
HET was gelukkig, dat heer Jan van Schaffelaar niet gewacht had met
zijn knaap weg te zenden; het heldere maanlicht, dat weldra het kerkhof
verlichtte, alsof het dag was, zou niet toegelaten hebben, hem ongezien langs
den toren af te laten; ook was de waakzaamheid der wachters bijna verdubbeld,
sedert Perrol zich er weder vertoond had.
De zilveren stralen der maan, die de duisternis verdreven hadden, moesten echter op hare beurt voor het licht der zon zwichten. In het eerst was het, alsof het koele, maar heldere licht opnieuw het kerkhof, de huizen en schuren aan den nacht wilde overgeven: een grauwe, onzekere schemering kleurde alles met een zonderlinge tint; de zilveren schijf verbleekte, en het was alsof zij zich verwijderde. Maar spoedig kleurde een warmer licht de spits van den toren; het kraaien der hanen en het gezang der vogelen kondigden den
morgenstond aan, terwijl de maan zich voor de zon scheen terug te trekken. Hoe schoon, hoe landelijk zou het hier geweest zijn, indien het zwervende krijgsvolk de eenzaamheid van het stille dorp niet gestoord had! Met beklemde borst zagen de dorpelingen den dag aanbreken. Helaas! heden bracht de morgenstond hun geen vreugde, maar schrik; want de trompetten der Zwarte Ruiters bliezen, op last van Perrol, met schellen toon zijn morgenlied.
Een man, die op eenige bossen stroo lag te slapen, werd ook door deze muziek gewekt; het was Ralph. Hij bevond zich boven in een schuur, welke achterin den hof van een huis der Langestraat stond, en hield zich verborgen achter het stroo, dat hier bewaard werd. De reden, waarom hij zich hier ophield, was niet, omdat hij voor de inwoners van het dorp bevreesd was, die hem met eerbied en vrees beschouwden, maar om de Zwarte Ruiters te ontwijken, van welke velen hem kenden; en tevens om te kunnen zien, wat er om en bij de kerk gebeurde. Zoodra de snerpende tonen der koperen instrumenten hem in zijn slaap gestoord hadden, richtte hij zich op, en zag door een kleine opening, die in het rieten dak was. Dit kijkgat werd door een soort van halfronde luifel gedekt, waardoor het indringen van het water verhinderd werd, dat langs het dak afliep, als het regende.
Daar lag het heilige huis vóór hem, dat ter eere van St. Odulf op een kleine verhevenheid gesticht was. Er waren drie daken achter den hoogen toren; het middelste was het hoogste en het langste, en boven het koor zelfs nog meer verheven. Een klein traptorentje, dat weinig hooger reikte dan de muren der kerk, stond in dien tijd bezijden het koor, en gaf den eenigen toegang tot het gewelf, dat op pilaren rustte. Hoog verhief zich de leien torenspits boven den omgang, die uiterlijk op vijf verdiepingen scheen te rusten. Behalve de acht bomgaten, die van klankborden voorzien, en onder den omgang waren, en een luik, dat in de tweede verdieping boven den ingang was, had de toren slechts hier en daar kleine openingen. De twee bomgaten, die zich weleer nog aan elke zijde van den toren, onder de andere, omtrent ter hoogte van het dak der kerk, in den muur bevonden hadden, waren dichtgemetseld. Geen rookwolken omhulden den toren meer; de vuren schenen uitgegaan te zijn. De rustplaats der vrome afgestorvenen, die in de heilige aarde rustten, omringde het gebouw. Een lage muur met twee doorgangen liep om dit kerkhof, op hetwelk eenige houten kruisen de plaatsen aanwezen, waar de aarde zich geopend had, om het aardsch omkleedsel van den mensch in haar schoot te ontvangen. Door elke opening in den muur, welke met een hek was afgesloten, trad men over een ijzeren rooster op het kerkhof; volgens het gevoelen der eenvoudige dorpelingen, was het den boozen geest onmogelijk, om met zijne boksvoeten over den rooster te gaan, zonder tusschen de ijzeren staven te schieten. Helaas! waarom beveiligde dit eenvoudige middel het kerkhof ook niet tegen de duivels van Perrol!
Het duurde echter nog een geruimen tijd, nadat de trompetten gezwegen hadden voordat het bendehoofd verscheen; waarschijnlijk hield het uitzetten der voorposten hem bezig, of had hij andere bevelen te geven, en dit schonk nog eenige oogenblikken rust aan de mannen, die voor het tegenwoordige nog voor zijn woede beveiligd waren. Maar die rust kon niet lang duren, waar Perrol gebood, waar hij een gehaten vijand vervolgen wilde.
Weldra klonken trompetten en bazuinen; van de zijde van het Beeken-eind rukte de Zwarte Bende, ten minste het meerendeel daarvan, op naar het kerkhof. Het was een waardig slagveld voor de Zwarte Ruiters; op de graven der gestorvenen zouden zij hun veldgeschreeuw aanheffen en nieuwe offers in de ontvleesde armen van den dood werpen. Waarom klonk nu de krijgsmuziek? Waarom had zij des nachts gezwegen? Was het, omdat Perrol toen zijn vijand nog hoopte te bekruipen, evenals de tijger het edele hert, dat zich onder de schaduw van het geboomte nedergevlijd heeft? Nu hij zich bedrogen zag, nu zijn prooi hem ontsnapt was, wilde hij heer Jan Van Schaffelaar verschrikken door het vertoon van al zijn macht; evenals het verscheurende gedierte, dat, zijn muil openende, het woud doet weergalmen van zijn gebrul, en zich ontdekt ziende, niet aarzelt om de krachten van het hert als het ware te verlammen door zijne woeste sprongen en zijn bloedgierig geschreeuw. Het was een soort van zegepraal voor hem, zijn vijand diens machteloosheid voor oogen te stellen, en als het ware door den klank der trompetten in de ooren te donderen: een ellendige overwinning, die een Perrol waardig was, en geen vat had op de gemoederen der Schaffelaars; ten minste niet op het edele hart van hun aanvoerder. Voor hem was het niets vreemds dien marsch te hooren, welken hij te Eemnes
tot zwijgen had
gebracht, en de man, die vóór de mannen van wapenen reed, te zien; hij kende
immers Perrol met de Roode Hand; hij had immers die roode pluim meer gezien; het
was immers dezelfde man wien hij vóór weinige maanden het leven had gelaten. Ook
die mannen in zwarte rustingen, met hunne speren, op hunne hengsten, bedekt met
zwarte ijzeren platen, die handbus- en kruisboogschutters en dat voetvolk kende
hij immers; evenveel mannen, als daar voorbijtrokken, hadden zijne ruiters op
den Wakkerdijk vóór zich uitgedreven en overwonnen. 't Is waar, toen bevond hij
zich aan het hoofd van zijn bende ruiters, en nu vergezelden hem slechts
weinigen; maar hoe donker het vooruitzicht ook mocht zijn, kon echter de vrees
geen toegang vinden tot zijn vroom en godsdienstig gemoed. Hij deed Frank de
goede houding hunner vijanden opmerken, toen de Zwarte Bende uit de Langestraat
te voorschijn kwam, en roemde de krijgstucht, welke de vreemdeling onder dit,
meest onlangs aangeworven volk had weten in te voeren. Perrol, die veeltijds de
gewoonte gehad had, zich licht gewapend aan het hoofd van zijne geharnaste
mannen in een of ander gevecht te vertoonen, om blijk te geven van zijn
onverschrokkenheid, was nu van het hoofd tot de voeten gewapend, ofschoon zijn
wapenrusting hem drukte, en hij ze vooralsnog niet noodig had. Hij troostte zich
echter dit

ongemak; want hij was bevreesd, dat zijn vijand bemerken zou, dat hij
zoo sterk niet meer was als voorheen; dat diens hand, na zooveel tijdsverloop,
als het ware nog op hem drukte. Met tevredenheid reed hij weder op dat paard,
hetwelk alleen aan hem gehoorzaam was; aan welks verlies hij alleen zijn ongeluk
bij Westbroek geweten had; hij was trotsch op zijn Hector, dien hij door zijn
schandelijke weddenschap verloren, en als een roover onridderlijk heroverd had.
Kalm en bedaard zat de oude schaapherder voor het luchtgat, terwijl de Zwarte Bende langs het Rond-om trok; het was alsof hij reeds vooruit zag, hoe dit alles zou afloopen. De afstand, waarop hij zich bevond, en de hoogte, zoowel als de lengte van de schuur, stelden hem in staat om waar te nemen, wat er bij den toren voorviel: dáár waar hij zich nu bevond, kon hij zien wat er voor en aan de eene zijde van den toren gebeurde, en hij behoefde, slechts weinige voetstappen verder, zich voor een andere opening te plaatsen, om ook dat gedeelte van den toren te zien, waartegen de kerk gebouwd was.
Tevergeefs zag hij naar den hoogen zwaren toren, die van groote, roode gebakken steenen was opgemetseld, zooals de overlevering verhaalde, op de plaats zelve gebakken; geen der ruiters van Van Schaffelaar vertoonde zich op den omgang. Tevergeefs luisterde hij naar den een of anderen uitroep, in antwoord op de tonen der trompetten en bazuinen; het scheen alsof de toren reeds verlaten was door de mannen, die er des nachts in gevlucht waren. Zelfs Perrol richtte gedurig het hoofd op, en zag naar de spits, den omgang en de bomgaten; misschien bekroop hem plotseling de vrees, dat Van Schaffelaar zich had weten te verwijderen; daarom wenkte hij met de hand en de krijgsmuziek zweeg; de zwarte slang, die het kerkhof reeds bijna geheel met haar lichaam omwonden had, bleef onbeweeglijk staan; maar geen geluid of geroep stelde zijn wraakzuchtig hart gerust. Toen hoorde Ralph, hoe de ruiters, die vóór den toren de wacht hielden, Perrol toeriepen en naar den toren wezen; de aanvoerder vergat zijn zwakheid en de zwaarte zijner wapenen, gaf zijn paard de sporen, en sprong over den muur op het kerkhof. Waagde het eindelijk een zijner vijanden, die hij reeds half dood waande van schrik, door den opgestegen rook zich te vertoonen, of braken zij eindelijk het verachtend stilzwijgen af, dat zij tot nog toe bewaard hadden? Neen! Niets van dat alles gebeurde er; maar toen hij vóór den toren reed, toen zijn oog langs den rooden muur naar boven klom, werd hij een schild gewaar, dat van den omgang afhing; het droeg een wapen, waarop de zilveren lelie prijkte boven den gelen balk op het roode veld.
Hij herkende dit wapen, welks gepolijst staal de stralen der zon terugkaatste, en, als met een vurigen stralenglans, de schitterende kleuren van het geslachtswapen van Jan van Schaffelaar omringde. O! dit schild zeide hem meer dan de ergste smaadredenen, dan het veldgeschreeuw van zijn vijand, al ware het door duizend monden herhaald geworden;
dat schild, voor hetwelk hij met paard en wapens was neergevallen, dat het zijne had zien zinken, zeide hem, dat heer Jan van Schaffelaar zich op den toren van Barneveld bevond - en hem trotseerde. Hij strekte den ijzeren handschoen uit, alsof hij het met zijn hand wilde nederhalen; maar de toren was hoog; zijn oog kon het terugkaatsen van de zon op het staal niet verdragen, en hij riep woest: ‘Gij hebt welgedaan, leenman van den bisschoppelijken basterd! om uw wapen vóór dien kerktoren op te hangen; maar al hangt het nog zoo hoog, toch zal ik het ter aarde rukken. Het is de laatste maal, dat het zich verheft; ik zal het verbreken, Per moio! evenals ik den laatsten der Van Schaffelaars verpletteren zal. - Zoo waar als ik Perrol ben, gij noch uw wapen, zult dit kerkhof meer verlaten: uw geslacht en het wapen zal hier voor eeuwig verdwijnen. - Per moio! mijn zwaard zal hooger reiken dan dat schild: je le tiens huat! Dit zeggende wees hij eerst naar den toren, en sloeg toen op zijn schild, dat hij naar voren trok, waarop het ontbloote zwaard stond en zijn spreuk te lezen was.
Toen Perrol zweeg, en geene stem van den toren hem antwoordde, deed hij zijn paard omkeeren; maar eer het vooruitsprong, viel er een groote steen tusschen de klankborden uit; een zachte uitroep van vreugde des herders vermengde zich met het geschreeuw der ruiters. Hoe meer de steen de aarde naderde, hoe sneller hij viel; echter miste hij zijn doel; want de hengst van Perrol deed juist den eersten stap, toen hij den aanvoerder zou getroffen hebben, en de platen, welke den rug van Hector bedekten, rammelden toen de steen er langs afgleed. Het moedige dier, dat aan zijn zwierige bewegingen een einde had gemaakt, toen zijn berijder sprak, evenals luisterde het naar de bloeddorstige woorden van zijn meester, verhief zich op eens op zijne achterpooten, en snoof door zijne neusgaten; zijne oogen schoten vurige stralen door de openingen van de zwarte ijzeren plaat, die zijn kop van voren bedekte. Sommige ruiters snelden toe om hun heer op te vangen, die uit den zadel dreigde te vallen, en de rechterhand aan den zadelkop sloeg; doch hunne vrees duurde slechts een oogenblik; want de sporen, die geheel bebloed uit de zijden van het weerspannige dier te voorschijn kwamen, deden het vooruitspringen. Nog eens waagde Hector het, den kop schuddende, te steigeren; doch opnieuw bewogen zich met de scherpe punten gewapende hielen, terwijl een krachtige hand teweegbracht, dat het bebloede schuim langs zijn bek nederliep, en het dier onderwierp zich. De vrees alleen had het zoo stout gemaakt om zich te verzetten, maar het besefte de vruchteloosheid van zijn poging, om zijn rug van den ijzeren man te ontslaan, en Perrol liet, onder de toejuiching zijner mannen, het paard eenige bewegingen maken, welke iedereen bewezen, dat hij zijn overwicht er op hernomen had; eerst toen verliet hij het kerkhof, evenals hij er op gekomen was.
Maar niet verder vervolgde hij zijn optocht rondom den muur; de rijzige ruiters trokken met de krijgsmuziek af, om hunne paarden naar den stal te voeren, waar zij opgezadeld moesten blijven staan; zij die te voet gingen, bleven, en met hen een tiental hunner makkers en hunne paarden, om zijne bevelen over te brengen, als het noodig mocht zijn. Frank had gestampvoet, toen hij bemerkt had, dat Perrol zijn paard bereed en het volkomen meester was; doch Van Schaffelaar liet niet bemerken, dat het hem smartte, toen hij achter zijne vijanden zijn trouwen Moor bij een gemeenen halster zag rondleiden.
Het edele dier stapte vol moed voorwaarts, ofschoon het van zijne kleeden en wapens beroofd was, en twee ruiterknechten bedwongen dikwerf met moeite zijn tegenstand. Ofschoon de steen, die gevallen was, Perrol had moeten doen vreezen den toren te naderen, was zijn eerste werk, nadat hij afgezeten was, zich nog eens derwaarts te begeven; hij wierp nog een dreigenden blik op het schild, toen hij, gevolgd door zijne ruiters, in den toren trad.
Een oogenblik dacht de schaapherder, dat hij van zins was de trap weder te laten openen, of een poging aan te wenden, om door het luik, dat in het gewelf was, den toren te veroveren; ook hoorde hij in den toren breken en kloppen, en zag ladders aanvoeren. Het was alsof er gevochten werd, en inderdaad drie ruiters werden uit den toren weggedragen. Maar spoedig zweeg dit gedruisch, en Perrol en degenen, die hem gevolgd waren traden naar buiten; zij hadden zeker tevergeefs getracht de opening, door welke de klok kon afgelaten worden, te beladderen, en het vuur, dat, sedert de morgenstond was aangebroken, niet meer was onderhouden, werd opnieuw voorzien. Met over elkander geslagen armen stond Perrol op eenigen afstand van den toren, terwijl zijne ruiters zijne bevelen wachtten, en vruchteloos iemand hunner vijanden trachtten te ontdekken. De dikte der muren en de hoogte van den toren
schenen hem uit de hand te vallen, en de ongelijke hoogte der kerkdaken verhinderde het leggen van een zoldering of brug op de drie nokken, van welke men anders den toren had kunnen beladderen. Nu vatte hij een oogenblik het besluit op, de kerk op te offeren, en het gewijde dak in den brand te steken. Doch hij verwierp dit voornemen, dat misschien zijne vijanden nog niet zou kunnen dwingen om zich over te geven: de geheele kerk kon vergaan, zonder dat de toren daarom behoefde te vallen, of het onmogelijk werd er in te blijven.
Op dit oogenblik keerden de rijzige ruiters, die met vuurwapens en kruisbogen
voorzien waren, benevens velen der mannen van wapenen terug. Inwoners van het
dorp zag Ralph niet, dan nu en dan eenige, die op last der krijgslieden het een
of ander aandroegen, en vloeken en slagen ontvingen voor hun loon. Perrol nam nu
zijn helm af, die hem te zwaar begon te vallen, en gaf dien aan

Vidal, die achter hem stond, en op zijn bevel het hoofddeksel haalde,
dat hij, van Amersfoort komende, gedragen had; den helm met het vizier had hij
ook niet noodig, dewijl het hem bekend was, dat zijne vijanden geen schiettuig
bij zich hadden. Terwijl de zon hoe langer hoe meer haar licht op den toren
wierp, zonder den Zwarten Ruiters nog een enkelen harer verwarmende stralen te
gunnen, scheen Perrol zijn besluit genomen te hebben, en Ralph zag hem zijne
bevelen uitdeelen. De voet- en kruisboogschutters verdeelden onder elkander het
vlas, dat een boer had aangedragen, en weldra omringden zij aan alle zijden den
toren. Achter hen stonden degenen, die vuurwapenen hadden; de lonten werden
ontstoken, en het buskruit en de kogels in de wijde openingen der bussen
gestampt. Kleine vuren van spaanders en kienhout brandden weldra vóór de
gelederen der boogschutters; de pijlen met vlas omwonden, werden gedoopt in de
hars of het pek, hetwelk op de vuren gesmolten was; de afhangende einden werden
aangestoken, als de pijl voor de gespannen pees lag, en weldra snorden van alle
zijden een aantal brandpijlen door de lucht, en drongen door de kracht der
stalen bogen, in weerwil van den afstand, tot aan het einde der lange scherpe
punten, in de houten planken, die de bomgaten sloten. In het eerst schenen
eenige onzichtbare handen de brandende schichten te verbrijzelen; maar weldra
groeide het aantal der pijlen zoodanig aan, dat men dit gevaarlijk werk scheen
te staken. De scherpe punten, gehuld in de vlammen, die, als zij de schuine
planken misten, er tusschendoor in den toren drongen, maakten het afslaan der
brandstichtende pijlen bijna tot een roekelooze daad; de belegerden schenen deze
beschutselen, welke hen voor het oog van hunne vijanden konden verbergen, aan
hun lot over te laten. Niemand vertoonde zich op den omgang, om de
brandstichters te verdrijven, en tevergeefs wachtten de busschieters, op hunne
wapenen leunende, dat zich iemand zou vertoonen, om aan hunne kogels ten doel te
strekken. Ralph zag, hoe de eene pijl vóór, de andere na, in de droge planken
drong. Eerst waren het weinige vlammetjes, die hier en daar flikkerden, maar
die, evenals de sterren aan den hemel, hoe langer hoe meer zichtbaar werden en
in getal toenamen, totdat eindelijk een witte rook verried, dat de dikke eiken
planken hadden vuur gevat.
Op ditzelfde oogenblik openden zich de gelederen der boogschutters, en zij, die anders met pieken gewapend waren, traden op last van Perrol met spoed naar den toren, en voerden een dubbele ladder met zich. Ralph bemerkte nu, dat de aanvoerder, het als
onmogelijk beschouwende om de bomgaten te bereiken, door de opening, die in de tweede verdieping was, naar binnen wilde dringen; want de ladder werd opgericht tegen het luik, dat, boven den ingang van den toren, vóór deze opening was. Waarschijnlijk hinderde de rook degenen wel, die de ladder beklommen; maar deze onttrok hen ook aan het oog hunner vijanden, die bovendien door het vuur en den rook der brandende planken zelven reeds verhinderd werden, om te zien welk gevaar hen bedreigde.
Tevergeefs verwachtte Ralph door den damp een helm op den omgang te zien blinken; hij stond op en mompelde: ‘Op Van Schaffelaar! op! voor St. Maarten!’ doch er werd niets van den toren geworpen. De bisschoppelijke ruiters vermoedden het gevaar niet, dat hen dreigde; want al hunne aandacht was op de brandende klankborden gevestigd; het geknetter der vlam verhinderde hun het oprichten van de ladder te vernemen, en de herder ging weder moedeloos zitten. Toen zag hij, hoe het luik, dat waarschijnlijk te dik was om spoedig opengehakt te worden, geheel bestreken werd met pek, hetwelk in een pot naar boven werd gebracht, waarna hij de ruiters weder zag afklimmen. Reeds verheugde Ralph zich, dat dit alleen niet genoegzaam zou zijn, om het eikenhout, dat rechtstandig stond, vuur te doen vatten; maar nu werd de ladder opnieuw beklommen. Ditmaal voerden zij een grooten lap doek met zich, die van het pek droop, waarmede hij bestreken was; maar nu ook hoopte Ralph, dat de belegerden de slagen zouden hooren, waarmede men dit brandkleed tegen het luik zou nagelen; doch ook deze hoop verging in rook. Perrol gevoelde, hoeveel er aan gelegen was om de kunstbewerking, die hij bevolen had, aan het oog en oor van zijne vijanden te onttrekken. Het kleed werd wel bevestigd, doch alleen door de spijkers of spieën met de hand zoo vast mogelijk tusschen het luik en den muur vast te klemmen. Vervolgens liet Perrol het vlas en stroo aandragen, dat van hand tot hand naar boven ging, en de soort van zak, welken het kleed vormde, werd er mede gevuld.
Een zucht van verdriet en smart ontglipte aan de borst van den ouden schaapherder. De geheele toestel werd door de dikte van den muur bijna verborgen; zelfs moesten de spieën, die tusschen het luik gewrongen waren, de belegerden verhinderen het luik te openen en de brandstoffen naar buiten te werpen. Maar daar verheft zich een gekraak boven aan den toren, en de brandende klankborden vallen naar buiten. Nu en dan vertoont zich een dunne balk buiten den muur door de kracht der stooten; de bussen worden tegen borst of schouder gedrukt; vuur en rook is nu ook beneden den toren, en de knallen der bussen klinken gestadig; de onzichtbare kogels dringen fluitende in den toren: de belegerden willen het door hunne vijanden ontstoken vuurwerk niet langer aanzien.
Aan alle zijden is de toren omringd door een rook, die zich, als men het zoo noemen mag, aan de steenen tracht vast te klemmen, en het wordt moeilijk alles te overzien. Dáár vestigt zich het oog van Ralph op iets, dat zich evenals een witte rook tegen de leien spits vertoont, zich beweegt, en uit een voorwerp dat schittert schijnt op te rijzen. Brandt het dak reeds? - was zijn eerste gedachte; maar hij ziet scherper toe; hetgeen zijn oog getroffen heeft verandert van plaats; hij ziet één - twee witte vederbossen op den omgang. De Zwarte Ruiters schenen nog niets te bemerken, o! waarom kon hij den Schaffelaars niet zeggen, wat hen bedreigt! maar dan gaan zij vooruit; zonder schroom zien zij over de borstwering, 't is alsof hunne vijanden met blindheid geslagen zijn. Ha! God zij gedankt! daar staan zij boven de poort stil. Heeft hij het wel, of houdt de geharnaste man, die ver over den rand heen buigt, zijn makker terug, en weerhoudt hij hem om zijn gevaarlijke daad te volgen? wappert niet de groote vederbos op den stalen helm, boven het wapenschild? Ja! want Perrol schreeuwt, en zijn woeste stem verheft zich boven het geweld, dat om den toren heerscht: ‘Drukt los de bussen! voor den satan! dáár....’ en hij strekt de Roode Hand naar den toren uit. De looden kogels stuitten tegen steen en ijzer af, en Ralph zag, toen de rook een weinig verminderde, de witte pluimen niet meer bewegen. Waren het de helm en het harnas, of was het alleen het schild, dat getroffen was? Ook Perrol trad tevergeefs achterwaarts, om iets naders te zien. Het luik was tot bovenaan bedekt door het vlas en stroo, hetwelk er vóór gestopt was. De ruiters droegen weder een pot met pek of hars aan, om dien over dit alles heen uit te storten, opdat de uitwerking des te vreeselijker zijn zou; maar Perrol, die zijn vijand had gezien, wilde niet langer wachten, maar riep: ‘Steekt aan, Per moio! steekt er den brand in, voor den duivel!’ Men gehoorzaamde, en een toorts werd aangestoken. Perrol scheen, evenals Ralph, eerst naar den omgang te zien, die geheel verlaten scheen, en toen
naar de fakkel, welke de ruiters elkander opgaven. Met angstige oplettendheid zag de oude man de vlam het donkerbruine brandkleed naderen; maar ziet! op eens verdween de toorts; een vreeselijk kraken, gevolgd door angstgeschreeuw en woeste kreten, paarde zich met het rammelen der wapenrustingen en met een doffen slag; de brandstoffen hadden geen vuur gevat, en de ladder was verdwenen. Stomme verbazing heerschte er op het kerkhof, en de handbussen zwegen; zonder dat zulks bemerkt was, hadden de belegerden een zwaar en vrij lang stuk hout boven op de borstwering van den omgang gelegd en het er van afgestooten.
Het stof, dat door het vallen van den balk en de ruiters was opgestegen,
verhinderde eerst hen te zien; maar weldra hoorde men het geschreeuw van
diegenen hunner, welke gekwetst waren. De toorts was op den voorraad van
brandstoffen gevallen, welke vóór de deur lag, en onder en over welke de pot met
pek en hars was omgestort. Zij, die den brand hadden willen stichten, worstelden
te midden der vlammen. Hunne makkers snelden

toe, maar juist werden de klankborden aan deze zijde ook naar beneden
gestooten, waardoorzij, die kwamen om te redden, terugtraden, en er zelfs twee
hunner mede ternedervielen. Degenen die nog eenige krachten hadden, kropen
zelven uit de vlammen weg, welke hen evenwel niet schenen te willen verlaten;
want het pek, dat aan hun harnassen zat, bleef branden, toen zij zich reeds van
het vuur verwijderd hadden. Op bevel van Perrol, wien het jammerde, dat zijn
ladder gebroken was, werden allen die gevallen waren, eindelijk uit de vlammen
gesleept, welke langs den grond bleven branden; doch voor eenigen hunner kwam de
hulp te laat, zoo zij zelfs niet altijd vruchteloos zou geweest zijn. Toen zag
Ralph, hoe Perrol een der boogschutters den gespan nen boog uit de hand rukte,
een omwoelden pijl aanstak, voor de pees legde, en zonder te mikken de
brandstoffen in brand schoot, die voor het luik te zamen waren gepakt, den boog
wegwierp, en met de linkerhand op zijn zwaard leunende, de ontwikkeling der
vlammen gadesloeg.
Waarschijnlijk beseften de belegerden de nutteloosheid om eenige poging tot afwering van den brand te doen; sedert de laatste bofden waren weggestooten, scheen alles op den toren weder in rust te zijn, en men hoorde er niets bewegen. Tevergeefs traden zelfs de ruiters op een verren afstand, om door de bomgaten iemand te zien te krijgen. Uitgezonderd eenige kleine stukken hout,
welke nog boven aan den toren smeulden, was het vuur geheel uit, behalve vóór het luik; maar het brandde met een ongehoorde woede; het was alsof de geheele toren met pek en zwavel gevuld was, en dat dit de eenige uitweg der vlammen was. Gelaten zag Ralph naar den opstijgenden zwarten rook; zoo hem voorkwam, drong de stank van pek en zwavel tot hem door. Wellicht dacht hij, dat alle hoop verloren was, dat niets meer redding kon aanbrengen, of misschien vertrouwde hij op den moed en het geluk der belegerden. Perrol zelf, die zich vergast had, toen de vlammen uitbraken, verwijderde zich nu voor een oogenblik, terwijl men zich onledig hield om van alle zijden ladders aan te brengen; mogelijk gevoelde hij de behoefte om uit te rusten, en wilde hij niet gaan zitten voor het oog zijner vijanden.
Een beweging, welke nu onder de Zwarte Ruiters ontstond, die meest allen tot nog toe naar de vlammen gezien hadden, wekte Ralph uit de soort van verdooving, welke hem bevangen had. Hij zag, hoe een der mannen van Perrol uit de kleine deur van het traptorentje in de goot van de kerk stapte, en langs een ladder, welke men hem toestak, tegen het middelste dak opklom. In het eerst dacht de schaapherder, dat men van deze zijde wilde beproeven, om een der bomgaten, of wel den omgang te bereiken, en hij plaatste zich voor het gat, dat hem in staat stelde, de achterzijde van den toren gade te slaan; maar hij bedroog zich; want men voerde geen andere ladder aan, en geen der Zwarte Ruiters volgde hun makker, die nu boven op de nok stond. Hij scheen tot de mannen van wapenen te behooren, ofschoon hij noch speer noch schild voerde, en de platte looden strook, welke het kerkdak dekte, bleek breed genoeg voor hem te zijn, om er voor- en achterwaarts op te gaan.
Toen hij halverwege het koor en den toren gekomen was, bleef hij staan, en schikte zijn harnas terecht, dat door het klimmen verschoven was, verzette zijn helm, plaatste den rechtervoet vooruit, sloeg driemaal met zijn hand op de greep van zijn groot zwaard, en schreeuwde snoevend: ‘Heidaar, kerels! vertoont u eens, als gij durft, en houdt u niet schuil als de kerkuilen bij den dag. - Ha! waar blijft gij? is het niet genoeg, Heeren! dat ik de moeite genomen heb om den halven weg af te leggen? durft gij u niet op dezen smallen weg wagen, of zijn uwe oogen door den rook bedorven?’ Maar men antwoordde hem niet, en hij vervolgde schamper! ‘Ik zie nog niemand! Heer Van Schaffelaar! heidaar! kom op, dappere ridder! ik wacht u; ik ben Rogardo, de Italiaan! Vertoon u, ha!’ riep hij met den voet stampende, ‘is dat het antwoord, papenruiters! die zelven de heilige leien van dit dak vernielt,’ toen een steen, welke uit den toren naar hem werd geworpen, hem niet bereikte, maar eenige leien van het dak verbrijzelde en in de dakgoot nederviel.
‘Ellendelingen!’ schreeuwde hij kwaadaardig, ‘zijt gij allen lafaards, van den aanvoerder tot den verdraaiden knaap? Zijt gij bang voor dit zwaard, dat reeds zoovelen van de gladde rustingen heeft verbroken? Vecht gij nimmer dan met overmacht! blijft gij terug voor mij alleen...! voor Rogardo...?’
Ralph gevoelde, dat Van Schaffelaar te verstandig was, om den Zwarten Ruiter met eenig antwoord te vereeren, en dat geen zijner ruiters het zou wagen, om zonder zijn toestemming gehoor te geven aan deze uitdaging. De kwaadheid en trotschheid van den Italiaan vonden nieuw voedsel in de voorzichtigheid zijner vijanden; hij trok zijn zwaard en riep: ‘Hier! met dit zwaard, dat uwe makkers heeft verslagen, wil ik bewijzen, dat heer Jan van Schaffelaar een ellendeling is. Per Bacco! ik, Rogardo zal zulks bewijzen!’
‘Zwijg!’ riep op eens uit den toren een stem, die den schaapherder deed opspringen. ‘Staak die logentaal; de Zwarte Ruiters hebben de Schaffelaars niet ontmoet dan in Eemnes, en zij zijn daar allen met hun luitenant gebleven.’
‘Gij liegt!’ schreeuwde Rogardo met zijn zwaard dreigende. ‘Ik ben dáár geweest, en sta hier nog, - ik zal u bewijzen, dat gij liegt, - daal af...!’ Doch niemand liet zich zien, of viel hem in de rede, en de schaapherder werd weder gerust, het ongeluk, dat hij verwacht had, scheen weder geweken te zijn. Toen vervolgde de Italiaan lachende, na een oogenblik gewacht te hebben: ‘Voor den satan! waar blijft hij, die daar zoo even sprak, zijt gij het zelf geweest, Van Schaffelaar? Welnu, daar het strijden u niet bevalt, zal ik over de dochter van den smid spreken: gij weet zeker, wie haar na uw dood zal verzorgen? O! de Zwarte Ruiters houden veel van ouden wijn en jonge meisjes; zij zal ons welkom zijn, als de aanvoerder haar van zich stoot. Ik, Rogardo, ik beloof u haar te zeggen, hoe vroom haar bruidegom zijn leven bewaard, en hoe hij zijne eer verloren heeft. - Ha! ha! zij zal een goed leven met mij hebben, die Maria; zij zal ons allen gelukkig
maken, totdat de aanvoerder haar van de bende laat verdrijven, en dan - wat zal dan de bruid van den edelman, den laffen handlanger des Bourgondischen bastaards zijn, hé, Heer Van Schaffelaar?’
De schaapherder zag met donkere blikken naar den lagen ruiter, die de onschuld lasterde, en met het ongeluk spotte, dat den braven aanvoerder en zijne mannen dwong, om alleen met verachting zijn taal te beantwoorden. Misschien stelde de zonderlinge grijsaard belang genoeg in Maria, die door Frank bemind werd, en in de eer van Van Schaffelaar en zijn bende, onder welke zijn jongen diende, om verontwaardigd te zijn over deze taal; hij herkende den Zwarten Ruiter dien hij meer, en het laatst te Eemnes, bij den slagboom gezien had; hij zag met leede oogen zijn krachtige gestalte, en hoorde ongeduldig zijn verachtend lachen.
‘Genade, makkers!’ riep de Zwarte Ruiter plotseling, en strekte zijn zwaard en zijn linkerhand naar beneden uit, alsof hij hen van de kerk en den toren wilde verwijderen. Ralph zag, hoe de bogen en bussen van den schouder of de borst werden afgenomen. ‘Genade voor hem!’ schreeuwde Rogardo spottend lachende. ‘De eerste, die hem een kras op zijn harnas geeft, zal met mij te doen hebben, - hij behoort mij!’
Nu eerst zag Ralph, die alleen op den Zwarten Ruiter gelet had, wat er gebeurde.
Boven op de borstwering van den omgang zat een ruiter in blinkend harnas; de
laatste woorden van den man van Perrol gingen hem door merg en been. Wie was de
roekolooze, die zich daar ten doelwit stelde aan aller pijlen en kogels? Hij zag
zijn gelaat niet, dat door den voorovergebogen helm verborgen was; het was ook
te ver af; maar het was de vederbos van den aanvoerder niet. Nu had de ruiter
zijne voeten in de lis van een touw geplaatst, dat men van boven liet schieten;
hij zakte af, terwijl hij rechtop stond, en zich met zijne handen vasthield aan
het touw, dat gedurig ronddraaide. Nu eens was zijn gelaat naar den toren, dan
weder naar den Zwarten Ruiter gekeerd, die hem afwachtte. Spoedig bereikte hij
het dak, trad uit de lis van het touw, en zag naar beneden! hij scheen met het
oog de diepte te meten, die ter wederzijde aan zijne

voeten was, hij scheen te berekenen wat zijn lot zou zijn, als hij
tusschen de daken in viel. Nu trok hij zijn rechter handschoen in de hoogte,
hief het hoofd met edelen zwier op, en vroeg luid en dreigend: ‘Zijt gij het,
man van Perrol! die in Eemnes geweest zijt, en nog leeft?’...
‘Ja,’ riep Rogardo spottend, ‘en Per Bacco! nog lang zal leven, als ik u van dit dak geworpen zal hebben!’
‘En ik, ik ben er niet geweest!’ vervolgde de ruiter, wiens eerste woorden den schaapherder hadden doen sidderen; want hij herkende Frank. ‘Gij behoort mij! de dood, dien gij op den Wakkerdijk ontkomen zijt, zal u hier bij het heldere licht der zon noodzaken om Walson en degenen, die met hem waren, te volgen.’
‘Is dat alles, wat gij te zeggen hebt?’ vroeg Rogardo, die met zijn zwaard op het lood figuren trok, en lachte, ‘ik dacht, dat gij gekomen waart, om de lafheid van uw aanvoerder te verbergen, de eer van zijn bruid op te houden, die zij reeds lang verloren heeft, ha! ha!’
‘Zwijg, vervloekte Italiaan!’ riep Frank, die zijn zwaard trok, ‘vraag aan Perrol met de roode Hand, wie de man is, die hem ter aarde geworpen heeft; maar denk niet, dat ik gekomen ben om te antwoorden op de lasteringen van een gemeenen snoever, dien ik veracht; ik kom alleen, om u voor eeuwig het zwijgen op te leggen, - en ik heb haast.’
‘Ha! ellendige jongen...!’ schreeuwde Rogardo, die zijn helm sloot en een paar stappen voorwaarts deed; maar Frank bespaarde hem de moeite, om verder te gaan; want hij trad snel op hem toe, terwijl hij zijn vizier naar beneden drukte. Een oogenblik stonden de groote ruiter met de zwarte rusting, en hij, die het blinkende harnas droeg, tegen elkander over. Beiden hielden het hoofd rechtop; zij wisselden geene woorden meer, maar dreigende en wraakademende blikken door de nauwe sleuven, welke in het ijzer waren, dat hun gelaat bedekte. Met het angstzweet op het gelaat zag Ralph den knaap, dien hij had opgevoed, dáár staan; had de gunst hem dan bedrogen, toen hij des morgens velen
vallen zag, maar hem niet? Hoe edel was zijn houding, hoe krijgshaftig stond dat gladde staal, het welk zoo juist mogelijk zijn welgevormde leest omsloot, en dat misschien door de hand van den meester uit de Vergulde Helm was afgewerkt! hoe schoon, maar ook hoe zwak was hij, in vergelijking met den breed geschouderden en langen man van wapenen der Zwarte Bende! Op eenmaal en als door een gelijktijdige drift bezield, werden de zwaarden opgelicht, zij verhieven zich hoog zonder elkander te raken of te zoeken, en daalden toen snel neder; geen schild beveiligde hier helm of harnas, de enge plaats, waar het gevecht plaats had, gedoogde niet, dat men een slag ontweek. Elke houw, die toegebracht of opgevangen werd, scheen den schaapherder te treffen; zijne grauwe oogen waren dof en zonder vuur. Het groote zwaard, dat door den Zwarten Ruiter gevoerd werd, scheen een schrikwekkende kracht te hebben; Frank moest terugtreden. O! dat oogenblik was verschrikkelijk voor den ouden man, en een uitroep van wanhoop ontsnapte hem, toen de roekelooze vriend van Van Schaffelaar naar den toren omzag, uit welken men hem scheen te roepen; want Rogardo maakte van deze gelegenheid gebruik, en trof den gladden helm. Doch Rogardo was Perrol niet; en hoezeer Frank bijna nederviel, hield hij zich staande, terwijl hij op zijn zwaard leunde. Rogardo lachte woest, en Frank richtte zich fier op, voordat zijn vijand hem voor de tweede maal trof. Een luide uitroep gaf zijn moed te kennen, maar ook de wraakzucht, die hem bezielde. Was de uitroep hem bijna noodlottig geweest, de gedachte, dat hij streed onder het oog van den bruidegom van Maria, van zijn weldoener, verdubbelde zijne krachten. Het was nu aan Rogardo, om achteruit te gaan; het touw, dat misschien opgehaald was, om een tweeden man van den toren af te laten, bleef nu halverwege hangen; een geharnaste man, welk zich hoog boven den omgang vertoond had, verdween weder. O! met welk een oplettendheid volgde nu het oog van Ralph de twee mannen, die elkander op de nok van het kerkdak zochten te vermoorden! hoe schitterde zijn oog van vreugde! hoe was hij gereed om te roepen; ‘het is Frank; ik! heb hem opgevoed: de jonge held met zijne blinkende rusting is de gewezen herdersknaap van Ralph!’
Reeds was Frank de plaats voorbij, waar het gevecht begonnen was; het zwaard, dat hij met beide handen voerde, daalde zoo snel neder, dat Rogardo, brullende van woede, steeds moest wijken. Het was alsof de jonge ruiter grooter was dan zijn vijand, die misschien eindelijk besloot om niet verder achteruit te gaan. O! hoe snel en wild flikkerde zijn zwaard, met hetwelk Frank scheen te lachen, die achteruit sprong, alsof hij op den vasten grond geweest ware, weer vooruitsnelde, en met een houw het vizier van Rogardo bijna verpletterde! De wreker van de eer van Maria en haar bruidegom verdubbelde zijne slagen; nu eens ontweek hij het zwaard van den Zwarten Ruiter of ving het op, dan weder bekreunde hij zich niet, waar het zou nederdalen: hij had zich immers in de hoede van God aanbevolen. Zoo werd de man van Perrol, zoo werd de snoever genoodzaakt te wijken. Met stomme verbazing zagen zijne makkers den gevreesden Rogardo, dien ouden ruiter der bende, terugtreden voor zijn jongeren en op het oog minder sterken vijand: nu eens zette hij den voet achterwaarts om een slag te ontwijken, dan weder sloeg Frank hem met zijn zwaard, als het ware, terug. Eindelijk waren zij het koor genaderd, en de Italiaan, die een paar stappen achterwaarts deed, leunde, naar zijn adem hijgende, op zijn zwaard. Ook Frank bleef staan, en liet zijn wapen zakken; ook hij scheen vermoeid. Langzaam boog de Zwarte Ruiter het hoofd voorover, en zag nu eens aan de eene, dan aan de andere zijde der kerk naar zijne makkers, maar zijn stem klonk niet door het half vernielde vizier; hij zou nu geen genade gevraagd hebben voor den jongen man, wiens krachten hij te vroeg veracht had. Doch zijne makkers gebruikten hunne wapens niet, en hij was te trotsch, hun te verzoeken om hem te redden; nog hoopte hij te overwinnen; hij kon bijna nog niet gelooven, dat hij, Rogardo, langer zou behoeven te wijken. Ralph kon de woeste uitdrukking van zijn oog niet zien; maar hij meende hem van woede te zien sidderen. Rogardo richtte zich snel op, en drong op Frank in, die zich niet liet overvallen, maar hem zelfs te gemoet trad. Voor een oogenblik was het twijfelachtig, of de Zwarte Ruiter den voet weder zou zetten op het gedeelte van dat dak, dat boven het schip der kerk was, dan of zijn vijand hem ook boven het koor zou vervolgen. Maar spoedig was het dit niet meer; Rogardo had den tijd niet, om zijne slagen toe te brengen, nauwelijks dien om het zwaard van zijn vijand af te keeren, en niet te vallen of mis te stappen op de nok, welke hier nog smaller was, toen hij opnieuw den terugtocht moest aanvangen. Hoe langer hoe onzekerder werd zijn gang, en de over-
macht van zijn vijand scheen zijn arm te verlammen. Hij zag
ter zijde van zich; maar het dak was steil en de goot niet breed; als hij zich
hier liet afglijden, wachtte hem evenwel de dood; want hij viel dan op het
kerkhof. Een nieuwe slag op zijn helm herinnerde hem, dat zijn tegenpartij hem
den

tijd niet zou laten, al waagde hij, Rogardo, het om te vluchten.
Tranen van aandoening bevochtigden de oogen van den ouden schaapherder; hij was
trotsch op de daden van Frank, en gevoelde zich medegesleept door die betooning
van moed en dapperheid, ofschoon hij altijd de keus van Frank om het herderspak
voor het harnas te verruilen, had gelaakt. Hij zag nu, hoe Rogardo den laatsten
stap gedaan had, hoe hij bijna tegen het ijzeren kruis rustte, dat op de
uiterste punt van het koordak was, en al zijne krachten verzamelende, het zwaard
nog eens ophief, dat echter machteloos neerzonk, toen Frank, eer het treffen
kon, een der armen raakte, welke het hadden bestuurd. Nu dacht Ralph, dat de
Zwarte Ruiter zou vallen, maar het kruis steunde hem.
Er heerschte een oogenblik een doodsche stilte; beide zwaarden rustten met de punt op het lood; dat houwen, dat klinken van harnas en lemmet, dat zoo vreeselijk en onophoudelijk geweest was, had opgehouden. Toen hief Frank zijn zwaard weder op; ook Rogardo scheen hetzelfde te willen doen; want hij zette den rechtervoet vooruit en verliet voor een oogenblik de eenigszins gebogen houding, in welke hij gestaan had; maar zijn zwaard bewoog zich niet, en hij zelf hernam zijn vorige houding weder. Ralph zag, hoe Frank hem met de punt van zijn zwaard op het borstharnas sloeg, terwijl deze luid: ‘Op, lafaard!’ riep, en hij hoorde de Zwarte Ruiters als uit éénen mond schreeuwen: ‘Op, Rogardo!’
Doch de Italiaan bewoog wel het hoofd, en trachtte zich op te richten; maar zijn moed of zijne krachten hadden hem verlaten, toen hij gezien had, dat het gevecht te zijnen nadeele zou uitvallen. Nu hoorde Ralph een kreet van verwondering en woede opgaan, en de ruiters grepen naar hunne bogen en vuurwapenen; maar een doodelijke stilte verving op eens dit gerucht.

‘Dat Perrol met de Roode Hand en de geheele Zwarte Bende sterven, even
ellendig als gij! - Sterf, Rogardo!’ riep Frank met een donderende stem, terwijl
hij zijn vijand, die als versteend tegenover hem stond, het lemmet van zijn
zwaard bijna tot aan het gevest onder het borstharnas stiet. Rogardo liet zijn
zwaard vallen en boog zich achterover, een oogenblik door het kruis gesteund;
daar lag hij, half staande, met neergebogen hoofd en hangende armen, toen Frank
het zwaard terugtrok. Het kruis kon echter den zwaren last niet dragen, maar
brak; de Zwarte Ruiter viel met het teeken des geloofs langs het dak. Zijn helm
bereikte het eerst de goot, zijne beenen beschreven een vierde van een cirkel,
maar vielen over den rand van de dakgoot heen, en toen het gedeelte van het
lichaam, dat naar buiten afhing, het zwaarste werd, viel de man van wapenen op
het kerkhof neder. Daar lag Rogardo, de Italiaan, die, uit Eemnes ontkomen, hier
den dood vond, omdat hij Maria en haar bruidegom beleedigd had.
‘Schiet hem neer!’ riep nu een stem, welke Ralph herkende, en Perrol snelde op het kerkhof, terwijl Rogardo met een doffen slag nederviel. Het was alsof een nevel het oog van den schaapherder bedekte; hij hoorde de vuurwapens lossen, en de pijlen sissen; maar tevens ook de stem
van Frank, die: ‘Leve Van Schaffelaar!’ riep. Dat gaf hem weder moed. Hij streek zijn hand over zijne oogen, en zag de blinkende wapenrusting in den kruitdamp bewegen. Frank scheen het zwaard op te steken en naar den toren te gaan, in weerwil der pijlen, die om hem vlogen. Daar nadert hij reeds den muur, van welken het touw afhangt; maar het buskruit ontbrandt weder, en Frank valt voorover, terwijl de vuurwapenen knallen en de Zwarte Ruiters juichen. ‘Frank!’ riep de schaapherder met een uitdrukking van liefde en angst, welke niet te beschrijven is, maar die door een vreugdekreet gevolgd werd; want door den rook zag hij den jongen man weder opstaan: alleen een misstap had hem doen vallen en hem mogelijk gered. Daar bereikt hij den muur; de Zwarte Ruiters komen uit den traptoren te voorschijn, en verdwijnen tusschen de daken. Doch te midden van de pijlen, die door de lucht snorren, de fluitende kogels, het ontploffen van het buskruit, het geschreeuw der ruiters en de bevelen van Perrol, wordt de overwinnaar als door een tooverbewerking naar boven gehaald. Reeds bereikte zijn helm den omgang, toen hem iemand bij de armen vatte en snel naar zich trok; tevergeefs scheen het aanleggen en losdrukken der bogen en handbussen; want het blinkende harnas verdween over de borstwering. ‘Leve Frank! de dood voor de Zwarte Bende!’ klonk het uit den toren, en de schaapherder viel, overmand door de verschillende aandoeningen, die beurtelings zijn hart getroffen hadden, achterover op het stroo neder.
Tot nog toe was Wolf stil blijven liggen op de plaats, welke zijn meester hem bevolen had niet te verlaten; alleen had hij zijne ooren gespitst, toen de stem van Frank zich hooren liet; doch zoodra zijn meester was gevallen, had hij zich bij hem geplaatst, om hem te bewaken.
Toen Ralph zijn bewustzijn wederkreeg, hoorde hij de stem van Perrol en het veldgeschreeuw der Zwarte Bende; mogelijk had dit hem wel doen bijkomen. De hond lekte zijne handen, toen hij de oogen weder opende, en keerde op een beweging van de hand zijns meesters, met den staart kwispelende, naar zijn vorige ligplaats terug. Ralph wierp hem tot belooning een stuk brood toe, voordat hij door de opening in het dak zag. Het scheen, dat men den toren bestormde, en Perrol, dien hij, ofschoon deze vrij nabij de deur stond, nog zien kon, wees met zijn rechterhand naar boven, terwijl de linker op het gevest van zijn zwaard rustte. ‘Ruimt de steenen weg, grijpt de bijlen, en dringt naar binnen, kerels!’ riep hij, en men hoorde nu en dan den klank van het staal, dat tegen hout of steenen stiet.
Ralph wilde zich wel weder naar de plaats spoeden, waar hij eerst gestaan had; maar hij bleef waar hij was; want een ruiter, die uit den traptoren te voorschijn kwam, zag, in de goot staande, naar den toren. Hij had een bos touw aan de greep van zijn zwaard hangen, en scheen met het oog den afstand tusschen den omgang en de nok van het dak te meten. Hij droeg een harnas, dat denzelfden vorm had als dat van Rogardo, en was even groot, maar veel losser in zijne bewegingen; hetgeen bleek, toen hij evenals een kat tegen de ladder opklom, welke ook Rogardo gebruikt had. Zoodra hij op de nok stond, traden meerderen zijner makkers uit de opening van de trap te voorschijn; achter het koor op het kerkhof vertoonden er zich ook eenigen, die een lange ladder droegen. Zoodra de ladder naar boven was gehaald, en hij, die op de nok stond, het boveneinde zag naderen, boog hij zich voorover, vatte het aan, en liep met een onbegrijpelijke vlugheid, in weerwil zijner wapenrusting, over de nok naar den toren. Met moeite verrichtten zijne makkers met hun allen bijna hetzelfde wat hij deed, en werkten ook het ondereinde op de nok. Eindelijk lag de ladder, aan welker boveneinde hij een touw vastknoopte, boven op het dak; maar nu moest zij opgericht worden. Snel liep de ruiter, het touw onder de hand uitvierende, tusschen de sporten van de ladder door, naar het ondereinde en beduidde waarschijnlijk aan zijne makkers, wat hij verlangde; want drie gingen er schrijlings op de nok zitten, om de ladder tegen te houden, terwijl hij met twee anderen weder naar het dunne einde terugkeerde. Hij liep even snel, alsof hij over een breeden en effen weg ging. Zijne makkers volgden hem aarzelend, maar durfden hem niet voorbijgaan, zooals hij scheen te verlangen, waarom hij zich voorover boog, zijn rechterhand aan den rand van de overzijde
van de nok sloeg, en zich aan deze zijde langs de leien liet afzakken. De ruiters, die minder stout waren dan hij, stapten nu over zijn geharnasten arm heen, en zonder dat een hunner hem hielp, trok hij zich naar boven, bracht met behulp van zijn andere hand zijn borstharnas op de platte zijde van het lood, en sprong er op. Zoodra hij rechtop stond, vatte hij de ladder aan, hief haar op, en richtte haar, bijgestaan door degenen, die bij hem waren, overeind, terwijl het ondereinde steunde tegen de ruiters, die onbeweeglijk op de nok zaten. Drie anderen, die met het touw in de hand naar de zijde van het koor gegaan waren, en zich mede hadden nedergezet, hielpen niet weinig om de lange, dunne ladder op te heffen, die met den omgang gelijk kwam.
Door de aandacht, waarmede Ralph dit had aangezien, had hij minder gelet op
hetgeen vóór den toren voorviel; het scheen, alsof het den Zwarten Ruiters nog
niet gelukt was, den toegang vrij te maken of de belegerden terug te drijven.
Zijn groote belangstelling noopte hem wel een blik naar die zijde te werpen;
maar die ladder verontrustte hem; de handigheid en vlugheid van dien éénen
ruiter deden hem beven. Vruchteloos zag hij naar den omgang of naar de bomgaten;
doch niemand vertoonde zich. Het afslaan van den vijand hield zeker Van
Schaffelaar en zijne mannen bezig; hun aantal was te gering, om overal acht op
te geven. Evenwel verwonderde zich Ralph, dat de

aanvoerder zoo onvoorzichtig was, om zelfs niet gedurende het gevecht
door de sleuven van den toren te laten uitzien, naar hetgeen zijne vijanden
verrichtten.
Op dit oogenblik werd de ladder, die door het touw bijna rechtstandig gehouden werd, naar den toren voortgeschoven, doch zonder eenig gerucht te maken. Behoedzaam liet men haar eindelijk zakken, totdat zij met het topeinde tegen den toren rustte. Zij reikte bijna tot boven aan de borstwering van den omgang, en het touw, dat nu werd losgelaten, hing langs den toren neder. Met de ruiters, die, terwijl men met het vooruitbrengen van de ladder was bezig geweest, uit den traptoren te voorschijn waren gekomen en het dak beklommen hadden, en degenen, die er reeds van te voren waren geweest, stond er een twintigtal achter elkander op de nok. Hij, die hun allen bevelen scheen te geven, schoof de ladder ter zijde, en stapte er om heen; maar de twee mannen, die zich met hem achter de ladder bevonden, aarzelden hem te volgen, en hij schoof de ladder terug, verstoord, zoo het scheen, over hun dralen, of oordeelende, dat zij sterk genoeg in aantal waren. Toen keerde hij zich tot degenen, die achter hem stonden, wees naar de torenspits, en zette den voet op de tweede sport; want Ralph zag, dat de ladder te breed uitliep, om met de punten op de smalle nok te staan, en dat zij er slechts met de onderste sport op rustte.
Tevergeefs richtte de schaapherder zijn zoekenden blik naar den omgang; hij zag niemand aan deze zijde, en evenwel was het, alsof hij, niettegenstaande het gedruisch onder aan den toren, ook eenig gerucht van boven hoorde. O! die Zwarte Ruiters, die daar stormden waren zoo gevaarlijk niet als de zwarte gedaanten, die daar achter elkander op het dak stonden, en waarvan de laatsten lange, zwarte schaduwen op de dakleien van het koor wierpen; zelfs Perrol met de Roode Hand, met zijn dreigen en vloeken, was voor hem zoo vreeselijk niet als de zwijgende ruiter, van wien elk stuk van zijn harnas zoo beweegbaar scheen te zijn, alsof het aan een draad hing, en toch zoo sterk, alsof het een massief ijzeren hefboom was. Toen de ruiter halverwege de steile ladder gekomen was, zag hij naar zijn makkers om; maar niemand was hem nog gevolgd, en hij wenkte hen met zijn hand en wees hen naar boven: doch het buigen der ladder en haar onzeker rustpunt deed hen aarzelen. Onvergenoegd schudde hij met het hoofd, en de hoop, die Ralph had opgevat, dat hij zou terugkeeren, vervloog; want hij klom snel verder, zeker vermoedende dat zijne makkers niet langer zouden achterblijven, als zij hem maar eerst boven zagen. Het liet zich aanzien, dat hem zijn plan gelukken zou: hij had juist een gunstig oogenblik gekozen. Het klamme zweet stond op het voorhoofd van den schaapherder, die op eens de handen aan den mond bracht, en zoo dicht mogelijk de opening naderde.
Een schelle en eigenaardige schreeuw klonk nu over het kerkhof; de mannen, die op het dak stonden, zagen rond, en zelfs de ruiter op de ladder bleef, den voet half opgelicht houdende, staan; hij zag naar boven en daarna onder zich, en toen hij niets vreemds gewaar werd, deed hij nog een stap en zag door de bomgaten in den toren. Nog eens bracht de schaapherder zijne handen aan den mond, maar liet ze snel weder zakken. ‘Ha! daar is hij,’ riep hij verheugd, terwijl zijne oogen fonkelden. Twee ruiters, die snel van de voorzijde van den toren naar het achtergedeelte liepen, vertoonden zich op den omgang; hij herkende den aanvoerder en den overwinnaar van Rogardo. Nog ziet de ruiter, die op de ladder staat, hen niet; maar daar treden zij om de spits; - het boveneinde van de ladder is bijna onder hun bereik; zij zien de Zwarte Ruiters geschaard staan op het dak; de man, die klimt, wordt hen gewaar. Een oogenblik scheen hij te aarzelen, terwijl de belegerden nog onzeker waren, hoe zij de stormladder zouden omwerpen. Reeds staken zij beiden de armen uit en vatten haar, toen de Zwarte Ruiter begon te schreeuwen: ‘Trekt het touw aan, strak voor den duivel! - Op kerels! volgt mij!’ en zijn zwaard trekkende, klom hij alleen, onverschrokken, verder. Het gezicht hunner vijanden deed den ruiters het gevaarlijke van den klim vergeten; zij trokken hunne zwaarden, terwijl degenen, die achter de ladder stonden, het touw aangrepen en vasthielden. Ralph zag, dat de twee ruiters op den toren vruchtelooze pogingen aanwendden, om de ladder op zijde te werpen. Het volk, dat, op het hooren van het geroep, achter de kerk was toegesneld, riep: ‘Val aan voor Perrol!’ Maar toen zag Ralph hoe Van Schaffelaar zijn hand terugtrok, die echter spoedig weder over de steenen borstwering naar buiten werd gebracht; hij zag den breeden langen dolk flikkeren, het touw vallen, de ruiters, die het vasthielden, waggelen, en één hunner achter het kerkdak verdwijnen, terwijl de andere zijn behoud te danken had, doordien hij plat voorover viel, en zich aan het lood vastklemde. De bogen werden gespannen, eenige bussen werden losgebrand. De ruiters op den omgang traden achteruit, terwijl de man op de ladder zijn zwaard opstak en eenige sporten afklom, daarna bleef stilstaan, en terwijl hij naar beneden zag, uitriep: ‘Vervloekte kerels! laat gij mij in den steek? Klimt op voor den satan! en wij winnen den toren.’
Zijne woorden hadden zooveel invloed op zijne makkers, dat zij hun wapenkreet herhaalden en de voorste onverschrokken op de ladder stapte. Opnieuw werd Ralph ongerust; had een grooter gevaar Van Schaffelaar en Frank genoodzaakt te vertrekken, of lagen zij misschien machteloos achter de borstwering? O! dat was een vreeselijke gedachte; want die vlugge ruiter scheen weder gereed om naar boven te gaan, nu hij zag, dat zijne makkers hem volgden. Gelijktijdig dat dezelfde zonderlinge gil of schreeuw weder over het kerkhof klonk, keerden ook de twee witte vederbossen weder; die sombere roep, welke steeds des vijands komst scheen te verkondigen, maar nog meer het gezicht dier blanke wapenrustingen, hadden een ontmoedigende uitwerking op de Zwarte Ruiters. De aanvoerder en zijn vriend schenen zich met hunne gesloten helmen niet om de pijlen of kogels te bekreunen. Door den rook zag Ralph, hoe zij een houten rib achter de ladder staken, om die als een hefboom te gebruiken. De Zwarte Ruiter liet zich afglijden; doch de ongelijkheid van die uit stukken samengestelde ladder verhinderde hem dit gevaarlijk werk spoedig genoeg te doen. Zijne makkers hieven een vreeselijk geschreeuw aan; zij werden nu gewaar, waarom de belegerden heengegaan en teruggekomen waren, dat het namelijk hun voornemen was, om hen allen met de ladder te vermorzelen. De eene stiet den anderen omver, en sommigen lieten zich van het dak afglijden, met gevaar om over de goot op het kerkhof neder te vallen; maar Ralph had geene oogen voor hun bedrijf, voor hunne pogingen om zich te redden; de ladder alleen hield zijn blik gekluisterd; de hefboom werkte krachtig. Terwijl Perrol zelf naar de zijde snelde, om te zien wat er toch gebeurde, en het gevecht vóór den toren een oogenblik uit het oog verloor, werd de ladder van den torenmuur afgeworpen, en de ruiter had haar nog niet kunnen verlaten. Hetgeen wij beschreven hebben, was zoo snel voorgevallen, dat hij den tijd niet gehad had om zich verder te laten zakken. Alles zag met stomme verbazing naar het dak; ook de ruiters, die er nog op waren, stonden roerloos, en staarden op dat stuk hout, hetwelk hen zou verpletteren. De ladder was niet van richting veranderd: want de belegerden hadden haar met juistheid afgestooten. Zij zagen ongedeerd naar beneden; geen pijl of kogel strekten zij ten doel; niemand kon iets anders doen dan zien. Van Schaffelaar schoof het vizier op en de twee aanvoerders wisselden den eersten blik in Barneveld.
Toen de ladder werd afgeworpen, verlieten zij met snelheid den muur, en ofschoon de
vaart allengs verminderde, zag Ralph, dat de kracht, die men gebezigd had, om haar achterover te werpen, ruim voldoende was geweest. Het bevreemdde hem daarom, dat de ruiter niet van angst om hulp riep, en nog kracht genoeg had, om zich vast te houden. Doch op het oogenblik, dat de ladder bijna rechtstandig stond, en de schaapherder haar met ruiter en al dacht te zien nedervallen op de mannen, die nog op de nok stonden, maakte de ladder een schuinsche beweging: eerst verwijderde de eene zijde zich van den toren, daarna de andere. Nog sloeg de ladder niet achterover, maar herhaalde dezelfde beweging: nu eens naderde de eene, dan de andere zijde meer het midden van het dak; het was alsof de ladder met den krijgsman, die er zich aan vast hield, op de nok wandelde. Een luid geroep van: ‘Leve de Tuimelaar!’ liet zich hooren; want deze was het, die de ladder bestuurde. Met leedwezen zag Ralph, terwijl de omgang verlaten werd, dat de stormladder nu bijna onbeweeglijk stond, de behendigheid van dien Zwarten Ruiter haar in hare vaart gestuit had; ja, met verbazing zag hij dezen met afgemeten stappen en zonder eenige ongerustheid te verraden, sport voor sport afdalen, steeds het oog gericht houdende op het topeinde, dat altijd nog eenigzins naar den toren overhelde.
Juist toen hij den voet op de nok zette, de ladder omverwierp en opnieuw het geroep van: ‘Leve de Tuimelaar!’ klonk, terwijl Perrol zich verwijderde, riep de stem van Frank boven op den toren: ‘Leve de Schaffelaars!’ en een vreeselijke slag volgde op dezen uitroep.
Toen de schaapherder, die met spoed tegen het andere kijkgat gesneld was, er door
zag, zonder zich te bekommeren om hetgeen er verder op het dak gebeurde, werd
hij Perrol gewaar, die reeds, met de armen over elkander, aan den voet van den
toren stond, en zijn woede scheen te verkroppen. Ralph kon niet verstaan, wat
hij uitriep. Te midden van de stof, welke opgestegen

was, viel een der Zwarte Ruiters uit de opening boven de deur; hij
viel op zijne makkers, die vóór hem uit den toren waren verdreven, of die, toen
de stormladder door een zwaar stuk hout werd verpletterd, verminkt op het
kerkhof waren gevallen. Ofschoon het vuur het zware luik had verteerd of doen
verkolen, zoodat het onder de eerste bijlslagen ineengevallen was, hadden de
belegerden hunne vijanden opnieuw afgeslagen. Toen het luik bezweek, hadden de
bestormers een nieuwe borstwering aangetroffen, die inderhaast door die van
binnen was gemaakt, en welke de vijanden vruchteloos trachtten weg te ruimen. De
lange zwaarden der Schaffelaars drongen door de openingen van de borstwering, en
verhinderden degenen, die in de beperkte ruimte met de bijl moesten werken, hun
doel te bereiken; en evenwel durfden zij, uit vrees voor Perrol, niet
terugtreden, of zeggen, dat, hetgeen hun bevolen werd, niet uitvoerbaar was.
Tusschen de stukken van de gebroken ladder lagen zij die gevallen waren, en hun
gekerm en gevloek tusschen de woedende kreten der Zwarte Ruiters flauw deden
hooren. Dat gejammer en geschreeuw mishaagde Perrol. ‘Per
moio! zwijgt!’ riep hij driftig, en zag dreigend om zich heen; daarop
hoorde men alleen het gekerm der gekwetsten: maar ook dit verveelde hem. Hij,
die gewoon was zijne ruiters, die gezond en sterk waren, roekeloos tot de
uitvoering van zijn wil te gebruiken, hoorde zonder medelijden het angstig
klagen of vloekend
gemor, dat hem hinderde; want zij, die hem geen dienst meer konden doen waren hem maar tot last. Hunne stemmen klonken hem in het oor als een lofzang ter eere van Van Schaffelaar; en hij riep nogmaals toornig, en met den voet stampende; ‘Zwijgt!’ Toen verkropten degenen, die dáár lagen, hunne smarten; alleen zij, die met den dood worstelden, hoorden hem niet, of schudden met het leven ook het juk der gehoorzaamheid af. Hun gesteun en gejammer zweeg niet, en hij schreeuwde woest, terwijl hij met de hand tegen zijn dolk sloeg, en daarna de vuist ophief en nederdrukte: ‘Sleept de ellendelingen weg, mannen! sleept hen onder mijn oog vandaan dat zijn geene dapperen van de Zwarte Bende. Per moio! stoot hen neder, als zij den bek niet houden.’
De meesten, die daar stonden, waren even barbaarsch, als de man, dien zij dienden: zij vergaten, hoe spoedig zijn onmenschelijke eigenbelang ook hen kon treffen, als zij verminkt nedervielen. Een aantal hunner schoot toe, en volvoerde zijn bevel, ofschoon niet allen dit met dezelfde onverschillige wreedheid deden. Onder degenen die nog eenig menschelijk gevoel schenen te bezitten, en onder het oog van den aanvoerder durfden laten kijken, herkende Ralph den Tuimelaar, die dus het dak reeds verlaten had; want deze droeg een der ruiters met voorzichtigheid weg, ofschoon zij die gevallen waren, niet tot de mannen van wapenen behoorden: misschien behoorde de ongelukkige tot zijne speer.
Een tijdlang hoorde men nog het gejammer der gekwetsten, die men vervoerde. Toen dit ophield, scheen Perrol last te geven, den balk, welke het ongeluk zijner ruiters veroorzaakt had, ter zijde te leggen. Hij onderhield zich met een der mannen van wapenen, die iets meer scheen te zijn dan de anderen, wierp nog eens een blik naar den toren en het wapenschild en verliet het kerkhof met Vidal, die eenige oogenblikken te voren door zijn meester was weerhouden om het voorbeeld van den Tuimelaar te volgen.
Het scheen, dat men vooreerst den belegerden weder eenige rust zou gunnen; de zon, die ook haar hoogste standpunt bereikt had, schoot hare stralen loodlijnig op het kerkhof, en maakte, dat het er bijna niet uit te houden was voor de ruiters, wier zwarte harnassen de stralen der zon opvingen en niet terugkaatsten. Het krijgsvolk trok af, de wachten achterlatende, die het vuur onder den toren onderhielden en op de plaats de spijs en drank nuttigden, die hun gebracht werden. Hun geschreeuw en gezang, dat veeltijds door de mannen, die in de kerk waren, beantwoord werd, gaf hunne zorgeloosheid te kennen. Vergeefsch was echter hun roepen en uitkijken naar den toren; zij genoten de vreugde niet, hunne levensmiddelen uit een gruwelijke spotternij hunnen vijanden te kunnen aanbieden, of liever vertoonen. Niemand liet zich zien, en het was zelfs natuurlijk tevergeefs, dat zij zich beijverden hunne brooden om het hoogst in de lucht te werpen, in de hoop, dat de Schaffelaars misschien op de bovenste verdieping bij de bomgaten zaten.
De bewoner van het huis, waarbij de schuur behoorde, vergat niet Ralph van brood en water te voorzien, en keerde na een kort gesprek naar zijn woning terug, na hem vermaand te hebben, deze veilige schuilplaats niet te verlaten. De schaapherder nuttigde het brood, dat hij, zoowel als het water, met zijn getrouwen metgezel deelde, waarna beiden zich nederlegden; want het was warm onder het rieten dak. Nu en dan stond hij echter op, en zag naar buiten, maar alles was er rustig.
Het losbranden der roeren waarschuwde hem in het eind, dat de aanval weder begon, en misschien weder onder een andere gedaante; ook zag hij, toen hij opstond, dat de ruiter, met wien Perrol, voordat hij vertrok, gesproken had, het volk, dat van vuurwapenen voorzien was, rondom den toren plaatste. Het bevreemdde den schaapherder, dat dit vuur gericht scheen tegen de spits, welke veel te sterk was, dan dat er iets voor haar te vreezen zou zijn van de kogels der handbussen: hij kon zich niet begrijpen, wat men voorhad, en lachte in zich zelven, toen hij zag, hoe de vijand zich vermoeide, en zijn buskruit en kogels verspilde. Het gerucht echter, dat in den toren heerschte, en het geluid van harde slagen, welke uit de spits schenen te komen, deden hem eindelijk vooronderstellen, dat men de belegerden uit de spits zocht te verdrijven; evenwel zag hij niets dan den damp, die nu en dan uit de deur te voorschijn kwam, en de bijna onmerkbare wolken rook, die, waarschijnlijk in den toren opgestegen zijnde, door de bomgaten weder een uitweg vonden. Aan alle zijden stoven de leien van de spits, terwijl de Zwarte Ruiters hunne logge vuurwapens lachend en vroolijk losten en ze dan weder laadden.
Er scheen evenwel een soort van regelmatigheid te heerschen in dit vernielingswerk, dat veel had van het bedrijf van eenig beschonken landvolk; want zelden raakte een der kogels het boveneinde; en toen de aanvoerder zich weder vertoonde en het lachen een
einde nam, zag Ralph, zoo ver hij zulks kon zien, dat onderaan, rondom de spits, omstreeks ter hoogte van twee voet, de leien waren stuk geschoten, waardoor het hout ontbloot was. Eerst nu begon de schaapherder te bevatten, wat men voorhad, en hij werd gewaar, dat hij zich niet bedroog; want de busschieters verwijderden zich, en de boogschutters traden voor; de kruisbogen der rijzige ruiters werden gespannen, en de pezen van de voetbogen der ruiterknechten werden gedeeltelijk met dommekrachten gestrekt. Weder werden de pijlen en bouten omwoeld, aangestoken en afgeschoten en terwijl de brandpijlen, niettegenstaande de hoogte van den toren, in het hout van de spits drongen, zeide Perrol lachend tot den ruiter, die naast hem stond: ‘Dat gaat goed Quintyn! zie, dat vuurwerk zal hen in den kouden steenen klomp verwarmen; spoedig zal de voorraad van dat verdoemde hout op wezen, waarmede zij zoo spaarzaam zijn, doch dat zij zoo juist van pas gebruikt hebben.
Maar Ralph, die zijne woorden gehoord had, zag grimlachende, hoe hij eenige oogenblikken daarna met den voet stampte; want de belegerden schenen geen vermaak te scheppen in dit vuurwerk, en zonder dat men van het kerkhof iemand gewaar werd, bezweek de eene brandpijl voor, de andere na, voor de slagen van eenige stukken hout of van een bijl, welke door de mannen, die achter de borstwering van den omgang verborgen waren, bestuurd werden.
Perrol zag de vruchteloosheid zijner pogingen in, en beval den boogschutter het schieten te staken, terwijl de pijlen gebroken en nog half brandende door de onzichtbare redders van de spits over den muur naar beneden werden geworpen. Een oogenblik daarna traden de mannen met de vuurwapenen weder voor, beroofden ook de spits, hooger op, van de leien, waarna de brandpijlen weder evenals bliksemstralen begonnen te vliegen. Ditmaal zaten zij te hoog; men scheen geen moeite meer aan te wenden om de spits te beveiligen; het duurde echter lang, voordat het hout begon te branden, vooral aan de zijde van Ralph, welke zijde niet op den wind stond; maar het was reeds zeker, dat de toren van zijn spits beroofd zou worden.
Toen men aan haar behoud scheen te wanhopen, drongen de vurige pijlen ook weder op die plaats in het hout, waar de vorige waren weggeslagen, en niemand scheen er zich om te bekreunen. De boogschutters schoten niet meer, zoodra zij gewaar werden, dat het doel bereikt, en de geheele spits nu als met vlammetjes bezaaid was; het scheen een groote lamp, die de gedaante eener naald had, en uit welker ontelbare bekken de brandende pitten staken. Het zou des nachts een schrikwekkend, maar grootsch schouwspel opgeleverd hebben; het eerste bleef het altijd nog, zoowel voor de belegerden als voor de arme inwoners van het dorp, die hun toren van zijn sieraad zagen berooven. Helaas! wat stond hen niet te wachten, als de wind zich verhief en het brandende hout en vonken op de daken van huizen en schuren wierp? wat moesten zij niet vreezen van die vreemde krijgslieden, voor wier handen niets veilig, niets heilig was.
Ralph zag hoe de priester met snelle, doch waggelende schreden

over het kerkhof trad, de handen saamgevouwen ten hemel hief, en naar
den toren zag; misschien had hij St. Odulf, die weleer het vuur, door satan
aangestookt, had uitgedoofd, reeds tevergeefs gesmeekt, om het gebouw, dat aan
hem gewijd was, tegen het bendehoofd te beschermen. Hij zag, hoe de priester
voor Perrol nederviel, en hem waarschijnlijk bad, een einde te maken aan de
verwoesting, om ontferming voor de bewoners van het dorp te hebben, om
menschelijk te zijn jegens zijne vijanden; maar hij zag ook, hoe Perrol met de
Roode hand zich niet verwaardigde hem te antwoorden, en bij nader aanhouden van
den grijsaard, hem door twee zijner ruiters liet wegsleepen.
In het eerst dacht Ralph, dat de vlammen aan de windzijde reeds in de spits waren doorgedrongen; want hij hoorde het hout kraken. Ook Perrol scheen het een of ander te vernemen, dat hem verontrustte; want hij riep: “Brengt aan de ladder, - de landsknechten naar boven, - naar binnen, kerels! en vreest niets; ditmaal zou zelfs de duivel niet op den omgang kunnen komen!” en hij vervolgde, terwijl zijne ruiters de ladder vóór de opening plaatsten en haar met moed beklommen: “Ha! ha! Heer Van Schaffelaar! al ware dat hout u zoo dierbaar als Maria, zoo zal ik u toch noodzaken het aan de vlam prijs te geven.”
De schaapherder zag tot zijn vreugde, dat toen de twee voorste ruiters eens in de opening geklommen waren, er geen vooruitgang meer scheen plaats te hebben; hij vermoedde, dat dezelfde oorzaak als de vorige maal hen terughield, en bemerkte, dat de belegerden zich niet hadden laten overvallen; want hij hoorde het geschreeuw der strijdenden, en zag reeds twee Zwarte Ruiters uit de opening halen en langs de ladder naar beneden voeren. De stem van Perrol moedigde hen gestadig aan, om hun plicht te doen; zij stonden op de dubbele ladder, en vormden met hunne schilden een ijzeren dak boven hunne hoofden.
De woede, waarmede de aanval geschiedde, had de belegerden waarschijnlijk genoodzaakt de spits te ontruimen; want Ralph hoorde het breken en houwen niet meer. Nog altijd brandden de lichtjes tegen het hout: sommige waren uitgegaan, andere schenen in woede te verdubbelen; een lichte rook, die hier en daar door de stralen der zon gekleurd werd, kwam van de achterzijde om de spits heen. Ook aan de voorzijde steeg de rook weldra op, en achter deze zag men nog altijd de kleine vlammen branden. Eindelijk sloeg de eerste vlam uit het hout, en deelde zich snel mede; slechts op de plaatsen, waar de leien nog waren blijven zitten, scheen het hout beveiligd voor de vlam, die al verder en verder liep. Met een onbegrijpelijke snelheid sloegen de vlammen ten laatste van onderen naar boven en tot elkander; nu zag men van de leien niets meer, en toen de Zwarte Ruiters een vreugdeschreeuw aanhieven, stond de spits, van den omgang af tot aan het uiterste einde in de vlam, boven en te midden van welke het ijzeren kruis uitstak. Het was alsof het vuur het ijzer schuwde, dat niet als het hout voor zijn woede behoefde te bukken, of dat het niet waagde het geheiligde teeken met zijn verteerenden gloed te ontheiligen.
Met saamgevouwen handen staarde Ralph naar den vuurgloed en de wolkkolom; hij hoorde het hout, dat reeds jaren den toren gedekt had, kraken en splijten, de vlammen loeien, het vuur knetteren, en hij zag de dichte rookwolken, die door den wind bewogen, langzaam van de kerk wegdreven. Onder aan den toren heerschte de woede der menschen, boven die van het vuur; zij schenen elkander te betwisten, wie het eerst zou zegepralen; maar het vuur verwon, de mannen, die daar in den muur hieuwen en streden, ontmoetten Jan van Schaffelaar en zijne ruiters; het vuur had alleen te kampen met het doode hout.
Hetgeen Ralph voor onmogelijk gehouden had, vond plaats; heviger en met meer geweld begon de vlam nu nog om de spits te flikkeren. Door de openingen, welke zij met hare vernielende macht in het dikke eikenhout geboord had, sloegen zelfs de vlammen, evenals vurige vleugels, naar buiten. De tocht, die van onderen in de spits kwam, bracht zeker deze uitwerking teweeg, en de Zwarte Ruiters traden ver van den toren; want het lood, dat de spits hier en daar bedekt had, liep gesmolten door de uitloospijpen. Eerst was het een dikke zilveren straal, welke zich daarna onder het vallen verdeelde; en onder de gedaante van een zilverregen, waartegen de zon terugkaatste, op het kerkhof nederviel. Het oog van Ralph, wien het smartte, dat deze gloeiende droppels niet op de mannen nedervielen, die den toren bestormden, viel nu op het kruis en den windwijzer, welke een poos voor hem onzichtbaar waren geweest; thans dreef een lichte windvlaag den rook en de vlam er van af. Bedroog zijn gezicht hem, deden de vlam en de rook alles schemeren en bewegen voor zijn oog, of boog het kruis zich bijna onmerkbaar voorover? hoorde hij het daar op den toren niet vreeselijk kraken? Opnieuw stegen de vlam en de rook op; weder verdween het kruis, en de wind scheen het vuur van de spits te willen verwijderen, maar had een tegenovergestelde uitwerking; hoe harder hij blies, hoe meer hij de woede van zijn vijand aanvuurde. Redt u! vlucht!’ klonk het nu luid onder het krijgsvolk, ‘vlucht! de spits valt!’ riepen zij, en Ralph zag de mannen van wapenen, zoowel als de andere ruiters het kerkhof verlaten. De bestormers traden terug; maar de eenige mensch, die buiten hen nog op het kerkhof was, strekte de hand uit, en riep dreigend: ‘Naar binnen kerels! verroert u niet, of, Per moio! ik stoot u neer!’ Ralph zag Perrol bezijden, doch op eenigen afstand van den toren, staan, met het ontbloote zwaard in de hand. Vreeselijk was de uitdrukking van zijn houding en van zijn toornig en helsch lachend gelaat, dat nu eens op de spits, dan weder op zijne mannen gericht was; hij drukte den helm vaster op zijn hoofd, alsof hij het brandende hout wilde tarten, dat zoo het viel, alles dreigde te verpletteren.
De ruiters, die hadden willen teruggaan en hunne makkers volgen, stonden eerst als versteend door den uitroep van hun aanvoerder; de dood scheen hun zekerder van zijne hand, dan van het waggelende dak; de Roode Hand scheen hun immers geene barmhar-
tigheid! en bijna met de woede der wanhoop hieven zij hun wapenkreet aan. ‘Op voor Perrol! daar is de Zwarte Bende!’ klonk het. Hun geschreeuw liet zich hooren boven het loeien en sissen der vlam, en het kraken van het hout; in den toren konden zij hun leven veroveren, buiten wachtte hen de dood.
Die blinde gehoorzaamheid deed den schaapherder alles vreezen; maar daar bewoog zich de vlammende naald: het was alsof de stormwind door het woud huilde; het ritselen der bladeren, het loeien der windvlagen, het kraken van stam en takken, die geluiden, welke men hoort, zonder dat men weet, vanwaar of van wien zij komen, dat alles vond men hier terug, maar veel vreeselijker. Langzaam en statig en, zoo het scheen, onwillig, neigde de spits haar top, en Ralph zag het kruis verdwijnen, alsof het den toren niet verlaten wilde. Een harde, maar enkele toon van de klok liet zich hooren, en niettegenstaande de vlammende spits naar het voorste gedeelte van den toren hoe langer hoe meer een liggende houding begon aan te nemen, steeg de rook rechtop. Het geschreeuw der ruiters en de stem van Perrol verloren zich in een hevig kraken; een oogenblik duurde het nog, terwijl het hout, dat nog niet verbrand was, verbroken of meegesleept werd. Zes ruiters vergaten de gehoorzaamheid en verlieten de ladder; Perrol hief zijn zwaard op; maar toen zag Ralph niets meer van de brandende massa, die met donderend geweld nederstortte. De grond dreunde; het was alsof de geheele toren inviel, alsof de gestorvenen in hunne graven zuchtten.
Nu heerschte er een doodsche stilte; men hoorde niets meer dan een zacht geluid, dat de vlammen maakten, die uit het hout opstegen. Toen Ralph kon rondzien, zag hij de ruiters niet, die gepoogd hadden zich te redden; waarschijnlijk lagen zij bedolven onder hetgeen de vlammen voortgingen te verteren, en evenwel stond de ladder, ofschoon in den rook en in een stofwolk gehuld, nog dáár, met de ruiters, die hun post niet verlaten hadden. De spits, die snel gevallen was, zoodra zij eenmaal over haar zwaartepunt hing, was niet vlak langs den toren nedergekomen, dewijl de omgang er een gedeelte van had teruggehouden, dat hun noodlottig had kunnen worden. Het scheen cchter, dat het verschrikkelijk oogenblik, hetwelk vervlogen was, het gevecht had doen eindigen. Perrol leefde nog, ofschoon niet ver van hem eenige balken en binten lagen; hij had het zwaard naar den grond gekeerd. Daar lag dat houtwerk, hetwelk zijnen vijanden nog zoo goed had kunnen dienen; hij was blijde, dat hij het vóór zich zag, al had het eenigen zijner mannen begraven.
De schaapherder dacht, dat zijn stem opnieuw met ruwe taal den aanval zou gelasten; maar Perrol beval hun integendeel, den toren en de ladder te verlaten, waarop de hitte van het vuur hen dreigde te verschroeien; misschien voelde hij zich vermoeid, en dacht voor dezen dag reeds genoeg gedaan te hebben; of vermoedde hij met reden dat de volgende dag zijne vijanden zwakker, en zijne mannen nog even sterk zou vinden? althans hij vertrok, na den toren en de kerk rondgegaan te zijn. Ralph zag, dat vooreerst het zwaard in de scheede zou rusten; want de Zwarte Bende verwijderde zich; alleen de wachters bleven. De schaapherder wierp, voordat hij zich nederzette, nog een blik op het kerkhof. Aan den voet van den toren, welke van zijn sieraad beroofd was, brandde het hout; de rook, die boven den omgang opsteeg, en het vlammende hout, dat men naar beneden wierp, verrieden, dat ook dáár het vuur nog smeulde, en evenwel hing het wapenschild van Jan van Schaffelaar nog van den trans, welke hij en zijne ruiters hadden weten te bewaren.
