

DE sluier van den nacht had zich over het aardrijk verspreid, en
oogenschijnlijk scheen ook in Eemnes alles in een
diepe rust gedompeld. Bij een nauwkeuriger onderzoek zou men echter bevonden
hebben, dat hier en daar eenig beschonken volk in de huizen op de been was,
en terwijl er geen droppel jenever in het geheele dorp te vinden was, droeg
de wijn en het bier alleen de schuld van deze onmatigheid; hetgeen een
gemoedelijk lid eener Frugality Society, ofschoon het hem
een zucht kostte, misschien zou hebben doen besluiten om het voorstel te
doen deze verderfelijke dranken ook op de verbodlijst van het genoodschap te
plaatsen. Zij, die in de woningen waren, welke voor wachthuizen dienden,
vermaakten zich met spreken, drinken en spelen.
In een vrij ruim, boersch vertrek, zaten eenige Zwarte Ruiters rondom het vuur; en als wij op hun gesprek acht gaven, zouden wij misschien daaruit de ongewone beweging verklaard vinden, die dezen morgen in het dorp door Frank was bespeurd. Het huis, waar deze mannen zaten, stond in het noordelijk gedeelte van het dorp, in de nabijheid van de versperringen, die Frank met den boer was doorgekomen, en een houten beschot, dat een eind weegs door het vertrek liep, beveiligde hen, die bij het vuur zaten, tegen den tocht der deur, maar liet ook daardoor het overige gedeelte daarvan in het duister; want er was geen licht dan van het hout, dat op den haardsteen brandde.
‘Wij liggen hier beter, Rogardo!’ zeide een der ruiters. ‘Messire Perrol heeft gelijk gehad dit gedeelte van het dorp in te nemen; de woningen en stallen zijn hier grooter en beter ingericht, en wij liggen hier nader bij Laren,’ eindigde hij lachende.
Rogardo beaamde hetgeen hij zeide, en merkte aan, dat den Zwarten Ruiters altijd de beste plaats toekwam. Een hunner, die afwezig geweest was, keerde nu terug en Rogardo vroeg: ‘Hoe maakt het de vent, Wilhelm? is hij nog even stom als dezen morgen?’
‘Gewis!’ hernam deze, ‘de oude bedelaar bromde slechts, toen ik hem met mijn spoor in de zijde aanraakte; de touwen, waarmede hij gebonden is, zitten nog zoo vast als een muur, ofschoon de domme dorpelingen en zelfs de mannen van Wachtendonck zeiden, dat hij zich wel zou weten vrij te maken. Een leelijke hond, die van het water droop, is in de kamer gedrongen; hij zat vóór de deur te wachten; zou het mijnheer satan ook zijn?’
‘Ha! ha!’ lachte Rogardo, ‘dat heeft geen nood. Jammer maar dat Froccard niet bij de hand was, anders ware het nu al met den boef gedaan.’
‘Alsof Froccard alleen hem zou kunnen leeren spreken!’ zeide Wilhelm met minachting.
‘Zacht, zacht, knaap!’ riep Rogardo, ‘indien gij wat langer bij ons zijt, dan zult gij niet meer twijfelen aan zijn bijzondere behendigheid: hij weet pijnigingen uit te vinden, waarvoor de heilige martelaars zouden gebeefd hebben. Is het niet zoo, mannen?’
‘Ja!’ riepen de overigen, en een hunner zeide lachende: ‘Messire Perrol weet wel wat hij doet; indien hij ook niet wanhoopte om beter beul te kunnen vinden, dan ware de verloopen monnik misschien al lang opgeknoopt.’
‘Zacht,’ zeide Rogardo, ‘spreek zoo luid niet; want Froccard scheert er den gek niet mede, bij de ziel van Satan! er is niets beter of niets slechter dan een monnik.’
‘Bij St. Veit! ik heb lang met mijn speer in Duitschland gediend,’ zeide Wilhelm, ‘maar er zijn hier al rare makkers onder ons. Onze aanvoerder is een liefhebber van knappe meisjes, en hij bekreunt zich niet veel of zijn liefde haar aanstaat; het schoone kind, dat hier in huis gevangen zit, had toch beter lot verdiend; ik hoorde haar zuchten, toen ik voorbij het kamertje ging, en gevoelde lust om haar te troosten.’
‘En om kennis te maken met Froccard?’ vroeg Rogardo lachende.
‘Indien het was om met hem te vechten, waarom niet?’ riep Wilhelm; ‘ik vind haar zoo lief, dat, als ik wist, dat de oude landlooper gelijk had, toen hij mij zeide, dat ik nader aan den dood was dan hij, ik er eens een kansje op zou wagen, ten spijt van Froccard.’
‘Indien gij uw leven liefhebt, dan laat gij die malle grappen varen,’ zeide Rogardo. ‘De oude leugenaar wist misschien iets van den krijgsraad, die in het leger gehouden zou worden; maar er is voor goed tijding, dat er niets beslist is, zooals wel te denken was; dus slapen wij dezen nacht gerust.’
Een kan met wijn ging van mond tot mond rond; toen zeide Rogardo, die een weinig spraakzamer begon te worden dan anders: ‘Ha! heeft de Tuimelaar u daarvan gesproken, Wilhelm? Ja, jongens! Messire Perrol was voorheen nog driftiger en woester dan nu; de jaren komen ook reeds, en wat de vrouwen betreft, met haar zijn zooveel gevalletjes gebeurd, die een ander de haren zouden doen te berge rijzen, dat ik ze meest alle vergeten heb. Heeft hij u wel eens verhaald van Giulia? Per Bacca! dat is het mooiste nonnetje geweest, dat ik ooit gezien heb. Te Milaan haalde hij haar uit een klooster; maar zij was van vorstelijke afkomst, en dacht dat Mesire Perrol van even edele geboorte was. Zij zag zicn bedrogen, toen zij, in plaats van de vrouw van een voornaam edelman uit Frankrijk, de bijzit werd van een eenvoudigen, ofschoon beroemden condottiero.’
‘Ha! ha! dat was een leelijke misrekening,’ zeide er een lachende.
‘Maar die, bij St. Michiel! niet lang duurde,’ vervolgde Rogardo. ‘De treurigheid van de lieve Giulia beviel den aanvoerder niet; zij was trotsch, en matigde zich een gezag over ons aan, dat lastig begon te worden, toen zij gelukkig ook haar schaker zijn bedrog verweet, en zich tegen hem verzette. Na een hevigen twist gedurende zekeren nacht, kreeg ik den volgenden morgen bevel haar in een overdekte kar of een gesloten wagen naar de plaats van hare bestemming te voeren. Ha! ha! dat was anders dan mij te laten hangen, zooals zij hem verzocht had! en Messire Perrol zeide haar nog, toen wij hem verlieten: Gij hebt mij zoo dikwijls verweten, dat ik u uit uw klooster gelokt heb, dat ik waarlijk niets beters weet, dan u er weder heen te zenden. Vaarwel, Giulia! en bid voor de zonden, die wij begaan hebben; maar als men u inmetselt, zooals ik vrees, dan zal het gebed niet lang zijn. Toen riep hij: “Voorwaarts, Rogardo! naar Milaan! en draag zorg de boetvaardige Magdalena niet te verliezen.”
En bracht gij haar naar hetzelfde klooster terug, waar een vreeselijke dood haar wachtte?’ vroeg Wilhelm.
‘Zeer zeker!’ hernam Rogardo; ‘het was immers de wil van Messire Perrol; ofschoon ik misschien den moed niet zou gehad hebben om het te doen, indien zij altijd vriendelijk was geweest; want zij was zoo schoon en zoo bedroefd, en bad mij zoo dringend haar naar een ander klooster te brengen! maar ik wenschte haar naar den duivel: om voor een goede daad gehangen, zoo niet nog erger, te worden, dat zou al te dom geweest zijn! O! zij was zoo niet bemind als de moeder der Zwarte Bende, en evenwel, waar is zij!... Hei! schuif dien wijn eens wat hier heen!’
De makkers van Rogardo stonden op, toen hij zweeg; zij stelden misschien niet veel
belang in hetgeen hij zeide, of gaven uit voorzichtigheid liever de voorkeur om te gaan slapen; ten minste zij wenschten hem goeden nacht en vertrokken.
‘Nu de kan leeg is, gaan zij heen,’ bromde Rogardo; maar Wilhelm troostte hem
met te zeggen, dat hij nog wat bewaard

had; en toen hij de kan opnieuw had gevuld zette hij ze tusschen
hen beiden in, stookte het vuur op, en zeide: ‘Het is een verdoemd naar
ding, om hier met zuren wijn te zitten; maar zonder wijn is nog ellendiger.
Ha! leven de boorden van den Rijn!’
‘En het schoone land van Italië’ riep Rogardo, en hij antwoordde zacht op een vraag van Wilhelm, die weten wilde, waar Perrol de moeder van de Zwarte Bende het eerst gezien had: ‘Het was op een groot feest, vriend Wilhelm! ten minste als ik mij wel herinner; maar eerst later gaf zij zich aan het schoone kasteel, dat de edelman, die haar had opgevoed, destijds bewoonde, en toen Ganita volgens hare belofte, een zijdeur opende, en Messire Perrol te gemoet snelde, sloot hij haar in zijne armen, en nam den sleutel uit hare hand om de deur voor haar te sluiten, en daarna hem weg te werpen. Doch dit deed hij niet, maar gaf hem ons; en toen Ganita, die hij vóór zich op het paard nam, en die hare armen om hem heen had geslagen, een laatsten blik op het huis wierp, dat zij verlaten had, en waar hare weldoeners woonden, dacht zij zeker weinig aan hetgeen er gebeuren zou. Zoodra was Perrol niet met dat gedeelte van ons, hetwelk hem zou vergezellen, ver genoeg verwijderd, of wij openden de deur, en stormden naar binnen.
“Een onberekenbare buit viel in onze handen, en niemand heeft ooit geweten, dat wij er des nachts geweest zijn; want al wat leefde werd nedergestooten, en de doode lichamen en het geplunderde gebouw, dat op zoovele plaatsen aangestoken werd als maar mogelijk was, verbrandden zonder eenige sporen van onzen strooptocht achter te laten; zelfs Ganita werd er niets van gewaar, voordat Perrol het haar verhaalde, toen na verloop van tijd zijn liefde verdwenen en in haat veranderd was.”
Wilhelm, die zeer nieuwsgierig scheen te zijn, deed nog meer vragen, op welke Rogardo schoorvoetende antwoordde; maar evenwel zeide hij, na gedronken en, zijne muts tusschen zich en het vuur houdende, rondgezien te hebben:
Voor de satan, vriend Wilhelm! waarom hebt gij het niet aan den Tuimelaar gevraagd? want dat zijn halszaken; en voor geen geld wilde ik, dat Messire Perrol reeds gehoord had, wat ik gezegd heb; maar wij zijn alleen: schik wat nader bij en luister. Gij weet, dat de moeder van de Zwarte Bende door ons geëerd en bemind werd. O! het was een goede soort van een wijf, en kundig en gedienstig om een kranken of een gekwetsten ruiter te verplegen; want zij was niet trotsch als Giulia, en beminde Perrol, ofschoon hij haar ruw en koel behandelde, nadat zijn genegenheid, die zelden lang op één voorwerp gevestigd bleef, verdwenen was. Wij waren toen in Frankrijk; en schoon hij haar niet meer beminde, bleef zij bij hem; want hij was aan hare zorg en oppassing gewoon, en wist, dat wij allen haar genegen waren. Walson, die toen reeds bij hem was, vond zeker behagen in haar; want op zekeren dag, dat hij met Perrol zat te zuipen, en ik de wacht had, hoorde ik hem, toen deze aanvoerder in verwenschingen tegen Ganita uitborst, aan dezen voorstellen, haar aan hem af te staan; en na eenige woordenwisseling moest ik binnentreden, en ontving last haar te roepen. Zij kwam, niet wetende wat haar zou gebeuren; en ik hoorde Messire Perrol haar kennis geven, dat zijn luitenant Sir Walson op haar verliefd was, en dat hij haar aan hem had afgestaan voor een paard, dat de luitenant onlangs een Spaanschen edelman ontnomen had, haar bevel gevende om voortaan alle liefde voor hem op den luitenant over te dragen. Ik hoorde haar jammeren en spre-
ken, hem dreigen en vloeken; maar de vrees om ontdekt te worden, weerhield mij zoo dicht te naderen, dat ik alles hooren kon; en spoedig ging de deur van de kamer open, waarin Messire Perrol was, en Ganita nam de vlucht, terwijl Walson den aanvoerder verzocht haar den tijd te geven, om zich te bedenken. Sedert dat oogenblik sprak Perrol haar niet meer toe, en scheen het gebeurde vergeten te hebben; en zooals ik wel verwacht had, stelde Walson tevergeefs alles in het werk, om hare genegenheid te winnen; maar zij bleef bij de bende; want zij beminde nog altijd den aanvoerder, evenals de hond, dien men slaat, en die toch terugkeert: de heidens zijn honden, ha! ha!
Maar op zekeren nacht, toen wij ons in een verlaten klooster gehuisvest hadden, en er dachten te blijven, kregen wij plotseling bevel, in het holst van den nacht op te breken. Toen wij het klooster reeds ver achter ons hadden, zagen wij, dat de vlam onzer wachtvuren het hout moest hebben aangestoken, dat wij bijeenverzameld hadden, en zoodra wij des morgens ons leger bij een dorp opsloegen, verspreidde zich het gerucht, dat de moeder van de Zwarte Bende niet in haar wagen was gevonden, en niemand iets van haar wist. Allerlei gissingen werden er gemaakt: men vertelde elkander in het geheim, dat Messire Perrol en Walson dien nacht meer dan ooit gedronken hadden, en dat de aanvoerder toen zelf Ganita was gaan halen, en haar naar het gewelf gevoerd had, waar Walson hem wachtte; de dat vlammen, die wij gezien hadden, door het getraliede raam van dat gewelf waren te voorschijn gekomen. Sommigen meenden Perrol en Walson het laatst uit het klooster te hebben zien treden, terwijl zij hevig vloekten, en dat de eerste zijn hand met een doek omwonden had, en Ganita verdwenen was. Dit alles maakte, dat niemand durfde vragen waar zij was; te meer, toen Walson bevel gaf den wagen, dien zij gebruikt had, te verkoopen.
Sedert dien tijd ontving Messire Perrol, bij gelegenheid van een feest van vele voorname krijgslieden en edelen,’ vervolgde Rigardo, ‘den bijnaam van Perrol met de Roode Hand, en van dat oogenblik aan draagt hij altijd een handschoen aan zijn rechterhand. Hij, die hem dien bijnaam gaf, ofschoon sommigen vermoeden, dat een edele vrouw hem het eerst zoo genoemd heeft, was de eerste, wien deze naam het leven kostte; en dewijl sedert ook eenige Zwarte Ruiters, alleen om het uiten van dien naam, gehangen zijn, is het beter er niet aan te denken, laat staan er over te spreken.’
Toen Rogardo zweeg, zeide Wilhelm, die met aandacht geluisterd had: ‘Zeg mij eens hoe de Roode Hand er wel uitziet.’ Maar zijn makker, die de kan met beide handen ophief en dronk, zweeg, zelfs toen hij snel de kan weder nederzette; een rilling scheen den man van wapenen te bevangen, terwijl hij langs het vuur met strakke blikken in het vertrek staarde.
‘Wat wil dat zeggen?’ vroeg Wilhelm verwonderd; maar hij ontving toch antwoord, ofschoon zijn makker zweeg; want iemand riep gestreng en dicht bij hem: ‘Het wil zooveel zeggen, ellendeling! dat gij morgen zult worden opgeknoopt!’ Met schrik zag Wilhelm achter zich en hij werd nu Sir Walson gewaar, die over het planken afschutsel heenzag, en, na nog een dreigenden blik op hen geworpen te hebben, vertrok.
‘Morgen wacht u, en mij dus mogelijk ook, het lot om door Froccard te worden opgeknoopt,’ zeide Rogardo somber en wrevelig grimlachende. ‘Voor den duivel! die verdoemde monnik zal wat te doen hebben; he! de oude kerel is er immers ook nog, zoo hij niet verdwijnt, want hij zal dan toch gelijk hebben; morgen wacht u de strop, Duitsche jongen!’
Wilhelm scheen geheel ternedergeslagen; echter vatte hij een oogenblik daarna de kan aan, dronk en riep toen: ‘Indien het zoo zijn moet, dan wil ik ten minste niet sterven, voordat ik de deern gekust heb, die hier gevangen zit, en mogelijk gelukt het mij nog wel vóór den morgen het dorp te ontvluchten.’
Rogardo overdacht ook hetgeen hem te doen stond; maar daar Walson hem niet scheen bedoeld te hebben, wist hij niet of hij blijven of gaan moest, en verwachtte zelfs elk oogenblik eenigen zijner makkers te zien binnenkomen, om hem gevangen te nemen. De verschijning van den luitenant had zijn roes doen verdwijnen, zoowel als allen lust om te drinken, en hij wachtte in een sombere stemming zijn lot af, terwijl zijn makker, door herhaalde teugen te nemen, trachtte te vergeten, wat er was voorgevallen.
Een volmaakte rust heerschte er in het dorp, toen de zuidelijk gelegen torenklok een oogenblik daarna begon te slaan; maar eer de klank van den laatsten slag zich over het verdronken veld verloren had, gaf de noordelijke kerktorenklok ook teeken van leven en antwoordde, en, alsof zij hare traagheid wilde vergoeden, volgden hare doffe slagen spoedi-
ger op elkander, en daarna werd weder alles stil; alleen liet zich nu en dan bij de versperringen eenig gerucht en het toeroepen der schildwachten hooren.
Indien zij, die op de kerktorens de wacht hielden, minder vertrouwd hadden op
de rust van den vijand, en de sterkte van het dorp, of indien traagheid en
lust tot slapen,

hier op dezen post, op welken zij niet zoo gemakkelijk op
plichtverzuim te betrappen waren, hen niet tot zorgeloosheid had verleid,
maar zij voldaan hadden aan hun last om gestadig uit te zien, zouden zij
misschien, niettegenstaande de diepe duisternis, evenwel gezien of liever
vermoed hebben, dat er iets vreemd in den omtrek plaats had.
‘Het was alsof men langs den Wakkerdijk en de Vikevoortsche-steeg, die, voor den opmerkzamen beschouwer, flauw, doch evenwel nog een eind weegs van de ondergeloopen landerijen te onderscheiden waren, iets zag bewegen, dat nog zwarter, of van een andere kleur was dan de dijk en de Steeg, of wel door zijne meerdere hoogte als 't ware een schaduw gaf. Langzaam, doch evenwel gestadig, verdween de kleur van de wegen al meer en meer onder deze nieuwe tint, welke er als een donkere wolk zweefde, zonder dat zij achter zich den dijk of de Steeg weder vrijliet. Het was bij een aandachtige beschouwing, alsof twee slangen het dorp zochten te naderen die zacht langs de Vikevoortschesteeg en langs den dijk voortschuifelden, om het dorp in den slaap te overvallen, en met haar lichaam te omstrengelen en te verworgen. Slechts een zacht en bijna onmerkbaar geluid liet zich hooren; ‘'t was alsof de grond zuchtte onder den last der monsters, die hunne slanke lichamen naar elke bocht van den weg voegden, en bij tusschenpoozen slechts scheen het, alsof er eenig licht terugkaatste van de geschubde huid, die even glad scheen te zijn als het gepolijste staal. Liet die verbazing tijd om ook naar andere plaatsen het oog te richten, dan kon men zien dat reeds aan het einde van de Biersteeg en den Zijdwind uit het donker des nachts ook een aantocht scheen te geschieden; maar deze wezens schenen van een anderen aard; niet gelijkmatig was hun voortgang; somtijds scheen een gedeelte van hun lichaam te verdwijnen, en zich in de watermassa te verliezen; 't was alsof deze watermonsters zich ophielden om onderweg te dartelen en te spelen, en in weerwil van den nacht, hunne vurige huid in het koude water te verkoelen, en in de doorsnijdingen te plassen.
Het was meer dan tijd voor de wachters op den toren om de stormklok te luiden; want ofschoon aan de Vikevoortsche-steeg de voortgang van het monster scheen opgehouden te hebben, naderde de andere slang al meer en meer, en zelfs langs de Meenesteeg werd het dorp bedreigd door een nieuwen vijand, die wel het laatst, maar nu ook met spoed scheen voort te snellen; doch de wachters sliepen op den toren.
Toen was het alsof het monster eindelijk de uiterste versperring aan de noordzijde bereikte, en er zijne tanden inzette, om de stormpalen terneder te halen; maar tegelijk met het kraken van het hout, hoorde men ook het geschreeuw van de bewakers der versperring; plotseling vertoonde zich een vlam; het geluid eener ontploffing rolde over de vlakte en een zware bus werd losgebrand.
Terwijl de ontstelde wacht de klok begon te trekken, en het gekraak der stormpalen zich mengde met het geschreeuw der verdedigers van de werken, vertoonde zich buiten het dorp een klein licht, dat zich hoe langer zoo meer scheen te vermenigvuldigen. Niet lang daarna volgde de eene losbarsting op de andere, en verdoofde elk ander geluid, behalve dat van het lossen der zware bussen, en het naar en eentonig gelui van de noodklok.
Zoodra het geluid van het lossen der bus zich aan het noordelijke gedeelte had laten hooren, riep iemand, die op een groot zwart paard aan het hoofd van een groote bende
ruiters op de Vikevoortsche-steeg, en niet ver van den Wakkerdijk stond: ‘Ziedaar, Goddank! Messire Salazar, die den aanval doet, ga dus vooruit, meester! maar wees voorzichtig.’ Deze woorden schenen zich te richten tot een man, die naast hem stond, en, met de bijl op den schouder, met zijne handen op den zadelboom rustte. Zonder te antwoorden, verliet deze den ruiter, drong door het voetvolk heen, dat vóór de rijzige ruiters stond, plaatste zich aan het hoofd, en riep: ‘Volg mij, mannen van Naarden! vooruit! weg met dat paalwerk!’
Het was de stem van Wouter, die zich welgemoed en zonder vrees vooruitbegaf, en gevolgd door de poorters van Naarden en een gedeelte van het voetvolk der Schaffelaars naar de versperring snelde. Ook aan deze zijde liet zich reeds de alarmklok hooren, en somtijds verhief zich boven dat geluid en het verward geweld, dat aan de andere zijde van het dorp heerschte, het geschreeuw der soldeniers en gevluchte burgers, die toesnelden om de werken te helpen verdedigen.
Een vierkant van stormpalen, dat alleen aan de dorpzijde openlag, en slechts nauwe doorgangen bevatte op den Wakkerdijk, de Vikevoortsche-steeg en de gemeenschap langs de Dragenburger-Graft, werd nu plotseling van drie zijden te gelijk aangevallen; want zoo spoedig als Wouter zijn stem had doen hooren, beantwoordde het volk, dat langs den anderen weg en den dijk was gekomen, zijn geschreeuw en stormde voorwaarts.
De pijlen van hand- en voetbogen snorden nu langs de wegen, de kolfroeren werden losgebrand, en ofschoon de aanvallers buiten het bereik van het geschut stonden, dat op het kerkhof lag, droegen echter de kogels der bussen en slangen van de tweede versperring achter de Graft tot op de Vikevoortsche-steeg, en drongen door de gelederen van de rijzige en andere ruiters, die in een gesloten massa geschaard stonden, en het alleen nu en dan nog omzichtig waagden, een pijl of kogel op den vijand af te zenden.
Ware de verschansing, die nu werd aangevallen, geheel voltooid geweest, en niet onverhoeds aangevallen geworden, dan zou de aanval moeilijker en de verdedigers gemakkelijker, maar ook zeker heviger geweest zijn; want degenen, die er de bestormers te keer gingen, kenden er de onvolledigheid van. De doorgravingen, die er een der voornaamste sterkten van uitmaakten, waren nog zeer ondiep, en bijna zonder verhindering beklom Wouter, trouw bijgestaan door degenen, die met hem waren, de zijde, waar de palen stonden, die nog van geen borstwering voorzien waren.
Nu moest men zich met de eene hand aan een paal vasthouden, om op een anderen
te houwen, of, er tusschen door, den vijand het hoofd te kloven, en zich
zelven te verdedigen; zelfs grepen soms twee of drie mannen denzelfden paal
bij het bovenste einde aan, en rukten dien door de zwaarte van hunne
lichamen naar beneden. De meester

drong het eerst met opgeheven bijl onder het roepen van: ‘Zege!
zege! de verschansing is gewonnen!’ naar binnen, terzelfdertijd bezweek ook
het paalwerk op den Wakkerdijk, en zij die hier gestaan hadden, namen de
vlucht, in de hoop van de tweede versperring te bereiken. Zoodra had men
echter daar niet vernomen, dat de voorpost bezweken was, of de slagboomen
werden gesloten, en met een hevig vuur van roeren en bussen trachtte men de
vijanden te verdrijven.
Door de pijlen en kogels van hun eigen volk ternedergeworpeh, bleef er niets over voor hen, die het onderspit dolven, dan zich in den moerassigen waterpoel te werpen, waar hen een akelige dood wachtte, of zich dood te vechten; sommigen schenen het laatste boven het eerste te verkiezen; en toen al het voetvolk der bende van Van Schaffelaar was binnengedrongen, bood men weldra geen wederstand meer, maar werd Wouter's stem gehoord, die riep: ‘Die mij liefheeft, volge mij! Hoezee! daar is Van Schaffelaar! Waar zijn de Zwarte Ruiters?’
Hetzij om de aanvallers te verkennen of hun afbreuk te doen, wierpen de verdedigers met daartoe dienstige werktuigen, welke misschien veel hadden van de blijden, die door de uitvinding van het buskruit bijna geheel buiten gebruik geraakt waren, brandende stroo- en takkenbossen, ja zelfs steenen over de versperring en binnen de reeds ingenomen verschansing.
De ruiter, die vóór den aanval met Wouter gesproken had, reed nu door de omvergehaalde stormpalen binnen het vierkant; het was Van Schaffelaar, en met zijn oog snel alles overziende, riep hij: ‘Terug, ruiters! schaart u meer achterwaarts, totdat het tijd is om aan te vallen,’ en het volk, dat niet behulpzaam kon zijn in het vermeesteren der verschansing en den eenmaal gewonnen grond niet had willen verlaten, trad achteruit en meer buiten het bereik van het geschut. De kogels floten om den ruiter en het paard, dat evenals zijn meester, ongeduldig naar het oogenblik wachtte om te kunnen vooruitgaan; de pijlen vlogen langs hen heen, of drongen diep in den grond, en brachten nieuwe wonden toe aan de reeds verslagen liggende krijgslieden. Zelfs de zware steenen en ijzeren kogels der bussen van het kerkhof, en de bouten der windasbogen drongen tot hiertoe door; maar het gevecht aan de versperring boezemde hem zooveel belang in, dat hij geen acht gaf op het gevaar, dat hem hier dreigde. Hij luisterde, of hij de stem van Perrol of het veldgeschreeuw der Zwarte Bende ook hoorde; maar het was tevergeefs; het geschreeuw van de aanvallers en de verdedigers vereenigde zich zoodanig met het geklep van de klok en de losbarstingen der slangen en bussen, dat hij niets kon onderscheiden; en evenwel meende hij aan zijn linkerhand bezijden het dorp, over de watervlakte, ook het losbranden van kolfroeren te hooren. Tot zijn bevreemding herkende hij in de mannen, die dood of stervende rondom hem lagen, geene ruiters der Zwarte Bende, en het verwonderde hem, dat Perrol de uitserste verschansing door ander krijgsvolk had laten bezetten, en dat Frank hem dat niet gezegd had.
De gedachte van Maria, die door elk oogenblik tijdverlies des te langer in de handen van Perrol bleef, en de lust, dien hij gevoelde om zelf het zwaard te trekken, deden hem vooruitrijden. Hij zag hoe Wouter, met de mannen van Naarden en een aantal zijner ruiters, halverwege in het water stonden, en met hunne bijlen en koevoeten de versperring trachtten neer te houwen en te verbreken; want hetgeen zij aan rijs en planken hadden medegevoerd, was niet toereikend om de Drakenburger Graft vóór den slagboom te vullen.
‘Sedert het licht is, gaat het niet goed, Jan!’ schreeuwde Wouter, die Van Schaffelaar zag naderen. ‘Zie, daar valt weder een dappere borst; ga in Gods naam terug!’
‘Houd stand, Wouter!’ riep Van Schaffelaar; ‘bij mijnheer St. Maarten! ik zal u laten bijstaan.’ Toen reed hij terug naar de ruiterknechten, die hij had laten achteruitgaan, en riep: ‘Voortgerukt, mannen! tot aan de gracht; de boogschutters vooraan! brengt het vuur van den vijand tot zwijgen. En gij piekdragers! begeeft u te water en beschermt de werklieden!’ Snel, en niettegenstaande er eenigen vielen, rukten de ruiterknechten, die met pieken gewapend waren, tot aan de gracht voort, mengden zich onder de poorters van Naarden en hunne makkers, en volbrachten den last, die hun gegeven was. De voetboogschutters zetten hunne schilden vóór zich neder, legden de pijlen vóór zich, en schoten zoo spoedig mogelijk op het volk, dat de versperring verdedigde. Achter hen stonden de kolfroerdragers, die niets deden dan laden en losbranden, en het vreeselijk geweld en de dichte rook deden hooren en zien vergaan.
Terwijl dit gebeurde, waren de rijzige ruiters ook binnen het vierkant gereden; de mannen van wapenen of lansvoerders stonden vooraan, en daarna de boogschutters en handbusschieters; de eersten hadden hunne helmen gesloten. Vóór hen wachtte Van Schaffelaar met ongeduld, dat de versperringen wijd genoeg geopend zouden zijn, om hen door te laten, Zijn knaap Henri was vlak achter hem; ter zijde van de ruiters stonden de trompetters, en iets meer achterwaarts de trommelslagers, die door het roeren der trommen het leven trachtten te vergrooten, dat vooral in dien tijd tot de kunst van oorlogvoeren behoorde. Een tiental ruiterknechten waren onledig met de opening in de stormpalen op de Vikevoortsche-steeg te verwijden, opdat de legerwagens van de bende, waarin allerhande wapenen en werktuigen waren, de ruiters zouden kunnen volgen.
Eindelijk liet zich een luid vreugdegejuich aan de gracht hooren: ‘Leve Naarden! Schaffelaar val aan!’ klonk het, en het vuur der bisschoppelijke ruiters scheen te verminderen. Toen riep Van Schaffelaar luid, zijn zwaard trekkende: ‘Ter zijde, boogschutters! maakt plaats, ruiters!’ en zij weken ter zijde. ‘Volgt mij, mannen! en zit vast. Schaffelaar val aan!’
‘Van Schaffelaar en St. Maarten! leve van Schaffelaar! de dood aan de Zwarte Bende!’ riepen de ruiters. De trompetters bliezen; de grond dreunde onder de zich snel vooruitstortende geharnaste paarden en mannen; en midden door de kolfroer- en boogschutters, de piekeniers en de poorters van Naarden rijdende, die in de gracht stonden, en die allen, herhaalden: ‘Schaffelaar val aan!’ drong Van Schaffelaar, over de nauwelijks, half gevulde gracht, door den verbrijzelden slagboom. Zijn paard had moeite de overzijde te bereiken, te meer daar men het met hellebaarden en pieken trachtte tegen te houden, en zijne achterpooten in het natte rijs verward bleven; maar toen Moor de sporen voelde, sprong hij voorwaarts, en een houw, welke Van Schaffelaar voor zich en langs de borst van het paard deed, veroorzaakte, dat twee dergenen, die het wilden tegenhouden, nedervielen.
Met gevelde speer volgden hem zijne ruiters, en toen degenen, die de versperring verdedigd nadden, bemerkten, dat het hun onmogelijk zou zijn, het paardenvolk tegen te houden of terug te drijven, wilden zij trachten zich te redden; doch hun aanvoerder riep: ‘Staat vast, mannen van Wachtendonck! sluit aan! sluit aan! legt aan de lont! vuur!’ en de meesten gehoorzaamden. Misschien gaf Van Schaffelaar zelf aanleiding, dat zij het nog beproeven durfden zich staande te houden, en het hun mogelijk werd, zich meer achterwaarts in gelederen te scharen; want toen hij, binnen den slagboom komende, bij het flauwe licht van eenig brandend stroo of rijs gewaar werd, dat zich hier geen enkele Zwarte Ruiter bevond, hield hij onwillekeurig zijn paard terug en zijne ruiters volgden zijn voorbeeld. Maar eer de mannen van Wachtendonck hem met een laag hunner kolfroeren konden begroeten, riep hij, zijne tegenwoordigheid van geest hernemende, doordien de kogels en bouten van het kerkhof zijne ruiters en paarden achter hem ternederwierpen: ‘Voor Van Schaffelaar en St. Maarten! volgt mij!’ en gaf Moor de sporen. De ruiters herhaalden dien kreet, en zij wierpen het voetvolk overhoop, dat toen alleen aan vluchten denken kon.
Met zijne mannen van wapenen de geheele kruin van den dijk beslaande, dreef hij het volk van Wachtendonck en al wat zich hier bevond, voor zich uit. De eene viel vóór, de andere na; maar de meesten liepen bijna zoo snel als de paarden, en trachtten zich naar het kerkhof of binnen de laatste versperring te redden; evenwel was hunne poging vruchteloos. Wie bereikten velen vóór de ruiters den ingang tot het kerkhof; maar deze was reeds gesloten, en ook de versperring op den dijk werd niet voor hen geopend. Doch hun smeeken om den slagboom te openen, duurde niet lang; want de Schaffelaars, die met lossen teugel vooruitsnelden, en spoedig de tusschenruimte tusschen het dorp en den veroverden slagboom hadden afgelegd, bereikten hen, en zij werden letterlijk tegen de versperring verpletterd. Slechts weinigen gelukte het, over de lijken van hunne makkers, die in de doorsnijding gedreven waren, en haar hier met hunne lichamen gevuld hadden, tegen de stormpalen op te klauteren, en zich zoo te redden, ofschoon velen hunner nog door de ruiters, die tot aan de gracht genaderd waren, er met hunne speren werden afgestooten.
‘Terug! leven de schutters van St. Aagten!’ riepen degenen, die achter de versperring stonden en de ruiters werden begroet door een menigte pijlen, welke op hen werden afgezonden; het waren de mannen van Zoest, die om hunne dapperheid en kunde in het boogschieten beroemd waren, en hier medehielpen weerstand te bieden, en op bevel van Van Schaffelaar zwenkten zijne ruiters en keerden terug.

Terwijl zij, die hem gevolgd waren, de kruin van den dijk
schoonveegden, waren een gedeelte der bus- en boogschutters te paard op
degenen afgereden, die zich onderlangs den dijk trachtten te redden, en
hadden hen nedergesabeld, terwijl de ruiterknechten, na het paardenvolk
binnengerukt zijnde, een paar huizen schoon veegden, die aan de linkerzijde
aan de helling van den dijk stonden.
Het hevige vuur, dat er nu van het kerkhof werd onderhouden, waar behalve het voetvolk van het vendel van Dirk van Zuijlen, nog eenige voetknechten van Wachtendonck lagen, en onder meer anderen de mannen van Bunschoten, die om hun moed en hunne strijdbaarheid beroemd waren, had Van Schaffelaar genoodzaakt, zijne ruiters weder achteruit te doen gaan. Wouter snelde hem
nu reeds voorbij naar de laatste versperring en riep: ‘Wij zullen die ook onder den voet werpen, Van Schaffelaar! en dan is Eemnes gewonnen.’
‘Doe zoo, meester!’ riep hem Van Schaffelaar na: ‘o, de tijd valt mij zoo lang.’ Toen reed hij naar zijne ruiterknechten, die nieuwe bevelen wachtten, en gelastte hun om, evenals te voren, gedurig de bezetting van het kerkhof en de versperring met hunne kogels en pijlen te verontrusten.
‘Henri!’ zeide Van Schaffelaar toen tot den knaap, die getrouw bij hem gebleven was; ‘ik ben over u tevreden; maar zie nu eens, dat gij van één der ongelukkigen, die daar liggen en misschien nog niet allen dood zijn, verneemt, waar Perrol gebleven is.’
De knaap stapte af, en Van Schaffelaar reed snel terug, en door de veroverde versperring naar buiten, om te zien, of het krijgsvolk van het leger, dat zijne bende zou volgen, nog niet was aangekomen. Tot zijn vreugde was het er reeds, en hij verzocht de aanvoerders hun volk te gelasten, het kerkhof aan alle kanten aan te grijpen. Als een vaste burcht en vooral ontzagverwekkend door zijn hooge ligging en de menigte windasbogen, bussen en slangen, die er op lagen, bestreek dit kerkhof den geheelen dijk en de versperring, die nu nog moest veroverd worden; en ofschoon zijne mannen van wapenen zoo ver achterwaarts stonden als mogelijk was, zoo hadden zij evenwel nog veel te lijden van de zware bouten der windasbogen, die met meer juistheid geschoten werden dan de kogels der bussen, en die zijne mannen, in weerwil van hunne harnassen, kwetsten of deden sneuvelen.
Bij tusschenpoozen hoorde hij nu ook weder aan zijn linkerzijde het geluid van vuurwapenen, en hij zag nu en dan op eenigen afstand het licht der losbarstingen.
Henri vervoegde zich nu bij hem, en zeide: ‘Heer! ik heb een hunner aangetroffen, die nog kon spreken; hij heeft mij gezegd, dat die van de Zwarte Bende op het ander einde van het dorp liggen; zij zijn vóór den middag van kwartier veranderd.’
Van Schaffelaar antwoordde niet; maar sloeg met zijn vuist op de dijstukken van zijn harnas, en de gedachte, dat Maria aan het andere einde van het dorp was, en dat een ander Perrol zou bevechten en misschien nedervellen, vervulde zijn hart met droefheid en toorn. Het ongeluk, dat hem scheen te vervolgen, maakte hem bijna radeloos, en zelfs de afwezendheid van Frank, die niet was teruggekomen, kwam zijn ongerustheid nog vermeerderen. ‘Hij weet,’ dacht hij, ‘dat wij zullen aanvallen, ten minste hij kan het vermoeden, en hij is er niet. Zoo hij nog leeft, zoo Perrol geen welbehagen gevonden heeft, mijn vriend voor het oog van mijn ongelukkige bruid te vermoorden, dan kan elk oogenblik verzuim hem het leven kosten. “Maria!” riep hij luid, “Maria! zal ik nog tijdig genoeg komen om u te redden, of zal mij niets overblijven dan van droefheid te sterven, al hebben wij de zege?”
De overdenkingen, die snel voor zijn geest opkwamen, en de woorden, die hij halfluid uitriep, werden op eens afgebroken door de voetstappen van een menigte lieden, die van de zijde der versperring haastig naderden. “Geeft acht, mannen!” riep hij snel, en hield zich gereed om Moor de sporen te geven, en zijn slagzwaard op te heffen; want hij wist niet, of de vijand het waagde een uitval te doen, of dat het zijn eigen volk was, dat terug werd gedreven. Niet lang duurde zijn onzekerheid; want Wouter trad uit den rook op hem toe, gevolgd door degenen, die onder zijne aanvoering werkzaam geweest waren, en zeide: “Ik heb nog geen Zwarte Ruiters gezien; maar ik zou toch zeggen, dat zij den slagboom verdedigen. Misschien is Perrol op het kerkhof; want hun vuur is niet te verdragen. Hier zijn wij terug; het zou voor God niet te verantwoorden zijn, deze dappere mannen langer nutteloos bloot te stellen; bij St. Eloy! Van Schaffelaar! de moed helpt hier niet.”
“Ha!” riep Van Schaffelaar. “Maar neen, Wouter!” vervolgde hij, “Perrol is hier niet; hij zou zoo lafhartig niet geweest zijn, ons de versperringen te hebben laten nemen, en deze ongelukkigen terneder te laten houwen, zonder een uitval te doen om ons terug te werpen, en de werken te hernemen. Maar wacht, meester! weldra zullen de bijlen van deze dapperen dat paalwerk ternederhouwen: dat vuur moet ophouden, al zouden mijne rijzigers afzitten, en het kerkhof met storm veroveren.”
Toen verhief hij zijne stem, en riep snel en bevelend: “Heidaar! weg met de duisternis!” steekt die huizen in brand! Bij St. Maarten! Van Schaffelaar zal vechten bij het licht van de vlam!’ Terwijl zijn last volbracht werd, reed hij terug naar het voetvolk van het leger, dat vooruitgerukt was, en waarvan de voorsten zich vergenoegden op het kerkhof
te vuren, met hunne roeren en de slangen, die bij de verschansing waren vermeesterd, maar ook niets meer deden.
‘Bij God! Heeren!’ riep Van Schaffelaar tegen de aanvoerders, ‘had ik u niet verzocht dat kerkhof te overmeesteren? gij verspilt tijd en kloverkruit; ziet gij niet, dat mijne rijzigers allen zullen omkomen, indien dit niet verandert? want de poorters van Naarden hebben reeds de wijk moeten nemen; het is hier op den dijk niet te houden. Keert naar uwe kwartieren terug, indien gij het lijf niet wagen durft, en wij zullen hier alleen sterven of alleen de zege behalen. Indien gij niet vooruitgaat, dan zal ik afstijgen; maar mijne rijzigers zijn niet geschikt den wal te beklimmen. Bij mijnheer St. Maarten! wat zult gij zonder paardenvolk uitrichten, als ik en mijne mannen er niet meer zijn zullen?’
‘Wij verlangen niets liever, Heer! dan het kerkhof in te nemen,’ antwoordde één hunner; ‘maar het vuur der slangen is zoo hevig, en de bouten vallen zoo dicht, dat...’
‘Dat alleen een algemeene aanval kan helpen,’ hernam Van Schaffelaar, hem in de rede vallende; ‘loopt storm en het vuur zal ophouden!’ en hij riep met verheffing van stem: ‘Vooruit, mannen! vooruit het voetvolk! de voornaamste buit is op het kerkhof! vooruit met de stormladders! Holland! valt aan!’
De stem der aanvoerders herhaalde dezen wapenkreet, en zelven het voorbeeld gevende, snelden zij nu zonder vrees te midden van kogels en pijlen vooruit.
‘Dat zal helpen, Wouter!’ zeide Van Schaffelaar, bij hem stilhoudende, ‘en wij zullen weldra met vrucht kunnen vooruitgaan. Zoek een scherpe bijl voor mij uit, en ik zal met u gaan.’
Maar de meester antwoordde snel: ‘Neen, Jan! dat nimmer; denkt gij niet dat
Wouter evengoed als gij de bijl kan voeren? Maria is mijne dochter; ik waag
met vreugd mijn leven, één van ons beiden is genoeg, blijf met uwe mannen
van wapenen. Indien ik val, zal ik gerust sterven, vertrouwende, dat gij uwe
bruid zult terugvinden, zooals hare moeder haar in uwe armen naar het altaar
zou gevoerd hebben, en nog waardig om uwe

echte vrouw te worden; in alle gevalle, Van Schaffelaar! kust haar
en Martha voor mij. Ik groet u, Jan!’
Van Schaffelaar drukte hem de hand; maar zijn hart was te vol, hij kon niet antwoorden. Ook de meester onderdrukte de angstige gewaarwording, die zijn ruw gemoed had aangegrepen, en hij riep met een sterke stem: ‘Zullen die knapen van Zoest en de schobbejakken, die achter de palen staan, nog langer naar ons wachten? Neen! vooruit, mannen van Naarden! volg mij! ditmaal breken wij er door. Naarden en Van Schaffelaar vooruit!’
Met verschen moed snelde hij nu voorwaarts, gevolgd door degenen, over wie hij zich door zijn bedaarden moed en zijn handigheid met de bijl een zekere soort van gezag had verworven, en Van Schaffelaar zond hem nog ter versterking een hoop Gooilanders achterna, die juist met den vader van Kars aan hunne spits langs hem heen trokken. Een oogenblik daarna kon hij alles goed overzien; want de huizen stonden in volle vlam, en een helder licht verspreidde zich over de plaats van het gevecht, welke tot nog toe zoo duister geweest was. Met meer zekerheid vielen nu slagen en schoten; het gevecht was schrikwekkend, maar zoo akelig niet als te voren, want zag men al zijn vijand, men zag ook zijn vriend en wapenbroeder aan zijn zijde of in zijn nabijheid strijden.
Met vreugde zag Van Schaffelaar, dat het volk, ofschoon wat laat, evenwel met moed en beradenheid tot den storm gesneld was, en dat hunne aanvoerders aan hunne spitsen streden. Het was zoo gemakkelijk niet het kerkhof te bereiken, dewijl de hoogte, waarop de kerk lag, rondom door het water omgeven was, dat, ofschoon niet diep, evenwel niet waadbaar was door de drassigheid
van den grond en de voorzorg der vijanden; want die het beproefden, zakten tot hun middel in de weeke en modderige aarde. Zij hadden echter deze verhindering overwonnen, door het hek, dat op den smallen dam stond, welke naar het kerkhof leidde, in weerwil van het vuur der slangen, omver te halen, en waren over den dam achter elkander voortgerukt, zich voorts onderlangs het kerkhof uitbreidende, waar de meerdere hoogte van den grond weinig, doch evenwel nog eenige ruimte aanbood om te staan.
‘Oostenrijk en Bourgondië!’ riepen de soldeniers, ‘Holland! Holland!’ de poorters en schutters der steden. ‘Valt aan! loopt storm!’ klonk het, en elke afdeeling trachtte door het noemen van den naam der stad, waar hij woonde, den aanvoerder, onder wien hij diende, of den beschermheilige, onder wien zijn gild zich geplaatst had, zijn eigen moed te versterken, en dien der vijanden te doen dalen; maar deze bleef hun niets schuldig; ook op het kerkhof, zoowel als daar buiten, roerde men de trom.
‘Terug, voor Zuijlen! Utrecht en Wachtendonck!’ riep men van binnen, terwijl men dapper weerstand bood, en uit alles bleek, dat zich hier een dapper man bevond, die de verdediging bestuurde. Het was de maarschalk van Eemland, die gehoopt had, dat men de eerste werken beter zou verdedigd hebben; hetgeen ook wel gebeurd zou zijn, indien Willem van Wachtendonck en Dirk van Zuijlen, in plaats van te Utrecht, zich aan het hoofd van het gedeelte huns volks, dat hier lag, bevonden hadden; zij hielden zich liever te Utrecht op, te meer daar Eemnes voor onneembaar werd gehouden, en Perrol er een gezag voerde, dat zij hem niet konden of wilden betwisten, maar dat hun evenwel niet aangenaam was.
Het vuur der bussen en slangen, ofschoon thans minder hevig, hield evenwel nog niet geheel op, terwijl de huizen brandden en de rook in dikke wolken rechtstandig opsteeg, dewijl er bijna geen wind was. Het kerkhof vertoonde een vreemd schouwspel: de verschillende wijze van wapening en de scherp afstekende kleuren der kappen en wapenrokken der aanvallers waren nu zichtbaar. Men richtte de stormladders op en beklom ze, en een luide kreet ging er op, als de verdedigers die van den muur of de palen afstieten en deden omvallen. Zij, die met het hoofd vooruit in den modderigen plas vielen, bewogen meest zonder vrucht hunne armen of beenen, en kwamen om, zonder het hoofd te kunnen oprichten of een kreet te laten hooren, die de vloeistof, welke hen omringde, kon doordringen. Degenen, die gelukkiger nedervielen, trachtten den vasten grond weder te bereiken, en hun geroep om bijstand deed zich veeltijds boven het veldgeschreeuw hooren; want reeds opnieuw was de stormladder opgericht. ‘Naar boven, vrome mannen! Oostenrijk en Bourgondië! valt aan!’ riepen hunne aanvoerders, en van alle kanten werd het kerkhof bedreigd. Somtijds zag men geen verdedigers achter de stormpalen, en dan was het alsof dit gedeelte door hen verlaten was; maar weldra werd men beter onderricht: hunne door den strijd verhitte aangezichten vertoonden zich juist op het oogenblik dat hunne vijanden dachten hun doel te bereiken; dan borsten er eenige handbussen of een slang los; hellebaarden en spietsen drongen tot menschenlengte buiten de palen; dan klonk het: ‘Terug voor Zuijlen! terug voor Bunschoten!’ en de beklimmers lieten zich van de stormladders vallen, of werden met deze achterover geworpen. De kerk, aan den heiligen Petrus gewijd, zoowel als de toren, waren in den kruitdamp gehuld, en slechts nu en dan zichtbaar, terwijl de noodklok nog altijd geluid werd. De versperring was in een gestadigen kruitdamp verborgen; Van Schaffelaar kon dus niet zien, wat dáár voorviel; evenals bij de reeds vermeesterde, stonden zijne boogschutters en busschieters er voor, en schoten met pijlen en kogels op de verdedigers. De vijanden stonden vlak tegenover elkander. De Schaffelaars volbrachten zonder morren hetgeen hun was bevolen; maar ook de mannen van Eemnes stonden onwrikbaar. Nu en dan echter zag Van Schaffelaar zijne mannen staan, als de damp meer optrok; maar dan zag hij ook een kleine beweging in hunne gelederen, en hij hoorde de slangen lossen, die achter de borstwering van den slagboom op hunne raderen of balken lagen, en de kogels drongen tot hem door, woelden den grond voor de pooten van zijn strijdhengst om, en deden de aarde en het slijk om hen heen spatten.
Elk dezer verderf verspreidende stukken steen of ijzer kostte hem eenigen zijner ruiters; een er van was genoeg om hem terneder te werpen, en dan zag hij Maria nimmer meer. Maar hij dacht er niet aan; voor zich zelven gevoelde hij geen vrees: zoo menigmaal was hij in den strijd gegaan, dat hij, hoe verschrikkelijk het gevecht ook was, geen vrees gevoelde dan voor den vader van zijn bruid, en over de langdurigheid des wederstands. De
werkeloosheid, waartoe hij zich gedwongen zag, griefde hem erger, dan een vijandelijke pijl of kogel zou gedaan hebben.
Zijne mannen van wapenen, die achter hem stonden en de vizieren van hunne helmen hadden geopend, zagen bedaard naar de bestorming van het kerhof; zij hadden nu weinig meer te lijden, daar de meeste windasbogen en bussen tot werkeloosheid schenen gedoemd te zijn; en zoo al eens een bout of kogel door hunne gelederen heen drong, dan kon die wel een dezer met ijzer bedekte mannen en paarden ternederwerpen, doch de overigeu niet verhinderen onbeweeglijk te blijven staan.
Wat de boogschutters en de handbusschieters te paard betreft, deze stonden langs den dijk aan het water, dat vóór het kerkhof was, en de pijlen hunner kruisbogen en de kogels hunner bussen, welke op een vork vóór op den zadel lagen, en tegen hunne borstharnassen steunden, drongen over het water tusschen de stormpalen door, en kwetsten of doodden de beschermers van het kerkhof.
Van Schaffelaar dankte God, dat de versperring vóór het kerkhof, aan den ingang van het dorp, nog zoo geheel onvoltooid was geweest, dat men er niet eens aan had kunnen denken haar te verdedigen. Terwijl hij er een blik op wierp, dacht hij aan de droevige gevolgen van den oorlog; want tegen een der stormpalen leunde een vrouw, die waarschijnlijk op die plaats, zoo dacht hij, den dood gevonden had. Doch toen hij haar met meer opmerkzaamheid beschouwde, zag hij hare oogen, die vlammen schoten en het gevecht gadesloegen, en hij hoorde haar wild lachen, als de ladders vielen, of het geschreeuw zich verhief; hij vermoedde dus, dat zij van angst en van vertwijfeling zinneloos geworden was. Zijne mannen van wapenen dachten zeker hetzelfde, en zagen nu en dan naar het wijf om, dat wild het hoofd schudde en nu en dan duivelsch lachte.
De slagboom, met de doorgraving daarvóór, was met het kerkhof verbonden door
een rij stormpalen, die tot aan den muur van het kerkhof reikte en met een
borstwering van dikke delen voorzien was. De meester uit de
Vergulde Helm, die dit had opgemerkt, had, toen hij voor de tweede
maal vooruitging, niet aangevallen op den slagboom zelven, maar op deze
verlenging: onder het kerkhof was hij meer buiten het bereik van het geschut
geplaatst, en het water was hier ook zoo diep niet. Daar stond hij met de
poorters van Naarden, terwijl de Schaffelaars en de Gooilanders meer op den
dijk den aanval deden, en achter hen de ruiterknechten, die met den vijand
schutgevaarte hielden. Tot aan de

knieën in het water staande, hieuw hij met zijn bijl krachtig op
het hout neder; dan eens moedigde hij degenen aan, die met hem waren, of
riep den bijstand van St. Eloy in, of hij sprak den naam van zijn dochter
uit; en hij die den vader hier zag staan, en het gevaar zag, waaraan hij was
blootgesteld, kon bijna niet twijfelen, of zijn beschermheilige en de
Heilige Maagd hadden hem in hunne hoede genomen.
Op eens zag Van Schaffelaar een groote beweging onder zijn ruiterknechten, en zij staakten hun vuur: eenige sprongen van Moor brachten hem naderbij, en de kreten van: ‘David en St. Maarten! Van Schaffelaar en Naarden!’ vervulden zijn hart met een blijde hoop. Snel, en man aan man gesloten, drongen zijne ruiters vooruit langs den slagboom en naar de plaats, waar Wouter gestaan had, en langzamerhand verdween deze juichende en dreigende hoop door de nauwe opening, die aldaar in de stormpalen was.
Een vreeselijke verwarring heerschte er van binnen; hij zag er de bijlen en wapens schitteren; woedend werd er gestreden, en hij hoorde het veldgeschreeuw der poorters van Naarden, die langs de stormpalen naar den slagboom zochten door te dringen. De verdedigers wendden nu al hunne krachten aan, om de opening weder te bereiken en te stoppen; hij zag de half witte en half groene kaproenen der boogschutters van Zoest, die hem, onder het aanroepen van hun beschermheilige, St. Aagten, met hunne pijlen begroetten en hem deden terugkeeren. Doch zijne hoop was levendig geworden; hij zag met een blij gelaat naar het kerkhof, en werd niet gewaar, dat een kogel van een zware bus juist over den weg werd geschoten op de plaats, die hij zooeven verlaten had, en aan de andere zijde van den dijk een geknotten wilg vanéén deed splijten; want de vrouw, die hij vroeger
gezien had, snelde hem voorbij, en hij zag hare zwarte gedaante en hare muts tusschen de stormpalen verdwijnen.
Geen der ruiters, die te voet dienst deden, was nu meer te zien; zij, die nog leefden, waren naar binnen gedrongen. Terwijl nu binnen den slagboom het gevecht voortduurde, en de bestorming van het kerkhof nog zonder vrucht gebleven was, daar de weinigen, die over de stormpalen hadden kunnen geraken, er ook den dood gevonden hadden, vernam men een geschreeuw van angst en verwarring, dat boven alles gehoord werd. Ook Van Schaffelaar deed een uitroep, maar van vreugde; zijne oogen fonkelden, en zijne ruiters riepen, hunne speren schuddende: ‘Leve Van Schaffelaar!’ De klok, die onafgebroken geluid had, begon hoe langer hoe sneller te kleppen. Een vreeselijke verwarring scheen er op het kerkhof te ontstaan; en alle bussen en slangen zwegen als door een tooverslag; het was alsof men, te midden van uitroepen van angst en vertwijfeling, het veldgeschreeuw van Van Schaffelaar hoorde, vermengd met den klank der wapenen en een hevigen strijd. Luid hief het krijgsvolk van het leger, hunne onderscheiden wapenkreten aan en hervatte met meer kracht dan ooit den storm; maar ditmaal was er niemand om hen tegen te houden: de een voor, de ander na klom langs de ladders naar boven en over de palen; zij lieten zich met de wapens in de vuist er langs afzakken; zelfs degenen, die, omdat zij gekwetst waren, zich verwijderd hadden, keerden weder terug om deel te hebben aan den buit. Al minder en minder werd het geweld op het kerkhof, en weldra hoorde men er niet dan het vreugdegejuich der overwinnaars.
De ruiterknechten van Van Schaffelaar waren niet zoodra binnen de versperring gedrongen, of zij, die hen aanvoerden, deden hen rechtsaf langs het kerkhof gaan, dat zij van achteren gemakkelijk beklommen. Toen zij dit eenmaal bereikt hadden, vielen zij onverhoeds op de hen niet verwachtende vijanden aan, die zij met hunne windasbogen, bussen en slangen nedervelden. Een oogenblik nog vereenigden zich de verdedigers; om zich te weer te stellen; maar toen de muur van alle kanten beklommen werd, was het gevecht spoedig gedaan; degenen, die de vlucht konden nemen, trachtten zich te redden naar de zijde van het dorp, of in het water naar de zijde van de Eem, en Van Schaffelaar hoorde de losbarstingen der slangen, die over de watervlakte rolden, waarmede men den vluchtenden vijand in het water vervolgde.
Het licht begon nu sterk te verminderen, dewijl de vlam, die de daken der huizen verteerd had, weinig voedsel meer vond in de wanden, die meest uit zoden van kleiaarde waren samengesteld. Ook de noodklok hield nu op te luiden; 't was alsof hij, die haar trok, verhinderd was geworden den laatsten ruk aan het touw ten einde te brengen; want de laatste slag was zwak, als de woorden van een stervende, en evenwel hoorde Van Schaffelaar nog gerucht boven op den toren. Luide kreten, evenals die van een mensch, die door razernij beheerscht wordt, vervingen den klank van het welluidend metaal, en vereenigden zich met den vervliegenden laatsten klank, en hij zag eenige zwarte massa's, die, ronddraaiende, van den omgang vielen en doffe slagen gaven, toen zij op het kerkhof nederkwamen. Het was alsof de beelden, die aan den toren stonden, uit hunne nissen naar beneden sprongen, uit smart dat het kerkhof was ingenomen, of uit verontwaardiging dat het gebouw, hetwelk misschien hun ter eere gebouwd was, en buiten hetwelk zij jarenlang lijdzaam in regen en wind hadden gestaan, zou ontheiligd worden.
Zoodra het Wouter gelukt was, de palen, die hem tegenhielden, te vernielen, drong hij naar binnen, gevolgd door degenen, die met hem waren. Hij liet evenwel de ruiters alleen het kerkhof beklimmen, en terwijl deze de bussen zouden doen zwijgen, en daardoor Van Schaffelaar de gelegenheid geven, om zonder gevaar met zijne rijzige ruiters te naderen, wilde hij beproeven, om nog vóórdat de ruiterknechten terugkeerden, den slagboom te openen. De op hem aandringende hoop liet hem ook geen andere keus dan met moed zijn voordeel te vervolgen; want trad hij door de stormpalen terug, dan gaf hij de opening weder verloren, die zooveel bloeds gekost had, en het was te vreezen, dat, wanneer die van Eemnes te gelijk met de ruiters op het kerkhof verschenen, dit gedeelte der bende van Van Schaffelaar zou doodgeslagen worden.
Gering was het aantal der mannen van Naarden en van Gooiland in vergelijking met dat der vijanden, die, een dreigend geschreeuw aanheffende, hen zochten te omsingelen. Geene bogen of roeren konden in dit gevecht van man tegen man dienen; zwaarden, bijlen, strijdhamers, pieken, hellebaarden, morgensterren en vele andere soorten van
wapenen of werktuigen, die zeer geschikt waren om iemand te dooden, werden gebruikt. De eerste vijand, tegenover wien Wouter zich geplaatst zag, was iemand, die even sterk scheen als hij. Zijn hals en zijne armen waren, niettegenstaande de koude, geheel bloot, en evenals zijn aangezicht zwart van den damp der bussen en van het donderkruid; het was de Utrechtsche smid, die hier het geschut hielp bedienen. Hij scheen verwonderd, toen hij Wouter herkende, en riep luid: ‘Gij hier, Wouter?’
‘Gelijk gij ziet, meester!’ hernam deze.
‘Wat doet gij hier, verrader?’ vroeg de andere dreigend, en sloeg ook de linkerhand aan de greep van het breede zwaard, dat hij in zijn rechter hield.
‘Ik zoek mijne dochter,’ antwoordde Wouter, over een voetknecht heenspringende, die stervend vóór zijne voeten was nedergevallen.
‘Zeg liever den dood,’ schreeuwde de Utrechtsche smid; en toen Wouter lachte, en de bijl vast in de hand greep, gaf gene hem een houw over het hoofd. De kracht, waarmede hij het breede zwaard deed nederdalen, had naar zijn gedachten den stormhoed moeten doen scheuren, en het lemmer in het hoofd van zijn vijand doen dringen; daarom riep hij toornig: ‘Verdoemde stormhoed!’ toen de ijzeren platen den slag weerstonden, en het zwaard, dat omsloeg, wel op den schouder van Wouter, doch slechts met het platte van het lemmer nederkwam.
‘Dien heb ik zelf gesmeed, meester!’ hernam de vader van Maria snel, en reeds was de bijl opgeheven. Zijn tegenpartij, zeker niet veel vertrouwende op den ketelhoed, dien hij droeg, boog zich en week ter zijde; maar de nauwe ruimte, waarin men vocht, liet hem geen plaats genoeg over, en het scherpe van de bijl trof hem in den hals. Ofschoon dit wapen reeds zooveel dienst gedaan had, scheelde het weinig, of het hoofd was geheel afgehouwen; alleen aan ééne zijde bleef het nog verbonden aan het lichaam, evenals een dekstel door het scharnier aan een doos; en de man, die onvermoeid de bussen bediend had, en een voorbeeld van kracht geweest was, viel, zonder dat er iets van zijn lichaam bewoog als een steen op den grond, die reeds met zijn bloed bedekt was.

‘Vooruit mannen!’ riep Wouter: ‘wij overweldigen den slagboom,’ en
luid schreeuwende hernieuwden de mannen van Naarden en het Gooiland den
aanval. ‘Terug voor Eemnes, Zuijlen en Utrecht!’ antwoordden de verdedigers,
en welke moeite de meester ook aanwendde, om langs de stormpalen den
slagboom te naderen, het was onmogelijk. Helaas! hij vreesde zelfs in het
einde genoodzaakt te zijn om terug te gaan; want de klok klepte nog,
ofschoon de bussen gezwegen hadden, en men vocht nog op het kerkhof, zoowel
als aan de versperring op de Biersteeg.
Maar gehoorzaam aan de bevelen van hunne aanvoerders, keerden de ruiters van Van Schaffelaar terug, zoodra zij zagen, dat hunne hulp niet meer op het kerkhof noodig was; de genegenheid, die zij Van Schaffelaar toedroegen, sprak sterker in hun ruw, maar moedig hart, dan de liefde tot den buit, die den krijgsman van dien tijd zoo licht verleidde. Zij herinnerden zich, dat zij hem beloofd hadden, zich niet van hunne banier te verwijderen, voordat de overwinning behaald was, en dat hij toen gezegd had: ‘Mannen! dan ben ik gerust; gij zult mij niet alleen tegenover de Zwarte Bende laten staan, en zoo het Gods wil mocht zijn, dat de Roode Hand mij nedersloeg, dan zal mijn banier daarom niet vallen, en het zal toch zijn: zege voor St. Maarten en de Schaffelaars! - als de zwarte banier in het stof zinkt.’
‘Het kerkhof is gewonnen! terug voor Van Schaffelaar!’ riepen zij, terwijl zij zich langs den muur lieten nedervallen, en tot bijstand van Wouter toesnelden. Nu was het de beurt voor die van Eemnes om te aarzelen; juichend drong het door die overwinning opgewonden volk vooruit, en daar er zich geene onder hunne vijanden bevonden, die beter gewapend waren, streden zij meest altijd met voordeel.
Reeds hadden zij een eind weegs grond gewonnen, en de verdedigers van de versperring tot boven op den dijk teruggeslagen; wel boden de verdedigers van Eemnes nog een dapperen weerstand; maar een sombere stilte heerschte onder deze. Zij stonden pal, stieten
hunne vijanden terneder, of ontvingen zelve den laatsten slag; doch zij juichten niet meer; want de klok zweeg. Het bolwerk, dat den weg bestreek, was bezweken, en reeds hoorden zij het gebriesch der paarden voor den slagboom, en zagen op geringen afstand de dreigende gedaanten der rijzige ruiters, terwijl zij geen gelegenheid hadden om een enkele bus op hen te lossen.
Toen liet zich de stem van Van Schaffelaar hooren; hij moedigde zijne ruiters aan, een laatste poging te doen, om hem den toegang te verschaffen. Luid herhaalden zij den wapenkreet van hun aanvoerder; ook de dappere poorters van Naarden wedijverden met hen, om deel te hebben aan de zege; zij trachtten den dood van zoovelen hunner, die voor Eemnes gevallen waren, te wreken, en andermaal werden de vijanden teruggedrongen. Maar op eenmaal ontstond er een beweging onder het volk, dat samengepakt op den dijk stond; de hoeven van een paard lieten zich hooren; de steenen, die hier en daar op den dijk lagen, werden in den grond getrapt of verbrijzeld, en toen een paar ruiters van Van Schaffelaar, die juist de toortsen ontstoken hadden, om de sluiting van den slagboom beter te kunnen onderscheiden, die toortsen boven hun hoofd heen en weder bewogen, zag men een der Zwarte rijzige ruiters, die midden onder de mannen van Eemnes den teugel zijns paards inhield. Zoo snel was de kracht geweest, waarmede hij zijn ros had aangezet, dat man en paard dreigden achterover te vallen, toen zij stilhielden. Weldra richtte zich echter de krachtige strijdhengst met een edelen zwier weder op. De door elkander wemelende massa voetknechten en andere mannen, scheen een woelende zee, waarin zich het paard, evenals een schip bewoog, dat nu eens met zijn voor-, dan weder met zijn achtersteven, in het zilte nat verdwijnt, maar zich weder statig opheft; de ruiter scheen den mast, die, lang en buigzaam, echter al de bewegingen van den bodem volgt, welke van hem zijn voortsnellende kracht ontleent.
Een oogenblik was het gevecht minder hevig, en de Zwarte Ruiter wierp een snellen blik op de verschansing, naar het kerkhof, op de vechtenden en op de harnassen, die aan de andere zijde van de versperring het licht der toortsen terugkaatsten; toen riep hij krachtig, doch met een vreemden tongval: ‘Staat vast, mannen! staat vast! de Zwarte Bende komt de slagboomen hernemen.’
‘De Zwarte Bende komt den slagboom hernemen! leve Perrol! valt aan, Zuijlen, Utrecht en Eemnes!’ schreeuwden degenen, die hem hoorden, en terwijl hij zijn paard liet zwenken, en, even spoedig als hij gekomen was, terugkeerde, drong de dichte hoop voorwaarts. Hun moed herleefde; de klok, die aan de andere zijde van het dorp nog altijd geluid werd, deed hen vermoeden, dat de vijand daar geene voordeelen behaald had; in hunne gedachten zagen zij reeds Perrol met zijne ruiters opdagen, den slagboom geopend en de ruiters van den Bisschop tot buiten de uiterste verschansing teruggeworpen, terwijl zij het kerkhof hernamen.
Van alle zijden kwamen er nu verdedigers aansnellen; ieder, die maar een hooi- of mestvork, een knuppel of een zeis had, was goed genoeg gewapend; en Wouter en de ruiters verloren veel van hun voordeel, ofschoon hun geschreeuw van: ‘Weg met de Roode Hand! de dood voor de Zwarte Ruiters! leve de Schaffelaars!’ te kennen gaf, dat hun moed niet verflauwd was.
Van Schaffelaar, die de plunderzucht der soldeniers en poorters vervloekte, welke, in plaats van het kerkhof te verlaten, zich onledig hielden met de in de kerk geborgen goederen te vermeesteren, en, doof voor de bedreigingen en bevelen hunner aanvoerders, geweigerd hadden zich dadelijk na hunne overwinning in het dorp te begeven, bedacht wat hem te doen stond; want hij had, zoo hij meende, gehoord, dat Perrol en zijne ruiters vast naderden. Doch juist toen hij wilde gaan zien, of de opening in de stormpalen wijd genoeg was om een paard door te laten, verhief zich aan zijne linkerzijde op de Biersteeg, terwijl aldaar het schieten met kolfroeren ophield, een vreeselijk geschreeuw en gerucht, dat den Wakkerdijk scheen te naderen en zijne hoop deed herleven.
Terwijl dus Wouter zich niet eens kon staande houden, en de toegezegde hulp van Perrol nieuwe krachten scheen gegeven te hebben aan zijne vijanden, die, als uit den grond opkomende, met dichte drommen naar de verschansing stroomden, werd ook zijn oor getroffen door het geschreeuw tegenover hem op de Biersteeg. Een opééngedrongen hoop mannen kwam met vervaardheid snel door de versperring aan het einde van de Biersteeg, aan den voet van den Wakkerdijk, tegen de kruin oploopen, en drong als een wig in de daar vereenigde mannen, zoo zelfs dat deze aandrang de ruiters ook weder
deed terugwijken; maar tevens hoorde men roepen: ‘Vlucht, vlucht! de Biersteeg bezwijkt! de vijand volgt ons op de hielen!’
Toen ging er een algemeen gejammer op. ‘Vlucht! vlucht!’ klonk het van alle zijden; zelfs Wouter en de ruiters hieven dezen kreet aan. Een der aanvoerders van de verdedigers riep gebiedend: ‘Volg mij! Zuijlen vooruit!’ en drong, gevolgd door de dappersten zijner mannen, door degenen, die van de Biersteeg kwamen, heen; wie niet ter zijde week, werd ternedergestooten. Hij hoopte nog bijtijds te komen om de afsluiting onder aan den dijk te sluiten, in welk geval alles nog weder voor de komst van de Zwarte Bende hersteld kon worden.
Ofschoon de meesten van het landvolk, dat in het dorp een schuilplaats had gezocht, nu gevlucht was, stonden de soldeniers, door de dappersten van de dorpers bijgestaan, nog altijd tegenover de ruiters; echter klonk voortdurend nog het ontmoedigend geroep van: ‘Vlucht! vlucht!’ en het krijgsgeschreeuw van de Schaffelaars. Toen liet zich een hevig gevecht onder aan den dijk hooren, dat evenwel niet lang duurde, want spoedig verscheen het volk van Dirk van Zuijlen weder bij de kruin, thans insgelijks vluchtende. Degenen, die hen vervolgden, en wapenrokken droegen van half wit en half rood laken, en met slijk als overdekt waren, riepen luid: ‘Terug voor Amsterdam! sla dood! de Biersteeg is gewonnen!’
‘Vlucht! vlucht! en verwacht den dood!’ schreeuwde nu een man, die reeds een
tijdlang op een hellebaard rustende, midden op den dijk aan den slagboom
stond; zijn hooge ruige muts stak boven alle hoofden uit; zijn stem was
somber en vol beteekenis, en een akelig gehuil liet zich hooren, toen hij
gesproken had. Doch hij behoefde dezen raad niet te geven; den slagboom te
houden was nu onmogelijk, en even hardnekkig als die van Eemnes tot nog toe
dit verdedigingswerk, het laatste aan deze zijde, verdedigd hadden,

even snel traden zij nu achteruit, de versperring en den dijk aan
hunne vijanden overlatende. De poorters van Amsterdam, die, hoewel de
Biersteeg overal was doorgegraven, door verhakkingen en putten onbegaanbaar
gemaakt, en met twee versperringen afgesloten geweest was, door het water en
het moeras, in weerwil van den dapperen wederstand, met moed en volharding
tot in het dorp waren doorgedrongen, stroomden als het ware, tegelijk met
Wouter, de ruiters en de mannen van Naarden en Gooiland, de kruin des dijks
op, en begroetten elkander met een luid geroep van: ‘Zege! zege! Eemnes is
gewonnen!’
Eén man echter was nog bij den slagboom blijven staan, toen al het volk zich verwijderd had; het was dezelfde, die door zijn vermaning om te vluchten en den toon zijner stem veel had toegebracht, om den moed bij de verdedigers uit te blusschen; want de meesten hadden hem meer gezien, en zij twijfelden niet of hun laatste uur was nabij, toen hij hun den dood aanzeide.
Misschien zouden die van Amsterdam, welke hem niet kenden, en hem aanzagen, voor iemand, die, oud en afgeleefd, de verwoesting van zijn dorp niet wilde overleven en bij den slagboom wenschte te sterven, hem hebben ternedergeslagen; maar de bedaardheid van den man, zijn indrukmakend gelaat, zijn grijze baard en zijne sneeuwwitte haarlokken, zijn lange gestalte, en het gehuil van den hond, die aan zijne voeten stond, deden hen aarzelen. Zoodra hij echter riep: ‘Opent den slagboom; want het vonnis moet voltrokken worden!’ en zelf het eerst de handen aan het werk sloeg, had hij niets meer van hen te vreezen, en zij riepen, zonder te weten wat het inhield, met de ruiters van Van Schaffelaar: ‘Leve Ralph, de schaapherder! opent den slagboom!’
Het was een oogenblik van schrik en vertwijfeling voor die van Eemnes, van vreugde en blijde hoop voor hunne vijanden; de trommen die op het kerkhof geroerd werden, verkondigden, dat het krijgsvolk en de poorters eindelijk tot de orde waren teruggekeerd en zich gereed maakten om den slagboom, na het doorrukken der bisschoppelijke ruiters, zoowel als het kerkhof te bezetten. Onderscheiden hoopen verlieten het reeds aan de achterzijde en wierpen zich onderlangs den dijk in de huizen, die aan de rechterzijde stonden, en men hoorde er het gejammer der ongelukkigen, die doodgeslagen werden of de vlucht namen.
Onder de poorters van Amsterdam, die zich op den dijk vertoonden, zag men ook de jonge schutters, die met voetbogen gewapend waren, en een wapenrok droegen, welke groen aan de rechter-, en rood aan de linkerzijde was; de handboogschutters, die eenparig in het bruin, en de oude schutters, die alleen in het zwart gekleed waren, van welke sommige handbogen en andere kolfroeren droegen. De meesten der poorters hadden zich echter, nadat zij een kleine wacht bij de verschansing onder aan den dijk hadden achtergelaten, insgelijks in de huizen en schuren en op de werven geworpen, die aan de zijde van de Biersteeg stonden, en waren bezig om de vijanden daaruit te verjagen.
‘Sta! Zuijlen! de Zwarte Bende nadert!’ riepen degenen, die over de voetknechten het bevel voerden, en, een paar huizen van de Biersteeg af, gelukte het hun, het volk tot staan te krijgen. Het was hun ook onmogelijk geweest, om zich, van beide zijden aangevallen zijnde, achter de versperring staande te houden; maar hier wanhoopten zij nog niet geheel om den vijand het hoofd te bieden, totdat de Zwarte Bende kwam; want bezijden de kruin van den dijk stonden de nog overgebleven boogschutters van Zoest, zoowel als eenige andere mannen, die den boog behandelden, en hunne eigen voetboogschutters, die achter het dijkje, de heggen en schuttingen hadden post gevat, en hunne vleugels dekten. Het eerste gelid piekeniers had de knie gebogen, terwijl het tweede stond, en hierachter hielden zich de kloveniers met de brandende lont gereed om vuur te geven. Zij hadden aan de Vaart, bij het ontzet van het blokhuis, een aanval van rijzige ruiters des Stadhouders afgeslagen; waarom zouden zij dan nu minder gelukkig zijn? vooral indien het gelukte, een paar boomen, die vóór hun slagorde werden omgehouwen, nog bijtijds te doen vallen, want zij wisten, dat het paardenvolk nimmer deze verhindering zou te boven kunnen komen.
Het was vreemd, dat het gevecht op den dijk geheel opgehouden had; want die van Eemnes besteedden den weinigen tijd, dien zij hadden, om een vaste stelling aan te nemen, en hunne vijanden om den slagboom te openen. Beide partijen waren vermoeid van den strijd, en men wisselde zelfs geen kogels of pijlen; want de aanvallers verwachtten alles van het paardenvolk, aan hetwelk zij de kruin van den dijk moesten vrij laten om aan te vallen, en de verdedigers van het dorp moesten bedaard aanzien, dat de slagboom, welke zooveel bloeds gekost had, werd geopend, zonder dat zij een schot deden om er zich tegen te verzetten. Zij moesten hun vuur en hunne pijlen bewaren voor de rijzige ruiters; de voorzichtigheid liet niet toe, die nutteloos te verspillen: de dood van eenige vijanden kon den slagboom toch niet gesloten houden.
Men was op het punt om de sluitbalken, die met hangsloten en kettingen vóór den ingang der versperring bevestigd waren, weg te schuiven of stuk te houwen, toen, bij het schijnsel der fakkels, de mannen van Amsterdam opmerkzaam gemaakt werden op degenen, die de boomen wilden omhakken, doordien Ralph, die midden op den dijk stond, en niet meer mede werkzaam was, uitriep: ‘Zijn uwe pijlen niet meer gepunt of zijn de pezen uwer kruisbogen gebroken? hé, poorters! wat zegt gij van die houthakkers? Met meer kracht, dan men van zijn jaren zou verwacht hebben, hief hij het wapen, dat hij in zijn hand hield, in evenwicht boven zijn hoofd, op en wierp het naar degenen, die de boomen wilden vellen; waarna hij zich, zonder den uitslag van zijn zeggen of doen af te wachten, onder de ruiters mengde, en met Wolf door de stormpalen naar buiten trad; zoodat de smid, die hem wel gezien had, maar zich geen tijd gunde om hem aan te spreken, hem niet meer kon wedervinden, toen hij eindelijk aan den ouden schaapherder navraag naar Maria wilde doen.
De lange scherpe punt van Ralph's hellebaard, drong in den rug van een der mannen, welke de bijl voerden, en de wonde, zoowel als de zwaarte van den stok van het wapen, deed hem achterover van het dijkje vallen. Onderscheiden pijlen vlogen nu om de boomen heen, en men hoorde het geluid der bijlslagen niet meer; alleen een der boomhakkers stond nog bij den op vallen staanden boom, en leunde tegen den stam. De pijl was hem echter uit de hand gevallen; want een der oude schutters van Amsterdam had hem met een der lange pijlen van zijn handboog tegen den boom vastgenageld.
Toen riep Wouter luid: ‘Plaats! maakt ruimte!’ en terwijl de slagboomen openvlogen, verliet al het volk de kruin van den dijk, en riep: ‘Vooruit, Naarden en Gooiland!’ of ‘Amsterdam val aan!’ De laatsten vielen onderlangs den dijk op de mannen van Zoest aan, terwijl die van Naarden en Gooiland, met de ruiterknechten aan de rechterzijde op den linkervleugel der voetknechten van Dirk en Zuijlen aanrukten, die bedaard den aanval, bij het dof gerommel van de trom, afwachtten.
De tijd, dien wij noodig gehad hebben, om deze nog onvolledige beschrijving te doen van hetgeen er sedert het overrompelen van de Biersteeg had plaats gehad, was niet verloopen, toen Wouter luid riep: ‘De weg is vrij; vooruit!’ en Ralph niet ziende, volgde hij de ruiters.
‘Volgt mij,’ riep Van Schaffelaar, die met de Moor binnen den slagboom reed: ‘vooruit! voor St. Maarten en Van Schaffelaar!’ en terwijl de trompet gestoken werd, reed hij ter zijde, en zag hoe zijne mannen van wapenen zich op den dijk in rijen schaarden, die de geheele kruin besloegen. Zoodra het vierde gelid was binnengerukt, klonk het, terwijl de trompetten den aanval bliezen: ‘De eerste rij, laat vallen de speren! zit vast! valt aan!’

‘Valt aan! voor Van Schaffelaar en St. Maarten! valt aan!’ riepen
zij, die de speren lieten zakken en vooruitsnelden. ‘Sta vast, Zuijlen!’
hoorde men roepen, terwijl de roeren werden losgebrand. De grond dreunde
onder den last der ruiters; men hoorde den schok, toen de speren in de
gelederen der voetknechten drongen, en de paarden met de platen, welke zij
voor de borst hadden, tegen de pieken stieten.
Het geschreeuw van ‘Zuijlen! Zuijlen!’ deed vermoeden, dat de reizigers niet door hunne gelederen waren heengebroken; want door den kruitdamp, waarin de dijk gehuld was, zag men eenigen hunner terugkeeren, en zelfs een paard, dat zijn berijder verloren had. Snel riep nu Van Schaffelaar, midden op den dijk springende:
‘Mannen van de tweede rij! laat vallen de speren! voor St. Maarten! volgt mij!’ en bij het licht van het losbranden der kolfroeren, zag men hem voor zijne ruiters met opgeheven zwaard op het voetvolk indringen. De schoten vielen, en het veldgeschreeuw van Van Schaffelaar's bende werd gevolgd door een geweldigen schok; men hoorde het breken der speren en pieken; zij vlogen aan splinters tegen de borstharnassen der mannen, die zoo vast als een muur stonden, en tegen de steekplaten der strijdhengsten, die evenals ijzeren stormrammen er op instortten.
Toen de damp optrok, zag men de derde rij, die op de stem van haar aanvoerder vooruitsnelde, en de overige rijzige ruiters, die onder het blazen der trompetten binnen den slagboom reden. Men hoorde reeds het voetvolk van Dirk van Zuijlen hun veldgeschreeuw niet meer herhalen, noch den aanvoerder eenige poging doen om verder geregeld weerstand te bieden; want ook de vleugels waren achteruitgeslagen. Onderlangs den dijk zag men de wimpels der schutters en poorters, men hoorde hen roepen: ‘St. Sebastiaan voor den handboog! St. Joris! leven de oude schutters! terug voor Amsterdam!’ en de dappere mannen van Zoest antwoordden niet meer, door onder het aanroepen van St. Aagten met wisse schoten hunne vijanden te begroeten. Ook aan de rechterzijde van den weg werd alles ternedergestooten of verjaagd door het krijgsvolk en door de ruiters van Van Schaffelaar, die zich gereedmaakten, om boven over den dijk het paardenvolk te volgen, dat weldra zou vooruitgaan.
Te midden van de voetknechten, die zonder orde, en alleen ter verdediging van hun leven streden, zag men de mannen van wapenen, die hen met hunne zwaarden of speren nederstieten. Maar spoedig riep Van Schaffelaar, hun bevelende hem te volgen, en aan de kruisboog- en handbusschieters te paard over te laten om het voetvolk, dat den dood boven de vlucht scheen te verkiezen, in de pan te hakken.
Alleen met zijne ruiters, die speren voerden, reed hij vooruit, na den meester de hand gedrukt te hebben, gevolgd door zijn knaap, die op zijn paard, dat met Moor verbazend in grootte verschilde, hem steeds was nabij gebleven, en terwijl de trompetten schalden, drong dit zwaar gewapende gedeelte der bende voorwaarts. Eindelijk was het Van Schaffelaar dan gelukt, in het dorp door te dringen; eindelijk zou hij dan het geluk hebben Maria te redden, en zich met zijn geduchten vijand te meten. O! hoe meer dat oogenblik naderde, hoe meer alle bezorgdheid voor den afloop van den strijd hem verliet, ja hij verheugde zich, dat de klok aan het andere einde nog niet had opgehouden te luiden; want Perrol was dus nog niet overwonnen.
Was het gevecht aan de verschansingen op het kerkhof, en met het voetvolk hevig en moorddadig geweest, hetgeen nu gebeurde, was niet minder verschrikkelijk en hartverscheurend. Zij, die van alle zijden door de oprukkende vleugels van het Hollandsche leger aangevallen, niet langer een schuilplaats in hunne huizen, in het begin van het dorp, konden vinden, waren gevlucht, om zich verderop te bergen. Tot nog toe had men alleen dorpelingen en krijgslieden, en allen gewapend en vol strijdlust gezien; maar nu wemelde de vluchtende hoop van vrouwen en kinderen, en een hartverscheurend gejammer ging er op, de rijzigers in vollen draf naderden. Onderlangs den dijk was de doorgang reeds overkropt met menschen; vooral daar velen nog eenige goederen medevoerden, in de hoop die te redden; en het geloei van het vee, dat in de stallen stond, of zich op den dijk bevond, mengde zich met het angstig geroep der menigte van oud en jong, die tevergeefs alle heiligen tot bijstand en om hulp aanriepen; want de Schaffelaars drongen steeds vooruit, en er was onder aan den dijk voor hen geen ruimte genoeg, om zich voor het paardenvolk te bergen. De vrees en schrik hadden alle medelijden uitgedoofd, en men zag degenen, die onderlangs den dijk voor den vijand de vlucht namen, met woede en razernij de ongelukkigen terugjagen, die zich onder hen zochten te mengen, of door hen heen te breken, om zich op de eene of andere werf of in een huis of een schuur te redden; want zij werden daardoor in hunne eigen vlucht gehinderd; en aan de rechterzijde, waar geen huizen meer waren, vielen er gestadig in den waterplas, om nimmer weder op te staan.
Zeker wierp Van Schaffelaar wel een blik van medelijden op deze slachtoffers des oorlogs; want daarom reed hij niet zoo hard, als hij wel gewenscht had; hij hieuw niet op de menschen, die bevend voor zijn paard plaats maakten of gillend er voor nedervielen, maar hield Moor dikwijls terug. Ook zijne ruiters staken of sloegen niet met hunne speren, maar meer kon men niet verlangen van deze aan den oorlog gewone mannen; hunne met ijzeren platen bedekte hengsten reden alles onder den voet, wat zich niet bezijden hunne rij kon redden, en het akelige gegil van vrouwen, mannen en kinderen, welke vertrapt werden, werd als het ware tot zwijgen gebracht door het nederzetten van de ijzeren hoeven der paarden. Het gevecht aan den slagboom was niets geweest bij hetgeen er nu voorviel; het was den oorlog van zijn verschrikkelijkste zijde te zien; de overmacht moest hier de weerlooze partij vernielen om zich zelve te redden en den vijand op te zoeken en aan te grijpen. Van Schaffelaar zelf dacht er misschien over na; want hij werd niet gewaar, dat een man zich in doodsangst aan zijn zadel had vastgeklemd, en zich zoo liet voortsleuren, hetgeen zijn knaap noodzaakte, met de punt der speer van zijn heer, die hij droeg, den ongelukkige er af te stooten.
Maar weldra wies nog het gevaar; het wies, zoowel vóór als achter deze menigte, die door de Schaffelaars werd opgejaagd, en die nu eens biddende of schreeuwende, en angstig het hoofd omwendende, om te zien, hoe ver het paardenvolk nog achter hen was, dan weder met somber stilzwijgen, met den doodsangst op het gelaat, hunne laatste krachten aanwendden, om steeds vooruit te blijven. De twee toortsen, welke door de ruiters van de
eerste rij gedragen werden, en die nu en dan een twijfelachtig licht over den dijk wierpen, maar evenwel genoegzaam waren, om het paardenvolk te verhinderen in de eene of andere hinderlaag te vallen, waren weldra het eenige licht niet meer dat zich liet zien; van de tegenovergestelde zijde van het dorp naderde ook een aantal krijgsvolk, dat met toortslicht voorwaarts spoedde, en, niettegenstaande het geschreeuw der menigte hoe langer hoe heviger begon te worden, hoorde men, behalve het trompetgeschal der bisschoppelijke ruiters, den krijgsmarsch der Zwarte Bende, die geblazen werd.
‘Herneemt de rijen, mannen! en geeft acht!’ riep Van Schaffelaar, zoodra hij den naderenden vijand gewaar werd. Ofschoon te laat, door het bezwijken van de Biersteeg kwamen de Zwarte Ruiters volgens hunne belofte aan, en hij zag bij het schijnsel der fakkels, die zij bij zich hadden, den dicht inééngesloten hoop, die hem evenals een donkere onweerswolk naderde.
Het scheen, dat de nabijheid van het gevecht, dat te verwachten was, en welks gevolgen, bij een nadeelige uitkomst, voor de bisschoppelijke ruiters niet te berekenen waren, de trompetters van beide zijden aanmoedigde om zich te laten hooren. De krijgsmuziek van Van Schaffelaar was opwekkend en krijgshaftig, en voorspelde als het ware de overwinning; die van Perrol daarentegen was ook wel krijgshaftig, maar somber en woest. Huiverend klonken de tonen der bazuinen, welke er bij waren, den vluchtenden hoop in de ooren; ook die muziek der Zwarte Bende voorspelde hunne zegepraal, maar tevens de vernieling en den dood aan hunne vijanden.
Het verlangen om den vijand onder de oogen te zien, maakte, dat de mannen van wapenen spoediger wenschten vooruit te gaan, waarin hunne moedige paarden schenen te deelen; de krijgsmuziek scheen hen aan te vuren: zij lichtten fier den kop op, en snoven door hunne neusgaten, toen zij bemerkten, dat er paarden naderden.
Ter wederzijde van de rij was nu minder ruimte, en de spoed, waarmede het krijgsvolk vooruitsnelde, benam den eenigen uitweg aan de vluchtenden, en dengenen die zoo hard, geloopen hadden, stond dus hetzelfde lot te wachten als hun, die vroeger reeds onder den voet waren gereden. Toen deden velen, die geen mogelijkheid zagen om te ontkomen, geen verdere moeite, en wachtten, door het volk heen en weder gestuwd, in sombere bedaardheid, totdat de paarden hen bereikten. Anderen hielden stand, en zwaaiden hunne wapens, welke zij nog niet weggeworpen hadden, en vertoonden oogenschijnlijk een moed en strijdlust, welken men vergeefs bij hen gezocht zou hebben, en die aan den slagboom wellicht het dorp nog hadden kunnen redden. Doch de wanhoop maakte hen moedig; zij grepen de ketenen aan, waarmede de paarden bestuurd werden, en trachtten met hunne wapens aan den hals of de borst dier fiere oorlogspaarden een plaats te vinden, welke niet door het ijzer gedekt was, of de mannen te treffen, die er op gezeten waren. Het geschreeuw, dat zij aanhieven, was woest en vreeswekkend, zoowel als hun bleek en wild gelaat. De Schaffelaars ontdeden zich echter van deze aanvallers, door hunnen paarden de sporen te geven, en door hen met de achtereinden van hunne speren in het aangezicht of voor de borst te stooten en de hersenpannen te verbrijzelen.
Doch was het voortgaan voor de bisschoppelijke ruiters moeilijk, nog veel
meer was het

dit voor de Zwarte Ruiters; want de stroom der vluchtenden had
eenmaal een beweging aangenomen naar de zijde, vanwaar zij kwamen, en dien
konden zij zoo spoedit niet terugwerken, daar hij door het voortrukken der
Schaffelaars telkens nieuwe kracht ontving. Elkeen zocht zich naar die zijde
te redden; zij dachten door de Zwarte Bende heen te ontsnappen, en waren het
meest bevreesd voor den vijand, die hem vervolgde. Maar zij kenden het
krijgsvolk niet, dat kwam om hen bij te staan, evenmin als de regelen der
krijgskunde, welke elkeen, die overwinnen wil, zonder aanzien van personen of zaken, moet opvolgen. De Zwarte Ruiters waren geen knapen, die, om eenige menschen het leven te redden, hun eigen geluk in de waagschaal stelden; zij wisten wat hun te vreezen stond, indien de lieden, die zich reeds tusschen hunne paarden ingewrongen hadden, door meerdere gevolgd werden, en de vijandelijke ruiters met de laatsten in hunne open gelederen drongen, daarom gaven degenen, die vooraan reden, op last van hun aanvoerder, hunne speren aan hunne makkers van de tweede rij over, en trokken hunne zwaarden, om de ongelukkigen naast en vóór zich neder te houwen.
Nu ontstond er voor een oogenblik een terugwerkende beweging in den hoop, die weldra niet voor- en achteruit kon, maar nu met geweld naar beide zijden trachtte door te breken. Een verschrikkelijk gewoel heerschte er in deze beperkte ruimte, terwijl degenen, die tusschen deze twee benden ruiters dreigden verpletterd te worden, met woest geschreeuw op de menschen indrongen, die onder aan den dijk een schuilplaats gevonden hadden, of nog verderop zochten te ontvluchten. Men zag gedurig vóór de Zwarte Bende het flikkeren der zwaarden, die tegen de zwarte harnassen uitkwamen, en de breede lemmers boven de hoofden draaien, en dan met snelheid nederdalen. De ruiter, die voorafreed, scheen een welbehagen te vinden, om zijn grooten strijdhengst, die over de zwart lakensche hoze met roode randen, geheel met ijzeren platen bedekt was, in den drom te laten steigeren en achteruitslaan; de roode pluim wapperde, evenals een bloedige stroom, achter op zijn helm. De Zwarte Ruiters schenen klein en niet moordzuchtig, als men hen bij hun aanvoerder vergeleek, die vermaak vond, om met elken houw van zijn zwaard iemand neder te slaan, hetzij jong of oud, of van welk geslacht ook. De hengst van Van Schaffelaar en de paarden zijner ruiters, en zelfs die van de Zwarte Bende, raakten meest altijd aan de vluchtenden; maar zoo groot was de schrik voor den aanvoerder der Zwarte Bende, dat zij hem een vrij groote ruimte overlieten, om er zich in te bewegen, en men hoorde het angstig geroep van: ‘Daar is Perrol!’ dat alles overstemde. Maar vergeefsch was hunne voorzorg; hij was vertoornd, dat zijne ruiters niet spoedig genoeg vooruit konden snellen, en op den weerloozen hoop koelde hij zijn drift; zelfs geen vrouw spaarde hij. Toen een moeder in doodsangst haar zuigeling boven haar hoofd ophief, om den aanvoerder te vermurwen, en opdat zijn strijdpaard het niet zou stooten of vertrappen, liet hij zijn zwaard zakken, doch alleen om het opnieuw en nu hooger op te heffen; en toen de rauwe gil der omstanders zich met het duivelsch gelach vereenigde, dat achter het vizier klonk, zonk de ongelukkige moeder met een gekloofden schedel neder: het rampzalige wicht was een zwak schild geweest boven het hoofd zijner moeder.
Zoodra de elkaar opzoekende vijanden zoo nabij waren, dat zij elkander duidelijk onderscheiden konden, zocht Van Schaffelaar's oog naar Perrol; vaster zette hij zich in den zadel, en riep, toen hij zijn vijand ontdekte: ‘God! ik dank U, hij is het!’ want hij zag de roode pluim en het blinkend zwaard, dat alles zonder mededoogen nedersloeg. Hij zag Perrol, die als satan hoog boven het volk uitstak,