij het harnas hadt aangeschoten; gij waart mijn Frank nog, mijn Frank! wapenbroeder van heer Jan van Schaffelaar; het was Gods hand: de zoon van den vader kon niets meer, niets minder voor mij zijn: - dat moest zoo wezen. O! indien gij niet verliefd waart op die deern, wier schoonheid u het leven kost, dan hadt gij gelukkig kunnen zijn, en nog, als uw vriend niet zelf op haar het oog geslagen had; maar...! Daar rijdt gij naar uw verderf, en kent vader Ralph niet meer; en dat alles is haar werk; voor niets heb ik het zinnelooze wijf geraadpleegd, dat u op de heide heeft aangesproken, want ik hoopte, dat zij mij een raad zou geven tot uw welzijn. O! wat baat het mij nu, dat ik dag en nacht voor u waakte, en uw gangen bespiedde? gij moet sterven! Vergeefs volgde ik dien Perrol; voor niets liet ik den helschen drank in zijne handen; ik wist voor wie hij bestemd was en zweeg; want, Frank! gij zijt voor mij meer dan die vreemde deern. Ik hoopte dat, als zij dronk, ook uwe liefde zou verdwijnen: maar de heks “bedroog mij en den Zwarten Ruiter.” Hij zweeg en liet het hoofd hangen.

‘Maar zal ik hem laten vallen onder de Roode Hand, zonder een poging te doen om hem te redden?’ riep hij een oogenblik daarna met drift, en stond snel op. ‘Neen, dat zal Ralph niet, en al wacht mij de dood in Eemnes, zoo zal ik hem mogelijk nog eens zien, voordat ik sterf, al is hij dan ook vooruitgegaan.’ Dit zeggende, vatte hij den staf op en sloeg de Steeg in, welke Frank was ingereden.

[p. 298]



illustratie

Het dorp Eemnes, waaraan de Bisschoppen in vroegere dagen stadsrechten verleend hadden, zonder dat de inwoners daarom gehoorzamer aan hun geestelijken heer geweest waren, was in dien tijd nog niet verdeeld in de twee dorpen Eemnes buitendijks en Eemnes binnendijks, maar maakte één dorp uit, dat een half uur lang was. Het lag geheel in de lengte uitgestrekt ter wederzijde van den Wakkerdijk, en, zoowel aan het eene als het andere einde van het dorp, stond een kerk met een hoogen zwaren toren.

De dijk, die te midden door het dorp liep, verschafte alleen den toegang er toe; want bijzijden den dijk vond men niets dan moerassige veengronden en afgebroken landen, vol putten en graven, die zoowel door het jaargetij, als door het bedrijf van degenen, die het dorp versterkt hadden, onder water stonden en het van die zijde ontoegankelijk maakten. Van te voren had men nog wel, zelfs bij den winter, van het dorp naar de hooge Gooische landen kunnen komen door den Zijd-wind en de Biersteeg, zijnde twee smalle wegen, die door het lage land van Eemnes binnendijks liepen; maar sedert deze wegen doorgegraven en ongangbaar gemaakt waren, bleef de Wakkerdijk de eenige toe- en uitgang. Aan wederzijde van het dorp was de ingang behoorlijk versterkt, en buiten het gedeelte der Zwarte Bende, dat er in lag, had men er van Utrecht veel voetvolk, dat uit onderscheiden vendels gelicht was. De inwoners en het gevluchte landvolk hielpen deze macht nog versterken, en aan oorlogsbehoeften, bussen en andere verdedigingswapenen was er geen gebrek. Perrol had zeer goed de sterkte van de plaats beoordeeld, en zij werd voor onwinbaar gehouden; van alle zijden waren de bewoners van het omliggende land dus derwaarts gekomen, om zichzelven, hun vee, hun huisraad en hunne levensmiddelen te bergen; want de macht, die de Stadhouder te Naarden vereenigd had, had hem in staat gesteld, herhaalde strooptochten in 's vijands land te laten doen, en daarmede den noon af te wasschen, dien de nederlaag aan de Vaart en de plundering van Naarden op de Hollandsche wapenen geworpen had.

Frank was van het paard gestegen, zoodra hij niet meer bevreesd behoefde te zijn, dat Ralph hem zou bereiken. Hetgeen deze had gezegd, had hem zóó getroffen, dat hij wenschte het nimmer gehoord te hebben. Gedurig zag hij om, en gevoelde berouw, den man, aan wien hij zooveel verplichting had, zoo op eens te hebben verlaten; de gedachte, hem waarschijnlijk nimmer te zullen wederzien, maakte hem treurig, en deed zijn voornemen wankelen; maar toen hij de Meenesteeg, welke hij volgde, bijna ten einde was, herkreeg hij zijn bedaardheid, en dacht alleen aan hetgeen hem te doen stond.

Een eind weegs van den Wakkerdijk af, was de Meenesteeg doorgegraven: zij was thans veel hooger dan het land, dat geheel onder water stond, en lager werd, hoe meer men het dorp naderde. Er lag een brug van losse planken over deze doorsnijding, waarachter een staketsel met een slagboom en een klein wachthuis waren. Bijna even ver van de plaats, waar de Steeg tegen den Wakkerdijk aanliep, was ook een afsluiting op den dijk; doch deze was slechts gedeeltelijk doorgegraven. De weg die langs de Eemnesser Vaart naar de Eem liep, en binnen in het dorp bij de kleine haven uitkwam, was mede doorgesneden, en met een staketsel afgesloten; terwijl de palen, die in de vaart geslagen waren, en een drijvende boom de gemeenschap afsloten. De twee eerste versterkingen, welke aan deze zijde de buitenwerken van het dorp uitmaakten, gaven gelegenheid om deze twee takken van den driesprong te verdedigen, en elkander onderling bij te staan; en daar men, zoo ver men zien kon, niemand op de Meenesteeg ontwaarde, maakten de voetknechten, die hier de wacht hielden, geen zwarigheid om Frank binnen te laten, toen hij hun zulks verzocht. Op hunne vraag van waar hij kwam, antwoordde hij, dat hij een huisje aan de landscheiding bij den Zijd-wind bewoonde, en het niet langer durfde wagen, buiten te blijven; en toen hij op een vraag, of hij ook geld bij zich had, zich op zijn armoede beriep, lieten zij hem door, nadat hij beloofd had, hun, als hij het laatste gedeelte van zijn huisraad gehaald had, iets te geven, dat nog eenige waarde had. Tegelijkertijd was er ook iemand met een paar hoornbeesten de versterking op den Wakkerdijk binnengelaten. Frank groette hem toen hij boven op den dijk was,

[p. 299]

en zij gingen dus gezamenlijk naar de afsluiting op den derden arm van den driesprong, aan het begin van het dorp.

De dijk was hier geheel doorgegraven, en met een losse brug ging men over de gracht. Een hek van zware balken, en met planken bedekt, sloot hier den dijk af, en van het hek liep, langs de gracht, een sterke rij stormpalen, tot in het drassige gedeelte onder aan den dijk. Een eind weegs waren de palen met dikke delen bekleed, waarachter de voetboog- en roerschutters veilig konden staan of liggen; en op sommige plaatsen waren openingen gelaten, groot genoeg om er de bussen en slangen door te leggen.

De verschansing, waarbinnen men hem, na eenige vragen, liet komen, werd dadelijk weder gesloten, en Frank beloofde, als hij nog eens terugkwam, hen te beloonen voor de moeite; maar de boer, die met hem kwam, gaf hun eenig geld, en daarom riepen de kloveniers van Willem van Wachtendonck, die hier stonden: ‘Zonder geld gaat niemand door! wij kennen dat praatje al. Komaan, kinkel! het geld voor den dag, of wij smijten u naar buiten, en houden de bultzakken hier.’

‘En het paard ook, bij mijn ziel! want het is veel te goed voor zulk een lompen vlegel,’ zeide een hunner lachende, die onledig was geweest met een stuk hout in de losse kamer van een oude slang te slaan, ten einde meer kracht aan de lading te geven, en nu de kamer achteraan in de slang bevestigde, door een ijzeren pen door een bout te steken, waarna hij het op den daartoe vervaardigden balk, voor een der schietgaten legde, en met een lap geölied doek voor den regen bedekte.

Ofschoon hij wel geld bij zich had, keurde Frank het echter beter, aan den boer een kleine som te leen te vragen op onderpand van het goed, dat op zijn paard lag; want hij vreesde bij de soldaten eenige achterdocht te verwekken, daar hij reeds gezegd had geen geld te hebben. De boer bewilligde er in, en de onbezorgde bewakers van den slagboom stonden hun toe verder te gaan, zooals zij zeiden, met verlof om het geheele dorp door te gaan, en het weder te verlaten, en zelfs terug te komen, behoudens een nieuwe drinkpenning. Ook verwijderde zich dadelijk een hunner, om bier te koopen, terwijl de anderen weder onder dak kropen.

Aan den rechterkant van den dijk lag de kerk, die aan St. Nicolaas gewijd was, op het hooge kerkhof, dat met een muur was afgesloten, en het scheen dat men er partij van had willen trekken en het versterkt had; want er waren vóór den muur stormpalen in den grond geslagen, die boven deze uitstaken en waarachter het volk beveiligd staan kon; ook kwam het Frank voor, dat er vele bankarmborsten en eenige bussen op het kerkhof lagen, waarmede men de Meenesteeg bestrijken, ja het misschien den vijand, zoo hij al de buitenste verschansing veroverd had, onmogelijk maken kon, om zich, bestookt door de pijlen en kogels, vóór de hoofdverschansing binnen de soort van wapenplaats op den driesprong staande te houden of te nestelen. Voorbij het kerhof, dat, evenals een kasteel den dijk beheerschte, was nog een soort van versperring; het was de laatste; en Frank begreep terecht, dat zij niet zou kunnen veroverd worden, zoolang men het kerkhof niet vermeesterd had. Doch deze werd nu niet bewaakt, tot genoegen van den boer, en nog meer van Frank, die zeer in zijn schik was, zoo gemakkelijk te zijn binnengekomen; hetgeen zijn nieuwe kennis hem verzekerde, dat aan de andere zijde van het dorp, waar de Zwarte Bende lag, zoo gemakkelijk niet in zijn werk ging; meer zoo hij zeide, om de ongelukkigen, die hier een toevlucht zochten van hun armoedje te berooven, dan wel uit vrees voor verraad of verspieders; want Eemnes was zóó sterk, dat de Stadhouder en het volk van den Bisschop nimmer zouden durven wagen er een aanval op te doen; hetgeen Frank aanhoorde zonder hem tegen te spreken.

Er heerschte reeds een groote drukte in het dorp; want men was bezig met vee uit onderscheiden stallen te halen en dieper in het dorp in te drijven. Vrouwen, kinderen, boeren en krijgslieden liepen dooreen, niettegenstaande er nog gestadig regen viel. De mannen waren meest elk op zijne wijs gewapend, meer misschien, om hunne have te beveiligen, tegen allerhande soort van volk, dat herwaarts was gekomen, dan om het dorp te helpen verdedigen, als het werd aangevallen.

Toen zij een eind weegs waren voortgegaan, ontmoette de boer, voorbij de haven, iemand dien hij kende, en deze wees hem zeer bereidwillig den weg naar zijn woning en een plaats voor zijne beesten. Frank maakte ook van deze gelegenheid gebruik om zijn paard af te laden, en gaf het eenig hooi, zijn nieuwen kennis verzoekende, een oog te houden op zijn goed paard, totdat hij terugkeerde; want hij gaf voor, dat hij iemand zou trachten

[p. 300]

te vinden, die hij wist, dat in Eemnes was, en zeide hem, dat hij spoedig het dorp zou verlaten, om nog eenig goed uit zijn woning te gaan halen, eer het door het volk van den Stadhouder geroofd of verbrand werd.



illustratie

Het kostte Frank eenige moeite om zich van den goeden man te scheiden, met wien hij eerst sedert zoo kort had kennis gemaakt; maar hij verliet hem echter na iets gedronken te hebben, en spoedde zich op weg. Bij de kerk stonden de huizen ter wederzijde van den dijk: doch even voorbij de haven hielden die aan zijn linkerzijde op, en hij had een vrij uitzicht over het verdronken buitendijksche land. Doch aan de rechterhand stonden de woningen en schuren aaneengeschakeld aan de glooiïng van den dijk; het achtergedeelte der schuren of boomgaarden lag ook veeltijds in het water, en Frank volgde den dijk, totdat hij aan het andere eind van het dorp kwam. Het was, zooals dre boer gezegd had: de slagboomen werden er strenger bewaakt, en de Zwarte Ruiters schenen zoo gemakkelijk niet door te laten als het volk van Wachtendonck. Onder de menigte verscholen, bezag hij vluchtig de versterking aan deze zijde, welke bijna evenals de andere was ingericht; met dit onderscheid echter, dat men bezig was om nog een afsluiting aan den ingang van het dorp, bij de kerk te maken, niettegenstaande er reeds een meer voorwaarts op den Wakkerdijk lag. Ook hier heerschte een groote beweging; evenwel kwam het hem voor, dat er weinig rijzende ruiters in het dorp waren; want hij zag bijna geen ander krijgsvolk, dan dat te voet diende, en met voetbogen, pieken of kolfroeren gewapend was.

Hij vroeg aan een man, die evenals hij, zag naar hetgeen er voorviel waar de aanvoerder der Zwarte Bende gehuisvest was, en deze duidde hem een huis aan, dat evenals de kerk aan de buitenzijde van den dijk stond, en omstreeks een half boogschot van het kerkhof verwijderd, was.

Hij bedankte hem, zonder te vragen, of Perrol op het dorp was of niet, en begaf zich, zonder te aarzelen, naar de hem aangewezen woning.

Het huis, dat niet meer was dan een gewone boerenwoning, doch misschien een meer gegoeden eigenaar toebehoorde dan de overige huizen, welke hier stonden, was aan de voorzijde van rooden steen opgetrokken, en het laatste aan deze zijde van den dijk. Hij bleef een weinig staan, alsof hij naar den stal zag, die naast de woning, maar meer achterwaarts lag. En waarlijk er deed zich daar een tooneel voor zijne oogen op, dat wel geschikt was op iedereen, maar vooral op hem een diepen indruk te maken; want aan een balk welke door het strooien dak van de schuur naar buiten stak, hingen twee menschelijke lichamen, en tusschen deze een klein varken. Het eene scheen een boer te zijn; doch de andere man kwam hem voor tot de Zwarte Ruiters te behooren; althans hij droeg het zwart lederen kleed, hetwelk ook degenen aanhadden, die geheel gewapend te paard dienden, en dat hij zoo even sommigen, die nog hun harnas niet aangeschoten hadden, had zien aanhebben. Het vreemdste was, dat de lichamen zoo hingen, dat de ongelukkigen beiden het hoofd schenen te buigen, om het varken des te beter te kunnen zien.

Misschien dacht hij nog eens aan Maria, aan Ralph, aan Van Schaffelaar en aan het noodlottig besluit, waartoe hij gekomen was; want het scheen hem moeite te kosten, zich zelven te overreden het huis binnen te treden, en als het ware in zijn verderf te loopen.

[p. 301]

Hij werd evenwel in zijne gedachten gestoord door den ruiter, die, met zijn kolfroer op den schouder, voor de deur op en neder wandelde; want deze riep, terwijl hij juist onder een zwart schild stond, dat tegen den muur hing, en waarop een zwaard en de spreuk van Perrol waren geschilderd:

‘Heidaar, kerel! hebt gij wat te zeggen op het varken? Ga voorbij, of blijf staan, duivelskind! als gij lust hebt om opgeknoopt te worden; want gij kijkt er even fel op, als de domme boer, die het niet geven, en de arme jongen, die het stelen wilde.’

Zonder iets te antwoorden, keerde Frank eenige schreden terug, ging door de opening, die aan deze zijde in de ophooging van den dijk was, en trad naar de deur.

‘Heer ruiter!’ vroeg hij bedaard, ‘is de heer aanvoerder der Zwarte Bende hier in huis? of zeg mij, waar ik hem vinden kan.’

‘Hebt gij dan wat aan Messire Perrol te zeggen?’ vroeg de ruiter verwonderd; en hij zag hem verbaasd aan, toen Frank met het hoofd knikte en vervolgde: ‘Ja, ik moet hem zelven spreken over iets, dat hem alleen betreft; zeg mij dus, is uw aanvoerder op het dorp?’

‘Hé Tuimelaar!’ riep de ruiter

illustratie

nu, ‘daar is iemand om Messire te spreken.’ Deze, die op dit geroep uit de woning kwam, zeide: ‘Moet de vlegel den aanvoerder spreken?’ en hij bezag Frank van het hoofd tot de voeten; maar deze herhaalde onbeschroomd, hetgeen hij reeds gezegd had. De Tuimelaar vertrok, keerde eenige oogenblikken daarna terug, en gelastte Frank hem te volgen.

Toen Frank in de kamer trad, waarin de ruiter hem bracht, zag hij dat Perrol half zat, half lag op een legerstede, waarover een berenhuid was geworpen; ook waren er geene stoelen, doch alleen een paar houten zitbankjes in het vertrek, dat met roode tegels bevloerd was. Een groot vuur brandde op den haardsteen, en Perrol scheen eenige bevelen te geven aan Riso, die met een paar andere pages bezig was eenige kleedingstukken in kisten te pakken, die met leder overtrokken waren. Hij sloeg daarom zoo dadelijk geen acht op Frank, toen deze binnentrad, en de jongeling had daardoor den tijd om alles te overzien en zijn tegenwoordigheid van geest terug te bekomen, die het voornemen, dat hij koesterde, hem bijna deed verliezen, vooral toen hij het voorwerp van zijn haat vóór zich zag, en die hem evenwel zoo noodzakelijk was tot het welslagen van zijne onderneming.

Perrol liet hem echter niet lang met rust, maar vroeg barsch: ‘Is dat de kerel, Tuimelaar?’ Toen deze dit met ja beantwoordde, vervolgde hij: ‘Gij verlangt mij te spreken, boer? wat hebt gij te zeggen?’

‘Ja, Heer!’ zeide Frank langzaam, dewijl de stem van Perrol hem getroffen had, en hij bleef staan, zonder verder iets te zeggen; want hij hoorde een vrouw gillen in het naastgelegen vertrek.

Op eens herinnerde hij zich hetgeen Ralph hem had nageroepen, en de toon van een jammerende vrouwenstem vond een weerklank in zijn borst. Met angst luisterde hij naar elk geluid, dat tot hem doordrong, en hij dacht aan Maria. Vervolgens zag hij vorschend naar Perrol, die ook gestoord scheen door het gejammer en uitriep: ‘Voor den duivel! zal zij dan nimmer leeren van den nood een deugd te maken! - Riso! zeg, dat men haar een weinig van hier verwijdere, want zij hindert mij; maar gelast tevens, dat men zorg drage dat zij niet ontvlucht.’

Op dit oogenblik werd de deur geopend, en Walson trad binnen. Toen hij Perrol vroeg, wat er voorviel, zeide deze lachende: ‘Het lieve kind wilde nu reeds dit huis verlaten, en evenwel heeft zij dezen nacht kunnen leeren, dat, hetgeen ik wil, geschieden moet; dat tranen en bedreigingen mij niet kunnen afschrikken; dat alleen liefkoozingen mij winnen kunnen; maar ik zal er voor zorgen! Nu ik haar eenmaal in mijn macht heb...’

‘Zult gij haar zoo spoedig niet vrijlaten,’ viel Walson hem grimlachende in de rede.

[p. 302]

‘Vindt gij goed, Messire! dat ik tracht haar gerust te stellen?’ en hij naderde de deur, welke Riso doorgegaan was; doch Perrol riep:

‘Verplicht, Heer luitenant! ik hoor haar niet meer; blijf dus, en laat ons liever eens hooren, wat deze boer te zeggen heeft. - Welnu, kerel! sta daar niet, also! gij geworgd waart; maar spreek duidelijk en snel.’

‘Heer!’ zeide Frank, die met aandacht elken klank der vrouwenstem, die nu zweeg, en elk woord, dat Perrol en zijn luitenant geuit hadden, opgevangen had: ‘Hetgeen ik te zeggen heb, betreft alleen u; ik verzoek dus u alleen te mogen spreken.’ Hij was nu weder gerust: 't was de stem van Maria niet.

‘Alleen, boer?’ vroeg Perrol verwonderd, ‘dit is mijn luitenant, en die ruiter en knapen zullen zich wel wachten om te luisteren naar hetgeen gij zegt. Spreek, wat wilt gij dan?’ eindigde hij gebiedend.

‘Gij zelf zoudt niet gaarne willen, dat iemand anders, zelfs de heer luitenant, het hoorde,’ antwoordde Frank. ‘Wat ik te zeggen heb, raakt u alleen; het zou mij het leven kosten, als het een ander ter ooren kwam.’

‘Ziedaar den stijfkoppigsten ezel van een boer, dien ik in lang gezien heb,’ zeide Perrol lachende. ‘O, Walson! wees zoo goed om een oogenblik naar de andere zijde van de kamer te gaan,’ en hij vervolgde barsch, toen Walson, de Tuimelaar en de pages aan het einde van het vertrek stonden; ‘Treed nu nader, vlegel! maar weet vooruit, dat, indien hetgeen gij komt vertellen, niet veel te beduiden heeft, ik u dan zal laten slaan, dat men u van de eene kerk tot de andere zal kunnen hooren jammeren.’

Frank naderde nu, en stond weldra vóór den aanvoerder der Zwarte Bende. Perrol lag, half zittende, op de ruige berenhuid, en rustte met zijn arm op de tafel, die tegen de legerstede was geplaatst, en waarop een kan met wijn, een paar glazen en een bord met brood stonden. Hij was niet gewapend en nauwelijks gekleed; de gespen van zijn jakeboenhomme of borstrok van blauw zijden laken waren niet dicht gegespt, zoodat zijn hemd, en zelfs zijn hals en een gedeelte van zijn borst zichtbaar waren. Geschikter getegenheid om zijn voornemen te volvoeren had Frank niet kunnen wenschen; Perrol was in zijn macht, en indien slechts zijn hand niet aarzelde, zoodra het staal, dat Wouter zelf vervaardigd had, er in zou vastgeklemd zijn, dan ware Maria bevrijd van de aanslagen des bendehoofds, en de beleediging, die hij haar aangedaan had, bloedig gewroken. Doch het was alsof een nevel zijn oog verduisterde. Hij sidderde; zijn arm was zoo zwaar als lood; hij kon zelfs Perrol met de Roode Hand niet vermoorden, zijn eigen deugd beschermde den booswicht; eindelijk gaf de wraakzucht hem nieuwe krachten. Maar het is den mensch eigen, niet tevreden te zijn, als het geluk hem eens begunstigt; voor weinige oogenblikken nog zou Frank alles gegeven hebben, om Perrol zoo voor zich te zien, en nu verlangde hij nog meer; hij voelde den druk van het dolkmes, dat onder zijn wambuis verborgen was, tegen zijn borst, en haalde het niet te voorschijn. Misschien zou hij niet geaarzeld hebben, indien Perrol in het midden van zijne ruiters gestaan, en geweigerd of gevreesd had hem te laten naderen; maar de gerustheid, waarmede deze hem voor zich liet treden, de achtelooze houding, die allen wederstand onmogelijk maakte, boezemde hem, zoo al geen eerbied of geen ontzag, evenwel toch verbazing in; daarom begreep hij niet te veel te wagen of van het geluk te veel te vergen, door zich in een gelijken kamp met den aanvoerder te willen meten. Met graagte greep hij de gelegenheid aan, om, in plaats van als een laaghartige moordenaar, zich als een wrekende engel voor den onverlaat te vertoonen, en zelfs na zijn dood de achting van Maria, van Van Schaffelaar en alle brave menschen niet te verliezen; de eerzucht bekroop hem, om dien geduchten ruiteraanvoerder in een gevecht met gelijke wapens neder te stooten; daarom bleef hij nog voor Perrol staan, en vermoordde hij hem niet. Ofschoon er slechts weinige oogenblikken noodig waren geweest om Frank zijn voornemen aldus te doen wijzigen, riep Perrol hem echter ongeduldig toe: ‘Zult gij eindelijk spreken, hond! of geeft gij er den duivel van?’

‘Ja, Heer!’ antwoordde Frank zacht, ‘maar ik durf niet spreken, zoolang zij daar staan; het zou mij het leven kunnen kosten.’

‘Het leven!’ zeide Perrol, ‘en wat zoudt gij daaraan verliezen? zeg! heeft het leven voor een boer ook nog iets bekoorlijks, vlegel?’

‘Het is alles, wat hij heeft, Heer! laat hen gaan, en gij zult spoedig de reden van mijn verlangen begrijpen.’

Perrol bedacht zich, en riep toen: ‘Walson! de kerel staat er op, dat gij allen ver-

[p. 303]

trekt, ga dus heen; want de ellendeling schijnt zoo bevreesd voor zijn leven te zijn als een bedelmonnik.’

‘Messire!’ hernam Walson nader tredende, ‘bedenkt gij wel, dat gij nog veel te doen hebt, en dat die gemeene boer mogelijk, als het op stuk van zaken komt, niets van belang zal te zeggen hebben?’

‘Heer!’ riep Frank angstig, ‘een oogenblik slechts behoeft gij mij te woord te staan!’ maar zonder hem te antwoorden, sprong Perrol van zijn legerstede af, en zeide;

‘Gij hebt gelijk, Walson! ik ga met u. - Riso! geef mij mijn gevoerden rok. - En gij, boer! gij kunt in dien tusschentijd in uwe gedachten verzamelen, wat gij te zeggen hebt; maar zorg, dat het spoedig gaat, als gij mij wederziet; want anders zullen mijne ruiters uw geheugen met hunne stijgbeugelreepen moeten opscherpen.’

‘Een weinig tijdsverzuims, Heer!’ riep Frank, die den aanvoerder, welke buiten zijn bereik was, weder naderde, ‘kan groot onheil veroorzaken, hoor mij aan!’ Hij werd echter in zijn rede en zijn loop gestuit, doordien Walson hem bij den arm vatte, zeggende; ‘Blijf staan, boer! - En als gij mijn raad volgt, Messire! dan spreekt gij dezen vlegel niet alleen; want zoo hij al een boer is, geloof ik, dat hij al een rare soort van dorper is.’

‘Tuimelaar!’ zeide Perrol, ‘neem dien knaap mede, en laat hem ergens gevangen houden, totdat ik terugkom. - En gij, lompert! maak u gereed om straks in tegenwoordigheid van den ridder Walson, die daar staat, uw mond te openen of alleen te worden opgeknoopt.’

De Tuimelaar trad dadelijk naderbij.

illustratie

Frank zag geen mogelijkheid Perrol te naderen, en hij was genoodzaakt zich te laten wegbrengen.

De aanvoerder der Zwarte Bende trok zijn met bont gevoerden rok aan, zette zijn hoed op, nam zijne handschoenen, en verliet het vertrek met Walson, die onder het heengaan beweerde, dat de boer waarschijnlijk niets anders dan een bespieder, zoo niet erger was.

 

Frank zag nu, helaas! te laat, het onheilzame van zijn voornemen in; hij had te veel vertrouwd op de wraakzucht, die hem bezielde, en gedacht, dat het hem even gemakkelijk zou vallen Perrol te vermoorden, als hem met gelijke wapenen te bestrijden; maar hij had, zijn dwaling bemerkende, aan de ingeving van zijn hart gehoor gegeven, en dit was juist hetgeen hem in het verderf had gestort. Tevergeefs had Perrol zich onvoorzichtig aan zijn dolk blootgegeven; tevergeefs had hij zijn leven gewaagd; voor niets wachtte hem nu een verschrikkelijke dood, zonder hoop om zich op zijn vijand te kunnen werpen; zelfs het vermoorden bleef hem niet eens meer over; ook deze laatste toevlucht, hoe vreeselijk, hoe verachtelijk zij zijn mocht, was hem benomen, en hij had niets voor Maria, of voor Van Schaffelaar gedaan.

Terwijl de Tuimelaar hem, met behulp van eenige ruiters, naar de huizen aan de overzijde van den dijk voerde, had deze het onder zijn wambuis verborgen wapen ontdekt, en het was om die reden, dat Frank zijn einde als nabij beschouwde. Hij lag in een klein vertrek eener boerenwoning op den kouden steenen vloer, maar was ongevoelig voor de koude der steenen, die door zijn natte kleederen drong; want zijne armen en voeten waren stijf gebonden, ja zelfs had men hem met een dik touw, de beenen en het lijf aan een onbeweegbaar blok hout, dat toevallig op den grond lag, vastgebonden. Een klein raampje of liever luchtgat, wierp het licht juist op zijn gelaat, en met moeite kon hij daardoor het verblijf, waarin hij was opgesloten, rond zien; alleen meende hij aan den muur een soort van mantel en een voetboog te zien hangen. Er was ééne deur in het hok, en vóór deze hoorde hij den schildwacht heen en weder gaan.

Voor zich zelven niet, maar voor het welzijn van Van Schaffelaar en zijn bruid speet het hem, dat hij Perrol ontzien had, en hij beschuldigde zich zelven van lafhartigheid. Hij bad voor Maria en om vergeving voor zijne zonden; hij dacht aan haar en aan de

[p. 304]

oogenblikken, die hij in haar bijzijn had doorgebracht, waarin hij het zoete, maar voor hem zoo bitter gif der liefde had ingezogen. Dan dacht hij aan de vrouw, die hij in de woning van Perrol had hooren jammeren; hij trachtte na te gaan, wie de ongelukkige zijn kon, en vreesde zich bedrogen te hebben, toen hij gemeend had Maria's stem niet te herkennen. Hij dacht aan Ralph, die hem nog vóór zoo korten tijd ten beste geraden had, en riep in zijne gedachten de dagen terug, toen hij met den ouden schaapherder achter de schapen rondzwierf, - dagen zonder geluk of genot, maar dagen van onbezorgde rust en tevredenheid, - en hij wenschte zijn goeden pleegvader nimmerverlaten te hebben. Doch dan vertoonde zich het lieve beeld van Maria weder voor zijn geest, en hij zuchtte en beklaagde zich niet meer over het leed, dat hem drukte; want hij kon zich geen geluk meer voorstellen zonder het meisje, dat hij beminde. Met moed, ofschoon met smart, deed hij zich geweld aan om haar te vergeten en zich alleen met God bezig te houden; maar steeds keerden zijne gedachten weder tot haar terug, en als hij bad, bad hij voor haar.

Hij luisterde niet naar de voetstappen van den ruiter, die hem bewaakte, noch naar het gerucht, dat zich nu en dan in andere deelen van de woning hooren liet; zelfs kon hem het kloppen met zware hamers op stormpalen of balken, dat op eenigen afstand van het huis in het veld plaats had, niet uit de gedachten wekken, waarin hij verdiept was, en hij lag met gesloten oogen, omdat het licht hem hinderde, zonder hoop op redding, het oogenblik af te wachten, waarop men hem zou komen halen om voor Perrol te verschijnen.

Op eens echter werd hij opmerkzaam gemaakt door eenig gerucht, dat meer in zijn nabijheid ontstond, en iets, dat voor een oogenblik het licht onderschepte, deed hem de oogen openen. Tot zijn niet geringe verbazing zag hij, dat iemand zich door den zolder heen, liet afzakken; en toen deze man, die als uit de lucht kwam vallen, naast hem geknield lag, zeide hij zacht en dankbaar: ‘God zij dank, dat gij komt, Ralph!’

De oude schaapherder, die gemakkelijk door de slagboomen was heengekomen, was met omzichtigheid de plaats genaderd, waar de Zwarte Ruiters lagen, en had aldaar vernomen, wat er met den boer gebeurd was, dien hij vermoedde, dat Frank zou zijn. Eenmaal de plaats wetende, waar men hem gevangen hield, had hij over de zolders, waar niemand acht op hem sloeg, zonder veel moeite den weg gevonden naar dat gedeelte, waaronder de gevangenis van Frank was. De Tuimelaar had geen acht geslagen op het luik in den zolder; hij was niet zoo goed bekend als Ralph met de bouworde van de boerenwoningen in deze streken.

In een oogenblik was de jonge ruiter bevrijd van zijn banden, en Ralph zeide toen eerst: ‘Kom, dwaze knaap! nu moet gij voort; zet u op mijne schouders en klim naar boven.’ Maar Frank zeide: ‘Eerst gij, vader! en ik zal u volgen.’

‘Neen, Frank!’ zeide Ralph zacht, ‘gij zijt vlugger dan ik; draal niet langer; hebt gij nog niet genoeg geleerd?’

Toen trad Frank snel naar den wand, waaraan een dagge hing, die hij bij zich stak, en zou aan het verlangen van Ralph voldaan hebben; maar juist toen hij voorbij het luchtgat ging, zag hij omtrent een boogschot ver van de huizen af, bezijden het dorp, een aantal menschen, die op de Biersteeg stonden en bezig waren om die te versperren. Plotseling greep hij naar een voetboog, die aan den wand hing, zette zijn voet in den beugel en spande de pees.

‘Frank! wilt gij dan, dat wij beiden omkomen?’ zeide Ralph verwijtend, en wilde hem met zich trekken; doch de jongeling, die nu ook den bout op den boog gelegd had, zag hem smeekend aan, en zeide; ‘Ik ga terstond, vader! men zal op ons geen gedachte hebben.’ Snel plaatste hij zich nu vóór het luchtgat en mikte; hij zag Perrol en Walson, en legde den boog aan. Een oogenblik zag hij over den bout; bedaard stond Ralph achter hem, toen drukte hij los, de pees strekte zich, het staal klonk, en de bout vloog naar zijn bestemming; maar ook tegelijkertijd rukte de schaapherder hem van het raampje af, en noodzaakte hem te vertrekken. ‘Getroffen, vader!’ zeide Frank vroolijk, terwijl hij den boog nederlegde en tegen diens schouders opklom. Nu boog zich de schaapherder voorover, en wierp een blik naar de Biersteeg; vervolgens stak hij Frank de hand toe, en toen hij boven was en het luik voorzichtig liet vallen, antwoordde hij op de vraag van Frank, wat hij gezien had: ‘Zwijg, knaap! en volg mij; want dat dwaze schot kan ons den dood verhaasten, zonder hem het leven te kosten.’

[p. 305]

Zij gingen nu door

illustratie

den engen doorgang, die er tusschen het graan was, dat op den zolder lag. Spoedig echter werd het gaan moeilijker, doordien men nu op de plaats kwam, welke boven de deel was, waar geene vaste zoldederingen lagen. Over een balk bereikten zij de ladder, daalden er langs af, en liepen beneden een eind weegs snel langs de huizen voort, waarna zij zich op den bovenweg begaven. Het was nog even druk en woelig op den dijk, en de spoed, waarmede zij gingen, verwonderde zoo het scheen, niemand; ook wist geen hunner natuurlijk nog, dat men op den aanvoerder der Zwarte Bende geschoten had. Frank wenschte zoo gaarne te vragen, wat Ralph gezien had; maar hij durfde het niet; want de Schaapherder trad voor hem uit, en scheen niet genegen om hem te woord te staan. Nu en dan speet het hem, dat Ralph gekomen was; want hij had gehoopt door het moedig tegentreden van den dood, de schande over den mislukten aanslag te doen vergeten, en de dood bracht hem immers ook rust. Het verwonderde hem nu zelven, dat hij niet geaarzeld had den boog los te drukken, terwijl het toch hetzelfde was, of hij op Perrol schoot, dan of hij hem met een handwapen trachtte te dooden, daar het beide onverhoeds geschiedde.

Toen zij de woning naderden, waar zijn paard stond, trad hij naast Ralph, wees hem de plaats aan, en vroeg wat hij doen zou. De schaapherder gelastte hem zijn paard terstond te halen, hetgeen hij deed, den boer, die het verzorgd had, de zorg voor zijne kleederen en zijn beddegoed aanbevelende. Tevergeefs trachtte Frank, zelfs met bedreiging van te zullen blijven, Ralph over te halen zich alleen met het paard, of ten minste met hem te verwijderen, maar de oude man was onverbiddelijk, en wees met gestrengheid zijn aanzoek van de hand. Hij beduidde Frank, dat hij eerst later het dorp zou verlaten, dat hij er nog iets te doen en niets te vreezen had, daar niemand wist, dat hij Perrol kende; want hij had verzwegen, dat hij reeds met dezen had kennis gemaakt. Ralph vergezelde hem dus tot aan de verschansing; de voetknechten zaten op een bank, die zij naar buiten gesleept hadden; want het was nu droog weder, en zij stookten op eenige steenen een vuur aan. Zij herkenden hem dadelijk, en hij riep hun toe: ‘Laat mij door, mannen! en ik zal zorgen om niet met leege handen terug te komen.’

Zij voldeden aan zijn verzoek, hem herinnerende zijn belofte niet te vergeten, en Frank reed door den slagboom, na Ralph gegroet te hebben, zonder dat zulks door de krijgslieden kon bemerkt worden. Met aandacht zag de oude man, tegen de verschansing leunende, hoe Frank met de wacht sprak, die aan de Steeg stond, doorgelaten werd en zich verwijderde. De krijgslieden, die naast hem stonden, hielden een gesprek over het paard, dat de boer bereed; maar zij werden gestoord in hunne redeneering door een ruiter, die snel langs den dijk door het dorp kwam aanrennen.

‘Er moet niemand doorgelaten worden!’ riep hij: ‘er zijn verspieders in het dorp, en de aanvoerder van onze bende is gekwetst!’ en toen hij vóór de verschansing stilhield, vervolgde hij: ‘Ho! ho! wat is dat voor een kerel die daar wegrijdt?’

‘Het is een boer die hier voor een poos eenige goederen gebracht heeft,’ zeide degene, die over het volk van Wachtendonck scheen te bevelen.

‘Het is de hond zelf,’ riep de Tuimelaar, die het bevel was komen brengen. ‘Mannen! laat mij door, en ziet of gij hem ook kunt treffen; schiet hem neder!’

Terwijl eenigen een slagboom openden, liepen anderen naar de kerk terug, en juist toen de Tuimelaar ook de laatste versperring door was, werd er een slangstuk van het kerkhof gelost. De Schaapherder sidderde. Weldra volgden een paar bouten der zware windasbogen; doch met vreugde zag de oude Ralph, toen de rook opsteeg, dat geen der pijlen getroffen had, dat Frank nu zoo spoedig mogelijk voortrende, en weldra geheel buiten het bereik van het geschut zou zijn. Met nieuwsgierigheid volgden de krijgslieden de twee ruiters op de Steeg, en degene, die reeds te voren het paard van den boer geprezen

[p. 306]

had, en een smidsgezel scheen te zijn, zeide: ‘Ik wed, dat die domme boer het nog zal winnen; want zijn ruig paard is niets minder dan dat van den ruiter, en deze draagt ook nog wat ijzer aan zich. Wat denkt gij er van, oude?’ vroeg hij aan Ralph.

‘Ik denk er ook zoo over,’ antwoordde deze, die met bezorgdheid gadesloeg, of de ruiter ook iets scheen te winnen op den knaap, die vervolgd werd.

‘Welnu, zeide ik het niet?’ vervolgde dezelfde man, die, toen Frank in het dorp kwam, juist bezig was om een slangstuk te laden; ‘want de oude weet het; er gebeurt niets, dat hij niet reeds van te voren gezien heeft.’

De aandacht, welke dit gesprek op den schaapherder deed vestigen, scheen dezen niet te bevallen; echter getroostte hij zich de vragen der krijgslieden en omstanders; want er was veel volk naar de verschansing heengevloeid, en hij wilde niet heengaan, voordat hij verzekerd was, dat Frank ontkomen zou. Hij werd echter in zijn beschouwing gestoord, daar hij een hand op zijn schouder voelde leggen, en toen hij omzag, herkende hij een der Zwarte Ruiters.

‘Ha! ha! zijt gij ook hier? Nu zal ik u den weg eens wijzen, lompe herder!’ grauwde Rogardo hem toe, die hem nu, door Wilhelm bijgestaan, met zich voortsleepte.

‘Mannen! gij hebt den verkeerde voor,’ riep Ralph bedaard en hij draaide het hoofd om, om nog eenmaal naar de Steeg te zien; maar zijn pogen was tevergeefs, zij trokken hem met zich voort. De boeren en andere inwoners zeiden niets, en traden bevreesd terug; maar de smidsgezel waagde het een goed woord voor hem te doen; hij had den ouden man dikwerf in Utrecht gezien; hij wist, dat hij niemand kwaad deed, en trachtte dus het voetvolk over te halen, hem te ontzetten. Doch toen Rogardo barsch ten antwoord gaf, dat de eerste, die het waagde, den ouden galgebrok te bevrijden, op last van Messire Perrol zou worden opgeknoopt, traden zij terug, en Ralph zelf scheen zich nu gelaten aan zijn lot te onderwerpen; want hij zeide ernstig: ‘Mannen! stelt u om mij niet bloot aan de slagen van de Roode Hand. Ziet gij daar die bloedige streep niet in de lucht? Hoort gij niet het gevecht der strijdenden en het gekraak der verschansingen, die gij bewaakt...’ Maar hier werd de oude schaapherder gestoord in de soort van voorspellenden uitroep, dien hij deed; want Rogardo sloeg vloekende den arm naar beneden, welken Ralph naar de lucht had uitgestrekt, en noodzaakte dezen hem te volgen.

Met geheimen schrik zagen de meesten naar de wolk, waarop de schaapherder gewezen had, en die werkelijk een bloedroode kleur had, anderen zagen met medelijden den ouden man zich met zijne vangers verwijderen, terwijl de krijgslieden zonder veel zorg voor de toekomst, of vrees voor zijn voorzegging naar de Meenesteeg zagen, waarlangs de Tuimelaar, zonder in zijn voornemen om den boer te achterhalen geslaagd te zijn, stapvoets terugkeerde.

Frank had zelf, van hetgeen hij in Eemnes gezien had, verslag gedaan aan den Stadhouder, die zich op dit oogenblik te Laren bevond, waar een krijgsraaad belegd was; en deze,

illustratie

voldaan over de oplettendheid, waarmede hij de vijandelijke werken had bespied, dankte hem, dat hij in plaats van den boerenknaap gegaan was. De jonge ruiter, die zoo gelukkig aan den Tuimelaar ontsnapt was, reed nu naar Hilversum, weinig denkende, dat Ralph reeds gevangen zat.

Ofschoon hij voor Van Schaffelaar trachtte te verbergen, dat hij eenig ander doel had gehad dan de vijandelijke werken te verkennen, zoo hielp het hem niet; en hij was genoodzaakt te bekennen, dat Perrol hem derwaarts gelokt had. Hij durfde hem echter niet zeggen, dat hij was heengegaan met het voornemen om hem te vermoorden, noch dat hij was gevangen geweest; want hij kende de ridderlijke braafheid van zijn vriend en weldoener, en hoorde, van zijne schuld bewust, gelaten aan, hoe Van Schaffelaar afkeurde, dat hij zich voor niets aan zulk een gevaar had blootgesteld, daar Perrol de man niet was, om geen gebruik te maken van het overwicht, dat zijne wapens hem konden verschaffen, indien hij niet, zooals wel te vermoeden was, de voorkeur gaf, om de uitdaging te beantwoorden met den strop of de uitgezochtste martelingen.

[p. 307]

De aanvoerder was reeds gekleed om zich naar den stadhouder te begeven, en stapte, met Frank sprekende, voor de deur van het huis des boschbewaarders, waar hij zijn intrek genomen had, heen en weder, toen Frank plotseling bleef stilstaan en met verwondering uitriep: ‘Mijn hemel! zie eens, wie komt daar aan?’

Ook Van Schaffelaar bleef nu staan, en zag naar de plaats, waarheen Frank met de hand wees, en ook hij riep nu: ‘Hij is het, hij heeft dan, God zij dank! eindelijk besloten, zelf te komen.’

De man, die hen met groote schreden naderde, en dien zij te gemoet gingen, droeg een stroohoed op het hoofd, welke, in plaats van met een pluim of veder, met een stalen punt prijkte. Een nauwsluitend jak van buffelleder was van voren bedekt door een fraai gepolijst borstharnas; voor het overige waren zijne beenen en armen zonder ijzeren bekleedsel; alleen op zijne handschoenen waren eenige plaatjes van ijzer vastgenaaid. Behalve met een zwaard en een opsteker, was hij gewapend met een handbus, die hij op den schouder droeg, en waarvoor zeker het kloverkruit, de looden kogels en de lont, in een lederen zak, bestemd waren, die aan zijn rechterzijde aan een riem hing.

‘Komt gij om dienst te nemen in het leger, meester?’ riep Van Schaffelaar hem toe; ‘gij zijt geheel gewapend, indien ik het wel heb.’

‘Ja, Van Schaffelaar!’ antwoordde Wouter; maar geen lach vertoonde zich op zijn gelaat; en voordat hij vervolgde, riep Van Schaffelaar ongerust: ‘Om Gods wil, meester! welke tijding brengt gij? Of komt gij inderdaad om met ons te vechten?’

‘Ja!’ riep de meester, ‘ja, Jan! ik kom om aan uwe zijde te vechten en uw bijstand in te roepen; want dezen nacht is Maria door Perrol weggeroofd; wij hebben haar verloren.’

‘Maria?’ riepen haar bruidegom en Frank bijna gelijktijdig uit, en hunne gelaatstrekken en stem verrieden zoo duidelijk, hoe diep hen deze tijding trof, dat de meester zijn eigen droefheid en den angst ter zijde stellende, zeide: ‘Nu, houdt goeden moed, vrienden! heet zij niet Maria, en kan de Heilige Moeder Gods haar niet beschermen, ofschoon Perrol met de Roode Hand haar met zich heeft gevoerd? Ik kom u om hulp vragen; want mijn arm kind moet geholpen worden.’

‘Meester! spreekt gij de waarheid?’ zeide Van Schaffelaar doodsbleek en met verkropte smart; en toen Wouter treurig met het hoofd knikte, vervolgde hij langzaam: ‘Zal die mensch dan altijd mijne hoop storen? Zal altijd het geluk hem dienen, en dan in het einde de onschuld van dezen engel nog door hem verwoest worden? Mijn God! hoe kunt gij dat gedoogen, daar zij deugdzaam en rein van zonden is, en zoo wij al Uw toorn verdiend hebben, waarom moet zij voor ons boeten? Of bezoekt Gij ons in hetgeen ons lief en waard is, evenals Perrol?’

Hier zweeg hij, en zijn gelaat werd wild en dreigend; hij richtte het hoofd snel op, en sloeg de hand aan zijn zwaard. ‘Ha!’ riep hij, maar vervolgde niet; want met zooveel kracht vatte hij het gevest aan, dat een der schakels van de keten brak. Toen wierp hij het zwaard voor zich neder en trapte, verachtend lachende, op het wapen, dat in de scheede trilde. ‘Vervloekt zijt gij!’ riep hij wild, ‘ellendig zwaard, dat mijne Maria niet verdedigd hebt! Vervloekt! driewerf vervloekt! - En gij, mijnheer St. Maarten!’ riep hij, den dreigenden blik en de gebalde vuisten hemelwaarts opheffende, ‘zijt gij geen goed patroon meer? O! hebt gij vergeten, hoe ik u steeds vereerd heb, waar is mijne bruid...? Hebt gij geen macht meer? Zijt gij niet sterker dan de satan, welke dien booswicht helpt? Ha! vreest gij niet, St. Maarten! dat ook ik zijn bijstand zal inroepen; want ik kan alles doen voor Maria,’ eindigde hij, en liet het hoofd op de borst vallen. Zijn woede was nu bedaard; de meester legde de hand op zijn borst, maar kon niet spreken; tranen stonden in de oogen van den bruidegom, den vader en den vriend. Toen boog Van Schaffelaar zich snel, die het zwaard weder opraapte, de scheede ver van zich afwierp, en het krampachtig tegen zijn borst drukte. Zijne oogen fonkelden; heldenmoed en vertrouwen blonken op zijn mannelijk gelaat; hoog hief hij het schitterend staal in de saamgevouwen handen; zijn oog richtte zich hemelwaarts en hij riep luid: ‘En ik vergat U, mijn God! - O! Gij zijt machtig, en de satan vermag niets tegen U. Schenk kracht, Heere! aan dezen arm, zegen dit zwaard; door U zal ik de zege hebben, de zege en mijne bruid!’ Hij zweeg, liet den arm zakken, en zeide toen vol vertrouwen tot den meester: ‘Wouter, wij zullen haar wedervinden, en de heilige Jonkvrouw Maria zal uw kind bewaren, tot ik haar aan uw hart leg. Volg mij!’

[p. 308]

Gevolgd door den Meester en Frank trad hij binnen; maar wij zullen den smid uit de Vergulde Helm laten verhalen, wat hem van de zaak bekend was, en zelven eenige uren teruggaan, en ons naar het klooster begeven.

 

Het was nacht, en de regen, die tegen het kleine venster van de cel werd gejaagd, was misschien oorzaak, dat Maria niet sliep. Sedert Van Schaffelaar haar verlaten had, haakte zij naar het oogenblik, waarin zij het eenzaam gelegen, en evenwel niet veilige klooster verlaten zou. Gedurende den dag waren eenige Hollandsche ruiters in het dorp geweest, en hadden er geroofd en gebrand, en zij herdacht hetgeen Van Schaffelaar haar gezegd had. O! zij verlangde zoozeer om weder naar hare moeder terug te keeren. Juist toen zij half wakende, half sluimerende, over dit alles nadacht, hoorde zij eenig gerucht buiten het klooster; men scheen aan de deur te kloppen, en weldra hoorde zij iemand buiten roepen: ‘Open voor Van Schaffelaar!’ Zoodra hoorde zij dit niet, of zij dacht, dat het haar bruidegom was, die haar reeds kwam afhalen, stond op en kleedde zich aan; zij luisterde, of zij de stem van Van Schaffelaar of van Frank ook kon herkennen, en zij

illustratie

nam zich voor, den jongen man vriendelijk toe te spreken.

Het scheen, dat de portierster niet spoedig bij de hand was om de deur te openen; want men hoorde iemand last geven de deur onder den voet te werpen. Wel verwonderde haar dit bedrijf; maar zij veronderstelde, dat Van Schaffelaar geen tijd verliezen kon, dat misschien eenig gevaar haar boven het hoofd hing, en toen zij, nadat de deur was opengeloopen, hoorde roepen: ‘Leve Van Schaffelaar en St. Maarten!’ twijfelde zij niet meer, of het was haar bruidegom, en opende hare cel.

Er vertoonde zich nu een lichtstraal tegen de zoldering boven de trap, die aan het einde van de gang lag, waarop de cellen uitkwamen, uit welke sommigen der nonnen angstig en nieuwsgierig stonden te luisteren naar hetgeen er toch gebeurde. De oudsten der geestelijke dochters, ofschoon zij het minst van het krijgsvolk te vreezen hadden, schenen het meest beangst; terwijl zij, die jonger waren, misschien wel eenig gevaar wilden doorstaan, om voor een oogenblik den eentonigen en strengen leefregel te zien afbreken waaronder zij gebukt gingen.

Weldra zagen zij een krijgsman de trap opkomen; hij ging met spoed, en de zuster portierster, die achter hem aankwam, en de lamp droeg, had moeite hem te volgen. De meesten der nonnen traden terug; want nog nooit hadden zij hier een anderen man gezien dan den biechtvader van het klooster. De bruid van Van Schaffelaar meende haar bruidgom te herkennen, en bleef dus; en toen de ruiter, die stil bleef staan, zijn

[p. 309]

armen uitstrekte en zacht haar naam noemde, spoedde zij zich naar hem toe en riep: ‘Goddank! dat gij komt; mijne ouders hebben dus eindelijk toegegeven?’ Maar zonder iets te zeggen, deed de ruiter twee schreden voorwaarts, omvatte haar met zijn rechterarm, kuste haar en riep: ‘Dezen keer ten minste heeft mijn mond den druk uwer lippen ontvangen, Maria! want de vorige maal waren zij ijskoud!’

De gil, dien Maria gaf, toen zij gewaar werd, dat zij in de macht van Perrol was, werd door de nonnen herhaald, die zich nu allen in hare cellen verborgen; ook de portierster nam de vlucht, en zou hem dus in het donker gelaten hebben, indien de mater, die achter haar de trap was opgekomen, de lamp niet uit hare hand had genomen.

Perrol hield Maria met zijn rechterarm omvat, en droeg haar zoo naar de trap, terwijl hare voeten langs den grond sleepten. De goede kloostervoogdes wierp een bilk vol medelijden op het doodelijk bleeke gelaat van het meisje, dat niet wist wat met haar gebeurde; zij wierp zich voor Perrol neder, bad hem deernis te hebben met de arme maagd en met het klooster, en de heilige verblijfplaats der zusters niet te ontheiligen.

‘Voor den duivel, vrouw!’ antwoordde Perrol, ‘licht mij bij, en babbel niet. Uw huis is immers beveiligd voor allen overlast, door het toedoen van zijn Eerwaarde; daarom heb ik last van mijn aanvoerder, den edelen Van Schaffelaar, om noch u, nog ééne der lieve nonnetjes eenig leed te doen, maar zijn bruid af te halen, eer een zekere Zwarte Ruiter, dien gij misschien wel hebt hooren noemen, haar hier nog eens mocht bezoeken.’

Van angst bevende, en zonder zijne woorden te gelooven, ging de mater vóór hem uit; maar onder aan de trap riep Perrol om hulp; want hij kon Maria niet alleen dragen, zonder haar tegen zijn harnas te drukken. Dadelijk sprong er een ruiter naar hem toe, maar toen Perrol hem zag, riep hij kwaad: ‘Terug, Froccard! raak haar zelfs met uw vinger niet aan, of ik stoot u neder.’ Toen naderde Vidal, die nog bij hem scheen te zijn, en deze hielp hem haar naar buiten dragen. Een draagkoets, welke tusschen twee torspaarden hing, stond gereed; zij werd er in gezet, en eenig geestrijk vocht, dat hij haar onder den neus hield, bracht haar tot zich zelve terug; maar zij verborg haar gelaat tegen een der zijden van de draagkoets, toen zij, bij het licht van een fakkel, Perrol er naast zag staan.

‘Maria!’ zeide hij spottend, ‘gelooft gij nu nog niet, dat ik u liefheb, daar mijn hart geraden heeft, waar gij u voor mij verborgen hadt; of zult gij dan immer ongevoelig blijven? De kus, dien gij mij gegeven hebt, deed mij verlangen, u nog in dit oogenblik voor altijd tot de mijne te maken; maar ik heb mijn drift bedwongen. Ik wil u van pracht en rijkdom omringd zien, als gij mij gelukkig maakt; de armzalige cellen van dat ellendige klooster zijn niet waard van onze liefde getuigen te zijn, daarom moet gij geduld hebben. Vaar dus wel, Maria!’ De bruid van Van Schaffelaar sidderde, te meer, daar al hetgeen hij zeide, zooals zij in haren angst meende te hooren, door een vreemde stem aan de andere zijde der draagkoets werd herhaald. Toen hij eindigde, vatte hij hare hand, niettegenstaande zij die vol afschuw terugtrok, kuste ze en sloot lachende de draagkoets, en ook zijn lach vond zijn echo evenals zijne woorden. Toen sprak hij zacht tot Vidal en Froccard, steeg te paard, reed vóór een twintigtal ruiters uit, die reeds opgezeten waren, en gaf het teeken om hem te volgen.

 

Verder deelde Wouter aan Van Schaffelaar en Frank mede, dat men hem vroegtijdig had laten waarschuwen van hetgeen er gebeurd was; hij kwam nu van het klooster, dat anders geen overlast geleden had, en zijn verhaal kwam zoo wat neder op hetgeen wij vermeld hebben; echter had de mater hem verzekerd, dat zij Perrol, toen hij wegreed, bevel had hooren geven den weg naar Eemnes in te slaan.

Met de gespannenste aandacht hadden Van Schaffelaar en Frank den meester aangehoord; van tijd tot tijd alleen hadden zij door de beweging van hun gelaat, of het ongeduldig heen en weder schuiven hunner zitbanken, hunne innerlijke gemoedsbeweging verraden, en door het uiten van een onwillekeurigen kreet van woede of smart aan hun hart lucht gegeven. De geheele houding van den jongen man toonde echter minder drift dan van den bruidegom van Maria! een pijnlijke gewaarwording kneep hem als het ware de borst te zamen, en belette hem de vrije ademhaling; zijn smart uitte zich niet luid, maar was daarom niet minder hevig; want alle hoop om Maria, de schoone bruid van

[p. 310]

zijn vriend, haar, die hij zoo vurig beminde, te redden, beschouwde hij als verloren. Had hij hare stem niet gehoord in het huis van Perrol? Had hij dezen niet tegen zijn luitenant hooren snoeven op de liefde, welke zij hem betuigd had? O! hoe kwam het, dat hij de stem, die zijn hulp inriep, niet herkend had, toen zijn geluksengel hem in hare nabijheid gevoerd had? Dit maakte hem wanhopig, en hij zat daar als verpletterd over hetgeen hij gehoord had, en over zijne bloohartigheid. Hij, de gemeene knaap, die niets te verliezen had dan eenige jaren levens, vergald door een ongelukkige genegenheid, en zonder hoop op wederliefde, hij had geaarzeld, haar en zijn weldoener van Perrol te verlossen, uit een kinderachtige vrees om het hoofd der Zwarte Bende, zonder dat zijn maagdenschennende Roode Hand gewapend was, terneer te stooten: mogelijk had zij, die hij aanbad, toen nog kunnen gered worden! en hij zeide tandenknarsende tot zich zelven: ‘Verheug u, dappere ruiter! want het geluk van uw vriend is verwoest; zijne bruid, de onschuldige en schoone Maria, voor wie gij alles wildet opofferen, behalve een ongepast gevoel van eer en deugd, bespottelijk voor een schooiersjongen, zooals gij zijt, verkwijnt onder de liefkoozingen van Perrol met de Roode Hand; maar verheug u - men zal u nu niet Frank den moordenaar, maar Frank den lafaard noemen’ en hij liet het hoofd op de borst zakken, en zat oogenschijnlijk zoo gelaten te luisteren, dat Wouter verwonderd was over de bedaardheid, waarmede hij hem aanhoorde.

Toen de smid het dorp noemde, waarheen Perrol zijn slachtoffer gevoerd had, stond Van Schaffelaar snel op, en riep: ‘Naar Eemnes, meester! ha! nu weet ik genoeg. Bij mijnheer St. Maarten! ook ik zal roepen: Naar Eemnes! en mijne ruiters zullen mij volgen, en over stormpaal en staketsel zal ik den maagdenroover mijn veldgeschreeuw in de ooren donderen. Perrol! zoo waar als God leeft, zult gij mij zien, en de Roode Hand zal u niet voor mijne wraak kunnen beschermen: deze hand zal u verpletteren!’

Dit zeggende, gaf hij zulk een geweldigen slag met zijn vuist op de tafel dat de smid terugtrad, en Frank in zijne gedachten gestoord, snel opsprong. ‘Meester!’ vervolgde Van Schaffelaar even driftig; maar hij bedacht zich, en zeide toen minder luid: ‘Neen, ik wil u niet beschuldigen; en evenwel, zoo gij naar mijn raad gehoord hadt, dan ware uw arm kind gered geweest. - Helaas! de vrees om aan uwe ouders ongehoorzaam te zijn, Maria! veroorzaakt uw ongeluk; maar uw bruidegom zal u verlossen of dood blijven - helaas! meer kan hij niet beloven! - Wacht mij hier, Wouter! en wees niet treurig, Frank!’ riep hij en stak hun zijne handen toe. ‘Nimmer begaf ik mij met meer verlangen naar een krijgsraad; als ik terugkom, breng ik u de tijding mede, dat wij naar Eemnes oprukken. Vaarwel dus, en vertrouw op de Heilige Moeder Gods; want zij waakt voor mijne Maria.’

Toen hij dit gezegd had, verliet hij zoo snel het vertrek, dat noch de meester, noch Frank hem zoo spoedig volgen konden. Men hoorde hem buiten het huis aan Heintje gelasten zijne wapens gereed te maken, en toen de smid de deur uittrad, zag hij Van Schaffelaar zich reeds verwijderen.

De knaap haastte zich aan het bevel van zijn heer te gehoorzamen, en terwijl Frank naar den stal ging, bezag Wouter stuk voor stuk elk gedeelte der wapenrusting, die Heintje te voorschijn haalde. De droefheid over de ontvoering van Maria, welke hem niettegenstaande den weg, dien hij afgelegd had, niet eens had doen denken, om iets te eten of te drinken te vragen, verhinderde hem niet, om Heintje nu eens te prijzen, dan weder te laken over de wijze, waarop deze de wapens van zijn heer onderhield.



illustratie

prepostterug  begin  verder