
H. Tollens Cz.

DE adellijke geslachten, die hunne goederen in het bisdom hadden,
en die dus nu en dan verplicht waren, zich eenigen tijd in Utrecht op te
houden, òf wel uit verkiezing òf door eenig ambt, dat zij bekleedden, er
meer duurzaam gevestigd waren, hadden meestal niet verzuimd, de huizen,
welke zij bewoonden, een zekeren graad van vastheid te geven, waarvan men in
weinige plaatsen van ons land, maar wel in de groote steden van andere
landen, voorbeelden aantrof. De macht toch der geestelijkheid, welke in hare
huizen en kloosters, veeltijds van een vrij uitgestrekt rechtsgebied
voorzien en met hooge muren omgeven, een veilige schuilplaats vond, had de
edellieden bedacht doen zijn, hunne huizen in de stad zoo sterk te maken,
dat zij er veilig konden zijn tegen het geestelijk gezag, zoowel als tegen
den haat der burgers, die veeltijds kwalijk tegen hen gezind waren om de
voorrechten, waarmede zij waren begiftigd, of waarvan zij zich hadden
meester gemaakt. Niet zelden leefden zij ook onderling in tweedracht, en
terwijl zij buiten de stad, in hunne sloten en kasteelen in veiligheid
waren, was het noodig, om, als de twee partijen zich binnen de meer enge
beperking der stad ophielden, ook daar gerust te kunnen slapen. Men trok de
stad niet door dan omstuwd of gevolgd door gewapende knechten, en niet
zelden hadden er op de straat hevige twisten en zelfs gevechten plaats, als
de twee vijanden en hunne vrienden elkander ontmoetten. Het was zelfs niet
zonder voorbeeld, dat een der edellieden, in de stad zelve, in zijn huis was
belegerd of overvallen. Met leede oogen, hadden de bisschoppen, zoowel als
de burgers, steeds deze versterkte huizen aangezien, die alleen dienden om
de adellijken, zelfs in de stad, de macht van hun heer te doen trotseeren,
en te beveiligen tegen het ongenoegen der burgerij; daarom had bisschop Jan
van Arkel, zoowel als de raad
der stad, reeds ruim een eeuw geleden, het stichten van zulke huizen verboden; maar het kwaad bestond reeds: en de goede staat, waarin de bezittingen van dergelijke verblijven die met zorg onderhielden, liet niet vooruitzien, dat de Bisschop en de burgerij er nimmer van verlost zouden worden; ook bestonden zij nog, toen de laatste der bisschoppen reeds was ten grave gedaald. Nog heden ten dage zijn die, welke nog zijn overgebleven, zoovele bewijzen van de macht der adellijke geslachten; het huis Oosterweerd is echter reeds voor lang verdwenen.
In den tijd van David van Bourgondië bestonden de meeste dier huizen nog, en hij had het moeten aanzien, dat achter hunne muren de aanslagen werden beraamd, welke hem genoodzaakt hadden naar Wijk-bij-Duurstede te vertrekken, zonder dat hij de macht gehad had zijne vijanden in hunne verschanste woningen te overvallen.
Het huis Oosterweerd, op de Oude Gracht, tusschen de St. Jacobs- en de Viebrug, was geen der onaanzienlijkste, en vertoonde uitwendig niets dan hooge muren van zware steenen opgemetseld, met weinige en diep geplaatste lichten. De muren waren van onderen zoo dik, dat iemand, binnenshuis staande, bezwaarlijk de hand had kunnen aanraken van iemand, die ze hem door een der openingen in den muur van buiten had toegestoken. IJzeren duimen, boven de nissen der ramen in den muur bevestigd, dienden, om in tijd van nood, dikke houten blinden of schermen, met ijzeren platen beslagen, aan de buitenzijde daarvóór te hangen en het huis voor de brandstichtende pijlen en ander schiet- en werpgeschut te beveiligen. De deur, een eind weegs in den muur geplaatst, was hecht en sterk, en twee wijde donkere gaten daarnaast waren zeer geschikt iemand af te schrikken, om met een kwaad voornemen den zwaren ijzeren klopper te bewegen, die naast het met ijzeren traliewerk bedekte spreekdeurtje hing. Evenwel kon men, in tijd van nood, de nadering van de deur nog bemoeilijken door middel van een ijzeren hek, dat gesloten kon worden, en aan het einde van den doorgang, gelijk met den buitenmuur, geplaatst was. Het gaf gelegenheid om, des verkiezende, op een meer gemakkelijken voet dan door het spreekdeurtje, naar buiten te onderhandelen, en de deur te openen, zonder daarom gevaar te loopen van overrompeld te worden. Vooral voor dien tijd kon men het als een zeer doelmatig en niet gewoon verdedigingsmiddel beschouwen; want de dikte der muren gaf meest altijd de gelegenheid, om er zich veilig vóór de deur in te nestelen, en beschut te zijn voor de steenen, welke men van boven liet nedervallen. Volgens geruchten, gaf het huis van binnen, door ijzeren valdeuren en andere middelen van verdediging, nog meer gelegenheid om elken aanval te wederstaan. De hooge muren werden gedekt door een breeden trans, van kanteelen voorzien, die ver over de straat uitstak, en alleen in de verte toeliet om het met leien gedekte dak te zien. Onder langs de borstwering, die van bankarmborsten en andere oorlogswerktuigen voorzien was, zag men de dicht aanééngesloten rij machicoulis, waaruit gesmolten lood, kleine steenen, kokend water, kalk en andere stoffen met vrucht op de belegeraars van het huis konden geworpen worden, zonder dat men iemand op de muren van het gebouw te zien kreeg. Evenals de meeste huizen, welke in de stad aan de grachten gelegen waren, had het huis Oosterweerd onder aan den wal, onder de straat, ruime, overwelfde kelders of kluizen; doch zij liepen niet tot onder het gebouw door, noch hadden er eenige gemeenschap mede; men had het gemak aan de veiligheid opgeofferd.
Het geheel zou dus al een zeer sterk gebouw hebben uitgemaakt, althans bij een behoorlijke bezetting; maar het huis was tusschen andere woningen en gebouwen gelegen, welke den hoogen muur, in weerwil der hangtorens op de hoeken van het huis, en zelfs bij een kloeke verdediging, nog blootstelden om met ladders beklommen te worden. Deze woningen waren ook zeer geschikt, om de werkzaamheid der vijanden te verbergen, indien het dezen in den zin kwam, om gelijk met de straat, in een der zijmuren een opening te breken. Zulks kon niet belet worden, al werd men er van onderricht door het gerucht van houweel en koevoet, en men had dan alleen nog de hoop, om door moed en beleid de bres met balken en delen te stoppen, en met de wapens in de vuist te verdedigen. Maar voor zulk een wijze van aanval behoefde men zeer weinig vrees te koesteren, daar men toen nog meest altijd de goede gewoonte had, den aanval op de poort van een stad of een huis te doen. Een inneming bij verrassing was meer te duchten; evenwel behoefde men er hier, bij het houden van goede wacht, niet bevreesd voor te zijn.
Heer Loef van Oosterweerd was bezitter van het huis, dat waarschijnlijk in vroeger dagen door iemand van zijn geslacht gesticht was. Zijn vredelievende geaardheid, waar-
door hij oogenschijnlijk noch de partij van den Bisschop, noch die van de stad aankleefde, zou desnoods zulk eene versterkte woning voor hem onnoodig gemaakt hebben; want ofschoon sommige adellijke heeren met minachting van hem spraken, omdat hij zich inliet met koopmanszaken, was hij bij de overige en bij de burgers zeer gezien om zijne rijkdommen; maar juist dit veroorzaakte mogelijk, dat hem zulk een verblijf bijzonder aangenaam en nuttig voorkwam, daar hij bijna altijd in de stad was. Ofschoon hij dus weinig of niets te duchten had, was zijn huis gewoonlijk van een grooter aantal knechts voorzien, dan hij anders voor zijn staat noodig geacht zou hebben. Hierdoor vermeerderde nog het gerucht, dat hij groote rijkdommen bezat, welke hij met zorg liet bewaken; en men verhaalde, dat men somtijds, des nachts, door de diepe luchtgaten der kelders, of liever door de schietgaten, welke in den muur, even boven de straat waren, licht had gezien; uit welk bericht men al dadelijk had opgemaakt, dat de heer Loef gewoon was, elken nacht zijn schatten na te zien. De praatjes, die er al zoo over het huis Oosterweerd liepen, waren niet verminderd, sedert men had bemerkt, dat de aanvoerder der Zwarte Bende het dikwerf bezocht.
Jonkvrouw Ada leverde ook veeltijds stof tot zulk een onderhoud, hetgeen bij
den toestand van hare geestvermogens ook niet te verwonderen was. Wij vinden
haar, die wij

niet hebben ontmoet, sedert zij den door haar beminden Frank gered
had, in den namiddag van den dag, waarop de krijgsraad gehouden werd, in een
der beste, ofschoon niet de grootste vertrekken van het huis. Twee ramen met
fraai wit glas, dat met een rand van gekleurde ruitjes was omgeven,
verlichtten, vooral voor dien tijd en het uur van den dag, de kamer zeer
goed. Een veelkleurig kleed bedekte den grond, waarop tegen een der zijmuren
een fraai trezoor van ebbenhout stond, dat met zilveren bloemen en ranken
was ingelegd. Onder den schoorsteen, die eenigszins het vertrek misvormde,
brandde een goed vuur, en de geheele muur was behangen met een groen
lakensch kleed met zwarte strepen, dat alleen van boven aan de eikenhouten
zoldering was vastgemaakt. De tafel, stoelen, banken, een kist en eenige
andere meubelen, meest alle van ebbenhout en ingelegd, gaven aan het vertrek
een aanzien van pracht en rijkdom, welke het waardig maakte door een
jonkvrouw bewoond te worden.
‘Annetje!’ zeide Ada van Rijn, die, toen zij de kamer, waarin zij gewoon was te slapen, verlaten had, voor een spiegel naast den schoorsteen bleef stilstaan, ‘gij hebt dit te vast gestrikt; ik kan den mond niet opendoen.’
‘O! dat is spoedig te verhelpen,’ antwoordde haar kamermeisje, dat haar met spoed naderde, en gereed had gestaan om te vertrekken. Zij was nog jong, en hare jeugd, de gezonde kleur van hare wangen en de nette kleeding maakten misschien, dat zij voor mooi doorging, ofschoon haar gelaatstrekken onregelmatig waren. Zij scheen teleurgesteld, toen hare meesteres haar riep, en evenwel voldeed zij gewillig aan hetgeen men van haar verlangde. Ada was prachtig uitgedost in een kleed van rood laken, met goud doorweven, en met randen van zwart bant; zij had nu echter niet het hooge gevaarte op haarhoofd, dat wij haar weleer hebben zien dragen, maar een hulsel van vreemder, doch minder hoogen vorm. Van achteren vormde het een ronde muts, die het haar bedekte, van welke een lange wimpel van fijn doek afhing, en deze muts liep van voren aan beide zijden in de hoogte in één punt uit; de roode zijden stof was met gouddraad geborduurd en met vouwen over elkander gelegd. Een langwerpige halve maan, welker punten elkander bijna raakten, en die uit dun gedreven goud vervaardigd was, waarin kleine edelgesteenten gevat waren, stond vlak boven het voorhoofd, en diende om de horens van het hulsel in de hoogte te houden, dat door een dun, fijn doekje, hetwelk onder de kin was vastgestrikt, op zijn plaats werd gehouden.
Bestond er een groot onderscheid tusschen de eenvoudige kleeding van grijs laken, en de kleine suikerbroodsgewijze oploopende muts van het kamermeisje, en het hulsel en het
prachtig met goud doorweven gewaad van de jonkvrouw, niet minder stak het gezonde en blozende gelaat van Annetje af bij het bleeke gelaat van de ongelukkige Ada. Het eene verried zorgeloosheid en tevredenheid met haar lot, het andere diepe smart; en zoo er al kalmte heerschte op het regelmatige gelaat van het meisje, door hetwelk Frank bemind werd, dan was het de kalmte des grafs.
‘Ik dank u,’ zeide zij langzaam, toen het meisje het doekje minder vast gestrikt had, en de puntjes, met kleine bloemen van gouddraad doorwerkt, met een zekere soort van verlangen, om hare meesteres zoo fraai mogelijk aan te kleeden, terechtschikte. ‘Maar vindt gij niet, dat dit doekje, hetwelk mijn gelaat omvat en onder mijn kin is gestrikt, mij het aanzien geeft van een non of weduwe?’ en zij grimlachte, terwijl zij in den spiegel zag.
‘Neen, Jonkvrouw!’ antwoordde Annetje, ‘het staat u zeer goed; uw edel gelaat komt er zoo bevallig uit te voorschijn. Een non of een weduwe! bij de heilige Cecilia! hoe komt het u in de gedachten? vergeet gij dan die twee vlechten van uw fraai zwart haar, die ik uit uw hulsel te voorschijn heb laten komen? Neen! ieder zal u dadelijk herkennen voor een jonkvrouw, aan wie elk ridder of edelman gaarne zou wenschen te behagen.
‘Ieder?’ herhaalde Ada met nadruk, en schudde ongeloovig het hoofd. ‘Gij weet wel, Annetje! dat uwe ongelukkige meesteres geen aanspraak maakt op hunne hulde.’
‘En waarom is het u dan dezen dag in den zin gekomen, u zoo mooi te doen kleeden? zeker toch omdat gij het bezoek van iemand verwacht!’ zeide het kamermeisje nieuwsgierig; zij wist dat hare meesteres, die haar liefhad, haar deze vraag niet ten kwade zou duiden.
‘Zeer zeker verwacht ik iemand,’ antwoordde Ada. Hierop bedacht zij zich eenige oogenblikken, en vroeg, terwijl zij de hand aan haar voorhoofd bracht: ‘En wien denkt gij dat ik verwacht?’
Toen noemde Annetje onderscheiden heeren, hunne vrouwen of dochters; maar hare meesteres schudde met het hoofd; doch toen zij eindelijk ook Perrol noemde, zeide Ada kortaf: ‘Neen, dien niet.’
‘En Sir Walson, dien verwacht gij toch immers niet?’ riep Annetje verwonderd; want zij had ieder genoemd, die in de stad was of kon komen.
‘Walson!’ - zeide Ada met verachting, en haar zwart oog fonkelde van toorn; ‘meisje, waarom noemt gij dien? - Ik, Ada van Rijn, de heilige Moeder Gods zij mij genadig! ik wachten op dien man, die zijn vaderland verliet, om een Perrol te dienen? Noem nimmer den naam weder van dien luitenant der Zwarte Bende.’ Hier zweeg zij, verwijderde zich van den spiegel, en trad met een fieren tred voor den haard heen en weder; doch toen haar oog op het kamermeisje viel, dat met een bedrukte houding als aan den grond genageld stond, en hare oogen met de handen afwischte, stond zij stil, en zeide vriendelijk: ‘Ween niet, lief kind! gij kunt niet raden, wien ik verwacht, o! ik weet het immers zelve niet, en toch... of mijn hart moest mij weder bedriegen; daarom droog die tranen; gij zijt te gelukkig om te weenen. - Ik heb uwen dienst vooreerst niet meer noodig, gij kunt dus gaan, maar spreek niet te veel met dien vreemden knaap, en vertrouw hem niet.’
‘En waarom niet, beste meesteres?’ vroeg Annetje, de hand van Ada kussende. ‘Hij en zijn meester verschillen zooveel! o! als die ook zoo dacht, dan zou zijn hart even edel zijn, als zijn gelaat; de knaap verdient geen wantrouwen.’
‘Gij spreekt met zooveel drift dat ik bevreesd ben, dat gij hem reeds liefhebt,’ zeide Ada, goedhartig met haar vinger dreigende; ‘maar wees voorzichtig, de mannen spotten met de liefde der vrouwen; wanneer men hun zegt: ik bemin u, dan vindt men zich vaak bitter teleurgesteld,’ en haar gelaat verried nog meer droefgeestigheid dan anders.
‘O! vrees niet, jonkvrouw!’ riep Annetje, ‘hij heeft mij lief, ik verzeker het u; hij heeft het mij gezegd en bezworen bij zijn zwaard en op dit kruis,’ en zij lichtte het zilveren kruisje op, dat om haar hals hing.
‘Hij heeft u lief, en heeft het u gezegd? gij zijt dan wel gelukkig, mijn kind!’ zeide Ada, en een smartelijke lach vertoonde zich op haar gelaat. ‘Ga dan maar naar hem toe, en wees hem trouw; de heilige Moeder Gods zal u beiden zegenen.’
Het kamermeisje liet zich dit geen tweemaal zeggen, en verliet huppelende het vertrek nadat zij de deuren gesloten had, die naar het bidvertrek en de slaapkamer van hare meesteres leidden.
Eerst plaatste zich Ada bij het vuur, waarbij een kleine tafel stond; maar spoedig legde zij het handwerk ter zijde, dat zij opgenomen had, en zat eenigen tijd, haar hoofd met hare hand ondersteunende, in gedachten verdiept in het vuur te staren. Doch ook deze houding verdroot haar weldra; zij richtte het hoofd weder op, zag naar de glasramen, in welker nissen, ter zijde, vier kooitjes met vogeltjes hingen; maar het zacht gefluit en de onvermoeide sprongen van de schoone diertjes, die het verlies van hunne vrijheid niet schenen te gevoelen, boeiden niet lang haar oog. Onrustig liep haar bilk het vertrek rond, en rustte nu eens op een tafereel uit de Heilige Schrift, dan weder op een familietafereel met edele vrouwen en vrome ridders; zij zag naar een fraai bewerkt spinnewiel, dat in een hoek stond, of luisterde naar het slaan van de klok op den domtoren, welker welluidende, ofschoon zware en ernstige klank bij elken slag het geluid van de kloosterbel van het St. Cecelia-klooster, die juist getrokken werd, overstemde, en verliet eindelijk den armstoel, waarop zij gezeten was.
‘Ik Walson wachten?’ zeide zij halfluid, ‘na het schaamteloos aanzoek, dat hij heeft durven doen? Een schoone en edele echtgenoot voor Ada van Rijn, nu zij den goeden Reynoud afgewezen heeft! en evenwel hij zal misschien komen, die Engelschman; en hij, hij niet. God weet waar hij is. - O! neen, Heere! verwijder hem van hier; want zijne vijanden zijn hier machtig, en een misdaad kost hun niet veel.’ Dit zeggende, vouwde zij smeekend de handen samen, en ging onrustig het vertrek heen en weder.
Wij zullen niet nagaan, wat Annetje verrichtte, maar alleen zeggen, dat toen zij eenigen tijd nadat zij vertrokken was, het vertrek weder binnentrad, waar zij hare meesteres had achtergelaten, zij Ada vond zitten op een soort van lage zitplaats, welke uit kussens van gebloemde zijde samengesteld, en groot genoeg was om drie menschen te bevatten. Zij leunde achteloos tegen een der zijden van de gevulde leuning, welke er rondom was, hield een rozenkrans in hare hand, en verschoof met hare blanke vingeren de koralen van rood kornalijn. In het eerst scheen zij niet te bemerken, dat iemand de deur geopend had; doch toen zij haar rozenkrans ten einde was, zag zij op, om te vernemen, waarom haar kamermeisje zoo spoedig terugkeerde, en wat zij te zeggen had.
Annetje berichtte, dat zij zoo even met een reizenden marskramer aan de deur had gesproken, die zoolang gesmeekt had, tot men haar was gaan roepen. Hij had eenige fraaie beeldjes van was, alsmede de afbeelding van onderscheiden geestelijke personen, die aangekleed waren, zooals het behoorde, en zijn mars was ruim voorzien van allerhande goederen, die in een klooster vervaardigd waren.
Ada scheen geen lust te gevoelen om iets te koopen, ofschoon Annetje de
belangen van den kramer voorstond; maar toen zij hare meesteres berichtte,
dat hij volgens zijn

zeggen tijding uit het Hollandsche leger meebracht, veranderde Ada
van gedachten, en gelastte haar kamermeisje den marsman terstond met zijne
waren vóór haar te doen komen, en Annetje haastte zich dit bevel ten uitvoer
te brengen. Toen de man binnentrad, die de mars, waarin hij anders zijne
goederen op den rug droeg, nu vóór zich had hangen, nam hij de muts met
breede randen af; en zijn gelaat, dat ten deele bedekt was door een grooten
wollen doek, dien hij waarschijnlijk voor de koude over het hoofd geknoopt
had, was bruin, als dat der lieden, die nu en dan uit zuidelijker landen
herwaarts kwamen met kramenjen, beren en honden, die kunsten maakten, of
andere soortgelijke zaken.
Hij scheen vluchtig het vertrek rond te zien, en toen hij niemand gewaar werd dan de bewoonster van deze kamer, die in haar kostbaar gewaad in half liggende houding, vooral door haar hulsel, veel geleek op een Oostersche vrouw, op haren divan rustende en met haar rozenkrans spelende, deed hij eenige schreden voorwaarts. Het kamermeisje, misschien begeerig om het gezelschap van den knaap weder op te zoeken, en het niet noodig achtende te blijven, verliet nu snel het vertrek, waardoor de kramer omzag. Maar juist toen Ada gereed stond om haar terug te roepen (want zij wilde niet alleen blijven met den vreemden man), strekte deze den arm uit. Zij stond nu plotseling stil en zag
hem scherp aan; doch toen naderde zij hem snel en zeide verheugd: ‘O! zijt gij het, Frank! ik heb mij dus nu niet bedrogen en u niet tevergeefs gewacht!’
‘Ik ben het zelf, waarde Jonkvrouw!’ zeide Frank, en hij kuste haar met gevoel de hand. ‘Maar gij hebt mij gewacht? ik bid u, zeg mij, wie heeft u gezegd, dat ik komen zou?’
‘Mijn hart, Frank!’ zeide zij, en liet hare hand in de zijne rusten, ‘dat kan niet altijd liegen, en het had mij reeds zoolang gezegd, dat gij eens komen zoudt.
‘Gij zijt dus nog zoo goed van nu en dan aan mij te denken, Ada!’ zeide hij dankbaar, en maakte de riemen van zijn mars los. ‘Zeg mij, kan ik eenige oogenblikken hier vertoeven en met u spreken, zonder dat men ons hooren kan.’
‘Zeer zeker!’ antwoordde zij, en haastte zich de grendels van de deuren te verschuiven; ‘maar het meisje is zoo spoedig vertrokken, dat het voorzichtig zal zijn om haar van uwe komst te waarschuwen,’ liet zij er toen op volgen.
‘Zij heeft mij herkend,’ zeide Frank, ‘uwe zorg is dus onnoodig; zij zal wel zwijgen. Ik dacht ook, dat zij u gezegd zou hebben, dat ik mij hier bevond, en was dus verwonderd u daar zittende te vinden, zonder dat gij mij meent te kennen; ik was bevreesd voor uwe gezondheid.’
‘Mijne gedachten waren nog bij u in het leger,’ zeide zij glimlachende, en een oogenblik vertoonde zich een bijna onmerkbare blos op hare wangen; ‘ik zag u dus zonder u te zien; gij moet het mij vergeven, Frank!’
‘En ik dan?’ hernam hij, ‘ik had mij immers terstond moeten noemen; gij hebt geen schuld; de goede oude portierster van het klooster, waar ik mij van deze beeldjes en goederen voorzien heb, heeft mijn gelaat zoo bruin geverfd, alsof ik een der mannen van Perrol of Salazar was, en dit, zoowel als deze doek, maken mij onkenbaar.’
‘Die kleur misstaat u niet, maar wel dat kleed; doch, onder welke gedaante ook, zijt gij welkom,’ zeide Ada.
‘En toch is dit kleed, zoo niet een veel slechter, dat, hetwelk mij naar mijne afkomst voegt. Voordat Van Schaffelaar mij tot zich nam, had ik nog nimmer een zoo kostbaar aangehad,’ zeide Frank.
Toen noodigde zij hem vriendelijk uit, zich nevens haar neder te zetten, op de zitplaats, die zij even verlaten had, en zeide, toen hij zich deze eer ontzeggen wilde: ‘Zet u naast mij, Frank! anders zou ik moeten denken, dat gij misnoegd waart over hetgeen ik gezegd heb. Het is een eer, die Walson en zijn meester niet dan met geweld van mij verkrijgen zouden; maar mijne vrienden zijn mij welkom, in welke kleeding het de Heilige Moeder Gods ook behage, hen tot mij te zenden.’
Frank weigerde nu niet langer, en het was vreemd den in grauwe wollen stof gekleeden knaap of koopman, die een ruwe soort van schoenen droeg, vertrouwelijk te zien zitten op de prachtige zitplaats, aan de zijde van de fraai gekleede jonkvrouw. Haar gelaat, dat anders zooveel smart en kommer verried, was nu alleen bezield door liefde en vreugde, welke het veredelde; zij dacht niet na, of het misschien ongepast ware, dat zij met den jongeling, die in een vreemde kleeding tot haar was doorgedrongen, en dien zij beminde, alleen bleef, of dat hij misbruik zou kunnen maken van haar vertrouwen: neen! niets van dit alles kwam in haar geest op. Zij beminde hem, en zoo zij zich al iets gelegen liet zijn aan het oordeel der wereld, was zij te trotsch om te kunnen gelooven, dat men haar verdacht zou kunnen houden, van den jongeling meer vrijheid toe te staan, dan haar stand haar toeliet.
Frank sprak niet; een zekere onrust vertoonde zich op zijn gelaat; het was alsof hij de woorden terughield, die gereed stonden hem te ontsnappen; maar Ada bemerkte dit niet, en zeide: ‘O! wat is het lang geleden, dat ik u het laatst zag, en welk een vreeselijke dag was dat! het heugt mij nog, welk een onheil mijne ijverzucht had kunnen stichten. O! nog deins ik terug, alleen op het herdenken daaraan; maar nu, Frank! nu zullen wij ongestoord kunnen spreken, niet waar? De naam van haar, die ik niet wil noemen, zal ons nu niet doen twisten; het zal wezen, alsof zij niet bestond; gij zult mij alleen van u verhalen; het is nu om mij alleen, alleen om uwe bedroefde Ada eens te zien, dat gij gekomen zijt. O heb daarvoor dank, mijn vriend! maar zeg mij, hebt gij niet te veel gewaagd met hier te komen? ik bid u, stel mij gerust!’
Een zucht ontsnapte aan de borst van den jonkman; het was alsof zijn oog door een dichten nevel bedekt werd; maar zich geweld aandoende, vatte hij hare hand, kuste die, en zeide langzaam: ‘Ben ik niet gekomen alleen om u te zien, geloof echter, mijn beste
Ada! dat geene gevaren mij immer zouden kunnen weerhouden om naar u toe te snellen, als uwe vriendschap mij riep. O, het verheugt mij u zoo gezond te zien; zeg mij, zijt gij het altijd geweest, sedert dien dag dat gij mij en mijn vriend het leven reddet, en mag ik dit prachtig gewaad beschouwen als een bewijs, dat gij niet meer, gelijk voorheen, geheel in afzondering leeft?’
‘Dit kleed?’ zeide zij en lachte. ‘Ik wachtte u immers, Frank! voor u heb ik
het aangedaan, het gebeurt mij zoo zelden een goed vriend te zien, buiten
mijn neef Reynoud. - Doch gij vraagt mij naar mijn gezondheid.’ Nu schudde
zij treurig met het hoofd, en vervolgde: ‘Die is nu wel; maar ik heb sombere
dagen doorgebracht, toen het

loof van het geboomte, door de herfststormen afgevallen, de aarde
met een veelkleurig tapijt bedekte: alles was duister voor mijn geest; een
ondragelijke last drukte mij op het hart en het hoofd, en als het nu en dan
voor een oogenblik voor mijn geest weer licht en helder werd, dan bad ik
alleen - om naar het koude graf te worden weggedragen. Maar de Heilige
Moeder Gods en alle heiligen hebben mij weder opgericht, en ik ben nu
gezond,’ eindigde zij droevig lachende; doch de bleekheid van haar gelaat
wedersprak hare woorden; en alsof zij het zelve gevoelde, bracht zij hare
hand aan haar voorhoofd, en schudde langzaam het hoofd.
Een tijdlang spraken zij samen, gedurende welken Frank met moeite zijn onrust verborg. Eindelijk verhaalde zij hem, dat Walson om hare hand had verzocht, dat dit verzoek door Perrol zeer sterk ondersteund was, en dat heer Loef, ofschoon niet gezind zijn toestemming te geven, evenwel niet had durven weigeren haar er over te onderhouden, maar dat zij met verachting de hand van den edelen Brit geweigerd had.
Frank toonde zijn verontwaardiging over dit verzoek en den toon, waarop deze twee vreemde krijgslieden het gedaan en gezocht hadden het door te drijven, en vervolgde toen, aan zijne aarzeling een einde makende: ‘Beste Ada! gij zijt niet de eenige, die blootgesteld zijt aan hunne duivelsche begeerten; uw rang en die van uw oom beveiligen u ten minste nog voor dadelijk geweld. Helaas! anderen zijn zoo gelukkig niet, en op dit oogenblik wordt het hart van mijn weldoener door smart verscheurd: de Roode Hand van dien Perrol, dat monster, hetwelk vreemde landen over dit gewest hebben uitgebraakt, heeft hem meer dan het leven benomen.’
Hier wachtte Frank een oogenblik, en vervolgde, toen hij zag, dat Ada naar hem luisterde, zonder dat haar gelaat de gewone kalmte verloren had: ‘Dezen morgen, toen Van Schaffelaar gereed stond naar den krijgsraad te gaan, om daar met klem van redenen aan te raden Perrol uit het sterke Eemnes te verwijderen, toen verscheen een vader vóór hem, die ten tweeden male in het hart gestoken is door een aanslag van dien woesteling op zijn dochter, en die aan haar bruidegom wraak is komen vragen voor het rooven van zijn eenig kind.’
‘Ik beklaag dien braven edelman,’ zeide Ada, toen hij zweeg, ‘en hoop, dat de macht van onzen lieven Heer hem op zijne vijanden zal doen zegevieren.’ Maar hare houding noch stem verried eenige aandoening; het was alsof zij niet vermoedde, dat het meisje, dat weggeroofd was, die Maria was, van wie zij niets wilde hooren.
‘De plicht gebood Van Schaffelaar om in het leger te blijven, en weerhield hem om zelf onderzoek naar het schelmstuk te doen,’ ging Frank voort, ofschoon hij vreesde te vervolgen; ‘een heilige plicht gebood mij dus om in zijn plaats te gaan. In deze kleeding met den zoon van onzen huiswaard te Hilversum aan het klooster te Zoest gekomen, schonk mij mijnheer St. Maarten de genade, om te ontdekken, dat de booswichten hunne prooi niet naar Eemnes hadden heengevoerd, maar den weg naar deze stad hadden ingeslagen, en ik aarzelde niet hun spoor te volgen. Buiten de Witte-Vrouwenpoort verlieten wij onze paarden, en geraakten binnen de stad; ook hier rustte de goddelijke zegen op mijne pogingen; de Zwarte Ruiters, die een draagkoets geleidden, waren gedurende den
nacht niet zóó onopgemerkt door de stad getrokken, of ik kon ontdekken, waar zij gebleven waren...’
‘Genoeg! genoeg daarvan,’ riep Ada, op eens haar stilzwijgen afbrekende; ‘spreek mij niet meer over haar; noem haar naam niet meer, Frank! gij weet, wat ik gezegd heb.’ Toen zweeg zij een oogenblik, bedacht zich en riep droevig: ‘Helaas! het is niet om mij, dat gij hier gekomen zijt; alleen bezorgdheid voor haar dreef u hierheen, en ik, die u wachtte!... Frank, dat is slecht gehandeld.’
‘Ada! waarde Jonkvrouw!’ riep Frank, hare hand vattende, ‘ik beroep mij op uw hart, op uwe menschlievendheid. Ik heb ééne bede te doen, en indien gij mijn verzoek weigert, maakt gij mijn weldoener voor eeuwig ongelukkig.’
‘En dat is?’ vroeg Ada van Rijn ongeduldig.
‘Red de ongelukkige bruid van Van Schaffelaar, geef de treurende dochter aan hare schreiende ouders terug, en God zal u zegenen. O! voeg deze nieuwe weldaad bij die, welke u eenmaal de vreugde van het hemelsche paradijs zullen openen!’ riep Frank, en hij zag haar smeekend aan.
‘Ik haar redden?’ riep Ada verwonderd; maar op eens scheen er een licht voor haren geest op te gaan, en zij vervolgde: ‘Heden nacht zegt gij? - de Zwarte Ruiters met een draagkoets - mijn kamermeisje heeft mij zoo iets gezegd. - Zeg, heeft men haar naar dit huis gevoerd?’ en toen Frank zijn hoofd toestemmend boog, riep zij: ‘Ha! hoe komt het toch, dat ik dit al niet eerder vermoedde? nu weet ik, waaraan ik het bezoek van mijn vriend Frank te danken heb: de bruid van zijn aanvoerder lokte hem herwaarts. Arme heer Van Schaffelaar! de eene rooft haar met geweld, en de andere zoekt in stilte hare liefde te winnen. - Het verwondert mij, dat gij zoolang van haar hebt kunnen zwijgen, en ik dank u voor deze hoffelijkheid!’ eindigde ze met minachting lachende, en met drift ter zijde schuivende, plaatste zij zich zoo ver mogelijk van hem af aan het einde der zitplaats.
‘Gij zijt hard en onrechtvaardig, Ada!’ riep Frank smartelijk aangedaan. ‘O! gij kunt niet gelooven wat gij zegt; wijs mij niet af! op u alleen berust mijne hoop; zult gij het onschuldige meisje overlaten aan Perrol met de Roode Hand, edele jonkvrouw! zult gij dit?’
‘Zeker zal ik dit,’ antwoordde zij met drift. ‘Vraag haar aan Perrol terug; verzoek hem haar aan u af te staan, en smeek mijn oom om voor u een goed woord te doen; maar denk niet, dat ik een poging zal doen om haar te redden; ik heb ook daartoe geen macht.’
Frank bedekte zijn gelaat met zijne handen, en men hoorde de zuchten, die uit zijne door smart overmande borst ontsnapten.
‘Wat betreurt gij, Heer ruiter!’ zeide Ada schamper lachende, terwijl zij haar oog stijf op hem gericht hield. ‘Gij zijt voorwaar geen vroolijk gezelschap; het is goed, dat ik u ken; anders zou ik u aanzien voor een marsman, wien men zijne goederen ontstolen heeft. Het blonde haar van de dochter eens smids doet u de jonkvrouw vergeten, naar wier gezondheid gij nog zoo even met zooveel belangstelling gevraagd hebt; zij moet wel lief zijn, ha! ha! om zooveel minnaars te hebben.’
Hier werd zij verhinderd voort te gaan, daar zij door een lachlust bevangen werd, welke zoo luid en schrikwekkend klonk, dat Frank zijn oogen snel oprichtte. Hare oogen rolden wild door haar hoofd, en zij scheen niet te bemerken, dat hij hare hand met kussen bedekte, en zich aan hare voeten nederwierp.
‘Ada! beste Ada!’ riep hij angstig, ‘kom tot u zelve terug; ik bid u, wees bedaard, ik bemin haar niet; o! staak dat droevig gelach; het is Frank, ik ben het, die het u verzoekt.’ Maar al zijn smeeken was vergeefsch. Toen riep hij, zijne handen wringende: ‘Heilige Moeder Gods! heb medelijden met haar,’ omvatte haar met zijne armen, en bad haar nogmaals zoo vol gevoel om bedaard te zijn, dat zijne woorden eindelijk eenigen invloed op haar schenen uit te oefenen. Langzaam verdween de verwildering van haar blik; het ijlhoofdig gelach ging over in een pijnlijken en krampachtigen trek om den mond, en toen zij eindelijk haar hoofd op den schouder van den jongen ruiter liet nedervallen, zeide zij zacht en droevig: ‘Ha! zijt gij het, Frank? de Hemel zij gedankt, het is weer over.’
‘O ja! de hemel zij gedankt, Ada!’ zeide Frank aangedaan; ‘want uw toestand was zoo treurig en bedroefde mij zoozeer.’ De jonkvrouw leunde vol vertrouwen tegen de borst van den man, die als een kind door den schaapherder was gevonden, en later met
Ralph achter de kudden geloopen had. De grove stof der mouwen van zijn buis raakte het kostbare roode laken, dat de schoone leest van het adellijke meisje bedekte; zij vreesde niet haar hoofdhulsel te kreukelen, dat op zijn breeden schouder lag. Zijn haar, even zwart als de vlechten, die langs haar voorhoofd lagen, viel op de gouden halve maan, en bedekte de edelgesteenten; de zachte uitdrukking van haar oog, dat nog kort te voren zoo wild heen en weder had gerold, gaf hem den moed nog eene poging te doen, om haar bijstand voor Maria af te smeeken. Hij kuste haar op het hooge, witte voorhoofd en zeide met gevoel:
‘Deze kus, Ada! zij het teeken der vernieuwing van onze vriendschap; hebt gij zelve mij niet toegestaan den schoonen naam van broeder te voeren? daarom, zuster! hoor mij aan, en bedroef mij niet meer door een wantrouwen te doen blijken, dat mij vernedert.’ Hier hield Frank een oogenblik stil; het was alsof hij iemand in het voorvertrek hoorde loopen, en Ada schudde haar hoofd; maar hij ontgaf zich, wat hij meende gehoord te hebben; hij verloor nog niet alle hoop om den machtigen bijstand der jonkvrouw te verkrijgen, en vervolgde:
‘Ada! uw broeder Frank bezweert u nogmaals bij al wat heilig is, om hem uwe hulp niet te ontzeggen. - Niemand zal het ooit weten, als gij mij verstoot; ik zal de tranen der rampzalige maagd, den vloek van hare ouders en haren bruidegom, niet op uw hoofd laden; maar de lieve Heer Jezus en zijne heilige Moeder zien het, als gij mij ongetroost van u laat gaan. Ada! ik bid u, red haar, die uw medelijden en uwe achting verdient; zeg het mij, waar is zij in dit huis? hoe kan ik haar bevrijden? Antwoord mij in Gods naam; kan ik mij vertrouwen aan den heer Loef, of is uw oom zoover gegaan, om zijne gevangenkamers aan een maagdenroover, aan een Perrol te leenen?’
Maar hier hield hij plotseling op; want Ada richtte het hoofd op, en schudde het ongeduldig; weder was de zachte opslag voor haar oog verdwenen, twee hevige driften schenen innerlijk in haar hart te kampen. Helaas! eindelijk behield de minnenijd de overhand in haar brein, dat voortdurend zoo hevig geschokt, doch zelden opgeklaard was, en ook nu dolf het edel gevoel van haar hart het onderspit. Zij kon het niet begrijpen, dat de ruiter alles waagde en afsmeekte, alleen voor zijn vriend, - zonder eenig bijoogmerk, - alleen om Maria te redden. Want bedroog hij haar niet, dan bleef hem immers niets over dan te lijden zonder te klagen, totdat het graf hem ongevoelig voor aardsche liefde maken, en hem opvoeren zou tot een beter leven.
Tevergeefs gaf hij haar de teederste namen; vruchteloos bezwoer hij haar, bij al wat invloed kon hebben op haar geest, om bedaard te zijn; het scheen, dat zij niet meer gewaar werd, dat hij haar tegen zijn borst gedrukt had, dat hij in zijn smart hare handen kuste, zijne lippen drukte op het voorhoofd der jonkvrouw, dat wit en koud als marmer was. Op eens was dat oogenblik van verrukking verdwenen, toen zij zich gelukkig scheen te gevoelen in zijne armen te rusten. Vruchteloos waren zijn pogingen om haar te doen zwijgen en terug te houden; met verontwaardiging stiet zij hem van zich af, terwijl zij opstond. Misschien zag zij niet eens, hoe hij, zijne handen naar haar uitgestrekt houdende, aan hare voeten lag, veel minder de tranen, die hem van medelijden uit de oogen sprongen. Het meisje, dat hij liefhad, versmachtte als een offer der boosheid in de gevangenis, en hij kon, zoo dicht bij haar, niets doen om haar te redden. De jonkvrouw, die de tweede plaats in zijn hart bekleedde, zijn vriendin, zijn zuster, stond daar ten prooi aan een droevige verstandsverbijstering! Hij weende over beiden, en ofschoon Ada hem verstiet, kon hij echter geene woorden vinden om haar te vervloeken, maar wel om voor haar te bidden.
‘En zoo gij mij niet wilt aanhooren, wat doet gij hier dan?’ riep zij luid, met drift en in antwoord op zijn smeeken. ‘Vertrek, en laat mij alleen, reeds te lang zie ik u voor mij. Wie heeft u geleerd mij te dwingen om zacht te spreken? Ha! de jonkvrouw Van Rijn in hare vertrekken de wet voorgeschreven door een ruiter, - door een gemeenen herdersjongen! en ik moet zwijgen; ik ben krankzinnig! - niet waar?’ eindigde zij vreeselijk lachende.
‘Ik zal gaan, Ada!’ zeide Frank treurig, ‘maar zoo dacht ik niet door u weggezonden te worden. O! ik bid u, spreek niet zoo luid, of wilt gij, dat de Zwarte Ruiters mij herkennen, dat zij mij voor uwe voeten ternederstooten, of gevangen nemen, en ik heb Perrol dezen morgen naar het leven gestaan.
‘Aan die vrees herken ik uwe afkomst,’ antwoordde zij toornig. ‘Ik had in den vriend
van een edelman meer moeds verwacht; gij verdient zijn goedheid niet; vertrek uit mijn oog, mogelijk staat de schooier Ralph u te wachten,’ eindigde zij schamper, en weder klonk haar zinneloos gelach.
Toen wierp Frank een smartelijken blik op haar; zijn oog, dat somber en mat was, zag nog eens naar haar, terwijl hij zich voor haar boog, en met het diepste medelijden het hoofd schudde. Hij was niet verstoord over hetgeen zij gezegd had; hij nam zijn muts in de hand en zette die op, vatte het kistje aan, dat hij had medegebracht, en evenwel hij toefde nog. Hoopte hij, dat in het einde hare goedheid en menschlievendheid zouden zegevieren? of was hij zoo begaan met het schoone ongelukkige meisje, dat vóór hem stond? bleef hij om Maria of om Ada? Hij wist dit zelf niet.
‘Vergeet gij, dat Maria wacht, of zijt gij bang voor

vreemde ruiters?’ vroeg Ada met verachting, terwijl zij lachte.
‘Wilt gij ook, dat ik Annetje laat komen om u te verdedigen, of wacht gij,
totdat ik u door de knechts van mijn oom ter deure uit doe werpen?’
Een snelle beweging van Frank's hoofd en armen gaf te kennen, dat hare woorden hem diep getroffen hadden, en hij slaakte een zucht, terwijl de laatste hoop hem begaf. Maar zie! op ditzelfde oogenblik werd er hevig op de deur geklopt van het vertrek. Nog eens vestigde Frank zijn oog op dat van de jonkvrouw; maar toen de verachtende grimlach en de schampere blik hem bleven vervolgen, en zij vermaak scheen te scheppen in zijne verlegenheid en smart, snelde hij naar de deur.
‘Frank!’ riep zij nu op eens; want nu eerst trof haar het gebons op de deur, en zij stak de handen naar hem uit. De toon van hare stem verried, dat er een plotselinge verandering in haar gemoed was voorgevallen; maar Frank schoof met de eene hand den grendel voor de deur weg, terwijl hij zonder om te zien, met zijne hand als het ware het verzoek, dat in haar uitroep gelegen was, terugwees. Ach! indien hij den angst gezien had, die op haar gelaat te lezen stond, hij zou misschien de wanhoop nog bedwongen hebben, die zich van hem had meester gemaakt.
Het scheen, dat Frank in zijn verwachting werd bedrogen, toen de deur geopend werd: want zonder vooruit te gaan, trok hij zijn hand onder zijn buis vandaan, en liet de armen langs zijn lijf nederhangen; hij had misschien verwacht eenige ruiters van Perrol te zullen zien, maar niet het gelaat van Walter, den hofmeester van heer Loef, die, gevolgd door eenige bedienden, na eenige verwondering te hebben laten blijken, in de kamer trad. Het was een klein schraal mannetje, in een grijs lakensch kleed, met een langen, dunnen neus en grauwe, vurig fonkelende oogen, en die, bij een voor zijn stand wat veel gezag aanmatigende houding, uiterlijk de teekenen van geslepenheid en schranderheid op het gelaat droeg. Het eerste behoefde niet te bevreemden, daar hij het onbepaalde vertrouwen van zijn meester genoot, hetgeen alleen diens zoon en nicht nog beveiligde voor het onwillekeurig gezag, dat hij over alle andere bewoners van het huis Oosterweerd gewoon was uit te oefenen. Het korte zwaard, dat hij in de hand droeg, zoowel als de gewapende knechts, die hem vergezelden, lieten niet vermoeden, dat hij verwonderd kon zijn, iemand vreemds in het vertrek te vinden; zijne verwondering ontstond dus waarschijnlijk uit het herkennen van Frank, hetgeen hem, ofschoon hij niet liet blijken, dat hij zich door de vermomming niet liet misleiden, waarschijnlijk den moed gaf, om vooruit te gaan; te meer daar de houding van den ruiter deed vermoeden, dat deze niet aanvallenderwijze zou te werk gaan.
‘Heer Loef heeft toevallig uw roepen om bijstand vernomen, Jonkvrouw!’ zeide hij, een kleine buiging met het hoofd makende; waarna hij, zijn zwaard vaster in de hand nemende, vervolgde: ‘En gij, marsman! die het waagt, om uwe waren met geweld aan de edele jonkvrouw op te dringen, gij hebt mij dadelijk te volgen, om kennis te maken
met de kelders van Oosterweerd - en geen tegenspraak! of de zaak zou erger gevolgen hebben.’
Frank was verwonderd, dat Walter hem niet herkende, doch schreef zulks toe aan de schemering, die achter in het vertrek heerschte; hij sloeg den spottenden trek gade, die zich op het gelaat van het mannetje, dat tot hem gesproken had, vertoonde, en was in twijfel, of hij zich noemen zou of niet, toen Ada, hare geestkracht terugbekomen hebbende, met overhaasting eenige schreden voorwaarts trad en op hoogen toon uitriep:
‘Met welke zaken bemoeit gij u, Walter? kan ik niet zoo luid spreken, als ik wil, zonder dat mijn oom daarom zijne knechts in mijn vertrek laat dringen? - De koopman heeft geen schuld, ik ken hem; vertrek dus, en keer niet terug, voordat ik u laat roepen.’
‘De bevelen zijn stipt, edele Jonkvrouw!’ zeide Walter, zijne schouders ophalende, ‘men kan niet te voorzichtig zijn; maar met allen eerbied, het is mij niet mogelijk heen te gaan zonder dezen snaak.’
‘Snaak!’ herhaalde Ada driftig, en haar oog fonkelende van verontwaardiging. ‘Ha! weet gij dan, hoe zijn naam is, knecht? Weet gij, dat gij deze mars voor hem zult dragen, indien ik het wil?’ Maar hier zweeg zij, daar zij zeker vermeende niet goed te doen, om te laten bemerken, dat het geen gewoon koopman was, en zij vervolgde: ‘De bevelen, Walter! van mijn oom kunnen nimmer verder komen dan de deur van mijne vertrekken; gij zult zonder den marsman moeten gaan. Gij zijt lang in het huis van Oosterweerd geweest, en uwe haren zijn grijs; maar het zou u heugen, als gij den eerbied voor Ada van Rijn uit het oog verloren hadt; vertrek dus.’
Indien de oude hofmeester, verwend door het gezag, hetwelk hij gewoon was te voeren, alleen was geweest, zou hij waarschijnlijk zich niet bedacht hebben om haar te gehoorzamen, of het gewaagd hebben zijn opzet te volvoeren; maar hij hoorde achter zich de slachtoffers van zijn heerschzucht zacht lachen over den hoon, die hem werd aangedaan, en de oude knorrige Walter besloot, vertrouwende op de goedheid van heer Loef, om Ada en hare bedreigingen te trotseeren. Hij haalde dus nogmaals de schouders op, en riep toen gebiedend tot zijne helpers: ‘Knapen! pakt dien marsman aan, in naam van heer Loef en voor mijne rekening. - Bied geen weerstand, koopman! het zou tevergeefs zijn.’
‘Gij waagt het?’ zeide de jonkvrouw toornig, terwijl zij ter zijde trad en het deksel van een fraai gebeeldhouwde en ingelegde kist opende, die tegen den muur stond. Schoorvoetend traden de knechts vooruit, ofschoon Frank geen schijn gaf van zich te verdedigen; maar zij bleven wederom staan, toen de jonkvrouw luid en met een zegevierenden blik vervolgde: ‘Ha! wat hebt gij gedaan, laag gespuis? Maar gij dacht hem met u allen te overvallen, zonder dat zijn hand gewapend was! beeft en valt voor hem terneder, of gij zult hem leelijk kennen. - Neem dit zwaard aan, dat mijn vader zelf gedragen heeft, marsman! stoot hen vrij neder! zij beleedigen mij! ik, Ada van Rijn, zal het verantwoorden!’
Maar Frank wees, zonder iets tot haar te zeggen, het wapen terug, dat zij hem in de hand wilde geven, en een schrede voorwaarts doende, zeide hij bedaard: ‘Ik volg u, hofmeester! en geef mij gevangen, geene wapens passen in de hand van iemand, als ik ben, de Jonkvrouw weet zulks wel. Ik verlang heer Loef van Oosterweerd te spreken.’
Er lag veel bedaardheid, maar ook een verwijt opgesloten in den toon, waarmede hij deze woorden zeide, en rustig en zonder om te zien naar de jonkvrouw, ging hij tusschen de knechts door naar de deur; maar juist toen hij gereed stond om het vertrek te verlaten, liet Ada het zwaard uit hare handen vallen. Een enkele kreet, welke smart, vertwijfeling en berouw verried, gaf te kennen, hoezeer zij getroffen werd door hetgeen er voorviel, en hetgeen zij gezegd had. Frank zag onwillekeurig in het vertrek terug; zijn blik was koel, doch niet toornig; en evenwel lag daarin zóózeer een verwijt voor haar te lezen, dat zij berouw gevoelde over haar gedrag, en de handen smeekend naar hem uitstak, als wilde zij hem terughouden en hem vergeving vragen.
Zou hij zóó het meisje, dat hem beminde, de jonkvrouw, die hem zooveel goedheid betoond had, achterlaten, ongetroost, zonder haar, als het ware, met één woord te kennen te geven, dat hij haar alles vergaf? Neen! dat kon niet. Wist hij of hij haar immer zou wederzien, die zelfs niet verantwoordelijk kon wezen voor hetgeen zij geweigerd had? Immers neen! daarom keerde hij op zijne schreden terug, en hetzij zijne bewakers zijn bedoeling
gisten of het niet durfden wagen, hem tegen te houden, zij lieten hem ten minste begaan.
Toen hij haar naderde, nam hij zijn muts af; zij liet hare armen zakken, en lachte hem toe, ofschoon de tranen langs hare bleeke wangen rolden. Hij boog zich en vatte hare rechterthand, bracht die aan zijn mond, en zeide zeker iets tot haar, dat haar geruststelde; want zij knikte hem toe. Noch Walter, noch zijn gevolg, hoorden wat hij zeide; ook waren de knechts niet verwonderd over het gedrag van de jonkvrouw, en over de gunst, die zij aan den vreemden marsman toestond; zij stelden dit alles op de gevolgen van hare krankzinnigheid. Met meer gerustheid zag Ada nu den ruiter vertrekken, en zij wenkte hem nog eens een vaarwel toe met hare hand, toen hij, gevolgd door de knechts van haar oom, en voorafgegaan door Walter, die, tevreden over zijn overwinning, genoegelijk lachte, de kamer verliet. Vervolgens zette zij zich in den stoel bij het vuur neder, en verzonk in diep nadenken.

‘ALLES wel overwogen, hebt gij welgedaan, met u te houden, alsof
gij den ruiter niet herkendet, Walter!’ zeide heer Loef van Oosterweerd tot
zijn hofmeester, terwijl hij meer uit tevredenheid dan voor de koude de
handen wreef, want het vertrek, waarin hij zich bevond, werd goed verwarmd
door het groote vuur, waarvóór hij zat.
De vertrouwde dienaar zat tegenover zijn meester, glimlachte over hetgeen er gebeurd was, en antwoordde: ‘Ik dacht ook, dat het hier geen zaak was, zich te storen aan de grillen van een jonkvrouw, en heb dus maar gewaagd om door te tasten.’
Frank had verzocht den heer van het huis te spreken; maar toen hem bericht was geworden, dat dezen den marsman niet te woord kon staan, had hij aan Walter ontdekt, wie hij was, en zijn verzoek herhaald. Doch het scheen, dat heer Loef geen lust gevoelde den vriend van Van Schaffelaar te woord te staan; want hij vervolgde: ‘Gij moet hem toch wel zeggen, Walter! dat ik, hoe ongaarne ook, mij het genoegen moet ontzeggen hem te zien, en nog minder hem kan spreken; de tijd, waarin wij leven, en zijn betrekking als ruiter van mijnheer David zullen u redenen genoeg kunnen doen vinden, waarom ik zijn verzoek moet weigeren.’
‘Verlaat u gerust daarop, Heer!’ antwoordde de slimme hofmeester. ‘Ik zal hem zoo duidelijk zeggen, dat men hem reeds in de stad zoekt, en het u onmogelijk is hem te laten vertrekken of hem te spreken, dat hij inderdaad gelooven zal, dat gij uwe bezittingen en uwe vrijheid zoudt wagen door hem aan te hooren. Verlangt gij, dat ik nu maar eens tracht de zaak tot een goed einde te brengen, en het huwelijk te sluiten?’ eindigde hij lachende, en zag zijn meester vragend aan, terwijl hij opstond.
Maar deze wenkte hem weder te gaan zitten, en zeide langzaam en met bezorgdheid: ‘Ja, zoo meteen, Walter! maar wij zullen nog eens nagaan, of wij niets vergeten hebben; te veel haast heeft dikwijls een voordeelige zaak doen mislukken. Het toeval, dat hem herwaarts voert, is, zooals gij te wel hebt opgemerkt, te gunstig om er geen partij van te trekken; maar ik voorzie groote moeilijkheden om Ada te beduiden, dat dit alleen hem redden kan, en niet minder om zijn toestemming te verwerven. Ofschoon hij, zoo ik vertrouw, niet weet, waarom mij zooveel aan dit huwelijk gelegen is, zoo vrees ik echter, dat ik mij voor niets zal blootstellen aan de verstoordheid van mijne nicht en de tegenwerpingen van mijn zoon.’
‘Gelukkig is heer Reynoud niet bij de hand,’ merkte de hofmeester aan, die met leedwezen bemerkte, dat zijn meester opnieuw zwarigheden begon op te werpen: ‘daarom wordt er spoed vereischt. In allen gevalle, Heer! wat kan hij zeggen? Het is immers voor hem, dat gij u deze zorgen getroost! hij zal er eenmaal de schoone vruchten van plukken, en niet langer wachten om naar een ander meisje uit te zien, als zijne nicht gehuwd is; en de jonkvrouw,’ vervolgde hij grimlachende, ‘die ziet immers toch altijd stroef; zij zal er u niet over spreken, maar tevreden zijn den ruiter te redden, en tevens een echtgenoot naar hare keus te krijgen.’
‘Zacht, zacht, Walter!’ zeide heer Loef. ‘Vergeet niet, dat zij de dochter van mijn zuster is; ik wenschte wel, dat zij mijn Reynoud had willen trouwen; hij bemint haar nog, geloof ik. Die Walson blijft ons dan ook nog altijd op ons dak. Ik heb goede zaken gedaan met Messire Perrol; maar ik wenschte, dat ik hem nooit gezien had; het zijn vrienden, die zich niet ontzien uw huis te gebruiken als het hunne, en die altijd gereed zijn de tanden te laten zien. Dat die vervloekte Zwarte knapen nu ook juist in mijn huis moeten zijn, om op alles te letten, wat er gebeurt; als Reynoud hen hier vindt, zal er weder wat te doen zijn; hij verwijt mij mijn zwakheid, en hij heeft gelijk.’
‘Jongelieden kunnen over zulke zaken niet oordeelen, Heer!’ antwoordde Walter; ‘in dit geval zullen de ruiters van Perrol, die niets van de gevangenneming bemerkt hebben, ons van dienst zijn; ik zal zeggen dat zij den bisschoppelijken ruiter herkend hebben, en dat zal een goede aansporing wezen voor de jongelieden, om alles toe te staan, wat gij zult verlangen.’
‘Hun verblijf alhier, dat ik niet heb durven weigeren, zal dan ten minste tot iets dienen; maar ik zal alle heiligen danken, als zij vertrekken; ik maak mij ongerust. Hebt gij nog niet kunnen te weten komen, wie de vrouw is, die zij in die draagkoets herwaarts gebracht hebben?’ vroeg heer Loef.
‘Neen, Heer!’ antwoordde Walter, en alle opgeruimdheid verdween van zijn gelaat, dat nu alleen spijt en teleurstelling verried. ‘De knaap is zoo dicht als een pot, en de gemeene ruiters weten niets, of antwoorden niet eens, als men hun vraagt: de eenige hunner, met wien ik een gesprek heb kunnen aanknoopen, gaf zooveel te kennen, dat het een meisje was, hetwelk fraai kon spreken, en van wier veranderlijke genegenheid Messire Perrol zich voor altijd verzekeren wilde.’
‘Misschien wel de Zwarte Aleida, met wie hij hier geleefd heeft,’ zeide heer Loef verheugd. ‘Ik vreesde, Walter! dat het de eene of andere jonkvrouw zou zijn, en dat haar verblijf in mijn huis mij misschien duur te staan zou komen.’
‘O! ho! die spreekster zou wel bij hem blijven; ware het niet ter liefde van hem, dan uit liefde voor zijn geschenken,’ zeide de hofmeester, het hoofd schuddende. ‘Neen, Heer! Walter is te oud om zich door dien ruiter, welke veel van een weggeloopen monnik heeft, te laten bedriegen; ik geloof er niets van...’ Hij zou zeker verder vervolgd hebben, indien niet een zacht geklop tegen de deur, dat hoe langer hoe sterker werd, hem hierin verhinderd had. Hij zag zijn meester vragend aan, en toen deze hem last gaf, om te zien wat men begeerde, trad hij naar de deur, opende haar en Froccard, over wien hij nog zoo even gesproken had, stapte hem voorbij, en boog zich diep voor heer Loef, die onaangenaam getroffen werd, toen hij den ruiter met het ongunstige en valsche gelaat voor zich zag.
‘De zaak, waarover ik u kom spreken, Heer!’ zeide deze, ‘deed mij gelooven, dat het raadzaam is mij regelrecht tot u te wenden, zonder mij te laten aandienen, en zij noodzaakt mij u te verzoeken, mij een onderhoud van eenige oogenblikken met u alléén toe te staan.’
Het woord alleen, waarop hij sterk drukte, terwijl hij een zijdelingschen blik op Walter wierp, deed dezen met bevreemding opzien; want hij wierp juist eenige stukken hout op het vuur. Verontwaardiging vertoonde zich op zijn gelaat. Heer Loef vond zich door dit verzoek teleurgesteld; hij had iets zoo gewichtigs niet verwacht, en trachtte tevergeefs op het strakke gelaat van den ruiter het een of ander te bemerken, dat hem eenige inlichting kon bezorgen. Hij gevoelde geen verlangen, om met den Zwarten Ruiter alleen te blijven, te meer daar Walter zijn geheel vertrouwen bezat, en antwoordde dus, na eenige oogenblikken nagedacht te hebben: ‘Mijn hofmeester mag, wat mij betreft, alles hooren, wat gij te zeggen hebt; gij kunt veilig spreken.’
Froccard boog zich en zeide: ‘Zeer wel, Heer! Meester Walter weet wel, dat ik geene geheimen voor hem heb; maar in dit geval vermeende ik evenwel uw goedvinden te moeten verstaan. De zaak is namelijk deze, dat de marsman, die hier in huis is gekomen om zijne waren te verkoopen, zeker niet veel goeds in den zin heeft, het is geen gewoon marskramer, ik ben er zeker van, en raad u aan hem niet zonder verhoor te laten gaan.’
Heer Loef zag, als het ware onverschillig door het ruime vertrek, dat alleen bij de ramen en het vuur genoegzaam verlicht was, om de voorwerpen duidelijk te onderscheiden; de raadgeving van den ruiter kwam hem zeer te onpas; hij vervloekte diens opmerkzaamheid; evenwel gaf hij lachende ten antwoord: ‘Gij geeft u wel veel moeite
voor zulk een gemeenen vent, mijn vriend! aan uwe voorzorg dacht ik, dat er ten minste iets meer belangrijks uit u zou komen. Ik heb den marsman niet gezien of gesproken; maar zoo hij mocht terugkeeren, zullen wij er om denken en danken u voor het bericht.’
‘Ik geloof, Heer, dat gij u

bedriegt,’ zeide Froccard, zonder dat zijn gelaat eenige
verandering onderging. ‘De koopman is nog niet vertrokken; maar bevindt zich
nog hier in huis.’
‘Weet gij er iets van, Walter?’ vroeg heer Loef, gemelijk over het gezegde van den ruiter.
‘Volstrekt niets, dan dat de man reeds lang vertrokken is; ik zag hem immers voor een geruimen tijd, toen hij het vertrek van de jonkvrouw verliet; hij zal nu reeds ver te zoeken zijn,’ antwoordde de hofmeester, zonder eenige verlegenheid te laten blijken.
‘Zeer zonderling,’ merkte de ruiter aan; ‘want ik kom nu regelrecht van den ingang van het huis, dien ik niet verlaten heb, sedert hij is binnengekomen, en ik heb hem niet zien uitgaan.’
‘Ik wist wel, dat gij de kamer bewaaktet, waarin de vrouw gebracht is,’ zeide Walter spottende, ‘maar niet, dat u tevens de last was opgedragen, om bij de deur van dit huis op de wacht te staan.’
‘Wij weten dan zoo wat evenveel, meester!’ hernam de ruiter, nu bijna onmerkbaar grimlachende; ‘want ik weet er ook niets van; maar een hond jaagt wel eens voor zijn eigen vermaak, en gij ziet, dat ik edelmoedig de vruchten van mijn jacht aan anderen kom mededeelen.’
‘Het is wel, vriend! en ik zal er u voor beloonen!’ antwoordde heer Loef, ‘gij kunt nu gaan. - En gij, Walter! onderzoek terstond of het waar is, dat de koopman hier nog is, en tracht anders te onthouden, hoe hij er uitziet, als hij eens mocht terugkomen.’
Walter boog zich, en heer Loef stond op, in de hoop dat de Zwarte Ruiter nu ook vertrekken zou; maar hij bevond zich bedrogen; want deze haastte zich te zeggen:
‘Een belooning komt nooit te onpas, en de eene dienst is de andere waard, Heer! De makker van den marsman liep zoo wat om de deur te draaien, en scheen te wachten, tot deze er uitkwam; ik wist hem binnen het huis te lokken en heb hem zoolang vastgehouden; valt er dus nog wel te twijfelen, of de marsman al of niet vertrokken is?’
‘Wij zullen zien,’ zeide Walter gemelijk, terwijl hij iets binnensmonds scheen te pruttelen; maar heer Loef verried niet, dat de woorden van den ruiter hem hoogst onaangenaam waren, en spoorde Walter aan om het noodige onderzoek te laten doen. De hofmeester wierp een vorschenden blik op den ruiter, die voornemens scheen vooreerst nog te blijven, en verliet de kamer.
De deur was nauwelijks gesloten, of heer Loef, die heen en weder voorbij den schoorsteen stapte, bleef stilstaan, en hield zich, alsof hij verwonderd was den ruiter nog voor zich te zien; maar deze nam terstond het woord op, en zeide: ‘Heer! ik vrees, dat uw oude dienaar niet handelt, zooals het behoorde; daarom ben ik gebleven. Weet gij, wie de marsman is? het is een der ruiters van de Bende van Van Schaffelaar, en die brouwt zeker niet veel goeds hier in de stad. Walter weet evengoed als ik, dat hij hier nog in huis is, en ik kan u de kamer aanwijzen, waar hij verborgen is. Wat Walter voorheeft, weet ik niet; maar ik weet, dat Messire Perrol zeer tevreden zal zijn, als gij hem dien knaap overlevert, en hij zou het u nooit vergeven, als gij hem ongemoeid liet gaan.’
Geheel ternedergeslagen, liet heer Loef zich in zijn zetel vallen; niet alleen dat het hem door deze herkenning onmogelijk werd, zonder met Perrol te breken, Frank zijn vrijheid weder te geven, als het hem goeddacht; maar hij kon nu den ruiter zelfs niet eens vrijwaren voor de vervolging van Perrol, zonder dezen rekenschap te geven van zijn gedrag, en zijn ongenoegen op zich te laden. De plannen, zoo vernuftig ontworpen, vielen door de opeisching van den ruiter in duigen, en men wachtte zijn antwoord. Men wist,
dat Frank niet vertrokken, maar verborgen of gevangen was; en de schijn kon den Zwarten Ruiter, die valsch grimlachte, niet van het spoor geleid hebben; dit zag hij duidelijk.
Heer Loef zeide eindelijk, dat het hem leed zou doen, als de ruiter zich niet bedrogen had, omdat hij Frank sinds geruimen tijd kende, en wel kon nagaan, dat hij met geene slechte oogmerken gekomen was; hij gaf voor, niet te kunnen begrijpen, wat de aanvoerder der Zwarte Bende gemeens had met een man van wapenen van geringen rang; en dat het hem voorkwam, dat deze niets behoefde te weten van het bezoek, hetwelk de vijandelijke ruiter in het huis Oosterweerd had afgelegd.
Walter keerde nu weder terug; maar daar hij geen haast scheen te hebben om te spreken, en de tegenwoordigheid van den ruiter hem niet zeer aanmoedigde om den mond te openen, zeide deze: ‘Meester Walter! uw heer weet reeds, welke tijding gij brengt: de ruiter Frank is voorloopig op het kamertje boven de poort opgesloten, tot Messire Perrol zijn goedvinden zal bekend maken, - niet waar?’

Doch Walter antwoordde niet, en plaatste zich zwijgend naast zijn
meester, terwijl Froccard heer Loef te kennen gaf, dat hij hem aanried,
Frank niet te laten gaan, indien hij met Perrol bevriend wilde blijven; en
dat hij, wat hem betrof, wel niets te zeggen had in het huis van
Oosterweerd, maar evenwel verplicht was, zijn meester van de zaak te
onderrichten. ‘Indien ik het verzweeg, Heer! en de zaak werd ruchtbaar,
hoewel de knaap en mijne makkers van den ruiter niets weten, dan zou hij mij
laten opknoopen, zoo zeker als ik de eer heb tegen u te spreken,’ eindigde
hij.
‘Dat zou te bejammeren zijn,’ merkte Walter aan, die met onwil de woorden van den ruiter had aangehoord, en wien het verdroot, dat zijn meester zich in zijn eigen huis de wet door een gemeenen ruiter liet voorschrijven.
Doch de oude hofmeester liet zich door zijn drift te veel beheerschen, en verloor daardoor zijn gewone voorzichtigheid. Heer Loef daarentegen had al zijn tegenwoordigheid van geest terugbekomen, toen de zaak geheel ontdekt was, en er niets meer viel te verzwijgen; hij gevoelde dat hij, door zich te houden alsof hij van niets wist, den ruiter had laten bemerken, dat hij de komst van Frank wenschte geheim te houden; maar tevens vermoedde hij, dat er met den ruiter wel te onderhandelen zou zijn.
Op zijn last ontstak Walter de kaars, die op de tafel stond, en schoof de gordijnen vóór het venster. Het schijnsel van het vuur en het licht der kaars verlichtten de afbeeldingen van twee voorvaders van den heer van Oosterweerd, die ruim een eeuw geleden door Jan van St. Omer geschilderd waren, en uit hunne donkere lijsten onvergenoegd op hun nazaat schenen te staren. Froccard naderde, op verzoek van den heer Loef, het vuur, en zette zich op een bankje onder den schoorsteen neder; en de gewilligheid, waarmede deze aan die uitnoodiging voldeed, zelfs zonder de minste verwondering te laten blijken, gaf heer Loef al dadelijk hoop op een goeden uitslag der aan te knoopen onderhandeling.
Wij zullen ons niet langer met hetgeen hier voorviel bezighouden, daar wij in het vervolg wel zullen te weten komen, of Froccard, die gelukkig niets wist van de komst van Frank in Eemnes, ofschoon Perrol hem tegen den middag een zijner ruiters gezon-
den had, om naar Maria te vernemen, zich al dan niet door den heer Loef had laten overhalen; doch wij merken alleen aan, dat het gewichtigste punt der onderhandeling, evenals van alle voorname bedrijven en handelingen hier op aarde, in het geld bestond.
Ook in het vertrek van de jonkvrouw brandde reeds licht; zij zat vóór het vuur, en had hare kleeding verwisseld. Haar kamermeisje zat tegenover haar en spon, en wierp nu en dan een blik vol medelijden op hare gebiedster.
Reeds tweemaal had men op de deur geklopt, zonder dat Ada iets scheen te hooren: daarom waagde Annetje het eindelijk om zacht te zeggen: ‘Men klopt op de deur, Jonkvrouw! is het uw wil, dat ik zie wie er is?’
Het was alsof Ada in haar slaap gestoord was, toen zij werd aangesproken; maar hare oogen, die niet gesloten waren geweest, hadden genoeg te kennen gegeven, dat geen rust voor een oogenblik haar leed verzacht had. Zij boog toestemmend het hoofd; en toen Annetje haar bericht had, dat de hofmeester haar eenige oogenblikken alleen wenschte te spreken, bedacht zij zich. Zij scheen in tweestrijd; evenwel gaf een nieuwe buiging van het hoofd te kennen, dat zij er genoegen in nam, en Annetje verliet het vertrek, toen Walter het binnentrad.
Hij boog zich eerbiedig, en zeide, terwijl Ada stijf voor zich bleef zien: ‘Gij ziet een oud man vóór u, edele Jonkvrouw! die vergiffenis komt vragen voor hetgeen hij gedaan heeft; maar hetgeen gebeurd is, is niet meer te veranderen. De marsman is niemand anders dan heer Frank; ik waag het te vermoeden, dat u zulks bekend is. Helaas! indien het u behaagd had te spreken, of hem, om zich bekend te maken, ik zou niet de hand aan hem geslagen hebben, en zijn leven zou nu niet in gevaar zijn.’
‘Zijn leven in gevaar?’ - riep Ada snel opziende, ‘wie heeft u dat gezegd, Walter? dat kan niet zijn; - en waarom komt mijn oom niet, terwijl ik hem verzocht heb hier te komen?’
Walter haalde de schouders op, en vervolgde: ‘Heer Loef is verstoord, omdat heer Frank vermomd binnen dit huis gekomen is, en u bezocht heeft; hij beschouwt het als een beleediging, welke u en hem is aangedaan.’
‘Een beleediging aan mij?’ - zeide Ada fier. ‘Ik geloof, dat wij daarover zelve het best kunnen oordeelen; - ha! gij spreekt van zijn leven; denkt mijn oom mij te verschrikken? Zeg hem, dat hij mij niet kent, ik wil niets meer weten!’ en zij wendde het gelaat van hem af.
‘Waarde Jonkvrouw!’ zeide de oude hofmeester met een droevige stem; ‘gij weet nog alles niet. Heer Loef weet niet, dat ik hier ben om met u over heer Frank te spreken. Gij begrijpt zelve wel, dat mijn meester, hoe vertoornd ook, nooit het leven van den jonkman zou bedreigen; maar vooreerst is het in de stad reeds ruchtbaar, dat er een zendeling van heer David, als marsman verkleed is binnengekomen; men doet onderzoek en....’
‘En zal uw meester zoo laaghartig zijn hem over te leveren in plaats van hem te verbergen?’ vroeg Ada, een verachtenden blik op den hofmeester werpende.
‘Neen; ten minste niet uit eigen beweging,’ hernam Walter, nogmaals de schouders ophalende; ‘maar het volk van de Zwarte Bende heeft hem herkend, en hem opgeëischt in naam van Perrol, die hem den dood gezworen heeft; er valt dus niets voor hem te doen, tenzij men als verrader van de stad wil worden beschouwd en de wraak van den aanvoerder der Zwarte Bende op zich wil laden.’
‘Heilige Moeder Gods! - o! lieve Heere Jezus! wees hem genadig!’ riep Ada, hare handen wringende, en de vreeselijke angst, die haar hart aangreep, was op haar gelaat te lezen. - ‘Walter! gij zijt oud, weldra zult gij er niet meer zijn, en ik zal voor uwe ziel laten bidden, alsof gij een edelman en rijk waart; maar red hem! God en alle heiligen zullen het u vergelden,’ zeide zij en zag hem smeekend aan.
‘Ik ben oud, het is zoo, Jonkvrouw!’ antwoordde hij, het hoofd schuddrende; ‘maar
tevens ook zwak: ik mag het leven van mijn meester niet wagen voor dat van een onvoorzichtigen jongeling; ook letten de Zwarte Ruiters op alles: de eenige hoop is, dat Perrol met de Roode Hand hem genade verleent.’
‘Neen! die verleent geen genade. En wie zou die van hem begeeren? - Frank ten minste niet!’ riep Ada fier, en zij vervolgde schamper: ‘Zoo is dan een vreemdeling tegenwoordig meester in Oosterweerd! mijn oom beeft voor de Roode Hand! Maar denkt gij, grijsaard! denkt heer Loef, dat Frank zal aangeraakt worden, zonder dat gij sidderen zult? Ha! is het slot van Wijk zoo ver van hier gelegen, dat mijnheer David zijn zetel niet meer beklimmen, of de Hertog hem op de wapenen van zijn krijgsvolk niet binnen de stad dragen kan? Denkt gij niet, dat heer Jan van Schaffelaar, die ook een bende ruiters heeft aan het huis van Oosterweerd met zijn zwaard zal aankloppen, en van den heer zijn man van wapenen en vriend zal afvorderen, als Perrol misschien reeds lang verslagen, gerecht of naar zijn land teruggekeerd is?’
Terwijl zij sprak, was zij opgestaan en had hare hand dreigend naar den hofmeester uitgestrekt; maar bij de laatste woorden werd de spanning gebroken, die haar tot hiertoe kracht had gegeven; zij viel in den stoel neder, bedekte haar gelaat met hare handen, en eindigde somber: ‘De wraak, hoe snel, hoe zeker ook, zou hem niet redden, hij heeft het mij gezegd: Perrol zal geen oogenblik verzuimen zich te wreken. - “Walter!” zeide zij eenige oogenblikken daarna, en meer bedaard, “waar is mijn neef Reynoud toch? hij zal het huis zijns vaders bewaren voor zulk een schande, en Frank beschermen tegen de Zwarte Ruiters.”
Hij keert niet voor morgen terug, Jonkvrouw!’ antwoordde Walter; ‘en zoo hij al gehoor gaf aan uw verzoek of zijn eigen verlangen, zou het hem zelven en zijn vader in het ongeluk storten.’
‘Dan zal ik zelve mijn oom gaan spreken. O! indien de zucht om schatten te vergaderen hem niet geheel onwaardig gemaakt heeft, zich nog een edelman te noemen, dan zal ik hem overhalen, om in zijn eigen huis, naar zijn eigen welgevallen en volgens de wetten der eer en menschelijkheid te handelen,’ zeide zij, terwijl zij opstond; maar het was dit niet, wat de hofmeester verlangde, en hij antwoordde: ‘Helaas! edele Jonkvrouw! uw voornemen, zoo loffelijk, zoo edel, zou misschien een goede uitwerking hebben; doch mijn meester heeft zich in zijn kamer opgesloten en mij gezegd, dat hij u niet vóór morgen wilde zien of spreken, en Perrol kan elk oogenblik verschijnen: zijn volk wacht hem met ongeduld.’
‘Gij zijt wreed, grijsaard!’ zeide Ada smartelijk; want die naam klonk haar evenals een doodvonnis. ‘Maar kan het goud, dat alles kan bewerken, dat alléén somtijds den booze tot goede daden kan uitlokken, hier niets doen?’ vroeg zij, en het scheen, dat er een nieuw licht voor haar geest was opgegaan. Maar Walter schudde het hoofd, en antwoordde: ‘Heer Loef heeft het vruchteloos beproefd, Jonkvrouw! de ruiters zijn voor niets vatbaar dan voor gehoorzaamheid aan hun meester.’
Deze hoop ging dus weder verloren, en het scheen dat Ada geen uitkomst meer zag; zij liet haar hoofd zakken, staarde vóór zich en herhaalde, droevig het hoofd schuddende: ‘Hij zou dus verloren zijn, verloren en zoo jong nog!’
‘Waarde Jonkvrouw!’ zeide toen de hofmeester, alsof het diepste medelijden hem bezielde, ofschoon hij slechts naar dit oogenblik gewacht had, om haar bekend te maken met hetgeen hij voorhad; ‘het is zooals gij zegt, hij is zoo goed als dood; maar zoo ik u, tegen den wil van mijn meester, die niet weet dat ik hier ben, onderricht heb van het gevaar, dat hem boven het hoofd hangt, zoo is dit voornamelijk, om u het eenige middel te doen kennen, dat hem zou kunnen redden....’
‘Zeg mij dat, Walter! o! haast u, verlies toch geen tijd, oude man!’ riep Ada, van houding veranderende.
‘Het zou noodzakelijk zijn aan heer Loef te bewijzen, dat zijn komst in die vermomming een gegronde reden had...’
‘Dat heeft zij; hij is voor die deern hier gekomen,’ viel Ada in de rede. Maar Walter, ofschoon hij haar vragend aanzag, toen zij zweeg, vervolgde: ‘en dat in zijn vertoeven in dit vertrek niets ongepasts gelegen was.’
‘Maar dit zal immers gemakkelijk vallen!’ riep Ada.
‘Ik geloof het gaarne, edele Jonkvrouw!’ zeide Walter, ‘en dat zal voldoende zijn, om heer Frank in zijn oog van alle schuld vrij te pleiten, en zelfs ook anderen, als het noodig

ware; maar, helaas! dit alles kan het leven van den heer ruiter
niet beschermen tegen het gerecht der stad of Messire...’
‘O! noem dien naam niet meer. Maar ik dacht, dat gij een redmiddel wist, Walter! tevergeefs zoekt gij mij te misleiden, er bestaan er geen. O! ware Reynoud hier, hij zou mij niet bedriegen,’ zeide zij verwijtend en schudde het hoofd.
‘En zoo ik niet durfde spreken, nu het er op aankomt? indien ik te veel verwacht had van mijn stoutheid, en mijne woorden u grievend beleedigden, wat dan, edele Jonkvrouw?’ vroeg Walter langzaam, terwijl hij oplettend de houding en de gelaatstrekken van het doodsbleeke meisje gadesloeg.
‘Spreek! spreek toch, Walter! ik kan alles hooren, ik wil, dat gij spreekt!’ riep Ada. Toen boog de hofmeester zich en zeide: ‘Indien er een zekere band bestond tusschen mijn meester en de ruiter, die hem noodzaakte, zich voor dezen in de bres te stellen, en die bij het gerecht, en bij Perrol en zijn luitenant tot voorwendsel en reden kon dienen, waarom hij hem had laten ontsnappen, dan zou hij misschien overgaan om de macht van dien ruiteraanvoerder en van de burgerij het hoofd te bieden.’
‘Met een strakken blik hoorde Ada hem aan; en toen hij zweeg, in angstige verwachting van hetgeen zij zou antwoorden, riep zij kortaf: “Spreek duidelijk, zonder omwegen, ik wil gehoorzaamd worden!” en zij dreigde met den vinger.
Het is uw wil, en het geldt eens menschen leven,’ antwoordde Walter ernstig: ‘daarom zal ik ronduit mijn gevoelen zeggen. Hij is een dapper en jong krijgsman, maar ook niets meer: en gij, mijne Jonkvrouw! gij zijt rijk en uit edele voorouders gesproten; kunt gij besluiten om hem uwe hand te schenken, dan is hij gered; zoo niet, dan wacht hem de dood!’
‘Genoeg!’ riep Ada, en toen verzonk zij in gedachten; de hardvochtige oude gevoelde toch evenwel eenig medelijden met de ongelukkige jonkvrouw; maar hij besloot den last van zijn meester ten einde toe te vervullen; zelfs deed het hem eenigermate vermaak, dat hij haar kon straffen voor de trotschheid, waarmede zij hem veeltijds behandeld had.
Een hevige tweestrijd scheen in haar binnenste te heerschen, toen zij heen en weder door het vertrek ging, terwijl Walter de kaars snoot, en met ongeduld haar besluit wachtte; hij vreesde elk oogenblik, dat een der vlagen van ijlhoofdigheid haar zou overvallen en aan alles een einde maken.
‘Zoo is de oorzaak van zijn ongeluk, en aan mij zal hij zijn vrijheid en het leven te danken hebben!’ zeide Ada halfluid, terwijl zij stilstond en zich scheen te beraden; hetgeen zij er nog meer bijvoegde, kon Walter niet verstaan. Eindelijk zette zij zich weder neder, drukte met hare hand tegen het voorhoofd, en zeide langzaam, doch ernstig: ‘Mijn besluit is genomen; het middel, dat gij voorstelt, wil ik beproeven. Zoodra hij mijn hand aanneemt,’ - hier glimlachte zij treurig, - ‘zal ik mijn toestemming geven; maar ook eerder niet: en zoolang hij gevangen blijft, zoolang eenig gevaar hem dreigt, behoud ik aan mij, mijn woord terug te nemen.’
‘Ik beloof mij alles goeds van uw edel besluit, Jonkvrouw!’ zeide Walter innerlijk verheugd; ‘en ik hoop, dat ik u spoedig goede tijding brengen zal. Mogelijk zal het wel zijn om u te berichten, dat de bruidegom en de priester u wachten.’ Hij boog zich, zonder dat Ada scheen te bemerken, dat hij nog in de kamer was, die hij echter haastig verliet.
Waarschijnlijk bemerkte het kamermeisje, dat in het voorvertrek wachtte, bij het flauwe licht eener kleine lamp, dat Walter bijzonder opgeruimd scheen; de vergenoegde lach, die op zijn gelaat te lezen stond, bevreemdde haar, daar hare meesteres zoo treurig was, en er iets met den bisschoppelijken ruiter scheen voorgevallen te zijn, dat zij niet had
kunnen te weten komen en haar beangst maakte. Waarschijnlijk bemerkte de hofmeester de verwondering, die zij liet blijken, en eer zij hem kon aanspreken, zeide hij: ‘Ik zou u aanraden, Annetje! om terstond naar binnen te gaan en de jonkvrouw niet te verlaten;’ waarna hij er ernstig op liet volgen: ‘Het geeft geen pas voor een jonge deern, om bij knechts en vreemde ruiters naar een rondloopenden koopman te vragen, en heer Loef ziet niet gaarne, dat men zijn neus in eens andermans zaken steekt; daarom raad ik u aan, meisje! om maar boven te blijven.’ Dit zeggende, wees hij met zijn vinger op de deur van het vertrek, dat hij zoo even verlaten had, en ging niet eer heen, vóórdat Annetje, zonder een woord te durven antwoorden, ofschoon hare houding hare ontevredenheid te kennen gaf, in de kamer van hare meesteres getreden was.
‘Het moeilijkste gedeelte van zijn last meende Walter nu reeds vervuld te hebben. Hij had meer moeite gevreesd, om Ada te doen begrijpen, welk gevaar Frank boven het hoofd hing, en om op hare trotschheid te zegevieren; ook grimlachte hij, omdat zij zich zoo gemakkelijk had laten diets maken, dat heer Loef haar niet te woord zou staan, en Frank aan zijne vijanden zou uitleveren. Wat den jongen ruiter betrof, hij stelde zich voor, dat niets gemakkelijker zou zijn, dan met dezen de zaak ééns te worden; daar hij met zekerheid vermoedde dat deze, tot nog toe, alleen uit besef van zijne onwaardigheid om de hand van jonkvrouw Ada te verkrijgen, bij heer Loef niet het minste aanzoek had gedaan om deze gunst van hem te verwerven, en nimmer had laten blijken, dat hij op de jonkvrouw of op hare goederen verzot was.

Hij haastte zich, om zich naar een ander gedeelte van het huis te
begeven, opende met een sleutel, dien hij bij zich droeg, de zware deur van
een donkere gang, en hield de hand vóór de vlam van de lamp, die door de
zuiging der lucht bewogen werd; hij sloot de deur niet achter zich, maar
zette haar op een har, deed, eenige voetstappen verder, de grendels van een
kleine deur weg, en opende die. Dit gedeelte van het gebouw lag, zooals
Froccard gezegd had, boven de buitendeur van het huis, en de hofmeester had
begrepen, de deur van het kamertje niet met den sleutel te moeten sluiten,
om Frank niet al te veel argwaan te laten blijken.
Zoolang het nog dag was, had Frank nu eens het kleine vertrek op en neder gewandeld, dan weder voor het kleine en met ijzeren staven voorziene raam stilgestaan, om naar buiten te zien; maar hij was Kars niet gewaar geworden. De trouwe jongen zou hem buiten wachten; maar was misschien reeds vertrokken, de hoop opgegeven hebbende, om hem terug te zien keeren, of hij wachtte nog. Behalve door het gesloten raampje met kleine groene ruitjes, werd hij reeds door de dikte der muren zelve verhinderd, voor het huis op de straat te zien. Hij zag de menschen aan de overzijde van de gracht voorbijgaan; zij haastten zich, om, eer de avond viel, hunne bezigheden af te doen, of huiswaarts te keeren. Later viel het hem hoe langer hoe moeilijker, iets van de overzijde te onderscheiden; evenwel liep hij niet meer door het kleine verblijf, dat reeds geheel duister was, heen en weder, maar bleef onafgebroken vóór het raampje staan, op den muur leunende, en zag hoe de lichten hier en daar in de huizen werden aangestoken, van welke de spitse gevels, met ijzeren punten van eigenaardig en vreemd maaksel gekroond, en de hooge schoorsteenen zich nog lang tegen de lucht lieten onderscheiden.
Zijn gevangenneming verwonderde hem niet, maar wel dat Walter zoolang wegbleef, nadat hij zich bekend gemaakt had. Welke reden toch kon heer Loef hebben om hem niet te willen spreken? Toen eindelijk het eene oogenblik na het andere vervloog, zonder dat hij iets hoorde, dan nu en dan eenig gerucht onder in het gebouw, toen verwonderde hij er zich over, dat de deur, ofschoon niet op slot, was dichtgegrendeld, en hij huiverde, toen hij zich herinnerde, dat Froccard hem bij den ingang van het huis had ontmoet, en een oogenblik had stilgestaan om hem met aandacht te beschouwen. Indien men den
jongen ruiter daar roerloos aan het raam had kunnen zien staan, zou men gedacht hebben, dat hij met bedaardheid den loop der gebeurtenissen afwachtte; maar zijn bleek gelaat en strakke blik zouden verraden hebben, dat de gerustheid uit zijn hart verbannen was.
Wat er met hem gebeuren kon, welk gevaar hem boven het hoofd hing, daaraan dacht hij niet; het leven was voor hem zoo schoon en zoo rijk niet aan blijde vooruitzichten, om een oogenblik bij zijn eigen lot te blijven stilstaan; alleen angst en bezorgdheid voor Maria hielden al zijne gedachten bezig; elk oogenblik tijdverlies kon haar noodlottig zijn; misschien was het nu nog mogelijk, zelfs gemakkelijk, haar te redden; en haar buiten het bereik van haar vervolger te voeren, en - hij was tot werkeloosheid gedoemd! Had de Hemel dan zijne pogingen gezegend, zijne smeekingen verhoord, hem zelfs door bemiddeling van een dienares van satan het spoor van Maria doen vinden en volgen, hem in het huis gevoerd, waar het meisje, dat hij beminde, waar de bruid van zijn weldoener versmachtte, om haar nog te doen verloren gaan? O! die gedachte was onwaarschijnlijk; die vernietiging van zijne hoop, die terugstooting in de duisternis, na eerst het blijde licht der hoop voor zijn oog te hebben doen schitteren, zoo schrikkelijk, dat hij het zich niet kon voorstellen; en evenwel was hij gevangen, en Walter keerde niet terug. Nu en dan echter vestigden zich zijne gedachten ook op andere voorwerpen en personen; hij zag Ada dan nog prachtig gekleed vóór zich, hem van zich afstootende, zijne smeekingen met bespotting beantwoordende; hij zag Wouter den roover van zijn dochter met zijn wraak dreigen, en Martha jammerende om haar kind. Het was hem, alsof hij Van Schaffelaar vóór zich zag, tevergeefs trachtende zijn leed als een man te dragen. Hij hoorde de trommen en trompetten, die het krijgsvolk bijéénriepen; en hij, die te voren gehoopt had, in Eemnes, met de wapens in de hand, een roemrijken dood te sterven, hij zou de eenige zijn, die niet met de Schaffelaars zou oprukken; misschien wachtte hem wel de dood! - maar een dood zonder roem, en zonder dat hij de geliefde van zijn hart kon redden. De flauwe hoop, dat Kars iets tot hare redding zou kunnen bewerken, verdween bij nadere overdenking; en wat was er te hopen of te verwachten van Ada? Helaas! hij vreesde maar al te zeer, dat zij, na de hevige gemoedsbewegingen, welke haar hadden aangegrepen, in een staat van ongevoeligheid zou vervallen zijn, die haar buiten staat zou stellen om iets voor hem te doen, al had zij er de macht toe; en voor Maria kon hij niets van haar verwachten. Doch alles maakte weldra weder plaats voor het beeld, dat altijd voor zijn geest zweefde; hij verbeeldde zich nu niet Maria zooals anders te zien, zittende naast hare moeder, en hem bij zijn naam noemende; of, zooals op dien morgen, toen zij hem de roos ter hand stelde, waarvan hij nog een enkel blaadje bewaarde in de doos, welke hij steeds bij zich droeg, sedert zijn vriend hem die had teruggegeven; neen! hij zag haar nu in angst en rouw gedompeld, geknield in een gevangenis liggen, met de handen hemelwaarts en het oog vol tranen; het was als hoorde hij zich door haar beschuldigen van haar niet gered te hebben. Maar ook Perrol zweefde hem voor den geest: elk oogenblik verwachtte hij het getrappel der paarden van den aanvoerder der Zwarte Bende te vernemen. De ruitjes van het glasraam, waartegen hij met het klamme voorhoofd leunde, trilden in het lood, waarin zij gevat waren, en nu en dan ontsnapte er een uitroep van vertwijfeling aan zijn mond, die zich nu eens opende om te bidden, dan weder om te vloeken; hij beefde van razernij, omdat hij dienzelfden morgen lafhartig genoeg geweest was het bendehoofd te sparen.
Frank hoorde noch het ontsluiten van de gangdeur, noch het geluid der grendels, toen zijn gevangenis geopend werd; de gewoonte, welke Walter aangenomen had, om al wat hij verrichtte zoo zacht mogelijk te doen, zoowel als de aandoeningen, die het hart van den ruiter beheerschten, waren er de reden van. Doch toen op eenmaal een vrij helder licht in de kamer drong, dat door het glasraam teruggekaatst, het oog van Frank pijnlijk aandeed, keerde hij zich snel om en riep:
‘Ha! zijt gij daar eindelijk? Breng mij naar uw meester!’
‘Ik breng u licht,’ was het antwoord van Walter, die eenigszins verbaasd achteruitging, toen de ruiter op hem toetrad. Het doodsbleek gelaat en de hevige gebaren van Frank verwonderden hem; maar hij herstelde zich en dacht; ‘Hij is vanzelf reeds bevreesd, en alles zal zich wel schikken.’
Frank liet hem echter niet veel tijds, maar herhaalde zijn verzoek, en Walter zeide, de lamp nederzettende: ‘Ik heb daartoe geen last, Heer! maar kom om voor uwe veiligheid te zorgen.’
‘Voor mijn veiligheid?’ riep Frank verwonderd, ‘alsof ik mij daarom bekreunde. - Walter! hebt gij geen geheugen meer, of wilt gij mij razend maken? Ik wil heer Loef spreken, breng mij in Gods naam bij hem, of gij laadt een verschrikkelijke verantwoording op uwe ziel.’
De oude grimlachte; maar gelukkig bemerkte de ruiter er niets van, en hij zeide ernstig: ‘Mijn lieve Heer! mijn meester weigert u te zien; nooit zag ik hem zoo driftig, en ik geloof niet, dat hij zich weder met u verzoenen zal, na hetgeen er gebeurd is.’
‘Na hetgeen er gebeurd is?’ herhaalde Frank, nadenkende en een stap achterwaarts doende; toen vervolgde hij driftig: ‘Bij God en St. Maarten! is uw meester dan geen edelman meer? - Ha! ik begrijp nu al, waarom ik gevangen ben, en hij mij niet te woord durft staan, heer Loef staat in soldij van Perrol; - de Roode Hand beveelt hem, en werpt hem het goud voor de voeten, - de Zwarte Ruiters laten hunne zwaarden slepen in het huis Oosterweerd, de gewelven weerkaatsten hier hun veldgeschreeuw, en de gevangenissen zijn ten dienste van Perrol!’
‘Is het mogelijk! heeft de koude van dit vertrek uwe hersenen gekrenkt?’ zeide Walter terugtredende, terwijl hij verbazing en afkeuring liet blijken, ‘en dit zegt gij aan zijn hofmeester! - Weet gij wel eens, wat hij u verwijt, of wat ik kom doen?’
‘Welnu, Walter? ’zeide Frank vragende, en hij matigde zijn drift.
‘Zijt gij niet verkleed in zijn huis binnengeslopen? Hebt gij u niet een geruimen tijd in het vertrek van zijn nicht opgehouden? Heeft hij geen billijke reden om rekenschap te vragen van uw gedrag, dat hem beleedigt, en den goeden naam van de jonkvrouw benadeelt?’

‘Heb ik iets gedaan, dat verkeerd is, Walter!’ antwoordde Frank,
‘ik zal hem verschooning verzoeken; ware hij jonger en een ruiter evenals
ik, dan zou er een middel voor hem zijn, om met het zwaard rekenschap voor
deze voorgewende beleediging te vragen. Voorheen wantrouwde hij mij zoo
niet!’
‘Ha! gij spreekt van vechten,’ zeide Walter treurig, en hij liet de armen zakken. ‘Arme Heer! nog zoo jong loopt uw leven reeds ten einde! - de vermomming brengt het verderf over u, - gij moet sterven!’
‘Nog niet!’ riep Frank snel, alle gedachten aan een naderend einde van zich afwerpende; maar toen Walter het hoofd schudde vroeg hij: ‘Heer Loef wil dus met een moord de eer van zijn geslacht weder opluisteren; of volgt hij hoogere bevelen? - Wat geeft Perrol hem wel voor mijn leven?’.... en hij lachte verachtend.
‘Indien mijn heer uw dood wenscht, dan wil ik hier voor u dood blijven,’ riep Walter. ‘O, hoe zeer miskent gij hem! - Neen! men weet dat gij hier zijt; het gerecht kan elk oogenblik komen, en de Zwarte Ruiters hebben u herkend; er blijft hem dus niets over dan u uit te leveren.’ Toen droeg hij hem alles voor, zooals hij het aan Ada gezegd had, het zou hem leed doen, dat iemand als de ruiter niet in een gevecht een roemrijken dood vond, maar door de verachtelijke hand de beuls op aandringen van eenen Perrol, kwam te vallen, daarom kwam hij hem bezoeken.
‘Gij belooft dus, dat de ongelukkige jonkvrouw mij hare hand schenken, en zonder zich vernederd te gevoelen, tot mij af zou dalen?’ vroeg Frank verwonderd, en vervolgde, toen Walter zulks beaamde: ‘Welnu, dan wil ik van geen priester weten: haar woord is immers genoeg. Wie zegt u, dat dit middel mij zal redden? Waarom zou de jonkvrouw het weduwkleed dragen over iemand, die door den beul vermoord is? Doch gelooft gij ook, dat heer Loef dit huwelijk of deze trouwbelofte niet zal aanmerken als een nieuwe chande voor zijn geslacht en een nieuwe beleediging voor zijn persoon, omdat alles zonder overleg met hem geschied is? - Ja! dat hij zelfs zich zal verplicht rekenen mij te redden?’
‘Ook dat geloof ik,’ zeide Walter. ‘En wilt gij zeker gaan, zoo zullen wij met zoovele woorden in de trouwbelofte zetten, dat gij de jonkvrouw Van Rijn belooft te nemen tot uwe echte vrouw, als gij u dezen nacht vrij en frank buiten de stad zult bevinden. - De inzegening ontvangt gij dan later; wat wilt gij meer?’ vroeg Walter grimlachende,