terug  begin  verderprepost
[p. 457]

J.F. Oltmans
De Schaapherder
Vierde deel

[p. 458]



illustratie

[p. 459]



illustratie

I. Barneveld.

1. Eerste dag.

 
Hij klimt den steilen toren op
 
Met achttien rappe mans.
 
H. Tollens Cz.
 
Met dolheid slaat hij 't oog op torentrans en tin;
 
Hij dorst naar 't bloed des helds, met rustloos knarsetanden,
 
Die eenmaal in 't gevecht hem knevelde in zijn banden.
 
Mr. W. Bilderdijk.



illustratie

HET jaar 1481 liep ten einde, zonder dat een overwinning van eenig belang den tegenstanders van heer David weer nieuwen moed had kunnen geven, na den tegenspoed, die in den laatsten tijd hunne wapenen had getroffen. Wel belette de strengheid des winters hunne vijanden, het leger in het veld te houden, of zelfs eenige strooptochten van belang te ondernemen; maar heer Engelbert, en zij, die met hem in het bestuur waren, wisten niet of zij zich hierover moesten verheugen. De geringe toevoer, door die van de Hollandsche zijde en door den Bisschop verhinderd, veroorzaakte groote duurte in de volkrijke stad; alle neringen stonden stil; gebrek aan geld tot betaling van op tijd gekochte wapens en paarden, zelfs de soldij der soldeniers, die in dienst waren genomen, was hier het natuurlijke gevolg van. De schamele gemeente morde en vorderde levensmiddelen; de gegoede burgers waren onvergenoegd over de opbrengsten, die men van hen vorderde; alleen zij, die den opstand gesmeed, of er belang bij hadden, getroostten zich zwijgend elke opoffering, terwijl de anderen naar hun verdreven heer omzagen, met wien betere tijden te wachten waren.

Misschien was dit de reden dat in de maand Februari van het jaar 1482 een dagvaart te Schoonhoven gehouden werd, om over den vrede te handelen; doch de Stadhouder, zoowel als die van Utrecht, stelden hunne vorderingen zoo hoog, dat alles op niets uitliep. Dus door den nood gedrongen, hun toestand zelven te verbeteren, en door den eenen of anderen gelukkigen aanslag het zelfvertrouwen hunner partij weder op te wekken, ondernamen die van Utrecht in de volgende maand, Vianen te bemachtigen. De schuilplaats, welke de Hollanders en de vrienden van den Bisschop, door toelating van den tegenwoordigen heer, steeds aldaar gevonden hadden, verstrekte tot dekmantel van dezen aanslag, ofschoon de bezitter van de stad, als het hoofd der Hoekschen bekend stond.

De gunstige uitslag van deze onderneming gaf hun waarschijnlijk den moed en het voornemen, om ook een kans te wagen op Dordrecht. De burggraaf van Montfoort begaf zich met nagenoeg duizend man te scheep; maar aangezien de krijgslieden en Utrechtsche burgers, die hem ondersteunen moesten, niet op den bepaalden tijd kwamen opdagen, zoo keerde de burggraaf terug, en zag van zijn voornemen af. Heer Willem van Wachtendonck, onder wiens bevel Perrol eenigen van zijne ruiters gesteld had, waagde het even-

[p. 460]

wel, met deze en zijn overige macht, een poging te doen, die echter mislukte; en hij mocht zich gelukkig rekenen, zijn volk, dat hij te Rotterdam ontscheept had, met een klein verlies binnen Utrecht te kunnen terugbrengen.

Het zal niemand verwonderen, dat de Stadhouder, terwijl dit voorviel, nog geen genoegzame macht had kunnen verzamelen, om hun opnieuw den oorlog aan te doen; die van Utrecht en Amersfoort vochten voor hunne eigen zaak; de vruchteloosheid eener nieuwe onderhandeling, na die van Schoonhoven aangeknoopt, dwong hem om zich, het kostte wat het wilde, in bezit te stellen van eenige belangrijke punten, terwijl de mannen, die de Stadhouder bij loting van hunne haardsteden moest oproepen, naar het leger gingen, om een ander te dienen. Het bestuur was voor een oogenblik buiten staat, zich met de zaken van den Bisschop te bemoeien; op den 27sten Maart was Maria van Bourgondië, echtgenoot van den hertog Maximiliaan, na een kortstondig lijden, aan de gevolgen van een val van haar paard bezweken. Het eenige kind van Karel den Stoute, den laatsten hertog van Bourgondië uit het huis van Valois was, in den bloei harer jaren, aan de armen van haar echtgenoot ontrukt. Helaas! de rijke erfgename van den troon haars vaders, had in haar leven zelden anders dan uit den beker des ongeluks gedronken, en sedert haar dood vervielen hare onderdanen meer dan ooit onder het juk van heeren die hun vreemd waren. Maximiliaan, zijne ambtenaars en vrienden, gebruikten al hunne macht, om den jongen Philips, haar zoon, als heer dezer landen te laten huldigen, en, den rang van ruwaard aan zich zelven te doen opdragen; iets, hetwelk de Kabeljauwschen die in Holland bijna overal in het bewind waren, met kracht ondersteunden.

De aanslag op Dordrecht maakte het echter noodzakelijk, de stoute ondernemingen der vijanden te voorkomen; de Stadhouder rukte dus zoo spoedig mogelijk, niettegenstaande het ongunstige weder, in het veld, en opende den oorlog van zijne zijde, door het beleg te slaan vóór het huis te Harmelen, dat bijna op hetzelfde oogenblik werd bemachtigd. Vandaar trok hij vóór het slot ter Haar, hetwelk hij niet zoo spoedig vermeesteren kon, daar het door een getrouwen slotvoogd van den heer Van Zuijlen, gesterkt door een goede bezetting en het noodige krijgstuig, bewaard werd. Terwijl de belegering voortduurde, ontving Lain de onrustbarende tijding, dat de stad Hoorn, waar hij vroeger de regeering had omgezet, door den ridder Adriaan van Naaldijk en Jan van Middachten met hunne krijgslieden, en bijgestaan door eenige Friezen, was beklommen. Hij zond dadelijk heer Jan van Egmond, die hem later als stadhouder van Holland opvolgde, met een deel krijgsvolk af, om met de poorters van Amsterdam, Haarlem en andere steden den Hoekschen aanhang, welke zijn meester zooveel zorg baarde, uit deze stad te verdrijven, belovende hem spoedig met al zijne macht te volgen.

Dag en nacht werd nu het sterke slot ter Haar beschoten, en omstreeks de helft der

illustratie

maand Juli, na een bloedig gevecht, stormenderhand veroverd. Weinig dagen daarna, en zeer snel voor die tijden, stond de Stadhouder, aan het hoofd van zesduizend strijders, voor de muren van het wederspannige Hoorn; het scheen dat Lalain zijn gewone langzame wijze van oorlogen had vaarwel gezegd, of dat zijne lastbrieven geen uitstel gedoogden. In dichte hoopen rukte het volk van den Hertog op de stad aan; hevig was de aanval, en niet minder de verdediging; de twee dappere edellieden, die de stad genomen hadden, sneuvelden op de wallen, en over hunne lichamen stroomde het krijgsvolk in de ongelukkige stad. De woede der krijgslieden ging alle beschrijving te boven; de pen weigert zoovele gruwelen te beschrijven, welke slechts dienden om die van Utrecht aan te zetten tot een wanhopigen wederstand, en zelfs het hart der trouwe burgers van hun jongen vorst en zijn voogd te vervreemden. Zij hadden immers nu gezien, wat hun te wachten stond, indien zij, te zwak om de vreemde overmacht te wederstaan, werden teruggebracht onder het bestuur van hun wettigen heer en meester.

[p. 461]

Wat Perrol betreft, hij leefde. Een geruime tijd was er verloopen, eer hij zijn legerstede had kunnen verlaten, eer de kneuzingen, die hij ontvangen had, genezen waren; evenwel herinnerden hem gedurige pijnen in het been en zijn linkerschouder, dat hij onder het paard gelegen, en dat heer Jan van Schaffelaar hem overwonnen had; de gedachte daaraan ondermijnde zijn sterk gestel, en belette zijne krachten weder te keeren. Zoodra hij kon vervoerd worden, had hij Utrecht verlaten; de stad waar hij als overwonneling bewusteloos was binnengedragen, was hem hatelijk geworden; hij had zijn bende naar Amersfoort gevoerd, en bleef er liggen, zonder zich te bekreunen om hetgeen heer Engelbert, of wie ook, van hem denken zou. Doch de eerste last, dien hij aan zijne ruiters gaf, kon door deze niet volbracht worden. Rogardo, Froccard en eenige anderen deden een vruchtelooze reis naar de Hunnenschans; de heks was verdwenen, en de herders uit de nabuurschap hadden haar sedert het begin van den afgeloopen winter niet gezien.

Evenwel was Perrol niet werkeloos. Ofschoon de Zwarte Bende haar aanvoerder sedert de nederlaag bij Westbroek niet aan haar hoofd gezien had, verscheen hij echter, toen zijn gezondheid redelijk begon te worden, bijna dagelijks in haar midden. Niets ontging zijn oog; de krijgstucht was zoo streng als ooit; hij ontzag kosten, noch moeite om de bende nog talrijker te maken, dan toen zij in het land kwam, en zijn vriend, die in Luik den Bisschop naar het gezag, en zelfs naar het leven stond, had hem zelfs eenige mannen gezonden, die waardig waren tot de Zwarte Ruiters te behooren. Hij trok niet, zooals voorheen, nu en dan door de stad of naar buiten, aan het hoofd zijner mannen van wapenen, en voorafgegaan door gedruischmakende krijgsmuziek; hij kon de wilde sprongen van zijn strijdhengst nog niet verdragen. Perrol met de Roode Hand, die anders in volle wapenrusting over zijn groot paard kon springen, kon nu de drukking van het harnas niet doorstaan; de sterke, machtige ruiter drukte dagelijks tevergeefs den gesloten helm met de roode veder, welke zich nu niet meer beroemen kon nimmer gevallen te zijn, op het hoofd; hij was hem te zwaar. De man, welke de schande over hem gebracht had, die zijn schild ter aarde had doen zinken, leefde nog! en hij had geen kracht meer, om hem den handschoen toe te werpen; de Roode Hand was verlamd, Perrol was overwonnen en kon zich niet wreken.

Vertrouwen op de voorzegging der geneesheeren en meesters, op de warmte van den zomer, zoowel als de behoefte, die hij gevoelde, om sterk te worden, deed hem geduld gebruiken; en evenwel beheerschten zijne woeste driften hem dikwijls zoodanig, dat hij alle vertrouwen op zich zelven verloor. O! dan was zijn aanblik vreeselijk, de lasteringen, en vervloekingen, die hij uitbraakte, schrikverwekkend; dan wilde hij niet langer wachten, maar handen vol goud geven aan den man, die hem wreken zou; dan hing het leven van Van Schaffelaar aan een zijden draad. Had hij Froccard niet nog bij zich, die, hoe onbekwaam om een gevangene te bewaken, kundig was in het samenstellen van een snelwerkend en doodend gift? Waren er niet zooveel mannen onder zijne ruiters, die voor goud niets ontzien zouden, zelfs niet het gevaar om ontdekt en doodgemarteld te worden! Maar dan behaalde zijn trotschheid het overwicht; hij zelf moest den hoon wreken in het bloed van den gehaten man: Van Schaffelaar moest ook aan zijne voeten liggen, aan zijn wraak blootgesteld zijn, evenals hij aan de zijne gelegen had, en hij - hij zou geen genade oefenen; al zijne ruiters moesten met hem vallen; en deze gedachten deden hem dikwijls ijlhoofdig lachen; deze voornemens, deze dorst naar eigen wraak, redde Van Schaffelaar, terwijl zij de krachten van zijn vijand ondermijnden.

Hij had vernomen, dat Frank ontvlucht was; maar de zaak was niet te verhelpen. Hij wantrouwde den booswicht, wien hij reeds vooruit besloot den weg tot nieuwe misdaden en bedriegerijen af te snijden: zijne dagen waren geteld. Maar hij had hem nog noodig; een laatsten dienst zou hij misschien nog van hem vorderen, en dan zou hij het werktuig zijner schelmstukken verbrijzelen, omdat hij er al de geheimen niet van kende, omdat het zich dikwijls bewoog, zonder dat hij het wilde. Nooit sprak hij over den dag van Westbroek, zelfs niet tot Vidal; zoo hij al wist, dat deze zijn vijand had laten aftrekken, zoo was het hem tevens bekend, dat de knaap hem gered had.

Hij had geen deel genomen aan eenige verrichting der Utrechtschen en sedert hij een gedeelte zijner mannen tot den aanslag op Dordrecht geleend had, verklaarde hij eens vooral aan heer Engelbert van Kleef, dat de Zwarte Bende niet meer in het veld zou gaan zonder haar aanvoerder, en hij was niet gewoon op zijne besluiten terug te komen. De geldelijke onderstand, dien deze door Perrol's tusschenkomst van den Franschen koning

[p. 462]

ontving, deed den beschermheer van het Sticht in deze zaak berusten. De sloten ter Haar en Harmelen, en de stad Hoorn waren veroverd, zonder dat één zijner mannen zich had verroerd. Op een mak paard gezeten, zag men hem bij het naderen des zomers door de stad rijden; hij koesterde zich in de zon, en begon door de warme stralen te herleven, evenals het venijnige monster, dat gedurende den winter in een staat van verdooving geleefd heeft. Doch ofschoon zijne krachten langzaam aan weder toenamen, was hij toch dezelfde Perrol niet meer; de tijd en de kundige hulp konden wel zijn lichaam maar niet zijn hart genezen; en wanneer men in aanmerking neemt, wat hij had moeten gevoelen, in dat oogenblik toen hij tevergeefs getracht had, door zijn vasten wil aan den vreeslijken aanval van zijn overwinnaar weerstand te bieden, dan was het te verwonderen, dat hij zijn nederlaag had durven overleven. Somtijds stapt hij vóór de Vergulde Helm af; want de meester durfde niet weigeren voor hem te werken; maar nimmer zette hij een voet in het huis; alleen de werkplaats werd door hem betreden. Hij sprak met den vader van Maria, alsof er nooit iets tusschen hen was voorgevallen, hoewel Martha zich vleide, dat hij hare dochter vergeten had. De meester onderwierp zich aan hetgeen men van hem vorderde, ofschoon hij vast besloten had, hem nimmer toe te staan de huisdeur te overschrijden, en antwoordde altijd onwillig, als de aanvoerder naar de gezondheid van zijn vrouw en dochter vroeg; en Perrol liet niet blijken, dat hij bemerkte, dat hij alles veel duurder dan voorheen bij den smid betalen moest. Wanneer men hem dan veeltijds alleen in de werkplaats dezer andere Cyclopen zag binnentreden, terwijl de mokers voor een oogenblik werkeloos bleven, de blaasbalg niet meer blies, en de laatste vonk verdwenen was; wanneer hij den blik vol wrevel en tevens

illustratie

vol ontzag gewaar werd, dien zij op hem wierpen, totdat zij op een wenk van den meester of van Dirk de werkzaamheden hervatten, dan bevroedde men, dat het Wouter zeker maar één woord te kosten had, om hem schier het lot van den kwaden Robbert in de ijzerhut te doen ondergaan. Doch Perrol stond, zonder er om te denken, vóór en naast de aanbeelden, en somtijds gelastte hij luid aan de gezellen, om de mokers te laten rusten, als hij met den meester sprak, en zij gehoorzaamden, ofschoon, onwillig, terstond en zonder dralen.

Heer Jan van Schaffelaar was met den Stadhouder vóór ter Haar getrokken; hij had zich opnieuw diens gunst verworven, en heer David gaf, hoe ongaarne ook, toe aan het verlangen van Lalain, om de Schaffelaars met het leger naar Hoorn te voeren; hij gevoelde, dat het na den dood van Maria van Bourgondië vooral geen zaak was, om iets aan den Stadhouder van den Oostenrijker te weigeren. Met den dood van de dochter zijns broeders was zijn toestand niet verbeterd, en hij gaf zijn toestemming. Zoolang de storm geduurd had, had Van Schaffelaar zonder tegenzin zijn plicht gedaan; maar toen de duizenden strijders, opgewonden door de overwinning, met ongekende barbaarschheid aan het moorden en plunderen sloegen, was hem de last van den stadhouder zeer welkom, om den Bisschop van de behaalde zege kennis te geven, en hem aan te raden, geene voorzorgen te verzuimen, en tegen den vijand op zijn hoede te zijn. ‘Wanneer men op een ijzeren staaf aan de eene zijde slaat, dan trilt het aan het andere einde,’ zeide Lalain tot hem grimlachende bij het afscheid nemen, ‘het zou mij zeer verwonderen, als de Klevenaar niet zoodra mogelijk den eenen of anderen wanhopigen aanslag deed, dien wij echter moeten trachten te voorkomen.’

Wat Frank betreft, men behoeft niet te twijfelen, of hij in de laatste gevechten zijn plicht gedaan had; Van Schaffelaar had hem zelfs meermalen voor zijn roekeloosheid bestraft, en evenwel was hij niet de stormladders opgesneld met het voornemen om den dood te zoeken; de woorden van Ralph, de troostrijke vermaningen van zijn vriend, hadden

[p. 463]

hem doen besluiten om te leven; de Zwarte Bende was ook nog niet uit het veld gerukt, en misschien wenschte hij het voorwerp zijner liefde nog eens te zien, voordat hij stierf.

En Maria? zullen wij de geheimen van haar hart trachten te raden, of alleen zeggen, dat zij in het klooster Spitaal, binnen de muren van Zutfen, tot nog toe van Perrol niets vernomen had? Wie zal den sluier oplichten, die nog ten deele voor haar zelve verborg, wat het hart van de jonge maagd gevoelde? Zullen wij het zeggen, dat de brave Van Schaffelaar juist in dien nacht, toen zijn vriend het meisje voor hem gered had, zijn bruid verloren, voor altijd verloren had? Zullen wij zeggen dat de ongelukkige bruid tevergeefs weende en bad, om het beeld van Frank, dat zich in haar hart gedrongen had, er uit te verdrijven; dat veeltijds zijn stem, de druk van zijn arm, zijne lippen die haar kusten, haar wekten, als een verkwikkende rust haar weder nieuwe krachten kwam schenken om te lijden? Helaas! voorheen drukte haar geen eigen schuld; nu bad zij sidderend en smeekte om ontferming; maar zij voedde geen hoop, dat hare gebeden zouden verhoord worden; zij gevoelde zich den goddelijken bijstand onwaardig. Toen het voorjaar naderde, had Maria haar verlangen te kennen gegeven, om hare moeder of biechtvader te zien; vrouw Martha zag op tegen den verren weg, die voor haar bruidegom nooit te ver geweest was, als hij zijn bruid bezocht, een geluk, dat hem slechts twee malen had mogen te beurt vallen. De waardige geestelijke toonde zich, in weerwil zijner hooge jaren, bereid, aan het verlangen van het meisje te voldoen. Heer Jan van Schaffelaar had echter geen reden om zich over de tusschenkomst van pater van Broekhuijzen te verheugen: het verzoek, dat hij met zooveel aandrang gedaan had, om hem nu reeds met Maria te verbinden, en haar door dezen band nog meer te beveiligen voor de aanslagen van zijn vijand, werd door hare ouders, op raad van haar biechtvader, vooreerst van de hand gewezen. Maria was nog niet bereid hem als haar echtgenoot aan te nemen, had hij aan den vader gezegd; alleen vrouw Martha had nadere inlichting bekomen, en dikwijls verraste de meester haar, dat zij weende, zonder dat hij een enkel woord uit haar kon krijgen. De ruwe maar goede man dacht, dat zij bedroefd was, omdat haar kind van haar verwijderd was; hij trachtte haar te troosten met de hoop op den spoedigen afloop van den oorlog, als wanneer zij hare dochter zou wederzien, om haar door heer Jan van Schaffelaar tot vrouw te zien nemen; maar zelfs dit deed, zooals vroeger, de vreugde niet op haar gelaat wederkeeren; zij bewaarde het stilzwijgen en weende.

 

Weinige dagen nadat Hoorn door den Stadhouder was tenondergebracht, vinden wij Frank omstreeks den middag weder op de heide. Het schoone zomerweder maakte het aangenaam op het veld; een zachte oostenwind bewoog bijna onmerkbaar de heesters, die hier en daar door de hand der natuur, als het ware waren nedergeworpen, om de eentonigheid der vlakte af te wisselen, waarover een roode gloed verspreid lag. Het ongunstige weder, dat zoolang de hoop van den landman bedrogen had, scheen eindelijk geweken. Het was de eerste schoone dag van het jaar; doch uitgezonderd eenige waterplassen, zag men op de heide geen sporen van het slechte weder; de zonnestralen herschiepen de gisteren nog doodsche woestenij in een schoon en bloeiend veld. De natuur had het hemellichaam van de regenwolken onthuld, en de aarde was weder vol leven; evenals een zorgvolle moeder, die door het vertoonen van een schitterend speelgoed een lachje op het gelaat van haar wicht, dat te voren weende, verschijnen doet.

Hij kwam van den kant van Kootwijk, en was de lage streek, welke bij dit dorp is, reeds voorbijgereden, toen hij afsteeg, minder om zijn paard te verlichten, dan wel om zelf adem te scheppen; want de groote, zwarte strijdhengst, dien hij bereed, verzette zich gedurig tegen zijn berijder, die hem tevergeefs trachtte te breidelen. Het was Hector; Frank had hem in Hoorn buit gemaakt of gekocht van een der soldaten; het paard kwam hem ook van rechtswege toe; hij was immers de oorzaak, dat Perrol zijn paard verloren had. Hij naderde nu de hoogten, welke hij van het dorp af reeds vóór zich gezien had. Op die hoogten stond het geboomte van het Ucheler bosch, waarin op dit oogenblik de laatste zwijnen van een kleine kudde door den hoeder gedreven werd, en waarachter Hoog Burlo verscholen lag. De weg begon hier reeds te klimmen. Frank leidde zijn paard

[p. 464]

bij den teugel; hij scheen in zijne gedachten verdiept, en lette niet op hetgeen zich op de vlakte vertoonde, of hoe de wegen zich kruisten; alleen zag hij nu en dan vóór zich uit; het was alsof hij iemand verwachtte. Weldra stond hij stil en hield de hand boven zijne oogen; dáár reed een ruiter uit het bosch te voorschijn, gevolgd door een tweeden, die veel kleiner was, en terwijl hij, niettegenstaande den afstand, den aanvoerder der Schaffelaars, en diens knaap herkende, zag hij nog een derden persoon uit het bosch komen; maar dezen kende hij niet, en de zon, die teruggekaatst werd op de wapenrustingen van

illustratie

heer en knaap, deed hem alleen ontwaren, dat deze noch helm noch hoed droeg, en dus geen krijgsman of edelman was. Hij zette zich nu weder in den zadel; de drie mannen, die hem ook in het oog schenen gekregen te hebben, daalden met spoed van de hoogte af, de kronkelingen van den weg volgende, en weinige oogenblikken daarna drukte Frank zijn vriend de hand, en toen hij vroeg: ‘Is alles wel, daar ginds?’ antwoordde Van Schaffelaar: ‘Ja, Frank! maar ik had niet verwacht u hier reeds te zien; de afspraak was immers, dat gij mij wachten zoudt?’

‘De rust verveelde mij;’ hernam deze glimlachende, ‘dit haalde mij over u te gemoet te rijden; gij weet, ik heb nog een oude betrekking op de heide.’ Toen beantwoordde hij den groet van Heintje, boog zich voor den derden ruiter, en zeide, de hand aan zijn helm brengende: ‘Ik groet u, vader!’ terwijl zijn paard, dat gesteigerd had, toen hij naast Moor reed, zonder zich om den wil van zijn berijder te bekreunen, zich naar het paard van den vreemdeling begaf en het berook.

Het was een monnik, dien hij als reisgezel van zijn vriend aantrof, en die vrij zonderling en zonder stijgbeugels op het roodbonte paard zat, dat er evenwel vrij sterk uitzag. De kap van zijn pij, die geheel over het hoofd getrokken was, beschermde hem tegen de zon; hij beantwoordde den groet van Frank door zijne handen zegenend op te heffen, en bracht, het hoofd schuddende, de hand naar zijn mond, toen deze zijne verwondering liet blijken, dat de monnik niet sprak.

‘Het moet u niet bevreemden, Frank!’ zeide Van Schaffelaar tot dezen, die Hector genoodzaakt had, het bonte paard te verlaten, terwijl zij de hoogte verder afreden, ‘dat de goede vader uw groet niet anders beantwoordt; zie, hij wijst u op het stuk lei, dat hij in zijn hand houdt; hij kan niet spreken, sedert hij dezen winter het ongeluk gehad heeft in de rivier te vallen. Hij woont in het klooster te Emmerik, en moet naar het klooster Emmaus bij Harderwijk, waar een broeder woont, die vele zieken genezen heeft, en hij zal, zoo deze hem niet kan helpen, het Lieve Vrouwenbeeld te Amersfoort en het Sacrament in de Heilige Stede te Amsterdam bezoeken. Dezen morgen, toen ik Zutfen verliet, reed hij mij achterop, en verzocht mij te mogen vergezellen. De waardige vader,’ vervolgde hij glimlachende, terwijl hij met Frank een weinig vooruitreed, ‘was geen aangenaam gezelschap, daar hij wel nieuwsgierig was om allerlei nieuws van den oorlog te vernemen, maar ik had werk om zijne vragen te lezen: het was eene soort van Latijn, doormengd met Duitsch, dat bijna onverstaanbaar is; ik behoef u niets meer te zeggen, dan dat hij wel honderd uren hier vandaan in Duitschland geboren is, en in zijne jeugd als ruiter gediend heeft.’

‘Hoorde hij daarom zoo gaarne van den oorlog spreken?’ zeide Frank lachende; ‘mij dacht, het was ook al een vreemd verschijnsel, een monnik op zulk een sterk paard.’

‘En evenwel kunt gij wel zien, dat hij zijn meesten tijd op een ezel gereden heeft,’

[p. 465]

zeide zijn vriend, die zweeg, toen de monnik naderbij reed. Frank zag hem nu aan de andere zijde van Van Schaffelaar stappen; hij bewoog werktuigelijk den rozenkrans van grove houten kralen door zijne vingers, en boog nu en dan het hoofd voorover. De lange grijze baard hing op zijn borst, en bedekte een groot gedeelte van zijn gelaat; wat er voorts de kap niet van verborg, was bruin en gerimpeld. Tusschen zijn gebed, dat hij niet eens prevelen kon, scheen hem evenwel niets te ontsnappen, en nu en dan verried een snelle opslag van zijn oog, dat de ouderdom en het kloosterleven al het vuur in den ouden ruiter nog niet hadden uitgedoofd.

Toen zij Kootwijk naderden, zeide Van Schaffelaar: ‘Wij zullen hier een weinig uitrusten, vader! ofschoon wij de paarden te Beekbergen gevoederd hebben, zal hun dit Geldersch brood hier niet te onpas komen. Zoo gij er niets tegen hebt, geloof ik niet, dat uw paard den stal zal willen voorbijrijden.’ De monnik boog zich, en scheen in zijn voorstel genoegen te nemen. Weinige oogenblikken later zaten zij met hun drieën om de tafel, waarop brood, vleesch en bier was nedergezet, en Van Schaffelaar maakte Frank schertsend opmerkzaam, dat de vader nog bij zijn ongeluk het geluk had, van, evenals elke andere monnik, zijn natje en droogje te kunnen naar zich nemen.

De monnik, die hier, gemakkelijker dan op het paard, gebruik kon maken van het eenige middel dat hem overbleef, om zich beter te doen verstaan dan door teekens, verzocht Van Schaffelaar, iemand over te halen, om hem te onderrichten, welken weg hij nu moest volgen, daar hij in deze landstreek geheel onbekend was. Maar Van Schaffelaar, die als het ware de scherts wilde goed maken, welke niet naar den zin van zijn gast geweest geweest was, noodigde dezen uit, hem nog niet van zijn bijzijn te berooven, en door te rijden tot Barneveld, waar hij den nacht zou doorbrengen. De monnik luisterde vol aandacht naar zijne woorden; het kwam Frank voor, dat de oogen van den vader reeds tintelden van vreugde over het vooruitzicht op een goed avondmaal en een kan goed bier. Doch hij bedroog zich: de monnik schudde het hoofd, en toen Van Schaffelaar zijn weigering, uit hoofde dat hij niet langer met den brief van zijn prior durfde onderweg blijven, ontcijferd had, en hem nogmaals trachtte over te halen, stond de monnik op, schudde het hoofd, en wees op dat gedeelte der lei, waarop het verzoek, om nopens den weg en den afstand ingelicht te worden, nog was blijven staan.

‘Gij moet zelf weten, wat gij kunt aannemen en moet weigeren, vader!’ zeide Van Schaffelaar: ‘ik wil u van uw plicht niet afhouden, en niemand is beter in staat dan mijn vriend Frank, u omtrent den weg te onderrichten, dien gij moet nemen; intusschen hoop ik, dat gij een stuk geld, hetwelk ik uw klooster toegedacht had, niet weigeren

illustratie

zult, en mij en hen, die mij waard zijn, in uwe gebeden zult gedenken.’ De monnik boog het hoofd, ontving met diepen ootmoed de geldstukken, welke de edelman uit zijn beurs haalde en hem overgaf, en verborg die onder zijn pij.

Toen de paarden weder opgezadeld waren, verlieten zij het dorp; Frank onderrichtte den monnik, welken weg hij moest houden, en daarna namen zij afscheid van hun sprakeloozen reisgenoot, wiens paard met weerzin zijner makkers, met welke het kennis gemaakt had, scheen te verlaten; doch van welks berijder Frank blijde was ontslagen te zijn: de stomme, oude, nieuwsgierige monnik was toch een vervelend gezelschap, en benam de gelegenheid om zich met zijn vriend te onderhouden.

Van Schaffelaar, die, nadat hij bij den Bisschop geweest was, verlof gekregen had om een paar dagen voor zich zelven te besteden, was bijzonder opgeruimd; hij had zijn bruid bezocht; het terugkeerende leger gaf hem de hoop, dat de oorlog en ook zijn bruidegomschap, dat hem lang begon te vallen, spoedig ten einde zouden loopen, en hij zeide, terwijl Heintje op een behoorlijken afstand achter hen reed: ‘Het scheen, dat u het bijzijn van den Emmerikschen monnik niet zeer aangenaam was; had ik zulks vermoed, ik zou hem niet genoodigd hebben, ons nog verder te vergezellen.’

‘Bij St. Maarten! neen!’ riep Frank. ‘Ik kan niet zeggen, dat hij mij beviel; bij tus-

[p. 466]

schenpoozen, als hij de drift van zijn paard intoomde, herkende ik in hem den monnik niet, die in den zadel zat, alsof hij er op gesmeten ware, en dacht, dat zijn onkunde nopens den weg maar een voorwendsel was, om ons niet te verlaten, en op uwe beurs te teren.’

‘Gij vergeet, dat hij niet kan spreken en weinig menschen op de Veluwe zal aantreffen om zijn monnikenschrift te lezen: en ruiters, die het monnikenschrift en Latijn verstaan, vindt men niet veel,’ zeide Van Schaffelaar.

‘Ook houd ik hem wel voor een monnik, sedert ik hem heb zien eten en drinken; maar juist niet voor den besten.’ antwoordde Frank.

Een oogenblik reden zij zwijgend naast elkander; toen zeide Van Schaffelaar: ‘Ik breng u den groet van Maria, Frank! daar gij haar vergeet, moet ik het eerst haar naam noemen; ik zie wel, dat gij nooit bemind hebt, anders zoudt gij reeds naar haar gevraagd hebben, wetende, dat een man over niets met meer vreugde spreekt, dan over het meisje, hetwelk hij bemint, en dat hem liefheeft.’

‘Dat ik haar vergeet!’ riep Frank snel, en hij bewoog zich in den zadel, alsof men hem onverhoeds een stoot had toegebracht; maar verder zweeg hij, en Van Schaffelaar zeide vertrouwelijk: ‘Nu, ik weet immers beter, en mijn bruid hoort het niet en zou het u vergeven: zij is zoo goed! ik wed, dat die oude monnik u nog door de hersens speelt. Gij hebt immers bewezen, indien het noodig was, dat gij alles voor haar over hebt; is het niet aan u te danken, dat zij zonder schroom mij hare hand kan geven, dat nimmer iemand meer zal kunnen zeggen, dat ik de dochter van een burger getrouwd heb, en dat ik nog leef en gelukkig ben?’

‘Wat de oorzaak zij van mijn verzuim,’ zeide Frank langzaam, ‘waarom zou ik u die zeggen; weet ik het zelf? de ingeving, die mij dreef, om u te gemoet te rijden, moet mij vrijspreken. Reeds toen ik u ontmoette, zeidet gij mij, dat alles wel was, en ik wilde naar haar vragen: maar de vreemde reisgenoot deed mij zwijgen. Zeg mij nu, hoe vaart uwe... Maria?’

‘Den hemel zij dank, redelijk gezond,’ antwoordde Van Schaffelaar minder vroolijk. ‘En evenwel het kon beter zijn; het vroolijke meisje heeft zooveel geleden; met geweld als het ware van de borst harer moeder afgescheurd, heeft zij een naren winter doorgebracht, en het eentonige kloosterleven is niet geschikt om haar te vervroolijken; zij treurt. Evenals een bloem, die men uit den grond rukt, waarin zij gegroeid is, verkwijnt zij binnen de stille, maar veilige woning. Indien de ouders naar mij geluisterd hadden, in plaats van naar den ouden pater van Broekhuijzen, zou zij nu reeds mijn vrouw zijn, mijn liefde zou haar koesteren en alle gedachten aan het verledene uit haar hart verbannen; haar echtgenoot zou alle zorgen van haar verwijderen. Maar het heeft zoo niet moeten zijn; Maria is een gehoorzaam kind; de maagd nadert sidderende het echtaltaar; zij durft hare stem niet voegen bij die van den man, die zonder schroom zijn bruid de hand mag toesteken, evenals hij een vijand den handschoen voor de voeten werpt. Doch gij hoort mij niet meer; ik vergeet, dat gij niet kunt begrijpen wat ik zeggen wil,’ eindigde van Schaffelaar, toen Frank, die, in zich zelven gekeerd, naast hem reed, niet liet bemerken, dat hij in zijn geestdrift deelde.

Deze richtte zich snel op, alsof hij uit den slaap ontwaakte, en zeide: ‘Bij God! mijn vriend! vergeet gij, dat al wat u gelukkig maakt, ook mij gelukkig zal doen zijn! Geloof niet, dat ik zonder gevoel ben, omdat dit hart,’ hier sloeg hij op zijn harnas, ‘nooit is verkwikt door het geluk van bemind te worden door hetgeen het liefhad. Ik gevoel wat gij zeggen wilt, en zou desnoods uwe woorden kunnen herhalen; ik heb u wel verstaan. O! mijn hart zegt mij, welk een geluk het is, te zorgen, te waken voor de vrouw, die het door ons geworden is, die zich aan ons klemt, evenals wij aan het moedige paard, dat als de bliksem voortsnelt, of stilstaat op ons verlangen, en sterker dan wij, zich laat leiden als een kind. Ik gevoel, dat gij met ongeduld verlangt, om alleen voor haar te kunnen en moeten zorgen, en dat het haar gelukkig maken zal. Gij zoudt het beiden reeds zijn, als mijne gebeden verhoord waren geworden.’

‘Ik deed u weder onrecht, Frank!’ zeide Van Schaffelaar aangedaan, en drukte hem de hand. ‘Zelden hoorde ik u met zooveel vuur over dit onderwerp spreken; zoo gij aan ons gedacht hebt in uwe gebeden, Maria heeft u niet vergeten! zij heeft het mij gezegd; dagelijks smeekt zij den Hemel voor uw geluk.’

‘Maria bidt voor mij?’ vroeg Frank snel, en toen hij zweeg, vervolgde zijn vriend:

[p. 467]

‘Verwondert het u? is zij het niet verplicht? dankt zij het u niet, dat zij gered is? Hebt gij haar niet aan de Roode Hand van dien zwarten onverlaat onttrokken?’

‘Het is zoo,’ antwoordde Frank, en eindigde wild lachende; ‘maar mij heeft de Roode Hand getroffen en ter aarde geworpen, en evenwel is die hand nog niet verlamd, en Perrol leeft nog.’

‘Vergeet gij,’ riep Van Schaffelaar minzaam, ‘dat gij niet alleen gevallen zijt? heeft de hand van uw vriend, van den aanvoerder, onder wien gij dient, u niet gewroken? Heeft iemand u minder geacht, omdat gij niet bestand geweest zijt tegen de koelbloedige verdediging van den volmaakten krijgsman?’

‘Neen,’ hernam Frank somber: ‘maar is daardoor de houw minder zichtbaar op dezen helm? Weet gij wel, dat ik tweemaal mijn leven zou geven, om hem het zijne te ontnemen? Uwe overwinning wischt mijne nederlaag niet uit; de aanvoerder heeft zijn ruiter gewroken; maar de herdersjongen wil zich zelven wraak verschaffen!’

‘Ik herken u niet meer, Frank!’ zeide Van Schaffelaar ernstig. ‘Welnu, dewijl gij dien naam van herdersjongen verkiest aan te nemen, wordt die jongen geen man? Is hij niet een mensch, ofschoon zijn vader geen ridder of edelman was? Heeft de Heer zelf niet een herdersknaap opgezocht, om over zijn volk als koning te bevelen? De aanvoerder wreekte zijn man van wapenen, den vriend, zijn vriend!’ en hij vervolgde met meer ernst, toen de jonge man het zwijgen bewaarde: ‘Die wraakzucht verwachtte ik niet in den voedsterknaap van Ralph: hoe komt zij in uw hart? Zijt gij niet gevallen, alleen omdat gij kwaamt om hem te dooden, zonder voor uw leven te zorgen, en is dit geen eerste plicht? Dacht gij met een vroom gemoed aan de wisselvalligheid van den strijd, zooals het een braaf Christen betaamt? Of zijt gij naijverig op uw vriend? Kon ik u de eer geven, van Perrol ter aarde geworpen te hebben, ik gaf ze u gaarne, die naijverig zijt op uw vriend, die u alles zou willen afstaan!’

‘Alles!’ riep Frank, en hij vervolgde snel: ‘O! hoe herken ik u daaraan, maar kan ik nog meer verlangen, nadat gij mij uwe vriendschap geschonken hebt? Neen, dat kan ik niet; vergeef een oogenblik van dwaling; vergeef mij hetgeen ik gezegd heb; geloof niet, dat ik naijverig ben op uw roem, ofschoon ik uwe daden steeds tot voorbeeld neem; ik weet immers, dat ik nimmer zulk een krijgsman worden kan als mijn vriend. Zie, Van Schaffelaar! de gedachte aan dien man verlaat mij nimmer en hetgeen de toekomst verborgen houdt, maakt mij ongerust.’

‘En waarom?’ vroeg Van Schaffelaar. ‘Zijn de aanslagen van dien geweldenaar tegen ons niet allen op niets uitgeloopen? 't Is waar, zorg en angst zijn ons deel geweest, mijn bruid is van den ouderlijken haard verdreven; maar waar is de Britsche edelman die den trots, zijn landgenooten eigen, vergeten had, om Perrol te dienen? Zijn de Zwarte Ruiters niet in Eemnes gebleven? Is zelfs Perrol niet ternauwernood hersteld, terwijl gij gezond aan mijn zijde rijdt? Maar gij ziet alles te somber in; ik wed, gij hebt den ouden schaapherder gesproken; die man brengt u gewoonlijk in een droevige stemming.’

‘Het is waar, ik heb hem gezien,’ antwoordde Frank langzaam, ‘en hetgeen hij zeide, was niet geschikt om mij te vervroolijken. Dezen morgen beklom ik den kerktoren van Barneveld, tegelijk met het werkvolk, dat er iets aan herstellen moest. Het overzicht over de vlakte lokte mij uit u tegemoet te rijden, en toen ik uwe ruiters verliet en langs het kerkhof wilde heen rijden, ontmoette ik Ralph. Hij toonde zich verheugd mij te zien; het gure weder scheen weinig invloed op zijn gezondheid gehad te hebben, en ik stapte af. Kortelijk deelde ik hem mede, wat hij verlangde te weten; hij wilde mij met zijn hond een eind weegs vergezellen. “Als ik met u op de heide wandel, Frank!” zeide hij mij, “dan denk ik, dat gij nog bij mij zijt, en mij niet verlaten hebt; daarom doe ik het gaarne.” Doch het kwam er niet toe; want wij hadden nog maar weinige schreden gedaan, of hij stond stil. Ik noodigde hem om verder te gaan; doch hij antwoordde niet, zette den voet vooruit, maar trok dien dan weder terug. Hij wilde mij volgen, maar kon niet; het was alsof een onzichtbare hand hem terugdrong. Ik zag, dat hij niet meer gevoelde waar hij was, niet meer zag wat hem omringde; met wijd geopende oogen staarde hij naar de wolken, die over den toren en de kerk heendreven; hij zag door zijn geest. In het eerst bleef zijn mond gesloten, en hij stond roerloos; toen strekte hij den staf uit, en riep luid:

[p. 468]



illustratie

“Geef acht op hetgeen gebeurt. - Ha! dat is geen wolk, maar een hoop Zwarte Strijders. - Wat klinkt die krijgsmuziek! - Ziet gij dien rook en die vlammen! - Hoort gij hen niet dreunen, als zij nederploffen? - Daar valt de witte pluim; nog wappert de roode vederbos. - Ha!...” Toen werden zijne woorden onverstaanbaar, en evenwel sprak hij nog lang, terwijl een aantal menschen ons omringden, en met schrik en eerbied naar zijne woorden luisterden. Zijn lippen bewogen zich; alles wat hij zag, wees hij met zijn staf aan, wij zagen niets dan een grauwe wolk, die over het dorp dreef; mogelijk was zijn zwijgen nog indrukwekkender dan zijn spreken. Eindelijk sloot hij de oogen en liet den arm zakken; ik gaf door een teeken met de hand den dorpelingen te kennen dat zij zich verwijderen zouden, en zij voldeden aan mijn verlangen. Doch toen ik hem uitnoodigde mij te volgen, schudde hij het hoofd, en zeide treurig: “Dat kan niet, Frank! dikwerf wordt mijn geest verlicht, zonder dat ik heb kunnen raden waarom, en evenwel spot ik nooit met deze waarschuwing; het is een bitter voorrecht, dat ik tot aan het einde dragen moet. Onze wegen loopen uiteen; wanneer gij mij zult zien, weet ik niet.” Hierop gaf hij mij de hand, verwijderde zich zonder op mijne vragen te antwoorden, en toen hij tusschen de huizen verdwenen was, zette ik mij weder in den zadel; mogelijk heeft dit toeval medegewerkt om mij droevig te stemmen.’

‘Gij hecht te veel aan deze zaak,’ hernam Van Schaffelaar. ‘Het is een ongelukkige ziekte; men moet hem beklagen, die er mede bezocht is, zonder te vreezen, dat hetgeen hij waant te zien, waarheid is: Ralph zeide het u immers met andere woorden zelf. Maar laten wij van iets anders spreken. Als ik het wilde, zou ik ook kunnen verhalen, dat mijn bruid mij bijna niet wilde laten gaan; zij was half bewusteloos, toen ik haar aan de zorgen der nonnen moest overlaten bij mijn afscheid; evenwel hecht ik niets aan deze ongerustheid, welke de menschen een geheim voorgevoel van een naderend onheil noemen.’

Hier zweeg hij; waarschijnlijk herinnerde hij zich de droefheid en de laatste woorden van Maria, die op het punt geweest was, hem de geheimen van haar hart te openbaren, en aan zijne voeten om vergiffenis te smeeken, voor hetgeen haar hart misdreven had. Maar de plechtige gelofte, aan haar biechtvader gedaan, deed de bekentenis op hare lippen versterven; de brave grijsaard had haar gelast te zwijgen en te bidden. ‘Het gebed zal de bekoringen uwer zinnen doen verdwijnen, mijne dochter!’ had hij gezegd. Wat wist de oude priester van de liefde!

‘Ik wilde u zeggen, Frank!’ vervolgde Van Schaffelaar, ‘dat ik haar beloofde, dat gij mij bij een volgend bezoek zoudt vergezellen; gij hebt nu verkozen te blijven, in de hoop van Ralph te zien, ik keurde dit goed; maar ik heb uw woord verpand, en nu zult gij het moeten lossen.’

De stem van Frank verried geen vreugde, terwijl hij beloofde de belofte van zijn vriend te zullen nakomen, en zoo sprekende, vervolgden zij hun tocht naar het dorp Barneveld. De weinige menschen, die zij tegenkwamen of op de heide gewaar werden, gaven hun weinig stof tot onderhoud. Eenmaal hadden zij stilgehouden, toen Van Schaffelaar zijn vrees te kennen gaf, dat de sprakelooze monnik, hoe goed ook door Frank ingelicht, misschien toch zijn weg niet zou kunnen vinden. Deze dacht hem in de verte nog te kunnen zien, maar hij bedroog zich; hij werd niets van hem gewaar in de richting, in welke hij hem zocht, en onderstelde dus, dat hij van den weg was afgedwaald en te veel rechts gehouden had.

De zwaarte hunner wapenen en het warme weder deden hen zacht rijden, om hunne paarden in het zandige spoor te sparen; en dewijl het zwarte paard, dat Frank bereed, en dat Henri meende weleer in de legerplaats van Perrol gezien te hebben, zich met Moor niet verdragen kon, bracht Van Schaffelaar, die niet wist, in welke betrekking

[p. 469]

het moedige dier tot zijn bruid stond, Frank opnieuw onder het oog, dat hij niet wel gedaan had, dit vreemde paard, hoe voortreffelijk het ook was, in plaats van zijn eigen mede te nemen. De jongeling durfde zijn vriend niet zeggen, dat hij het paard, waarop hij des nachts met Maria gevlucht was, nooit kon berijden zonder aan haar te denken, en gaf dus voor, dat hij er, sedert den dag van Westbroek, een weerzin aan had, en dat hij, hoeveel zorg het hem ook baarde, zijn nieuw paard wilde trachten te beheerschen. Hij moest echter erkennen, dat hij er nu en dan even weinig meester over was, als weleer over Moor, en Van Schaffelaar herinnerde hem lachende het oogenblik, toen hij hem, nadat hij nog slechts weinige lessen in het paardrijden van den ouden Hans gekregen had, eens uit een aardigheid op zijn strijdpaard had doen zitten.

De voorzorg, welke zij gebruikten, om zacht te rijden, deed hen toen zij de plaats van hunne bestemming reeds begonnen te naderen, verwonderd stilstaan, en in de verte naar iemand te zien, die met een onbegrijpelijke snelheid naar het dorp Voorthuizen reed. Niettegenstaande den afstand, durfde Van Schaffelaar verklaren, dat die ruiter zijn paard zou doodrijden, tenzij het van een bijzonder

illustratie

goed ras ware; hetgeen Henri beaamde door te zeggen, dat het waarschijnlijk een dronken boer was, wiens paard aan het hollen was geslagen; doch Frank zeide, dat het niemand anders was dan de stomme monnik. Zijn vriend lachte om zijn verzekering, te meer daar Henri, die zich veel op zijn ver gezicht liet voorstaan, evenals Van Schaffelaar bleef beweren, dat de afstand te groot was, om paard en kleeding te herkennen, en zelfs Frank kon, terwijl zij voortreden, niet loochenen, dat de snelheid, waarmede de ruiter voortspoedde, moeilijk overeen te brengen was met het lompe paard, en in het geheel niet met den sprakeloozen monnik.

 

Reeds lag de sluier des nachts over het dorp Barneveld, dat, evenals een eiland door de zee, aan alle zijden door de heide omringd was; de maan was nog niet opgegaan, en alles lag in diepe rust; alleen Van Schaffelaar en zijn vriend Frank zaten nog aan den avonddisch op het Moleneind, in de woning van den dorper, bij wien hij meer zijn intrek had genomen. Moor stond met de andere paarden op den stal; de achttien ruiters, die Van Schaffelaar van Hoorn had medegenomen, om hen tot bedekking te strekken op zijn tocht door de streken welke de vijand onveilig maakte, waren hem, meer op verzoek van Frank, dan op eigen verlangen, van Wijk-bij-Duurstede tot hier toe gevolgd. Zij sliepen reeds, daar het hun bekend was, dat hun aanvoerder met het aanbreken van den dag verder zou gaan. Van Schaffelaar sprak met Frank over den oorlog en de belangen van zijn heer, den Bisschop; Henri, vermoeid van den rit, was achter zijn meester op een bank ingeslapen, die hem niet riep om te schenken. Het licht van de kaars verlichtte flauw het groote voorhuis, en werd teruggekaatst door twee blanke wapenrustingen, die op den achtergrond geplaatst waren.

Op het oogenblik dat zij opstonden, om zich ter ruste te begeven en den knaap te wekken, maakte Frank zijn vriend opmerkzaam op eenig gerucht, dat hij meende te hooren. Zij luisterden: het was alsof een hond met zijn nagels langs de huisdeur krabde, en er met zijn neus onderdoor snuffelde; maar weldra liep iemand met snelheid voorbij de gesloten luiken, en er werd driftig op de deur geklopt. Beiden traden er terstond naar toe, terwijl de knaap verschrikt opvloog; het kloppen werd nog onstuimiger hervat, en Frank sloeg met zijn vuist tegen de deur om er een einde aan te maken, en vroeg barsch:

‘Wie klopt daar zoo hard in den laten avond?’ Toen klonk de stem van den schaapherder door het sleutelgat, en riep: ‘Ik ben het, Frank! laat mij binnen of...’ Maar

[p. 470]

de stem van den ouden man was te zwak, om zich verder te doen verstaan. Hij zweeg, te meer daar de grendels reeds werden weggeschoven. Toen Wolf naar binnen sprong, en zijn meester hem volgde, beduidde deze, dat men de deur zou sluiten; hij leunde op zijn staf, en hijgde naar zijn adem. Frank ondersteunde hem met zijne armen, en zag met verbazing en droefheid de afmatting van Ralph; maar deze stiet hem terug, en voordat van Schaffelaar hem aansprak, riep hij ernstig: ‘Er is geen tijd van vragen of van rust meer; de mannen van de Zwarte Bende volgen mij op de hielen, gij zoudt hun marsch reeds hooren, indien zij niet kwamen als dieven in den nacht. Vlucht! werpt u op uwe paarden, indien het nog tijd is - gij Frank! gij moet mij volgen!’

‘Ha! de Zwarte Ruiters,’ riepen Van Schaffelaar en zijn vriend als uit éénen mond en Frank vervolgde: ‘Vader! wij danken u: vaarwel! red u, wij zullen voor ons zelven zorgen, ik verlaat mijn aanvoerder niet.’

‘Dwaze knaap!’ zeide de herder, terwijl hij Frank, die hem de hand drukte, beschouwde; ‘doe wat gij wilt, maar vlucht, er is geen tijd om u rede te doen verstaan; en hij vervolgde, toen Van Schaffelaar zijn knaap gelastte de ruiters te wekken en hun te bevelen zich te wapenen: ‘Er is geen tijd meer, om het harnas aan te schieten, Heer! ternauwernood om de zadels op de paarden te werpen.’

‘Zeg dat zij zich wapenen!’ riep Van Schaffelaar driftig, toen zijn knaap nadere bevelen wachtte, en terwijl deze zich met spoed verwijderde, trad hij naar zijn wapenrusting en vervolgde met vuur: ‘Bij St. Maarten! oude! ik dank u voor den raad! maar nimmer zal men mij zien terugtreden, zonder mijne wapenen; een edelman kan zich niet overgeven of neder laten houwen als een boer; indien ik sterven moet, dan wil ik in mijn harnas sterven.’

Ralph schudde wel het hoofd, terwijl Wolf onrustig af en toe naar de deur liep, maar zeide niets, en hielp zelf de wapenstukken vastgespen, en toen van Schaffelaar zijn vriend gereed zag, en zelf den helm opzette, riep hij moedig: ‘Nu naar mijne mannen en naar den stal; zoo waar als God leeft! zij zullen zich bedriegen, als zij denken ons slapende te vinden.’

De bewoners van het huis, gewekt door de ongewone beweging, hielpen de ruiters de ijzeren rustingen aan doen. Een kreet van vreugde ging er op, toen deze hun aanvoerder zagen binnentreden; zij herkenden, bij het zwakke licht der brandende houtspanen, den witten vederbos, die zij gewoon waren te volgen. Toen spoedden zij zich allen naar den stal. De Zwarte Bende zal hen gereed vinden om haar het hoofd te bieden; de paarden zijn versch en sterk, en Frank, die op de heide bekend is, zal hun op de vlakte tot gids verstrekken; zij zullen gereed zijn, voordat de maan hun spoor aan hunne vijanden kan doen terugvinden.

Nog was alles stil om het dorp; nog liet zich geen gebriesch van paarden hooren, geen hoef of wapengekletter klonk door het dorp, toen deze gewapende mannen den stal binnendrongen; maar een zacht gekraak, dat zich nu aan het einde daarvan deed hooren, trof hun oor. De paarden zagen schichtig naar het licht en naar hunne meesters; één was er echter, dat den grooten zwaren kop juist van het licht afwendde; het snoof door de wijd geopende neusgaten, zijne oogen schoten vuurstralen, en het hinnikte van genoegen; het was Hector. Nog hoorde men geen geroep of geschreeuw; maar daar opende zich krakend de deur van den stal, en onrustig bewogen zich nu de paarden. Reeds had Wolf zijn meester doen bemerken, dat de paarden niet meer konden gezadeld worden; doch eer Ralph iets zeide, riep Van Schaffelaar snel, maar bedaard; ‘Achterwaarts, mannen! het is te laat om onze paarden te behouden; maar wij hebben onze wapens!’ en hij wierp de deur wederom dicht, op hetzelfde oogenblik, dat de Zwarte Ruiters aan het andere einde in den stal drongen. Zij hieven een woest geschreeuw aan, toen zij bij het licht de blanke wapenrustingen zagen, die snel door de deur aan hun oog onttrokken werden.

Een oogenblik stond Van Schaffelaar in beraad, of hij zich hier verdedigen en zijn leven zoo duur mogelijk verkoopen zou, of dat hij zich nog zou trachten te redden; de raad van Ralph deed hem zijn besluit nemen. ‘Volg mij, Heer!’ riep de schaapherder, ‘Ik ken de wegen in het dorp; de dood is zoowel hier als daar buiten.’

Toen volgden zij den herder naar het voorhuis, terwijl hunne vijanden reeds op de staldeur aanvielen, welke zij gesloten hadden; maar het gekletter der wapenen en het onrustig gebrom van Wolf verrieden, dat zij hem volgen zouden, en hij zeide zacht, toen zij achter in het huis kwamen, door hetwelk de bijlslagen dreunden: ‘Werpt het licht

[p. 471]

weg, en volgt mij zonder gerucht te maken.’ Van Schaffelaar herhaalde bevelend, hetgeen de herder verlangde; hij vertrouwde op diens bekendheid in dit oord; zijne ruisters, op den helm, waarmede hij geboren was.

Zij verlieten nu het huis, en traden in den hof, die zich ver achter eenige andere huizen uitstrekte, en met een nauwen doorgang een uitgang had tegenover het kerkhof. Er was

illustratie

geen tijd te verliezen, de oude deur aan het einde des doorgangs, die nauwelijks gesloten was, werd geopend; en ofschoon zich hier geene vijanden lieten zien, hoorde men hen echter op een kleinen afstand. Ralph bedacht zich een oogenblik, terwijl Frank zich herinnerde, wat er, gedurende den morgen, bijna op dezelfde plaats, gebeurd was. Daarop zeide de oude: ‘Zij staan ter wederzijde, maar misschien gelukt het ons nog, langs de kerk om te gaan; en zonder eenig geraas te maken, naderden zij tot aan den lagen muur, welke het kerkhof omgaf. O! dat vluchten in den nacht, dat bevreesd zijn voor het kletteren van zijne wapens bij het overklimmen van den muur, dat alles griefde Van Schaffelaar; maar moest hij niet alles aanwenden om zijn leven te redden? behoorde het niet aan zijne bruid? Op het kerkhof gekomen zijnde, gingen zij dicht langs den muur van de kerk, die aan den heiligen Odulf gewijd was; gelukte het hun, er om heen te gaan, dan waren zij misschien gered; maar toen zij den hoek van den toren bereikten, bleef Wolf staan. Plotseling schitterde een hevig licht; de vijand ontstak een toorts en zijn woest geschreeuw liet zich hooren: het was nu niet langer noodig, zich in het duister te verbergen of te verzwijgen, dewijl men wist, dat men ontdekt was.

‘Trekt uwe zwaarden, mannen! en volgt mij,’ riep Van Schaffelaar. Het beslissend oogenblik naderde: de schaapherder had, als het ware, het bevel gevoerd over den aftocht; maar Van Schaffelaar wilde nu het bevel voeren over den aanval, en snelde vooruit; Frank en zijne ruiters volgden hem, en Ralph volgde den gewezen herdersknaap, die onbevreesd naast zijn vriend ging. Toen zij om den hoek traden, zagen zij eenige Zwarte Ruiters, die met een fakkel bij zich, op het kerkhof getreden waren; deze hieven een vreugdekreet aan, toen zij de Schaffelaars gewaar werden; zij waren bijna even sterk in aantal, en naderden vol moed. Geen der partijen gunde zich den tijd om hare gewone strijdleus uit te roepen; Van Schaffelaar had geen belang, om aan zijne vijanden te verraden waar hij was; de Zwarte Ruiters wilden de eer hebben zonder hunne makkers te overwinnen.

De verwoedheid, waarmede zij op elkander aanvielen, is niet te beschrijven; waren Van Schaffelaar noch Frank er geweest, misschien zou de strijd lang onbeslist gebleven zijn; maar met elken slag wierp de aanvoerder een vijand terneder. Hun aanval was bijna alleen op hem gericht, en dit berokkende hun ondergang; doffe kreten van wanhoop en woede lieten zich hooren, als er weder een nederviel en de overmacht van hun vijand vermeerderde. Zelfs was Ralph geen bloot aanschouwer: zijn staf stiet de vijanden van Frank omver, deed hen het evenwicht verliezen, en stelde hem bloot aan de zwaarden

[p. 472]

der Schaffelaars; maar toen zijn staf werd stuk gehouwen, zou hij gevallen zijn, indien Frank zijn zwaard niet onder het borstharnas van den Zwarten Ruiter gestoken had, die zijn pleegvader bedreigde, en nu zonder een enkelen gil te geven, dood ter aarde viel. De schaapherder vatte nu de bijl op, welke aan de zijde van den verslagene hing.

Toen sloeg het zwaard van Van Schaffelaar weer een vijand terneder, en de vier die nog overig waren, namen de vlucht; het gevecht was binnen weinige oogenblikken begonnen en geëindigd. Maar nu hoorde en zag men den vijand van alle zijden naderen, en het licht der toortsen vertoonde zich overal. Ralph trad snel naar de deur onder den toren; maar deze was gesloten. ‘Het is niet mogelijk die deur te openen,’ zeide Van Schaffelaar, die er met de vuist tegen sloeg; maar de schaapherder riep: ‘Misschien is de kerk zelve niet gesloten; in allen gevalle volg mij, ik wijs u den weg.’ Doch ook deze deur was niet te openen, en evenwel gaf de schaapherder den moed niet op.

Eenige schreden meer naar het koor was het beenderhuis. Hier wees de oude man met de hand naar het kerkraam; Van Schaffelaar gaf zijne bevelen; de gewapende mannen hielpen elkander om het lage leiendak te beklimmen; de voorste, die de bijl van Ralph

illustratie

had aangenomen, verbrijzelde met snelle slagen het onderste van het glasraam, dat boven het huisje was. Zijne makkers hielden hem op het schuine dak staande; het verroeste ijzer, het lood en de ruitjes vielen onder de bijlslagen, terwijl Ralph aan Frank beval hem te verlaten; en toen de Zwarte Ruiters van alle zijden op het kerkhof drongen, en hunne toortsen deze zijde van de oude kerk geheel verlichtten, kwamen zij nog even tijdig genoeg om den laatsten hunner vijanden door het glasraam in de kerk te zien verdwijnen. Zij sloegen geen acht op hunne makkers, die door Van Schaffelaar en zijne mannen dood ter aarde waren geworpen; maar volgden hunne vijanden met een woest geschreeuw.

Op het oogenblik dat de derde der mannen van Perrol zijne beenen door het gebroken raam stak, hoorde men een hevigen dreun, die door de kerk klonk; het was alsof men een zware deur dichtwierp. De toorts van den Zwarten Ruiter verlichtte nu de vensterramen aan de binnenzijde. Het was alsof het outaar verlicht was, of de kaarsen brandden; de wapens en beelden, op sommige ruiten met kleursel gemaald, werden zichtbaar; de eene ruiter vóór, de andere na, beklom het dak en verdween door de opening. Toen staakten de krijgslieden hun geschreeuw; een man te paard sprong achter het koor uit te voorschijn, een borstharnas en handschoenen met ijzeren platen en een open helm met een rooden veder maakten zijn wapenrusting uit: het was Perrol. Met de grootste voorzorg had hij alle uitgangen van het dorp doen bezetten, voordat hij het huis, waar zijn vijand overnachtte, liet openbreken. Toen hij dezen, hij wist niet hoe, van zijne komst onderricht vond, stelde hij zich gerust door de gedachte, dat hij hem niet ontsnappen kon; de paarden waren immers allen achtergebleven, en het huis was omsingeld. Doch toen dit vruchteloos werd doorzocht, vervloekte hij het oogenblik, waarin hij het besluit had genomen, om niet zelf vooraan te gaan; hij gevoelde zich nu sterk genoeg, om zelf Van Schaffelaar het hoofd te bieden, en zijne mannen doorzochten nu op zijn bevel de naburige woningen en de moeshoven.

‘Waar zijn zij, kerels?’ vroeg hij woest, terwijl hij met zijn paard stilhield, toen zij

[p. 473]

uit één mond riepen: ‘Daar in de kerk, Messire!’ - Hierop vervolgde hij met drift: ‘Welnu, werpt de deur dan onder den voet,’ en hij wees naar de deur, welke Ralph gesloten had gevonden. Zijne ruiters stroomden er henen; maar gelijktijdig stak iemand zijn hoofd door het gebroken glasraam, en de Tuimelaar riep: ‘Zij zitten onder den toren, Messire! en de deur zal lang de bijl wederstaan.’ De doffe slagen, die door het vroeger zoo stille gebouw weergalmden, bewezen, dat zij reeds bezig waren, de deur met hunne bijlen te openen. ‘Ha! dan zit hij in de val,’ riep Perrol, vreeselijk lachende, en vervolgde: ‘Verlaat de deur niet, Tuimelaar, houd goede wacht, ik zal de buitendeur laten openloopen!’ Het hoofd verdween weder, en Perrol, die naar den toren reed, schreeuwde: ‘Voor den satan! volgt mij allen.’ De bijlen, gereed om opnieuw de deur van het heilige gebouw te schenden, hielden op, en de woeste hoop volgde zijn wraakzuchtigen meester, die met zijn paard over de lijken zijner gevallen ruiters om den hoek van den toren reed. Dezen herinnerden hem wel zijne nederlaag bij Westbroek, maar zeiden hem ook, dat van Schaffelaar hier geweest was.

Toen iedereen nu de zijde van de kerk verlaten had, stak iemand zijn hoofd uit het verblijf, waar de overblijfselen der dooden rustten; hij schudde het stof der beenderen van zich af, onder welke hij zich verborgen had gehouden, en verliet het beenderhuis, terwijl een hond hem volgde. Met snelheid verliet hij het kerkhof, klom over den lagen muur, en verdween door een lage omheining in den moeshof, welke naast een der huizen uitkwam.

Bijna gelijktijdig ontving de torendeur den eersten stoot: twintig ruiters liepen met een boom storm op de deuren. Perrol, afgestegen zijnde, bezag bij het licht eener toorts zijn handschoen, en veegde dien af; want er kleefde bloed aan. De boer, dien hij uit zijn woning had laten sleepen, had niet zoo spoedig kunnen begrijpen, dat de vreemde krijgsman, die het dorp overvallen had, een boom verlangde, om hem tot stormram te dienen; een vreeselijke slag met de Roode Hand in het aangezicht had hem geheel onvatbaar gemaakt, om iets te kunnen aanwijzen; een tweede dorpeling was gelukkiger geweest.

‘Loopt gelijk voor den duivel! - sneller! - voor den satan! hebt gij geen kracht meer om dat stuk hout te dragen?’ - schreeuwde Perrol, toen de deur den tweeden stoot weerstond. Met meer geweld bonsde nu de punt van den langen boom tegen de deur; de mannen vielen er bijna mee om, terwijl de deur een klagend geluid gaf, maar zich niet opende; het geluid van elken stoot klonk dof en somber onder den toren en over het kerkhof. ‘Ellendelingen!’ - brulde de aanvoerder der Zwarte Bende. ‘Rogardo! op, dappere kerels! dat zijn geen mannen van Perrol; toont gij, dat niets u te sterk is, dat alles op mijn wenk gewoon is te vallen.’

Sidderend legden de nieuw aangeworven ruiters den boom neder. Nog schenen de bijlen in de kerk te werken, en het was alsof bint en balk in den toren vielen; toen naderde Rogardo en lichtte met degenen, die hem volgden, den zwaren boom op, alsof deze het hout van een speer geweest ware. Met gelijken tred traden zij achterwaarts, en gingen toen met spoed vooruit. Zij lagen voorovergebogen op den boom, dien zij met hunne armen omvat hielden, hunne beenen, die met het zware ijzer bekleed waren, bewogen zich snel en gelijkmatig, evenals de geschubde pooten van het kruipende gedierte; de hengsels van de deur kraakten, en eenige splinters vlogen er af; en toen zij met een woest geschreeuw den tweeden aanloop deden, viel een der deuren krakend en met een harden slag naar binnen, terwijl de andere half geopend bleef hangen.

Een kreet van vreugde verhief zich in de kerk en daarbuiten. Rogardo, en zij, die bij hem waren, lieten den boom nu plotseling vallen en drongen, met het zwaard in de hand, voorwaarts, zonder evenwel daarom het eerst den voet in den toren te zetten. Perrol stortte zich, het ontbloote zwaard zwaaiende, er binnen; maar als door den donder getroffen, bleef hij in den toren staan; zijn hand, die het schild voerde, klemde zich krampachtig tegen zijn harnas, en het zwaard daalde neder. De toren hield zijne vijanden niet verborgen: hij was geheel ledig, en trap noch ladder was er in te zien. Hij kon zich niet begrijpen, dat er geen vaste trap was, langs welke men den toren beklimmen kon, en dat Van Schaffelaar zich door de opening, die boven zijn hoofd in het gewelf was, aan zijne handen onttrokken had; daarom liet hij de deuren aan de kerkzijde openen, en de Tuimelaar zag verwonderd in den toren rond. Doch plotseling vestigde zich het oog van Perrol op een smalle en weinig in het oog vallende deur, die ter zijde van de groote, in de kerk was; en waarop zijne ruiters in hunne drift tot nog toe geen bijzondere acht

[p. 474]

geslagen hadden. Op zijn bevel werd de deur, die een tijdlang aan de bijlslagen weerstand bood, verbrijzeld. Nu zag hij de smalle steenen trap, welke in den muur van den toren was, en riep: ‘Naar boven, mannen! daar zijn zij, die uwe makkers terneergeslagen hebben. Op! naar boven!’

Met een brandende toorts, die van hand tot hand ging, voldeden zij aan zijn bevel. Rogardo was de voorste, en de Tuimelaar snelde mede naar de trap, die reeds overkropt was van zwarte wapenrustingen; doch toen Perrol stampvoetende vroeg, waarom men stand hield, en de trap zijne ruiters niet verzwelgen kon, riep Rogardo, dat de trap met hout en steenen gestopt was. Perrol wilde niet gelooven, hetgeen men hem verzekerde, en zonder te durven staande houden, wat zij gezegd en gezien hadden, verlieten zijne ruiters op zijn bevel de trap, die hij nu zelf beklom. Halverwege op de trap stiet hij tegen een ijzeren hek, dat, ofschoon sterk verroest, nog zwaar en hecht en niet te bewegen was, dewijl men de trap met hout en steenen gevuld had. In zijn verwachting bedrogen, klom hij af.

‘Van Schaffelaar! ik neb u gevangen,’ schreeuwde hij woest lachende, toen hij zich verwijderde: ‘Morgen, als de dag aanbreekt, Per moio! dan zult gij mijne ruiters leeren kennen. Slaap gerust, bruidegom van Maria!’

Op ditzelfde oogenblik kwamen de ruiters van de Zwarte Bende aan, die te voet dienden; in gesloten gelederen naderden zij het kerkhof en schaarden zich op het Rond-om in orde. De rijzige ruiters keerden terug, om hunne paarden te verzorgen; zij, die de wegen bezet hielden, werden van deze zorg ontheven; alleen werden er buiten het dorp voorposten uitgezet, en het geheele kerkhof met schildwachten bezet. Perrol beval, bij het heengaan, dat men tot aan den morgen onder den toren en in de trap vochtig riet en stroo zou branden.

Het stille dorp, dat zoo op eens in den nacht door de woeste bende overvallen was, keerde nu weder eenigszins tot een schijnbare rust terug. Wel beangstigde het roekeloos zwerven met brandende toortsen, langs hooiberg en schuur, de arme dorpelingen nu niet meer; maar de vreemde ruiters, die het dorp bezet hadden, zoo het scheen met voornemen om het te plunderen en plat te branden, waren binnen hunne woningen gedrongen. Zij hadden voor zich en hunne paarden spijs en drank gevorderd; maar men voorzag, dat, na de bemachtiging van den toren, het droevig branden en plunderen eerst zou beginnen. De ruiters gebruikten de inwoners nu nog om hunne paarden te verzorgen en voor hen op te schaffen; ook waren zij niet dom genoeg hun eigen voorraad te vernielen, of de menschen, welke hen als slaven dienden, tot vluchten te noodzaken; dat zou wel komen, zeiden degenen, die de Zwarte Bende en haar aanvoerder kenden; en als zij nu en dan eens te zamen een paar woorden in veiligheid konden wisselen, herinnerden zij elkander de geruchten, die over Van Schaffelaar geloopen hadden, de voorzegging van Ralph, den schaapherder, en alles wat aan hunne vrees voedsel kon geven.

Het kerkhof zelf vertoonde dat gewoel niet meer, als toen Perrol storm liet loopen, en evenwel drukten nog veel ruiters hunne heiligschennende voetstappen op de gewijde aarde. De kerk was van binnen flauw verlicht, en door de ramen aan de torenzijde flonkerde een roodachtige gloed; die van het koor werden zacht verlicht, alsof de gewijde kaarsen op het altaar brandden, en dit was ook zoo. Terwijl de weder gesloten binnendeur van den toren aan de kerkzijde bewaakt werd door een sterke wacht ruiters, die bij het licht eener toorts het vochtige stroo op de trap stookten, zwolgen, met dobbelsteenen wierpen, en reeds bij voorbaat den buit verspeelden, dien zij uit het dorp hoopten mede te sleepen, brandden twee kaarsen op het altaar, op welks trappen de oude geestelijke van het dorp gezeten was. Hij had zich voor den aanvoerder der Zwarte Bende op de knieën geworpen, toen hij vernomen had, dat de kerk overweldigd was, en hem gesmeekt ten minste de plaats te ontzien, die aan den heiligen dienst gewijd was, waarop deze hem spottend geantwoord had: ‘Priester! mijne ruiters hebben nog geen bevel ontvangen, om den rooden haan in het heilige dak te steken, of het altaar van nuttelooze pracht te berooven; maar morgen, ha! wie weet wat dan gebeuren kan! Gij zelf liegt echter als een ketter: mijne mannen hebben den eersten slag aan uwe kerk niet toegebracht; hij, die er zich in heeft verborgen, heeft het eerst de goddelooze hand opgeheven, en wij zijn hem gevolgd. Ga tot hem, dreig hem met den toorn der Kerk, als hij langer in zijn schuilplaats blijft, en indien hij de dwaasheid begaat naar u te luisteren, en den toren verlaat, dan zal aan de kerk geen verder leed geschieden. Ga! hij is een gek; misschien laat hij zich bedriegen,

[p. 475]

en gij kunt voor uw schutsheilige verdienen, wat ik aan dengene had toegezegd, die hem zou vangen.’

De oude dienaar van het altaar stond op en vertrok zonder te antwoorden, en zonder zijne zwakke stem te richten tot de ongelukkigen, die tegen dezen woesten ruiterhoofdman binnen de gewijde muren een schuilplaats hadden gezocht, ging hij de waskaarsen ontsteken, om te bidden en het altaar te beschermen, dat, gelukkig en zonderling genoeg, op Perrol's bevel ontzien werd. Tevergeefs zochten de ruiters hem te storen door hunne smaadredenen en godslasteringen; doch zij konden zijn vromen ijver niet doen verflauwen; en wanneer zij nu en dan al naderden, om de oude kerkrot, zooals zij hem noemden, uit zijn hol te jagen, en hem uit spotternij aanboden, hem met een bundel smeulend stroo, in plaats van wierook, in het verrichten van den dienst bij te staan, traden zij terug, als hij, gesterkt door het gebed, hun met een donderende stem gelastte het koor te verlaten. Zij zagen met verwondering de houding van den ouden man, hoorden met verbazing de verandering zijner zwakke stem aan, en lieten hem met vrede, morrende tegen het bevel, dat hun gelastte de kerk en den priester te ontzien.

Vóór den toren hielden een menigte ruiters de wacht. Een groote hoop brandstoffen was hier op hun bevel door de inwoners heengesleept; eerst was er een vuur van droog hout onder den toren aangelegd; daarna werd het met nat riet, stroo of hooi smeulende gehouden. Wel steeg de rook langs de trap en door de opening in het gewelf naar boven; doch de sleuven en openingen waren te klein om alles te verzwelgen, en gedurig kwamen dichte rookwolken uit de deur te voorschijn, rezen langs den voormuur van den toren op, alsof zij zoolang mogelijk wilden voldoen aan den wil van Perrol, drongen in de bomgaten, vervolgden haar weg over de borstwering van den

illustratie

omgang, en verlieten den toren niet, voordat zij zich boven den haan verspreidden; het kruis was meest altijd in een dichte rookwolk gehuld.

Nu en dan was het, alsof de rook de mannen, die op den toren waren geweken, noodzaakte om zelven de trap op te ruimen; het vuur en de damp schenen eenige onzichtbare hefboomen in beweging te brengen, welke men hoorde slaan en breken. Dan was het gerucht boven, dan beneden in den toren; maar men hoorde geen menschelijke stemmen, en als de ruiters nu en dan hunne wapens grepen, en naar de halfgeopende deur snelden, trad geen hunner vijanden uit den rook te voorschijn; de trap bleef versperd en het gewelf gesloten, en noch de verstikkende damp, noch de rust, die oogenschijnlijk in het dorp heerschte, deed hen het vaste punt verlaten, waar zij veilig waren. Gestadig gingen sommige mannen der Zwarte Bende om de kerk, en niet lang nadat de eerste rookwolken boven de spits waren opgestegen, hielden twee voetboogschutters naast den toren stil. ‘Wat zegt gij daarvan?’ vroeg hij, die het eerst was blijven staan; ‘het komt mij voor, dat er iets langs den toren kruipt.’

‘Gekheid!’ hernam de andere. ‘Al hadden zij nagels als een kat, dan zouden zij zich toch niet tusschen de steenen kunnen vasthouden.’

‘En evenwel,’ riep de andere, ‘ik zie wat bewegen; gij zijt blind, kameraad! loop maar eens een eindweegs op, en zie langs den toren’; en terwijl deze verdween, spande hij zijn voetboog, haalde een pijl uit den koker, die aan zijn rechterzijde hing en legde dien voor de pees.

‘Voor den duivel, bega geen dwaasheid!’ zeide de andere lachende, die terugkeerde en de hand op den boog legde; ‘de rook versterkt mijn gezicht juist niet; maar stel u niet aan als een gek, het zal de eene of andere torenuil zijn.’

‘Dat zullen wij zien,’ riep zijn makker, en ontsloeg zijn boog van de hand, die er op lag, vervolgens legde hij aan, mikte en drukte los. ‘Hebt gij niets gehoord?’ vroeg hij schielijk, toen de pijl zich, zoo het scheen, een oogenblik tusschen de steenen hechtte en daarna nederviel.

‘Ja, op zijn meest ijzer op steen, uilenjager!’ gaf de andere lachende ten antwoord.

‘En ik, ik heb een onderdrukten schreeuw gehoord,’ zeide zijn makker stampvoetende;

[p. 476]

‘maar nu zie ik de donkere vlek tegen den toren niet meer bewegen; zij zakt niet meer.’

‘De uilen schreeuwen ook,’ lachte de andere, ‘en het hol, waarin hij zit, zal wel niet hooger of lager klimmen; de rook, die langs dezen muur afdrijft, maakt u even blind als mij. ‘Komaan, voort, bewaar uwe pijlen tot morgen.’ Dit zeggende, vatte hij hem bij den arm, en trok den ruiter voort, die bleef staande houden, dat het geen uil geweest was.

Nauwelijks waren zij van dáár gegaan, of de zwarte moet, tegen den toren, begon hoe langer hoe meer te zakken; eindelijk bereikte zij den grond en bleef een oogenblik onder aan den muur onbeweeglijk. Nu nam zij een andere gedaante aan; handen en voeten spreidden zich uit, en een kleine menschelijke gedaante kroop met den buik over den grond naar den muur van het kerkhof. Een der schildwachten, die stil gestaan had, naderde nu, en de kleine gedaante vouwde zich te zamen en bleef roerloos tegen den muur liggen; doch toen de ruiter er buitenlangs gegaan was, zonder iets te bemerken, klom degene, die van den toren was afgelaten, over den muur. De Zwarte Ruiter was misschien aan een even groot gevaar ontsnapt als hij die vluchtte.

Heer Jan van Schaffelaar was dus ingesloten door zijn onverzoenlijken vijand, die hem met zijne geheele macht omringde, te midden van overvloed van levensmiddelen, terwijl hij niets bezat, om onder zijne ruiters uit te deelen, of zijn eigen leven te onderhouden. De eerste noodzakelijkheid was geweest, zich van een plaats te verzekeren, waaruit hij zich, al ware het dan ook maar voor eenigen tijd, tegen de overmacht kon verzetten. De raad van Ralph was de beste, dien men hier verlangen kon; de kerk zelve bood geene middelen van weerstand aan, de toren daarentegen wel; en zij achtten zich gelukkig, toen zij dien uit hoofde van de werkzaamheden, die er op verricht werden, open, en er zich binnen bevonden, en dat hun de tijd overbleef, om de trap te versperren. Het tweede vereischte was, binnen den kortst mogelijken tijd kennis te geven van het ongeluk, dat hen getroffen had; de knaap moest, op bevel van Van Schaffelaar, dien post op zich nemen. De spoed, waarmede zij Ralph hadden moeten verlaten, had het hun niet mogelijk gemaakt, iets daaromtrent te beramen, en toch was het een zaak, waarvan hun aller leven afhing, en zonder alle tegenweer binnen een bepaalden tijd nutteloos zou zijn. Henri gevoelde het gevaar, maar ook de eer aan dien last verbonden, en toonde zich bereid. De maan verlichtte met hare zilveren stralen den toren, de kerk, het dorp of de heide nog niet; de Zwarte Ruiters zouden zelfs nu nog misschien minder letten op het afzenden van een kondschapper, denkende, dat de bijstand toch niet tijdig genoeg zou kunnen komen. Frank hielp zelf om Heintje af te laten; zij hoorden het gesprek der ruiters niet die onder aan den toren stonden, noch het spannen des boogs. Niet voordat de uitroep van den gewonden knaap hunne ooren trof, bemerkten zij, dat hij in groot gevaar verkeerde, en het overeengekomen teeken van eenmaal aan het touw te rukken, dat zij hem niet naar boven terugtrokken, maar lieten hangen. Henri had den moed zijn smart te verkroppen, en den pijl uit de mouw van zijn kleed te rukken, om zijne vijanden te misleiden, ofschoon de scherpe punt, die het laken verscheurd had, hem aan den arm wondde. Nog één schot wilde de knaap afwachten: zijn moed werd echter niet op deze tweede proef gesteld, welke doodelijk kon zijn; twee rukken aan het touw deden hem eindelijk tot op den grond zakken. Een poos luisterden zij met aandacht of ook eenig ongewoon gerucht de gevangenneming of den dood van hun afgezant verkondigde, maar alles bleef stil en eenige oogenblikken daarna hoorden zij op eenigen afstand het aanslaan van een hond, en vervolgens den zachten klank van een schel geluid; hetgeen Frank de zekerheid gaf, dat Henri ontkomen was en zich bij Ralph bevond, die hem wel buiten het dorp zou brengen.

Van Schaffelaar had wel de woorden gehoord, die Perrol hem had toegeschreeuwd; maar hij had die niet beantwoord; hoe meer hij gevoelde, dat hij in de macht was van den man, dien hij verachtte, des te minder wilde hij zich gevoelig toonen voor zijn lage spotternij. Hij wist wel, dat hij dezen nacht nog veilig kon slapen, vertrouwende op de bewaking zijner trouwe ruiters; hij had daarvoor de toestemming van Perrol niet noodig; maar ook hier wilde hij de eerste zijn, om zijne mannen vóór te gaan. Hij en Frank gingen de ruiters vóór om alles aan te wenden, wat de beklimming onmogelijk kon maken; zij waren in het donker in den ouden toren werkzaam, totdat de maan opging, en door de sleuven en gaten ook daarin wel een twijfelachtigen, maar toch een welkomen lichtstraal liet vallen.

Wat Perrol betreft, hij sliep ook niet; tweemalen gedurende den nacht bezocht hij het kerkhof en lachte genoeglijk, toen hij de rookwolken boven de torenspits zag opstijgen;

[p. 477]

hij juichte van vreugde, als hij nadacht, dat zijn vijand binnen dat enge gebouw, zonder voorraad of oorlogstuig, was opgesloten, en dreigde met de vuist, alsof hij het steengevaarte wilde omverstooten. Twaalf dagen te voren had hij Froccard ontboden, en hem gelast opnieuw alles in het werk te stellen, om de schuilplaats van de dochter uit de Vergulde Helm te ontdekken. De belooning zou niet falen; nimmer zou hij zoo tevreden geweest zijn over hetgeen zijn meester hem zou schenken; hij wist niet, dat deze den laatsten dienst van hem vergde, dat zijn dood dezen van zijn belofte ontslaan, en hem straffen zou voor zijn domheid.

Spoediger dan Perrol verwacht had, vertoonde zich Froccard, om het loon te ontvangen; hij berichtte, waar Maria zich ophield, namelijk, dat zij te Zutfen in het klooster Spitaal een schuilplaats gezocht had. Toen vroeg de aanvoerder lachende, terwijl hij opstond, daar hij de ruiters in het voorvertrek hoorde, die den speurhond moesten verworgen, of hij ook nog iets te zeggen had, voordat hij hem betaalde en liet vertrekken. Doch op eens trad de aanvoerder naar hem toe; wraakzucht deed den lachenden trek van zijn aangezicht verdwijnen, en verspreidde er den glans over van een duivelsch vergenoegen. Andermaal sprak hij over iemand het doodvonnis uit; maar nu niet over een hatelijk werktuig zijner driften, dat hem zelf door zijn verachtelijkheid een walg geworden was, doch over een braven en edelen vijand. ‘Ik wil sterven, als het zoo niet is,’ herhaalde Froccard lachende, ‘indien ik mij niet gehaast had, om u de tijding te brengen, dat het lieve bruidje weergevonden is, dan zou het roodbonte paard nu niet bedorven zijn, en dan zou ik de eer hebben nu met den dapperen heer Van Schaffelaar aan den avonddisch te zitten.’

Dit bericht deed hem Froccard vergeten; bijna de geheele bende kreeg bevel zich te wapenen; de gelegenheid was te schoon voor hem, om haar ongebruikt te laten voorbijgaan: de hoon van Westbroek zou dan eindelijk gewroken, bloedig gewroken worden.

prepostterug  begin  verder