
DE tweede dag, welken heer Jan van Schaffelaar op den toren zag
aanbreken, beloofde even schoon te zijn als de vorige: de zon verrees met
statige pracht van achter heuvelen en bosschen; de geheele natuur herleefde, en
het zingend gevogelte zag, in het groen gezeten, reikhalzend uit naar de gouden
stralen, wier eenvoudig, maar harmonisch loflied het aanhief.
Van den omgang, waarop Van Schaffelaar met Frank zich bevonden, en die als overdekt was met half verbrand hout, houtskolen en lood, dat daar gestold was, zagen zij de zon verrijzen. De verwarmende stralen drongen reeds tot hen door en verlichtten reeds hunne wapens, terwijl alles beneden hen nog in het donker lag; dat landschap, hetwelk zij beiden zoo goed kenden, lag daar voor hen open. Van Schaffelaar zag naar de zijde van de stad, waar zijn bruid was opgevoed; maar de hooge toren van de kerk, zoowel als de Amersfoorter Berg, lagen nog verborgen in het dampachtig verschiet. Daarna zag hij naar het oord, waar Maria zich thans bevond en vanwaar de zon kwam; haar stralen brachten hem, als het ware, den morgengroet van het meisje, dat hij beminde, en hij zuchtte. Zijn oog zocht ook de plek, waar eens de windwijzers op zijn voorvaderlijk huis gestaan hadden; doch zelfs op den middag zou zijn zoeken vruchteloos geweest zijn: zij schitterden immers niet meer hoog in de lucht; zij waren gevallen met het dak, op bevel van den wraakzuchtigen vijand, die hem ingesloten hield, en die zelfs niet geaarzeld had, den brand in de spits van den kerktoren te steken. Ook het oog van Frank zweefde over de heide; elken weg, elke groep boomen herkende hij; zij riepen, als het ware, de dagen zijner kindsheid voor hem terug, en zoo al de zon hem geen aandenken van liefde van Maria kon brengen, zoo voerde zij evenwel zijn hart naar de plaats, waar zij was, Helaas! toen hij, twee dagen geleden, den toren beklom, om het oord te begroeten, dat Maria bewoonde, toen vermoedde hij niet, aan de zijde van zijn vriend en door Perrol ingesloten, zooveel uren op dien steenen klomp te zullen doorbrengen. De torens van het huis Hacfort vertoonden hunne spitsen boven het zwaar geboomte, waarin het verscholen lag; aan de andere zijde, meer verwijderd van het dorp, kaatste het spitse leien dak van den Briellard de zonnestralen terug. De trompetten der Zwarte Ruiters stoorden de belegerden in hunne beschouwing en gedachten; het gerucht dat zich in het dorp verhief, drong tot hen door, en verkondigde hun, dat weldra de weinige oogenblikken van rust weder voorbij zouden zijn.
Het was gelukkig voor hen, die in den nacht op den toren de wijk hadden moeten nemen, dat Frank hem meer dan eens in zijn leven, en nog dienzelfden morgen, beklommen had, toen men juist bezig was, er iets aan te herstellen; het was hieraan te danken, dat zij de deur open gevonden hadden, en zelfs de trap hadden kunnen verstoppen, voordat Perrol onder den toren had kunnen komen. Zoodra het maanlicht door de nauwe sleuven en door de bomgaten naar binnen gedrongen was, had men alles beter kunnen beoordeelen; de metselsteenen, die men gevonden had, waren meest gebruikt om de trap te versperren, en met leedwezen hadden zij gezien, hoe schaarsch zij van hout of steen voorzien waren, om op den vijand te werpen; het was toch, bij gemis van bogen of roeren, het eenige middel om den vijand te verdrijven, als hij het waagde te stormen. Het touw
van de klok was voor hen van veel belang, zoowel als de door Ralph aan hen ter hand gestelde bijl, en eenige breekijzers, die zij gevonden hadden. Van Schaffelaar had toen Henri vertrokken was, zooveel hout als mogelijk was uit de spits laten breken. Zelfs toen het dag was, en hij bemerkte, dat zijn vijand hem van dit hulpmiddel wilde berooven, had hij nog zooveel mogelijk gezocht te redden, voordat hij de spits aan de vlammen overliet, en het was voornamelijk te danken aan het beleid, waarmede de spits van haar innerlijken steun beroofd was, dat zij zoo spoedig, en juist vóór den toren, was nedergevallen. Het eerste alleen bewaarde de houten zolderingen om vuur te vatten; was de brandende spits naar binnen gevallen, dan zouden zij allen in de vlammen zijn omgekomen; nu reeds was het gevaar groot geweest, en met veel moeite hadden zij het afgekeerd. Het tweede redde de kerk.
Ware de opening boven de deur er niet geweest, die men na het verbranden van het luik moest verdedigen, het zou veel toegebracht hebben, om den toren onwinbaar te maken, en Van Schaffelaar menige bange zorg hebben bespaard. Daarentegen behoefden de dappere verdedigers niet te vreezen, dat men onder het dak, over het gewulf van de kerk, in den toren zou dringen. Het tijdsverloop van zooveel eeuwen heeft deze opening zien verdwijnen; het gat, dat sedert in den muur gebroken is, en thans door den toren naar het bovengedeelte der kerk voert, werd eerst later, na het wegbreken van het traptorentje, gemaakt. Door de vruchtelooze poging van Perrol, om onder in den toren zelven, door behulp van ladders, naar boven te dringen, had Van Schaffelaar bewezen, dat zijne mannen dien pas, zoolang hunne krachten niet bezweken, met evengoed gevolg zouden verdedigen, zoo de vijand al mocht trachten, in deze beperkte ruimte, op dit verheven punt nog eens aan te vallen. Het steenen gewelf en de hoogte van de opening maakten het vuur niet gevaarlijk; ware ook hier een houten zoldering geweest, zooals hooger op in den toren het geval was, het vuur en de vlammen zouden de belegerden spoedig uit hunne schuilplaats verdreven hebben. De toren bestond uit vier verdiepingen onder den omgang; op de bovenste hing de klok, die niet geluid was voor de dooden, welke gisteren in Barneveld voor het laatst het daglicht gezien hadden. Ook nog gedurende den nacht, terwijl een dichte regen viel, was een gedeelte der Zwarte Bende den toren genaderd; zoo stil en met zooveel behoedzaamheid waren zij in het duister voortgeslopen, en hadden zij de ladder geplant, dat de belegerden hen niet gewaar geworden waren, voordat zij op de binten aanvielen, die de openingen boven de deur versperden. Doch bij den eersten bijlslag liet de stem van Van Schaffelaar zich hooren; tevergeefs dreef Perrol zijn volk aan, en klonk zijn stem over het kerkhof, op hetwelk de laatste stukken hout van de spits nog in den regen lagen te smeulen. Zoowel bij nacht als bij dag moesten de Zwarte Ruiters terugkeeren.
Geheel zonder levensmiddelen, zelfs zonder een dronk waters, had Van Schaffelaar, zoomin als Frank en de overige ruiters, bijna geen oogenblik rust gehad, van het tijdstip af, dat de schaapherder hen gewekt had. Den eersten nacht hadden de voorbereidselen tot verdedgiing hen onledig gehouden; gedurende den dag had Perrol hun geen rust gegund, en zelfs den volgenden nacht nog niet. Van alle zijden waren zij steeds bedreigd; de muren waren wel dik, maar evenwel drong de hitte van de zon toch tot hen door; het dragen van hunne wapenrusting was hun een ondragelijke last, en evenwel moesten zij dien dragen. Had de toren nog des nachts geprijkt met zijn spits, dan zouden zij misschien, toen de regen viel, eenig water hebben kunnen opgaren; maar ook dit geluk viel hun niet ten deel; het eenige, dat zij konden doen, om eenige lafenis te verkrijgen tegen den smachtenden dorst, die hen kwelde en nog vervolgde, was, ontdaan van helm en harnas, zich bloot te stellen aan den regen of dien op te vangen op hunne kleederen en deze uit te wringen. Doch de honger en de dorst, de vermoeienissen van het gevecht, in één woord, al wat zij hadden doorstaan, was niets in vergelijking van hetgeen zij geleden hadden door den verstikkenden rook, die hun in de keel en in de oogen was gedrongen, en dien Perrol met koele beradenheid onder hen had laten onderhouden, van het oogenblik af, dat hij den toren had laten openloopen. Alleen boven in den toren kon men er aan ontsnappen; maar de nood dwong hen, om bij afwisseling, doch op den duur, te waken achter de opening boven de deur; en deze verdieping was gestadig vol van den rook, die door het luik in den vloer drong en als uit een schoorsteen langs de trap naar boven dwarrelde.
‘Hoe frisch is de morgenlucht,’ zeide Van Schaffelaar met wellust ademhalend, waarna hij vervolgde: ‘Hoe schoon is de natuur, Frank! wat is het gelukkig te leven! Helaas! waarom verstoren menschelijke woede en wraakzucht het aardsch paradijs, dat hun tot
woonplaats door de hand van God is aangewezen! O, hoe heerlijk schitteren de gouden stralen! wat is de aarde schoon, en ons wacht misschien...’
‘De dood,’ zeide Frank somber, toen zijn vriend zweeg, wiens stem zijn aandoening scheen te verraden, en die in zijne gedachten verdiept bleef staan.

‘O neen!’ riep Van Schaffelaar met vuur, ‘ten minste ons allen niet.’
Toen zweeg hij en vervolgde langzaam: ‘Zegt men niet, dat velen van smart
gestorven zijn, als zij genoodzaakt waren hun vaderland vaarwel te zeggen, en al
wat hun dierbaar was achter te laten? O, Frank! nu gevoel ik welke
gewaarwordingen hun hart verscheuren moesten; en evenwel bleef hun nog altijd de
hoop over om eens terug te keeren. Maar als men de natuur zoo schoon voor zich
ziet, als het geluk ons aan het hart van de bruid wacht, die met liefde den
echtgenoot verbeidt, o! dan valt het scheiden zwaar! dan vergeet men bijna, dat
men het harnas draagt, dat het adellijke bloed door onze aderen vloeit; dan
blijft alleen de man over, die bemint, en men deinst terug voor dat oogenblik,
hetwelk men zou willen verwijderen, o! voor eeuwig van zich zou willen
verwijderen.’
Frank zag somber vóór zich, terwijl Van Schaffelaar sprak; die woorden, welke zoo geheel de droefheid, de liefde, het angstig vooruitzien in de toekomst verrieden, welke het hart van zijn vriend gevoelde, grepen hem in de ziel; doch toen deze zweeg, richtte hij zijn hoofd op, legde zijn hand op den schouder van den aanvoerder en zeide ernstig: ‘Hetgeen Ralph gezegd heeft, toen hij moest spreken, heeft zich dan bewaarheid; tevergeefs tracht ik uw verstandigen raad te volgen, en zijne woorden uit mijn geest te verbannen, en ik zou de overwinning vervloeken, welke ik gisteren dáár op dat dak op den ellendeling met Gods hulp behaald heb, indien ik niet daardoor uwe eer en die van Maria gewroken had.’
‘En waarom, Frank?’ vroeg Van Schaffelaar. ‘Keurden mijne woorden gisteren uwe roekeloosheid af, mijn hart juichte dankbaar uwe daad en overwinning toe; ik zou u dit reeds vroeger gezegd hebben, indien ik niet gevreesd had, dat gij opnieuw uw leven roekeloos in de waagschaal zoudt stellen.’
‘Mijn leven?’ riep Frank snel. ‘Indien ik gisteren van dat dak was afgeworpen en geledebraakt op het kerkhof was gevallen, dan zou ik nu gerust zijn, als het denken dan nog mogelijk was.’
Een oogenblik beschouwde Van Schaffelaar het gelaat en de houding van zijn vriend; tevergeefs trachtte hij in hem eenige sporen van moedeloosheid te bespeuren, en zeide met deelneming; ‘Indien ik u niet kende, Frank! zou ik uw moed betwijfelen; maar eenige uren van ontbering en een donker verschiet maken den man niet tot een kind; en evenwel hetgeen gij zegt, zou mij doen gelooven, dat gij naar de rust haakt, die de dood ons schenken kan.’
‘Zoo ik er naar verlangd heb!’ riep Frank met drift, ‘zoo zweer ik u, mijn vriend! dat het nooit geweest is, als u eenig ongeval bedreigde, en de herdersjongen heeft te lang aan uwe zijde gestaan, om nu reeds zijn moed te verliezen. Zoo ik gewenscht had te vallen, was het, omdat Ralph den witten vederbos had zien nederzinken, terwijl de roode pluimen nog wapperden; het noodlot was dan voldaan, en mijn dood redde u het leven!’
De geestdrift, waarmede Frank de laatste woorden uitsprak, trof Van Schaffelaar; hij vatte zijn hand en zeide aangedaan: ‘Zoo gij eenigen prijs stelt op mijn vriendschap, op de wijsheid, welke de jaren en de ondervinding mij gegeven hebben, verban dan die gedachten, Frank! Maar zoo gij nog steeds geloof wilt hechten aan die ongelukkige woorden
van den ouden man, welnu, rust niet beneden op de trap een der mannen, welke de witte pluim op den helm droeg?’
‘Maar dat zijt gij niet,’ zeide Frank somber.
‘Neen,’ vervolgde Van Schaffelaar, ‘maar gij, Frank! zoudt gij dan Jan van Schaffelaar zijn? Zou uw dood hem kunnen redden, of zou het gemis van uw arm hem juist te eerder doen vallen?’
‘Ik had gedacht, dat hier de vriend en ruiter den aanvoerder zou kunnen redden, evenals gij mijne eer te Westbroek bewaard hebt,’ riep Frank.
‘En gij hebt u bedrogen,’ zeide Van Schaffelaar. ‘Neen, mijn vriend! indien iemand sterven moet, dan ben ik het zelf!’
‘En Maria? Van Schaffelaar!’ vroeg Frank aangedaan.
‘Maria...’ herhaalde zijn vriend, die eenige oogenblikken zweeg, en toen langzaam zeide: ‘Hij, die zijn vaderland verlaat, hoopt eens terug te keeren. Perrol met de Roode Hand zal misschien zijn hand in mijn bloed verven; maar evenwel blijft mij toch immers het wederzien aan de andere zijde des grafs nog over.’ Van Schaffelaar wees met de hand hemelwaarts, en beiden bewaarden het stilzwijgen.
Elk oogenblik konden de vijanden weder verwacht worden; men zag hunne zwarte gestalten op het kerkhof bewegen, en zij, die gedurende den nacht de wacht in de zakken van het kerkdak gehouden hadden, verlieten nu hun post. Frank volgde zijn vriend, die hem nu uitnoodigde den omgang te verlaten. Zij daalden langs de trap af, op hetzelfde oogenblik, dat een ruiter der Zwarte Bende het dorp verliet, den weg naar Amersfoort inslaande, terwijl een twaalftal hunner in de richting van Voorthuizen wegreden. Op onderscheiden plaatsen in het veld stonden rijzige ruiters als voorposten; op eenigen afstand van het dorp geplaatst, droegen zij zorg, dat niemand het verliet, en bewaakten de toenaderingen.
Toen Van Schaffelaar met Frank de trap was afgeklommen, bevonden zij zich op de vierde verdieping van den toren, waarvan de ruimte zeer beperkt werd door het houtwerk van de jukken, die weleer de spits en nu nog de luiklok droegen, en waarvan de zware standers zich voordeden als een bosch van eiken balken, thans zwart geblakerd door vuur en rook. Aan de vier zijden waren de bomgaten, die van hunne borden beroofd waren; de vloer was van hout, en eenige dikke delen van eikenhout dekten de opening, waardoor de klok kon afgelaten worden, die aan een dikken dwarsbalk er boven hing. Vroeger was deze verdieping gedekt geworden door de spits; maar sedert Perrol, om zijne vijanden van het hout te berooven, of in de hoop dat de brandende spits hen zou verpletteren, er den brand in gestoken had, scheen de maan of de zon onverhinderd naar binnen.
De ruiters, die hier bijeen waren, en hun aanvoerder, zonder zijne woorden verstaan te hebben, langs den omgang hadden zien gaan, zaten, tegen den muur leunende, in de hoeken van den toren, terwijl de rook langzaam naar boven steeg, en door alle openingen van den vloer kwam. Zij hadden het ijzer, dat hunne armen en beenen dekte, ter zijde gelegd, dewijl zij vreesden, dat het hun te zwaar zou vallen; hunne helmen stonden naast hen gereed om op het hoofd gezet te worden, en zij wilden opstaan, toen Frank en zijn vriend onder aan de laddertrap waren; maar Van Schaffelaar wenkte met de hand. Noch zijn gelaat, noch zijn stem verrieden de aandoening die hem beheerscht had: alleen den vriend stond het vrij, in zijn hart te lezen; zijne ruiters moesten alleen den aanvoerder kennen. ‘Mannen!’ zeide hij vriendelijk, ‘blijft zitten; de weinige rust, die u gegund wordt, zal spoedig voorbij zijn; geniet haar derhalve; het is het eenige, dat ik u geven kan. Ik kan met u de vermoeienissen van het waken en het gevecht deelen; maar meer ook niet. Waarom kan ik u niet, gelijk voorheen, van spijs en drank verzorgen! maar ik heb zelf niets...’
‘Nimmer hebt gij geweigerd iets op hand te geven, Heer! als Heer David de soldij liet oploopen,’ zeide een der ruiters; steeds hebt gij met ons ontbering en gevaren gedeeld: gij zijt onze aanvoerder; maar gij waart meer, gij waart voor ons een vader. Daarom zullen uwe ruiters u niet vragen om geld of levensmiddelen; maar om voor u te mogen sterven. ‘Van Schaffelaar en St. Maarten!’ zal onze roep zijn, zoolang wij het zwaard kunnen voeren; en als wij vallen, Heer! zullen wij met dien kreet in den dood gaan!’
‘Voor Van Schaffelaar en St. Maarten!’ riepen de ruiters op hunne zwaarden slaande, om te toonen, dat dit ook hun voornemen was.
De stem van Van Schaffelaar verried eenige ontroering, toen hij met vuur ten antwoord
gaf: ‘Uwe trouw, mannen! treft mij, maar bevreemdt mij niet; ik ken immers mijn mannen van wapenen en den dapperen Aalbrecht, die daar het woord gevoerd heeft. Maar mijn schild is nog niet neergerukt, en wij zullen ook heden den vijand terugdrijven; de Schaffelaars zullen niet overwonnen worden door de Zwarte Bende; en als de Hemel mijn trouwen knaap gespaard heeft, dan kunnen wij vóór den nacht nog het volk van mijnheer David zien, dat ons komt ontzetten, en de verdediging van den toren van Barneveld zal een uwer schoonste wapenfeiten zijn.’
Van Schaffelaar en Frank onderhielden zich nog een poos met hen, waarna de eerste
naar de trap ging, zeggende: ‘Bij mijnheer St. Maarten! die rook is hinderlijker
voor ons dan de wapens der Zwarte Ruiters; het wordt tijd, dat zij die beneden
zijn, een oogenblik de versche lucht inademen,’ en hij vervolgde, toen hij zag
dat Frank en de ruiters hem wilden volgen: ‘Neen, blijft allen hier ik wil
alleen gaan en draagt zorg u niet bloot

te stellen aan de pijlen of kogels van het volk van Perrol.’ De witte
vederbos verdween in den rook, die uit de opening van de trap opsteeg, en eenige
oogenblikken daarna kwamen de ruiters, die beneden de wacht gehouden hadden,
naar boven. Zij brachten hunne vingers aan den mond en bevochtigden hunne oogen,
daar zij bijna niet zien konden door den rook; hunne monden en tongen waren
droog, en zij konden geen woord uitbrengen, voordat zij eenigen tijd de versche
lucht hadden ingeademd, die hen scheen te versterken en te doen herleven. Frank
had zich nedergezet onder de mannen, die zonder wangunst den herdersknaap tot
vriend van hun aanvoerder hadden zien opklimmen; steeds hadden zij hem aan hunne
spits gezien, als het gevaar dáár was; nimmer had hij de vriendschap van zijn
heer gebruikt, dan om hun genoegen te verschaffen; allen gevoelden achting en
liefde voor den jongen man, die nimmer vergat, wat hij geweest was.
Gelijk Van Schaffelaar verwacht had, duurde de rust niet lang; weldra klonken de trompetten; de trommen werden geroerd, en met langzame, doch gelijke stappen rukte de vijand naar het kerkhof. Perrol verscheen een oogenblik daarna, en Frank spoedde zich naar beneden, om te vernemen, wat Van Schaffelaar wilde dat men doen zou, en hij vond hem staan voor een der sleuven, die in den muur waren, en die dit gedeelte van den toren flauw verlicht zouden hebben, indien de stikkende damp van het stroo en riet deze ruimte niet geheel had opgevuld.
‘De ellendeling ontziet zich niet, alles te baat te nemen, om ons te vernielen,’ zeide Frank met verachting lachende; ‘die verdoemde rook maakt dat men het hier niet uithouden kan; 't is een wijze van vechten, den vreemden moordbrander, die uw huis verwoest heeft, waardig.’
‘Alle middelen zijn goed in den oorlog, Frank!’ zeide zijn vriend bedaard; ‘vooral als de wraakzucht onder het harnas van den krijgsman blaakt. De man, die hem gezonden heeft, is, ofschoon hij een kroon draagt, niet minder woest, maar nog geveinsder dan hij; voor hem zijn ook alle middelen goed, die hem zijn doel kunnen doen bereiken. Ga nu naar boven; zend mij tien ruiters hier, zoodra gij mij hoort roepen, en ga spaarzaam om met hout en steenen.’
Toen plaatste Van Schaffelaar zich weder voor de opening, en luisterde aandachtig naar hetgeen er buiten gebeurde; hoe meer de rook hem kwelde, hoe meer hij zich verheugde, dat Frank en zijne ruiters er op het oogenblik niet door leden.
Perrol, die de vruchteloosheid der bestorming van de opening boven de deur den vorigen dag en gedurende den nacht ondervonden had, was eerst van voornemen geweest een poging te doen, om het hout, dat de opening in het gewelf onder in den toren dekte, door het vuur te vernielen, maar ofschoon het hem weinig zorg zou gebaard hebben, of misschien daardoor het vuur zich aan de binnendeur, en zoo aan de kerk zou hebben medegedeeld, gaf hij het op, om reden, dat de beklimming hem binnen den toren nog moeilijker voorkwam dan in de open lucht; te meer daar de opening in het gewelf weinig grooter dan die in den buitenmuur was. Op zijn bevel voerde men dus nieuwen voorraad van brandstoffen aan, en hij liet die met lange staken, en reeds aangestoken, in de opening steken, en weldra sloegen de vlammen naar buiten, evenals toen het luik verbrand was. Vergeefs
waagde men het, zich aan de bomgaten te vertoonen, of wierp men ook over den omgang eenige steenen en hout op de ruiters; Perrol stond hun niet toe, het werk op te geven al werden sommigen hunner getroffen. Even vruchteloos was het, dat men hem zelf trachtte te bereiken; want de pijlen en kogels snorden dadelijk door de lucht, zoodra zich hier of daar een helm of een wapenrusting vertoonde.
De stem van Van Schaffelaar riep nu zijne mannen op, en toen zij door den rook naderden, die dikker dan ooit in den toren drong, zagen zij het vuur, dat in de opening achter het houtwerk, evenals achter een ijzeren rooster, brandde. Het was duidelijk, dat zij spoedig van dit beschutsel zouden beroofd worden, dat hen tot nog toe zoo gediend had; daarom gelastte Van Schaffelaar hun om met behulp van eenige lange stukken hout, het vuur naar buiten te stooten, en weldra was de poging, om het gat opnieuw te vullen, zonder gevolg.
‘Brengt de ladder hier!’ riep Perrol toen; ‘de bijlen zullen wel verbrijzelen, wat de vlammen niet vernield hebben. Op! Zwarte Ruiters! naar boven!’
De ladders werden weder opgericht, de wapenrustingen rinkelden, en weldra drongen de ruiters in de opening; zij voelden zoo spoedig door het ijzer de hitte niet, die hier heerschte; maar de warmte van de steenen, en de rook, die ook hier een uitweg zocht, drongen door de openingen van het vizier tegen hun gelaat. Hetzij het vuur inderdaad het houtwerk veel van zijn sterkte had doen verliezen, hetzij de aanval met meer moed en beleid gedaan werd, het bovenste gedeelte der versperring bezweek voor hunne slagen; de geharnaste armen, gewapend met scherpe pijlen, drongen, over hetgeen er nog van bestond, naar binnen; met een woeste snelheid bewogen zij zich ginds en herwaarts, om de verdedigers te verdrijven. ‘Voort, kerels! voort!’ riep Perrol, en zoowel in den toren als buiten op de ladder klonk het veldgeschreeuw der bestormers: ‘Op voor Perrol! hoezee de Zwarte Bende!’
Frank begreep, dat het nu tijd werd, om die mannen

met de ladder te verdrijven, en een zwaar stuk hout werd van den
omgang geworpen; het draaide niet maar viel horizontaal. ‘Staat vast, kerels!’
riep Perrol. Een vreeselijke slag liet zich hooren; 't was alsof het ijzeren dak
op de ladder boog onder de drukking van het hout, dat er langs afgleed, zonder
iets anders te treffen dan de schilden, die zich niet verplaatsten, maar van den
slag trilden.
Nog eens hieven de Zwarte Ruiters hun wapenkreet aan; maar nu klonk het ook: ‘Voor Van Schaffelaar en St. Maarten!’ Vier ruiters van Perrol drongen binnen den toren, toen Van Schaffelaar zijn zwaard ontblootte en zijne ruiters ter zijde wierp. Met den eersten slag reeds zonk een der vijanden neder; hij bekommerde zich verder niet over de drie, die nog overig waren, maar stiet met zijn lemmet in de openingen der helmen van de mannen, die door de laagte der opening in den muur gebukt moesten gaan, en moeilijk wapens gebruiken konden. ‘Leve Van Schaffelaar!’ de dood voor de Zwarte Ruiters!’ riepen de Schaffelaars, terwijl de laatste man van Perrol in den toren nederviel.
Gestadig werd het groote zwaard teruggehaald en vooruitgebracht; het stiet den eenen vijand voor, den anderen na, terneder, of onder den voet. Tevergeefs dreigde Perrol en gelastte vloekend aan zijne mannen om vooruit te gaan; maar toen liet Frank nog eens een poging doen, om de stormladder te verbreken, en ditmaal viel de balk rechtstandig naar beneden. Al de zwaarte er van, nog vermeerderd door de hoogte, van welke hij nederkwam, drukte nu op één punt; het schild, dat getroffen werd, kon de uitdrukking niet wederstaan: die balk verpletterde den man die het voerde, en deed hen, die achter hem waren, achterover van de ladder vallen.
Op ditzelfde oogenblik stiet Van Schaffelaar de twee mannen, die boven op de ladder stonden, er af; zij, die door hem uit den muur waren gejaagd, waren over de schilden hunner makkers op den grond gestort. Perrol zag de witte pluim vóór de opening, en riep: ‘Loopt storm - naar binnen, voor den duivel! - Per moio! schiet; dat is Van Schaffelaar!’
Eenige bogen en kolfroeren werden losgedrukt, de witte vederbos, die zich buiten den muur vertoond had, werd teruggetrokken, maar niet voordat de ladder was aangevat en van den muur geworpen. Perrol stampte met den voet, en liep daarna driftig heen en weder: dit was de tweede maal, dat hij zijn vijand gezien had; deze was het, die zijne ruiters uit den toren had verdreven en de ladder met zijne ruiters had ternedergeworpen, die daar door hunne makkers werden weggedragen. O! ware de dag van Westbroek hem niet zoo noodlottig geweest! Ware hij nog even sterk geweest als voorheen, dan zou hij zelf de ladder beklommen hebben, nu hij wist, dat zijn vijand zich vooraan stelde; maar hij gevoelde, dat de voorzichtigheid hem dwong het gevecht aan zijne ruiters over te laten; en ofschoon hij hen liet stormen en zijne boog- en kolfroerschutters den vijand bestookten, hinderde het hem, dat zij misschien Van Schaffelaar zouden treffen, en dat het zijne hand niet zou zijn, die hem den doodsteek gaf.
De ladder werd nu op zijn bevel weder opgericht; maar ditmaal werd zij slechts door één man beklommen: het was de Tuimelaar; en toen deze de opening van den muur verliet en weder afklom, bracht hij Perrol de tijding, dat de doorgang opnieuw door de belegerden was versperd. Tevergeefs trachtten toen de ruiters, die boven op den toren waren, te raden wat Perrol voorhad; want het was gevaarlijk naar buiten te zien. Zij zagen wel, dat er veel hout werd aangesleept, en dachten dat hij een dak wilde laten vervaardigen, waaronder zijne ruiters veilig konden staan; doch zij merkten spottend aan, dat het nauwelijks tot onder aan het gat zou reiken, waar zij in moesten. Hun moed en hunne verachting van den dood deed hen er zelfs nog nu en dan vermaak in vinden, om hunne helmen op hunne zwaarden boven den omgang te steken, en daardoor hunne vijanden pijlen en kogels te doen verspillen. Van Schaffelaar, die met Frank mede in oogenschouw ging nemen, wat men buiten oprichtte, schudde bedenkelijk het hoofd, en zeide: ‘Hetgeen wij houden voor een dak, Frank! is juist het tegenovergestelde; hadden wij hout of zware steenen genoeg, gemakkelijk zouden wij dat werk vernielen, hetwelk wij nu moeten laten oprichten, en dat ons noodlottig kan worden.’ Hierna onderrichtte hij hem, wat hij doen moest, als de nood op het hoogst was, en begaf zich naar beneden.
Het ontbrak Perrol noch aan hout van onderscheiden dikte en lengte, noch aan kundige handen in het samenstellen van allerlei stormtuigen; zijne ruiters hadden dubbele ladders gemaakt, en den vorigen dag, nadat zij het kerkhof verlaten hadden, had hij hen opnieuw aan het werk gezet. De toestel, die nu werd opgericht, meende hij, zou hem eindelijk den toren doen innemen. Die toch zou hem in staat stellen, zijne ruiters met meer spoed en in grooter aantal naar binnen te doen dringen, na het hout weggeruimd te hebben, waarachter zijn vijand verscholen zat.
Bezijden de deur werden wederzijds drie balken geplaatst, welke van boven met touwen aan elkander gebonden waren, terwijl zij van onderen ver van elkander op den grond rustten en ten overvloede door stukken hout, die men in den grond sloeg, verhinderd werden om te verschuiven. De drie topeinden, die boven het touw zich ook van elkander verwijderden, vormden een soort van vork, waarin een dwarsbalk werd gelegd, die van den eenen houten bok naar den anderen liep, en mede met touw werd bevestigd. Een soortgelijke schraag werd onstreeks vijf en twintig voet van den toren, tegenover de eerste geplaatst; op deze twee jukken legde men nu vier lange balken, die bedekt werden met planken van éénerlei grootte, aan welke zijde door een dunnen balk, evenals die er onder lagen, in verband gehouden. Ofschoon het hout van pas gemaakt was, voor hetwelk men zich niet ontzien had de daken van sommige woningen te sloopen, duurde het vrij lang, voordat deze brug gereed was, welke juist gelijk kwam met het onderste der opening in den toren. Perrol had met dubbel genoegen gezien, dat men geen moeite had aangewend om zijn werk te verhinderen: het was hem een bewijs, hoe slecht de belegerden voorzien waren van hetgeen hun dienen kon om af te werpen, en hij liet vol hoop de ladder tegen den houten weg plaatsen.
‘Waar zijn mijne mannen van wapenen?’ riep hij, om zich heen ziende, en toen zij naderden, vervolgde hij snel: ‘Ik weet, dat het uw lust en leven is, om met uwe hengsten
den vijand met de speer in de hand te naderen; maar dat gij ook, hoe zwaar gewapend, altijd het voetvolk achter u laat, als het op een stormen gaat: - op dan, mannen! dringt binnen dien toren, en tracht er den ellendeling, die uw wapenbroeders in Eemnes verslagen heeft, levend uit te sleepen: laat eens zien, wat de oude mannen van wapenen der Zwarte Bende kunnen doen!’
Stilzwijgend en met duistere blikken hadden zij hem aangehoord, en toen hij zweeg, riepen zij dreigend: ‘Leve Perrol! hoezee de Zwarte Bende, weg met Van Schaffelaar!’ Voorheen had Perrol nimmer een beroep gedaan op den moed dier wreede, maar dappere krijgslieden, die in het veld en bij herhaalde rooftochten en plunderingen waren opgegroeid of Rogardo bevond zich steeds aan hun hoofd. Het jammerde hem, dat zijn rechterhand, dat Walson er niet meer was, en het verdubbelde zijn wraakzucht tegen Van Schaffelaar, die hem nedergeveld had; de edele Brit was steeds, door zijn sterkte van lichaam en zijn woesten aard, een waardig aanvoerder zijner ruiters geweest. Hij hoopte echter, dat Quintyn, die Walson's plaats voorloopig vervulde, het volk binnen den toren zou voeren; hij trad dus naar hem toe, en drukte hem op het hart, dat niets hem gelukkiger zou kunnen maken, dat niets door hem ruimer zou beloond worden dan het gevangennemen van Van Schaffelaar. ‘Gij begrijpt, Quintyn! zeide hij somber, ‘dat de dood eens krijgsmans voor hem te zacht zou zijn; hij zal moeten boeten voor al mijne ruiters, die hij heeft vermoord, voor elke beleediging, die hij mij heeft aangedaan. Per moio! ik wil dat het volk in dit land, van den gemeensten landlooper tot den voornaamsten edelman, zal sidderen, alléén bij de gedachte van Perrol den voet dwars te zetten.’
De ruiter, tot wien hij sprak, hoorde bedaard de bevelen aan, die zijn hoofdman
hem gaf, en antwoordde: ‘Het zal geschieden, Messire!’ Vidal, die achter Perrol
stond, verborg het medelijden, dat hij voor den edelen vijand van zijn heer
gevoelde. Ofschoon deze hem vreemd was, had hij sinds lang een onbegrensden
eerbied voor hem opgevat, die niet verminderd was, sedert hij hem zijn leven te
danken had; hij gevoelde, dat hij door het leven van Perrol te redden, oorzaak
was van het ongeluk, dat Van Schaffelaar nu trof. Hij beschouwde het als zijn
werk, en dacht met afgrijzen aan het oogenblik, waarin hij zich ook zou moeten
beschuldigen, schande en jammer over Maria gebracht te hebben, die hij als een
hooger wezen vereerde; immers hij had haar laaghartigen

belager onttrokken aan de bestraffende hand van haar beleedigden
bruidegom. Eén man was er, die met welgevallen de woeste wraakzucht op het
gelaat van den hoofdman met sombere trekken geteekend zag: het was een der
mannen van wapenen; maar hij behoorde niet tot hen, die tot den aanval gereed
stonden.
Er heerschte een oogenblik van diepe stilte op het kerkhof, terwijl de mannen van wapenen zich schaarden, en de ruiters met kolfroeren en bogen zich op een afstand plaatsten, om op bevel van Perrol den omgang en de bomgaten schoon te vegen. Hierop riep hij luid: ‘Vooruit!’ en Quintyn besteeg met het zwaard in de hand de ladder, zeggende: ‘Volgt mij, mannen!’ en hij trad zonder schroom tot aan den muur. Een lange balk werd door degenen die hem volgden, medegevoerd en op de planken nedergelegd. Even door de openingen hunner helmen naar boven ziende grepen die mannen de touwen aan, die op bepaalde afstanden om den balk gebonden waren, lichtten hem op, liepen snel naar den toren, en nog eer de voorste den muur bereikte, trof de lange balk, die tusschen hunne gelederen uitstak, het houtwerk, dat achter de opening was. ‘Achteruit! - nog eens, mannen!’ riep Quintyn. Opnieuw klonken de gelijke stappen op den vloer van planken, die onder den last boog; doch veel heviger dan de eerste kraakte het hout, en de balk, dien zij loslieten, schoot diep in den toren, en de ruiters, die al hunne krachten niet noodig gehad hadden om de opening vrij te maken, vielen bijna over elkander.
‘Vooruit!’ schreeuwde Perrol, en verscheidene Zwarte Ruiters hieven hun wapenkreet
aan, beklommen met spoed de ladder, en liepen, met hun zwaard in de hand, over de houten brug, terwijl hunne makkers, die den balk gevoerd hadden, met Quintyn aan het hoofd, reeds in den toren drongen. Perrol lachte luid, toen hij hen in den muur zag verdwijnen en de mannen van wapenen met ongeduld zag staan wachten, om hunne makkers te volgen.
De Zwarte Ruiters, die naar binnen drongen, hadden zich den tijd niet gegund, den stormbalk terug te halen, en merkten nauwelijks op, dat hij als vanzelf hoe langer hoe verder in den muur verdween, sedert zij hem hadden laten vallen. Met hunne groote zwaarden in de hand, volgden zij Quintyn; niemand hunner twijfelde er aan, of ditmaal zou de kerktoren ingenomen worden; de mannen van wapenen zouden zegevieren. Het eerste wat hen trof toen zij binnen de muren kwamen, was de rook en de duisternis; zij konden niet zien, waar zij waren, hoe de gelegenheid van het gebouw en de standplaats hunner vijanden was; maar zij hoorden het geroep: ‘Terug voor Van Schaffelaar!’ en voelden de slagen der zwaarden, die hen ternederwierpen.
‘Vooruit voor Perrol!’ riep Quintyn, die vooruitdrong; want hij bemerkte, dat de verdedigers ter wederzijde van de opening stonden; maar de drift, waarmede hij en degenen die hem volgden, vooruitsnelden, had de gewenschte uitwerking niet; de rook, die vóór hen opsteeg, verhinderde hen te bemerken, dat vóór hunne voeten het luik van de opening in het gewelf was afgenomen. Van Schaffelaar en zijne mannen getroostten zich deze vreeselijke list, om hunne vijanden te verschalken. Quintyn en eenige anderen schreeuwden van verbazing en woede, toen zij in de gapende én rook uitwerpende kolk verdwenen. De Zwarte Ruiters, die hen hoorden vallen, begrepen niet wat er gebeurde, en zij, die den voet nog niet in den toren hadden, luisterden met gespannen aandacht. Op ditzelfde oogenblik rammelden de schilden, en het gevloek liet zich buiten op de houten brug hooren; er scheen een groote beweging te heerschen, en Perrol moedigde zijne mannen aan om vooruit te dringen. Doch opnieuw verhief zich het geweld; men hoorde zware slagen op de brug en op de wapenrustingen; het volk scheen van de brug te vallen, terwijl een vreeselijk geschreeuw, dat alles overstemde, onder den toren gehoord werd, en men wanhopige pogingen deed, om de deur te openen, die toegehaald was, opdat de rook naar binnen zou opstijgen.
Terwijl dit alles buiten voorviel, riep Van Schaffelaar: ‘Vooruit voor St. Maarten! valt aan!’ en een verschrikkelijke strijd begon. Er waren bijna evenveel Zwarte Ruiters als mannen van Van Schaffelaar binnen de beperkte plaats; maar de stem en de tegenwoordigheid van hun aanvoerder gaven hun, hoe zwak, hoe afgemat ook, nog de kracht om hunne zwaarden te voeren. De meesten dachten dat het hun laatste strijd was; zij trachtten dus noch hun leven, noch hunne laatste krachten te sparen, maar met roem op de lichamen hunner vijanden te sterven. De Zwarte Ruiters daarentegen vochten met verwoedheid; zij waren uitgerust en sterk, en wilden overwinnen voordat hunne makkers hen volgden, of het gevecht aan den gang houden, totdat zij bijgesprongen werden.
Van Schaffelaar had eerst gedacht alleen verdedigenderwijze te kunnen handelen: doch nu hij gewaar werd, dat het Frank gelukt was, de brug van de Zwarte Ruiters te bevrijden, vermeende hij meer te moeten doen; daarom gelastte hij den aanval. Wederkeerig schreeuwde men elkander de namen van de aanvoerders toe, om zich in den strijd niet te vergissen. ‘Perrol!’ schreeuwde de eene, ‘Van Schaffelaar!’ riep de andere, en dan vielen de zwaarden neder; en er was één zwaard in den toren, dat met zulk een kracht nederdaalde op ieder die het waagde, den hoofdman der Zwarte Bende te noemen, dat de Zwarte Ruiters weldra de minderheid kregen.
Perrol beefde van toorn, toen hij het hout en de steenen zag nedervallen en zijne mannen van wapenen vruchteloos hun leven wagen om te blijven staan; zij bezweken en vielen van de brug, die echter in wezen bleef, ofschoon het platte dak van schilden niet bestand was tegen het hout en de steenen. Nu kwam Quintyn zonder zwaard uit den toren te voorschijn, en zij die zoo gelukkig geweest waren, om door den val niet verminkt te worden, volgden hem; en anderen hoorde men onder den toren brullen, waar zij worstelden te midden van het vuur en den rook.
De ruiterknechten kregen bevel, hen, zoowel als het smeulende stroo, er onder vandaan te sleepen. Gestadig hoorde men het losbranden der kolfroeren en het sissen der pijlen, terwijl de mannen van wapenen opnieuw de brug beklommen om hunne makkers bij te staan; maar toen zij hun doel bereikten, zag Perrol zijne ruiters opnieuw door het vallende
hout ternederwerpen, en zelfs degenen, die reeds in de opening waren, terugdrijven. De belegerden behielden de overhand, en verstopten den ingang, waar het hout, als het ware, met de lichamen der aanvallers verbroken was. Nog één der Zwarte Ruiters voerde het zwaard in den toren en riep; ‘Perrol!’ toen van Schaffelaar zijn eigen naam noemde; maar het zwaard van den aanvoerder kliefde slechts de lucht, toen het nederkwam; want de ruiter, die vóór hem gestaan had, was verdwenen door het gat in den vloer, en de Tuimelaar, die onder uit den toren trad, stak zijn zwaard op, en zeide tot Perrol: ‘Messire! uwe mannen van wapenen zijn allen verslagen; voordat men in den toren kan rondzien, kan de duivel zelf het er niet uithouden.’
‘Ha!’ riep Perrol driftig, ‘wij zullen hen wreken; ook hun dood zal hij moeten verantwoorden. - Vidal! ga en haal mijn helm, ik wil zelf gaan!’ en toen deze hem verliet, vervolgde hij woest lachende: ‘Per moio! ik geloof, dat zij den rook vreten en er van leven, omdat zij nog zoo sterk zijn.’
‘Ik weet het niet, Messire!’ zeide de Tuimelaar grimlachende, ‘maar wel, dat mij en Quintyn, die daar staat, zulk een kost niet bevalt; bij mijn zwaard, Messire! de aanvoerder is een gevleesde duivel.’
‘Ha! wij zullen zien!’ riep Perrol knarsetandende, en stampte met den voet, terwijl hij nadenkende naar het slaan en breken boven in den toren luisterde.
Toen niemand meer den naam van den vijand van Van Schaffelaar binnen den toren herhaalde, hieven de overwinnaars hun veldgeschreeuw aan; zij leunden op hunne zwaarden, schoven de vizieren hunner helmen op, en zagen met vreugd, dat de rook verminderde. Alleen aan den arm van hun aanvoerder hadden zij het te danken, dat zij de overhand behouden hadden! zijne dapperheid en kracht hadden datgene vergoed, waarin hunne vermoeide armen en uitgeputte lichamen te kort schoten.
Met eigen hand wierp Van Schaffelaar het luik op de opening, toen Frank, met snelheid de trap afkomende, zeide: ‘Goddank! dat het gedaan is; maar ik heb nu boven ook geen hout meer om het hun op den kop te werpen; ik kom dus hier met u sterven; of wilt gij naar boven gaan en de laddertrap ophalen? misschien kan dat ons vooreerst nog redden.’
Van Schaffelaar volgde den blik van zijn vriend, welke over de verslagen Zwarte Ruiters ging, die men onderscheiden kon, sedert de rook bijna geheel had opgehouden; vervolgens zag hij naar boven; zelfs de delen, die de openingen in den vloer gedekt hadden, waren door Frank ook reeds naar buiten geworpen, en hij riep, op eens naar boven wijzende: ‘Gij vergeet de klok, Frank!’
‘Op mijne eer, neen!’ hernam Frank onvergenoegd, ‘ik

heb haar gemeten; maar zij kan niet door de bomgaten; zij kan ons tot
niets dienen.’
‘Ik hoop van beter,’ vervolgde Van Schaffelaar, ‘indien wij haar nog tijdig genoeg kunnen laten vallen, kunnen wij er deze opening mede stoppen.’
‘Maar dit luik zal haar niet kunnen tegenhouden,’ riep Frank, het hoofd schuddende en op den grond wijzende.
‘Volg mij maar,’ zeide Van Schaffelaar, ‘al valt zij tot onder in den toren, dan verliezen wij immers niets dan een stuk metaal, dat ons tot niets dienen kan, en wij laten den vijand dit gedeelte van den toren over, ofschoon het mij smarten zou,’ zeide hij somber, ‘want als zij hier vuur aanleggen, zijn wij verloren, en zij verbranden ons met de houten vloeren.’ Hierop gelastte hij aan eenige ruiters met hem te gaan, aan anderen om te blijven, den stormbalk over het luik te leggen, en zich in den hoek van den toren te verschuilen, als de klok viel, waarna hij met Frank en de ruiters vertrok.
Ofschoon de Zwarte Ruiters het onderspit gedolven hadden, waren zij echter nog niet allen dood; hun gekerm of gevloek klonk door den toren, terwijl Van Schaffelaar naar boven klom; maar zijne ruiters, die gebleven waren, ontrukten de zwaarden aan de handen, welke er nog om vastgeklemd zaten, en brachten
de mannen van wapenen tot zwijgen, die vruchteloos met hen worstelden, en nog met stervende lippen hun veldgeschreeuw trachtten te stamelen. De balk werd over het luik gelegd, waarna men de afgemaakte vijanden er insgelijks naar toe sleepte; het was meer dan Van Schaffelaar bevolen had; maar die voorzorg was niet nutteloos. Het losmaken der klok en het uitdrijven der ijzeren spieën veroorzaakten het gedruisch dat Perrol hoorde; elk oogenblik vreesde Van Schaffelaar te vernemen, dat de vijanden weder zouden aanvallen; hij wist niet dat de hoofdman zelf wilde medegaan.
Juist toen Vidal met den zwarten helm op het kerkhof trad, riep Frank: ‘Uit den weg, daar valt de klok!’ Nog twee harde slagen klonken boven in den toren; daarop hoorde men een doffen slag, die onder door het gewelf klonk. Het verpletteren der wapenrustingen en een vreugdekreet der ruiters van Van Schaffelaar veroorzaakten misschien, dat men den rauwen gil niet hoorde, die nog voor het laatst uit sommige der zwarte helmen kwam.
Nauwelijks lag de klok beneden, of zij, die haar hadden losgemaakt, sloegen met degenen die beneden waren gebleven, de handen aan het werk; de balk, waarmede men storm geloopen had, werd geheel naar binnen gehaald, en juist toen Perrol zijne mannen in orde stelde en het zwaard trok om te gaan, na tevergeefs getracht te hebben om te raden, wat men in den toren verricht had, werd de klok voor de opening gewenteld, en er zooveel mogelijk ingeschoven, terwijl de balk er binnen, ingestoken, tusschen deze en den muur tegenover de opening werd vastgeklemd. De ruiters van Van Schaffelaar hieven een luid gejuich aan, toen de zij opening gesloten hadden; het was als ware het een nieuw verbond, dat zij met het leven hadden aangegaan; want hunne krachten, die zij in het laatste gevecht verspild hadden, keerden niet terug, en het bewegen van het zware stuk metaal had hen doodelijk afgemat. Het was tevergeefs, dat Perrol met grond vermoedde, dat er bijna niets meer was om naar beneden te werpen, dat zijne houten brug nog even sterk was als voorheen, dat hij zelfs wilde wagen zijn vijand te bestrijden; die opening was voor goed gesloten, en de metalen klok was niet te bewegen; het vuur noch de bijlen hadden er vat op, en vergeefsche moeite zou het geweest zijn, haar te willen wegrammelen.
Vidal sidderde, toen hij de woede van zijn meester zag, die driftig uitriep: ‘Is de ziel van den satan in den papenknecht gevaren? of moet de Zwarte Bende worden tegengehouden door dien weerloozen steenklomp en een handvol uitgehongerde kerels? Ha? wie lacht daar...?’ vroeg hij op eenmaal en zijn oog zag onder de ruiters, die in zijn nabijheid stonden. Alle hoofden keerden zich naar één punt, en Perrol riep, eenige stappen voorwaarts doende: ‘Ha, ellendeling! gij lacht? is dat de uitvaart mijner mannen van wapenen? Per moio! vindt gij het zoo aangenaam, dat sterven zeg...’
‘Neen, Messire!’ antwoordde Froccard, die zijn tegenwoordigheid van geest niet verloor; hij wist ook niet, hoe nabij hij aan zijn dood was geweest, toen hij tijding van Maria bracht, en begreep dus niet wat Perrol wilde zeggen.
‘En waarom lacht gij dan?’ vroeg deze stampvoetende. ‘Spreek, ellendeling!’
‘Omdat zij het eenige gat gestopt hebben, waardoor zij nog hoop hadden de mannen te zien binnenkomen, die met hen leven om leven wilden vechten,’ antwoordde Froccard, en hij eindigde grimlachende: ‘Nu vechten zij alleen met het gebrek; ha! ha! de hongerdood grijnst hen aan!’

‘Daarom lacht gij dus?’ zeide Perrol en hij vroeg vol beteekenis: ‘en indien ik u eens kiezen liet tusschen den strop en den hongerdood, Froccard! wat zou u het beste bevallen?’
‘Geen van beiden, Messire!’ antwoordde Froccard aarzelend; en de toon van Perrol's stem verontrustte hem, doch hij vervolgde met meer vertrouwen: maar voor een vijand zou de laatste mij het aangenaamste zijn.
‘Ik weet genoeg!’ riep Perrol met een bijna onmerkbaren lach, en hij vervolgde met drift: ‘Maar ik voor
mij, ik zie hen liever vallen door mijn hand; wat helpt het mij of de honger en dorst Van Schaffelaar kwellen; ha! als mijn dolk hem kwellen kon, Per moio! dan zou ik kunnen juichen!’ Hij bracht hierop de hand aan zijn wapen, en verzonk in gedachten, terwijl Froccard hem op een nederigen toon voorsloeg, de belegering in schijn op te geven, en slechts weinig volk in een hinderlaag bij de kerk te verbergen; hij stelde vast, dat Van Schaffelaar of zijne ruiters geen wederstand zouden kunnen bieden aan de noodzakelijkheid om drank en spijs te zoeken. Vidal zag echter tot zijn blijdschap, dat Perrol niet naar hem luisterde, of hem geen antwoord waardig keurde. Toen trad de Tuimelaar naderbij, en richtte een verzoek tot Perrol, die in het heengaan ten antwoord gaf: ‘Ik had besloten, geen enkelen ruiter meer te wagen; doch omdat gij het zijt, wil ik uw verzoek niet weigeren. Spreek met Quintyn, en bedenk, dat ik hen evenwel gevangen zal nemen of dien toren omver zal werken.’
De warmte begon hinderlijk te worden, en de meeste ruiters verwijderden zich, toen Perrol vertrokken was; de overigen vermaakten zich, evenals den vorigen dag, of voorzagen de vuren weder. Van Schaffelaar, Frank en de ruiters, die nog leefden, hadden zich nedergezet, en leunden met den rug tegen den muur, waar zij door de bomgaten het vrije uitzicht over het omliggende land hadden; allen hadden den helm en het borstharnas afgelegd, en de wonden werden verbonden; men sprak over hetgeen er gebeurd was en over de toekomst. Van Schaffelaar had al zijn sterkte van geest noodig om opgeruimd te schijnen; hij zag hoe zijne ruiters vergeefsche moeite aanwendden om hunne smarten en zwakte voor hem te verbergen, en hun lijden drong hem tot in de ziel door. Hoeveel zou hij niet gegeven hebben om aan ieder een teug waters te kunnen uitreiken! maar zijne wenschen waren ijdel; zelfs de onbewolkte hemel beloofde niet eens een verfrisschenden regen. Twee ruiters hielden beneden de wacht, en de verslagen Zwarte Ruiters waren verdwenen; men had hunne verpletterde lichamen door het luik naar beneden geworpen, en alleen hunne zwaarden, dolken en eenige stukken der wapenrustingen teruggehouden.
Een geruime tijd was er reeds verloopen, sedert het geschreeuw der bestormers gezwegen had, en men was in het onzekere of de vijand eindelijk den aanval moede was, of dat hij misschien zou trachten onder den toren naar boven te dringen. Van Schaffelaar huiverde bij de gedachte, dat hij zijne trouwe ruiters opnieuw zou moeten oproepen om een wanhopig gevecht met den verwoeden vijand aan te gaan; hij verborg hun zijn vrees niet; en ofschoon zij zwoeren, dat zij de Zwarte Ruiters nogmaals zouden verdrijven, als zij het waagden zich te vertoonen, zag hij aan hun gelaat en verried de zwakheid van hunne stem, dat zij door hun moed meer beloofden, dan zij zouden kunnen nakomen. Somtijds zelfs wenschte hij voor hen, dat Perrol den storm maar spoedig mocht gelasten: de dood zou hen immers van het leven verlossen, dat hun tot een straf was, sedert honger en dorst hen martelden! De flauwe hoop echter, die hem nog voor hen in 't verschiet overbleef, deed hem van gedachten veranderen: hij zag, dacht hem, het krijgsvolk van den bisschop aanrukken en hen redden; hij zelf zou zijn bruid wederzien; de schaapherder zou hem niet vervloeken om den dood van Frank; o! die hoop, hoe flauw ook, verbond hem aan het leven, en deed hem met angst den storm te gemoet zien.
Frank, die nu was opgestaan, om de oorzaak te vernemen van eenig gerucht, dat hij aan de achterzijde des torens hoorde, riep op eens: ‘Van Schaffelaar! daar is dezelfde ruiter van gisteren, ha! zij zullen nu een poging aan deze zijde wagen.’
Zijn vriend sprong op, en de ruiters volgden zijn voorbeeld; allen drongen naar de bomgaten, maar traden weder terug, toen men op hen schoot. ‘Zij zullen dus den toren van het dak af trachten te beklimmen,’ zeide Van Schaffelaar. ‘Welnu, mannen! ik geloof, dat wij met God en mijnheer St. Maarten de ladder weder zullen afwerpen.’
Zijne ruiters gespten opnieuw het harnas om hunne borst en wachtten gerust af hetgeen stond te gebeuren, terwijl Frank en de aanvoerder behoedzaam naar buiten zagen, en elkander hunne opmerkingen mededeelden. Evenals den vorigen dag, lag een ladder, welke nog eenigszins langer scheen te zijn, op de nok; de Tuimelaar, die slechts een stalen stormkap en een schild droeg, en met zwaard en dolk gewapend was, bestuurde het werk,
en de ladder werd opgericht. Van Schaffelaar begaf zich met Frank naar den omgang, zijne ruiters gelastende, hen, zoodra hij riep, bij te springen, en 't verwonderde hem, toen hij niet, evenals den vorigen dag, een aantal ruiters uit den traptoren zag te voorschijn komen, om de ladder te beklimmen, zoodra zij tegen den toren zou rusten. De Tuimelaar trok de ladder vooruit, terwijl drie mannen hem hierin bijstonden; drie anderen, die bij het koor waren, hielden het touw vast, waarmede men haar in de hoogte getrokken had. Eindelijk liet men de ladder stilstaan; zij stond bijna loodrecht, maar helde een weinig naar den toren over. Frank zag Van Schaffelaar vragend aan, toen de man, die zooveel bedrijvigheid en vlugheid verried, om de ladder heen stapte, langs het dak afklom en in het dakvenster verdween.’
‘Hij zal zich verder wapenen en met de overige ruiters terugkeeren,’ zeide Van Schaffelaar, een weinig achterwaarts tredende, en een pijl, die door een der voetboogschutters naar boven werd geschoten, snorde langs hem heen. Doch hunne verwondering verminderde niet, toen zij den Tuimelaar weder in de goot zagen stappen en alleen het dak beklimmen. Zijn schild hing om zijn hals, en hij was nog niet zwaarder gewapend: maar hij droeg een handboog in de hand, en aan zijn zijde hing een bundel lange pijlen. Hij scheen iets te zeggen tot degenen die het touw vasthielden en tot de mannen, die voor de ladder op de nok zaten, waarna hij bezijden hen om, en met een bewonderenswaardige vlugheid op de sporten stapte. Aan alle zijden plaatsten zich de boog- en kolfroerschutters weder om den toren, en elkeen scheen verlangend te zien, wat de Tuimelaar verrichten zou. Hij klom vaardig naar boven, zonder dat de ladder veel scheen te bewegen, en hield stil, toen hij het touw bereikte: hij vatte het aan en trok er aan, waarop de ladder een weinig meer begon over te hellen; toen stak hij zijn linkerbeen door de sporten heen, zag onbevreesd onder zich naar het kerkhof, liet de handen los en scheen onbeweeglijk te zitten.
‘Hij zal alleen den toren niet innemen; laten wij heengaan,’ zeide Van Schaffelaar tegen Frank; doch eer zij hun voornemen konden ten uitvoer brengen, had de Tuimelaar een pijl gevat, den boog gespannen en de pees losgelaten. De ladder trilde, en de pijl kwam met zulk een kracht tegen het borstharnas van Frank, dat hij binnen in den toren zou gevallen zijn, als zijn vriend hem niet bij den arm had vastgehouden. Een kreet van verbazing en drift ontsnapte aan den mond van Frank; maar doordat de tweede pijl op den omgang kon geschoten worden, was die verlaten. De Tuimelaar daalde nu eenige sporten af, ging weder half zitten en half staan of hangen aan de ladder, en schoot nu op de ruiters; de eerste pijl doorboorde de dij van een der mannen van wapenen.
‘Hij kan ons met het zwaard niet overwinnen, en dus laat hij ons door dien moordenaar ternederschieten,’ riep Frank driftig, en nam een der zwaarden van de Zwarte Ruiters op. Een pijl snorde hem voorbij; en hij liep naar het bomgat, het gevest van het zwaard in de rechterhand boven het hoofd opheffende, terwijl hij het lemmet met de linker ondersteunde. Het zwaard vloog uit den toren, op hetzelfde oogenblik, dat een pijl van den boog werd geschoten, en nog eer Frank de armen liet zakken, trot de pijl zijn borstharnas, op een duim afstands van de opening waardoor de rechterarm kwam; eene kleine verandering van houding redde hem het leven. Even juist, doch zonder meer vrucht was het zwaard den Zwarten Ruiter genaderd; want toen de scherpe punt, door het zware gevest voortgestuwd, hem in den buik of de beenen zou gedrongen zijn, raakte de Tuimelaar het aan met zijn boog; het snelde langs de ladder en viel op het kerkdak, brak sommige leien en bleef in de goot liggen. Van Schaffelaar trok Frank terug, en gelastte aan zijne mannen om een verdieping lager te gaan, of zich achter den muur te verschuilen. Tevergeefs bond Frank een breekijzer aan een touw, en wilde naar boven gaan, om het naar den Tuimelaar te werpen; maar zijn vriend weerhield hem om zich bloot te geven aan de zekere schoten van den Zwarten Ruiter. Zij, die op het kerkhof stonden, traden zoo ver mogelijk achterwaarts, of plaatsten zich boven op de daken der schuren en woningen, en zonden hunne pijlen en kogels in den toren. Sedert de Tuimelaar dáár boven op de ladder stond, en vrij in den toren zag, bleef hun bijna geen ander toevluchtsoord meer over dan de twee donkere verdiepingen, waar de rook het bijna ondragelijk maakte. Toen er weder een lange gevederde pijl door den toren heen vloog, waagde Van Schaffelaar het naar buiten te zien, en zeide: ‘Goddank Frank! dat zij niet van voornemen schijnen den toren te beklimmen; en evenwel wenschte ik, dat die kerel nimmer op het dak gekomen ware.’
‘Uwe trouwe ruiters hebben ook reeds wonden genoeg,’ zeide Frank treurig, ‘en nu worden zij nog beroofd van het geluk, om hier op hun gemak den dood af te wachten.’
Het scheen, dat de Zwarte Ruiter nu de hoop opgaf, om

iemand onder het schot te krijgen; want hij schoot niet gedurig meer;
doch Frank zag evenwel behoedzaam om den muur naar buiten, en riep: ‘St. Maarten
zij geloofd! hij klimt af.’
De ruiters hoorden hetgeen hij zeide, en traden wederom te voorschijn; maar kort duurde hunne vreugd; want Van Schaffelaar zeide: ‘Ziet daar komt hij weer terug; hij heeft een nieuwen voorraad van pijlen gehaald,’ en zoo was het ook: want opnieuw klom de Tuimelaar naar boven, en schoot in den toren, de ruiters traden terug, want ofschoon het staande hout hem wel verhinderde om op alle punten zijne pijlen te richten, zoo was het niet dik genoeg, om zich er achter te kunnen verbergen.
Hij wil ons niet met rust laten, en evenwel vermoeit hij zich tevergeefs!’ zeide Van Schaffelaar langzaam. ‘Het is gelukkig voor ons, dat het middelste dak hooger is dan het andere, en dat de nok niet onder een der bomgaten is, maar juist in het midden; anders bracht hij zijne makkers spoedig hier.’
‘O! waarom hebben wij geen boog of geen kolfroer, om dien zwarten schutter te verdrijven?’ riep Frank. ‘Ha! ik wilde wel eens zien of hij ook een pijl of kogel zou kunnen afkeeren.’
‘Hij is dezelfde, die het laatst in den toren gestreden heeft,’ zeide Van Schaffelaar. ‘Maar let op, hij klimt hooger, alsof dit hem helpen zal. Is er wel iets ongelukkiger voor een edelman, dan zich te moeten verbergen voor een enkel mensch!...’
‘Neen,’ riep Frank stampvoetende, ‘en dat voor een gemeenen tuimelaar; mij reeds maakt het bijna razend. Zie! hij schiet dan eens hier op de steenen of daar boven tegen den muur, alsof de steenen ook vijanden van hem zijn; mogelijk denkt hij ons te verwonden door het terugstooten der pijlen. - Maar waar ziet gij naar?’ vroeg hij, toen Van Schaffelaar naar het dak zag.
‘Ik was bevreesd, dat men soms zou beproeven, den toren te beklimmen; maar ik zie, de Heer zij geloofd! daartoe geen voorbereiding,’ antwoordde zijn vriend bedaard, terwijl hij hem terughield, en er een kogel in den toren werd geschoten. Doch zooals hij deze woorden uitsprak, hoorde men buiten een eigenaardien schreeuw. ‘Ralph...?’ zeide Frank, en op hetzelfde oogenblik scheen er iets tegen den muur te vallen. ‘Ha!’ riepen Frank en Van Schaffelaar plotseling, terwijl er een zwaar lichaam op den omgang nederkwam en de wapens klonken.
‘Op, Van Schaffelaar!’ riepen de ruiters, die bij hen waren, en zij traden naar de trap; zij, die beneden een schuilplaats gezocht hadden, kwamen naar boven, en Van Schaffelaar riep: ‘Naar den omgang, mannen! vooruit!’ Allen trokken hunne zwaarden, en al de Zwarte Ruiters op het kerkhof riepen: ‘Op voor Perrol! hoezee de Zwarte Bende!’
De list van den Tuimelaar was dus maar al te goed gelukt, zijne pijlen hadden de ruiters van Van Schaffelaar den omgang en zelfs grootendeels de bovenste verdieping doen verlaten, en de voorzorg, die hij genomen had, om geen ruiters op het dak stormvaardig te doen staan, had zijne vijanden in den waan gebracht, dat hij alleen gekomen was, om hen met zijne pijlen te vervolgen. Nu viel de ladder, de Zwarte Ruiter stapte snel over de borstwering heen, en met een opslag van het oog doorzag Van Schaffelaar de gevolgen van deze noodlottige gebeurtenis. De Tuimelaar stond boven aan de trap, en verhinderde de Schaffelaars om op den omgang te dringen: zijn zwaard hield de trap gesloten. De zes Zwarte Ruiters, die op het dak geweest waren, beklommen met spoed de ladder. Tevergeefs gelastte Van Schaffelaar dreigend aan zijne mannen de trap te verlaten en hem plaats te maken. Zij hoorden zijn stem niet door hunne drift om den Tuimelaar te ver-
jagen, en de zes ruiters klommen reeds de eene na den anderen over de steenen borstwering! zelfs eenige anderen traden nu op het dak en volgden hunne makkers; luid klonk het zegevierend geschreeuw der vijanden en de naam van den Tuimelaar.
Frank zag, hoe acht zwaar gewapende mannen naar boven klommen, terwijl de anderen
wachtten om hen te volgen, totdat zij de ladder zouden verlaten hebben, die
sterk onder haar last boog. Daarop vatte hij het touw aan, dat op den grond lag,
en wierp het naar de ladder uit; het sissen der pijlen deed hem terugtreden, en
hij haalde het breekijzer weder naar boven, vatte het aan, toen het langs den
muur krassend weder naar binnen was gehaald, en wierp het opnieuw uit. Degenen,
die onder aan de ladder stonden, welke nu door den laatsten ruiter verlaten
werd, hadden de vruchteloosheid van zijn poging gezien, en wilden zich nu
haasten om ook den toren te beklimmen; het geschreeuw hunner makkers op den
toren en op het kerkhof liet hun niet toe zich te beraden. De tweede uitwerping
van het ijzer was even ongelukkig geweest als de eerste; reeds naderden de
Zwarte Ruiters de bomgaten; maar toen sloeg het breekijzer, dat Frank voor de
derde maal naar buiten wierp, gelukkig om de ladder, viel tusschen de sporten
door en bleef haken. De voorste der ruiters gaf een luiden gil, en klom toen
snel opwaarts, terwijl zijne makkers bleven staan. Hij hield het zwaard
opgeheven; maar vóórdat hij het touw bereiken kon, riep Frank: ‘Trekt, voor St.
Maarten!’ en zij, die achter hem stonden, rukten hevig aan het touw. De
vijanden, die op den omgang stonden, werden te laat gewaar wat er gebeurde,
anders hadden zij de ladder kunnen vasthouden, en zij die nog op de nok stonden,
durfden niet om haar heen stappen, of verloren hunne tegenwoordigheid van geest

Te laat riep de tuimelaar hun toe het touw te grijpen, dat langs den
toren van de ladder afhing, die nu met vreeselijke snelheid over den smallen
looden weg den toren naderde, en vervolgens werd ter zijde gehaald. Toen, doch
nu te laat, bereikten twee Zwarte Ruiters de plaats, waar het touw vroeger
gehangen had; het was buiten het bereik. Een oogenblik was het twijfelachtig, of
de ladder in de schuine richting zou blijven staan; maar toen Frank het touw nog
eens liet aanhalen, en de mannen op de ladder zich bewogen, viel zij om; het
touw schoot door de handen van Frank heen, en de Zwarte Ruiters, die op het
kerkhof stonden, hoorden het vreeselijk gillen hunner makkers. Sommigen vielen,
vóórdat de ladder nederkwam; de meesten echter hielden zich er aan vast, werden
door het hout op de dakleien nedergedrukt, en vielen, dood of stervende tusschen
de daken.
Het is noodzakelijk, dat wij terugkeeren tot het oogenblik, waarin de eerste makkers van den Tuimelaar den voet op den toren gezet hadden. Zoodra hij hen aan zijne zijde zag, riep hij: ‘Draagt zorg, kerels! dat niemand langs de trap naar boven dringt, en laat mij begaan.’ Toen sprong hij ter zijde, vatte den boog op, dien hij te voren had nedergeworpen, liet het zwaard in de scheede glijden, en legde een pijl op den boog.
De toestand der belegerden was verschrikkelijk: de Tuimelaar liep over den omgang, of sprong op de jukken, welke de klok en de spits hadden helpen dragen, en schoot onder hen. Tevergeefs trachtten de verzwakte ruiters van Van Schaffelaar op de plaats, waar de balken in den muur lagen, of tegen de staande houten naar boven te klimmen. Van Schaffelaar zelf noodzaakte degenen, die de
trap niet wilden verlaten, met geweld hem plaats te maken; maar op dit oogenblik voegden zich de acht Zwarte Ruiters bij de overige. Het liet zich aanzien, dat nog meerderen zouden volgen; en toen hij eindelijk de trap bestijgen zou, viel de eenige zijner ruiters, die zijn bevel nog niet was nagekomen, langs de trappen naar beneden, die hij met zijn bloed purperrood verfde. Ofschoon hij de kracht niet gehad had om de vijanden te verdrijven, zoo was hij evenwel met roem gesneuveld.
Het woest vreugdebeschreeuw der Zwarte Ruiters overstemde het wanhopig geroep der belegerden; de uitzinnige vreugdekreten op het kerkhof zwegen, en de ladder viel met donderend geweld. Frank riep: ‘Zege! zege! wij zijn alleen met den vijand!’ en trok zijn zwaard; maar een vreeselijke uitroep van teleurstelling en woede ontsnapte aan den Tuimelaar.
Van Schaffelaar riep nu luid en kortaf: ‘Naar beneden, mannen! bij mijnheer St. Maarten! naar beneden! - ik wil het, Frank!’ Zijn stem, die zich zoo dikwijls had doen verstaan aan den laatsten man zijner bende, als hij aan haar hoofd reed, gedoogde geen tegenspraak; zoo vermoeid en vol van strijdlust als zij waren, haastten zij zich te gehoorzamen. Van Schaffelaar wierp Frank met eigen hand naar de trap; en eerst toen deze afgeklommen was, volgde hij zelf: hij scheen zich niet te bekommeren om de pijlen van den Tuimelaar. Tevergeefs troffen zij het deugdzame harnas, dat meester Wouter vervaardigd had, en dat hem van het hoofd tot de voeten bedekte.
Van Schaffelaar had ingezien, dat het zelfs voor hem moeilijk zou zijn, om zich langs de steile trap, en onder het bereik van de zwaarden der Zwarte Ruiters naar boven te begeven, terwijl hij en zijne mannen voor de pijlen bloot stonden; daarom besloot hij deze verdieping voor een oogenblik te verlaten, en weldra was er niemand meer van de Schaffelaars boven dan de man, die bij de trap, en een die bij de opening, welke in den grond was, lag uitgestrekt. Hij was voorover gevallen, en het gevederde einde van een pijl stak onder zijn borstharnas uit; deze twee werden door den honger niet meer gekweld.
‘Naar beneden! volgt mij langs de trap!’ riep de Tuimelaar, die zich vooroverboog, de handen aan den klokbalk sloeg, en zich toen zonder aarzelen liet vallen. Hij zag nu naar de trap, en daarna voorovergebogen onder in den toren en bespeurde zijne vijanden. Daarop trad hij naar een der bomgaten, en riep: ‘Schiet een dun touw naar boven en bindt er een dikker aan, wij moeten pijlen en bogen hebben!’
Op dit oogenblik vertoonde Perrol zich op het kerkhof; men had hem gezegd, dat de Tuimelaar den toren beklommen had, en vol hoop was hij genaderd; maar toen hij verscheen lag de ladder gebroken op het dak, en zij, die er den voet op gehad hadden, lagen gedeeltelijk levenloos onder aan den kerkmuur. Hij vloekte verschrikkelijk; maar toen hij zijne mannen van wapenen op den omgang zag en de stem van den Tuimelaar hoorde vergat hij de dooden, dacht alleen aan het naderende oogenblik der wraak, en haastte zich om aan het verlangen van dezen te laten voldoen.
De Tuimelaar had zich door de krijgslist van Van Schaffelaar laten verschalken; hij bedroog zich, toen hij dacht, dat deze zich niet meer zou vertoonen, en zich en zijne ruiters zonder wederstand zou laten nedervellen; want juist toen eenige Zwarte Ruiters den omgang reeds verlaten hadden, vertoonde zijn witte vederbos zich boven aan de trap. Zij waren nu niet talrijk genoeg, om hen terug te drijven, en zijne mannen stonden veilig voor de pijlen. Zijn schild ving het zwaard op, dat hem wilde terugslaan, en die het zwaard gevoerd had, zonk doorstoken neder. ‘Voor Van Schaffelaar en St. Maarten! riep hij even bedaard, even luid als voorheen; even krachtig scheen zijn arm, als toen hij Eemnes was binnengereden. De Tuimelaar noch één der Zwarte Ruiters had aan het wapenschild van Van Schaffelaar gedacht; maar Perrol had het geen enkel oogenblik vergeten; ook riep hij: “Ruk af dat schild, ruk af dat wapen van den laatsten der Van Schaffelaars; ik wil het vertrappen.” Maar zijn wraakzuchtige bevelen kwamen te laat: reeds waren al de Zwarte Ruiters beneden en reeds had Van Schaffelaar zijn veldgeschreeuw doen hooren. Het gold nu niet het afrukken van een schild, maar het terugdrijven van hunne vijanden, het redden van hun eigen leven.
Frank was de eerste, die den aanvoerder volgde; de eene blinkende wapenrusting vóór, de andere na, kwam uit de opening van de trap te voorschijn. De eene pluim volgde de andere, evenals de witte zeilen van een vloot, die de haven verlaat, en waarvan de schepen één voor één hun admiraal volgen, die hen ten strijde voert. Het gevecht begon, als een strijd tusschen de engelen des lichts en die der duisternis; lijf aan lijf stonden die mannen;
maar zwaard en dolk waren hier niet alleen te vreezen; immers een enkele misstap bij de bomgaten, of bij de opening in den grond, bracht reeds den dood aan. Te laat zag de Tuimelaar in, dat het verlaten van den omgang de grootste onvoorzichtigheid geweest was; aan terugtreden was nu geen denken meer.
Daar hieuw Frank een der vijanden terneder, en lichtte den voet op, om hem naar beneden te trappen, toen deze weder trachtte op te staan; zijn oog zocht reeds een nieuwen vijand. Maar de Zwarte Ruiter lachte vreeselijk, ofschoon hij viel, toen hij boven den duisteren afgrond zweefde; want hij had den voet gevat, die hem in den dood schopte. Frank's oog werd door een nevel bedekt, en hij achtte zich verloren. Tevergeefs trok hij den voet terug, maar de zwarte ijzeren vuist liet niet los. Maria was zijn laatste gedachte. Toen voelde hij een ijzeren arm, die zich om zijn lijf klemde, alsof een bliksemstraal langs hem heen schoot; de Zwarte Ruiter gaf een rauwen gil, en liet den voet los, en terwijl de man van Perrol onder in den toren viel, zeide Van Schaffelaar: ‘Wees voorzichtig, Frank!’
Een oogenblik stond Frank bewusteloos; maar een pijl, die van het kerkdak over den omgang heen in den toren werd geschoten, viel op hem; hij lette echter niet op het touw, dat er aan was vastgemaakt, maar hief het zwaard nu weder op.
Ware de ladder blijven staan, zoo zou het met Van Schaffelaar en zijne vermoeide en uitgeputte ruiters gedaan geweest zijn. O! waarom kon Perrol, die het geschreeuw en het geluid der slagen hoorde, heer Jan van Schaffelaar niet zien! zeker zou hij dan van nijd bezweken zijn. Met twee handen voerde Van Schaffelaar het breede zwaard; waar hij stond, stond hij als een muur; wat hij trof, verbrijzelde hij. De Zwarte Ruiters deinsden terug; want de aanvoerder was even sterk als Perrol; zijn schitterende wapenrusting was ondoordringbaar; de witte vederbos wapperde boven aller helmen. Perrol was niet bij hen, en zij wanhoopten aan de overwinning op dien edelman maar Van Schaffelaar noodzaakte hen met zijn zwaard stand te houden, en het gevecht was verschrikkelijk in de enge plaats. Dat neerstooten der Zwarte Ruiters deed den moed en de krachten der belegerden herleven. ‘Sla dood de Zwarte Bende! leve Van Schaffelaar!’ riepen zij. Perrol kon niets doen om zijne mannen bij te staan; geen ladder was groot genoeg om den toren te beklimmen; met de armen over elkander stond hij als een stahdbeeld op het kerkhof, met het oog naar boven gewend. Tevergeefs trachtten zijne ruiters een doel te vinden voor hunne pijlen of kogels; maar zij zagen niets dan zwarte harnassen voor de openingen in den muur. Toen gelastte Perrol om door het gewelf in den toren te klimmen, en Quintyn snelde heen.

Maar nog heviger moest de overmoed van Perrol gefnuikt worden; opnieuw
moest hij ondervinden, dat Jan van Schaffelaar zijne ruiters kon overwinnen,
evenals hij hem zelven overwonnen had; opnieuw hoorde hij de stem van zijn
vijand boven in den toren, en hij zag een Zwarten Ruiter naar beneden vallen.
Een uitroep van schrik en afgrijzen ging van het kerkhof op, terwijl het
krijgsgeschreeuw der Schaffelaars luid klonk; want deze behielden reeds de
overhand. Sidderende van woede, zag Perrol zijne dappere mannen, die den toren
beklommen hadden, door de bomgaten naar buiten vallen; 't was alsof zij dezen
dood met vreugd aangrepen, om aan hunne vijanden te ontsnappen. Aan alle zijden
sprongen en vielen zij neder; het ijzer klonk, terwijl zij langs het dak
nedertuimelden, en dot rammelden de zwarte wapenrustingen, toen zij op het
kerkhof door hunne zwaarte een kuil in den grond maakten; zij stortten zich uit
den toren, evenals de zwijnen, in welke de booze geest gevaren was, in de zee.
Toen luisterde Frank, en weldra riep een stem onder uit den toren: ‘Op Van Schaffelaar!’ De Zwarte Bende richtte daar de ladders op, en Van Schaffelaar, die met eigen hand nog een man van Perrol naar buiten stiet, gelastte aan het meerendeel zijner mannen, om hun makker bij te springen. Zij gehoorzaamden; maar Frank bleef. Nu bevond zich slechts één Zwarte
Ruiter op de been: het was de Tuimelaar, die alléén nog het zwaard voerde, en ofschoon hij geen harnas droeg, had hij met zooveel beleid zijn schild gebruikt, dat hij nog geen enkele wonde bekomen had. Doch toen hij zich geheel alleen bevond, zag hij ook niets voor oogen dan den dood. Frank leunde op zijn zwaard, en de drie andere ruiters hadden zich nedergezet, sedert hunne vijanden gevallen waren, en zagen onverschillig naar den laatsten vijand, die zich tegen Aalbrecht verdedigde; zij waren te vermoeid, om hunne eigen overwinning toe te juichen, en luisterden naar hetgeen beneden zou gebeuren.
Van Schaffelaar, die ook vermoeid was, bleef staan, toen hij zag, dat zijn man van wapenen op zijn tegenpartij zou zegevieren, dien hij reeds tot aan het uiterste einde van een bomgat had teruggedreven; deze liet het zwaard vallen, en ofschoon hij het wapen, dat hem den hals dreigde af te houwen, op zijn schild opving, zoo werd hij toch slechts op de knieën nedergedrukt. Vurig schitterde het oog van den Tuimelaar, terwijl hij ook het schild losliet en den laatsten slag met gelatenheid der wanhoop scheen af te wachten; doch plotseling gaf Aalbrecht een schreeuw, welke door Van Schaffelaar en allen die bij hem waren, herhaald werd; de Zwarte Ruiter vatte den zwaar geharnasten man bij de beenen, bracht het hoofd snel vooruit, en wierp hem over zich heen naar buiten.
‘Ha!’ riep Perrol, toen dat blinkende harnas zich in de lucht vertoonde. ‘Leve de Tuimelaar!’ riepen de Zwarte Ruiters, die, evenals Perrol, wenschten dat het de aanvoerder mocht zijn, die naar beneden viel.
‘Sterve de Tuimelaar!’ zeide Van Schaffelaar somber, en lichtte zijn zwaard op; hij had het vizier van zijn helm opgeschoven, en zijn blik en die van den Tuimelaar ontmoetten elkander. Een oogenblik stonden beiden onbeweeglijk; toen vatte de Tuimelaar snel het zwaard op, stiet met den voet zijn boog naar buiten, welke er naast lag, en trad vooruit, zoodra de aanvoerder hem naderde. Naar alle zijden ging zijn oog, en hij riep: ‘Op voor Perrol!’ stak zijn zwaard op, en vatte een der balken aan, welke de Schaffelaars vergeefs hadden getracht te beklimmen; zonder moeite scheen hij zich op te geven; zijne voeten volgden zijne handen, en hij sprong op den omgang, voordat Van Schaffelaar hem met zijn zwaard kon bereiken. Maar deze wilde hem het leven niet laten, die een te gevaarlijke vijand was, en snel beklom hij de trap. De Tuimelaar was ijverig bezig, om het touw op te halen, dat van de borstwering hing; indien het gelukte, om het dikke einde te bekomen, ware hij misschien gered: maar de aanvoerder liet hem hier den tijd niet toe; de Tuimelaar, steeds het touw naar zich toehalende, ontweek den geharnasten man, die hem naderde. Het wilde hem echter niet gelukken; want het touw klemde zich om den toren, en ofschoon hij van woede brulde, hij moest het loslaten. Geen andere uitweg bleef hem nu over, dan den dood te trotseeren; hij trok het zwaard en wierp zich vol moed op den aanvoerder, ving diens lemmet op zijn schild, dat om zijn hals hing, op, en trachtte hem het zijne onder het borstharnas te stooten; maar Van Schaffelaar keerde het af. Hierop werden de beide zwaarden gelijktijdig opgeheven, en met kracht daalden zij neder. Een uitroep van woede ontsnapte den Tuimelaar; zijn lemmet werd bij het gevest verbrijzeld en het ontviel aan zijn vuist. Nog eens hief Van Schaffelaar het breede zwaard op; maar de Zwarte Ruiter keerde den slag met zijn schild af, trok zijn dolkmes en drong vooruit. Een nieuwe houw deed hem echter waggelen en deed hem de knie buigen; doch Van Schaffelaar liet zich niet verschalken gelijk de dappere Aalbrecht, en trad terug. Het zwaard daalde weder neder, en alleen aan het schild had de Tuimelaar zijn leven te danken; maar nu viel het ook half verpletterd van zijn hals en uit zijne handen.
Evenwel voordat Van Schaffelaar hem den laatsten slag kon toebrengen, stond hij op en week achteruit; nu waagde hij het niet meer den aanvoerder af te wachten; slechts zijn dolk bleef hem nog over. Hij vluchtte voor Van Schaffelaar, die hem maar niet kon inhalen; want als deze hem dacht te bereiken, sprong hij op de jukken; elke weg, hoe smal ook, was hem breed genoeg, en op een andere plaats zette hij den voet weder op den omgang. Nu eens zag de Zwarte Ruiter naar buiten, dan weder keek hij in den toren; doch overal wachtte hem de dood. Hij kon echter nog niet besluiten, zijn leven prijs te geven; hij vluchtte evenals de buigzame panter, die gedurig stilstaat, en zijn vervolger aangrijnst, maar den kamp niet durft wagen, en weder vlucht.
Op dit oogenblik beklom Frank de trap, en plaatste zich met het zwaard in de hand, op den omgang. De Tuimelaar stond stil aan een der hoeken van den toren, hief zijn dolk op, maar liet hem uit de hand vallen, en wierp zijne handschoenen weg; de riem, waaraan het wapenschild van Van Schaffelaar buiten den toren hing, scheen zijn oog te trekken.
Doch hij wendde het gelaat af, zag naar Van Schaffelaar en naar Frank, naar beneden in den toren, en riep toen, terwijl zijn blik vertwijfeling uitdrukte: ‘Hoezee, de Zwarte Bende!’ vatte den rand der borstwering aan, en slingerde zijn lichaam naar buiten.
‘Leve de Tuimelaar!’ riepen zijne makkers, die tevergeefs getracht hadden Van Schaffelaar met hunne kogels en pijlen te treffen. Doch nu hield het geluid der vuurwapenen op, en alles werd doodstil op het kerkhof; zelfs Perrol, die zijn dolk weder opgestoken had, toen hij in den nedergevallen vijand Van Schaffelaar niet herkend had, zag met angstige verwachting naar den steenklomp. De Tuimelaar, die zich juist aan den hoek van den toren bevond, had zich met zijn knieën en scheenbeenen vastgeklemd aan de beide zijmuren; zijn voeten zochten elke spleet in den muur; zijn handen, na den rand van de borstwering verlaten te hebben, hielden zich vast aan elken steen; zijne nagels zochten elke voeg, waar de kalk was uitgevallen, en toen Van Schaffelaar over den omgang zag, was hij reeds buiten het bereik van zijn zwaard. Het lederen kleed van den Zwarten Ruiter dat met de borst langs den kant van den muur schuurde, scheen zich vast te zuigen aan de ruwe en groote steenen. Doch toen hij reeds op de hoogte der bomgaten genaderd was, zag Perrol hoe zijn rechterbeen scheen uit te glijden, een woeste gil liet zich aan den toren hooren; 't was alsof die man, welke tot den toren scheen te behooren, er zich nu met kracht van afstiet. Evenals een rad draaide hij in het nedervallen; maar het was de laatste tuimel van den Tuimelaar; want het eerste, dat op de aarde nederkwam, was de ijzeren kap, welke zijn hoofd dekte. Een oogenblik bleef hij rechtop staan; toen viel hij om, en zijne makkers, die hem opnamen, werden gewaar, dat hij dood was, ofschoon zij geloofden, dat hij niet zou omgekomen zijn, indien hij op zijne voeten was nedergekomen.

Ofschoon oogenschijnlijk de dood van een enkelen vijand weinig afdeed,
zag van Schaffelaar met vreugde, hoe de Tuimelaar zoo het scheen, vrijwillig den
muur losliet, naar beneden viel en werd weggedragen. Hetgeen hij dezen man had
zien verrichten, had hem doen vreezen, dat hij zonder ongeluk zou beneden komen
langs den weg, welke voor elk ander onafklimbaar zou geweest zijn, en hij zag
een nieuwen aanval van den ruiter te gemoet, die zijne leden in alle richtingen
wist te wringen. Zijne mannen waren vermoeid en zwak, en hij zelf had maar één
leven te verliezen; ware het den Zwarten Ruiter gelukt zich te redden, en
opnieuw de ladder op te richten, dan ware het met hen gedaan geweest; zijn
wapenschild zou zijn neergedrukt, en hij zou Maria niet wederzien.
Alleen deze redenen hadden Jan van Schaffelaar doen besluiten, den stouten krijgsman in den dood te jagen; waarschijnlijk zou hij hem anders het leven gelaten hebben, zelfs, na den dood van den dapperen Aalbrecht. Toen de Tuimelaar daar zonder harnas, en alleen met den dolk in de hand, langs den omgang voor hem vluchtte, nadat al zijn hoop op redding verloren was, zonder evenwel om lijfsgenade te smeeken, toen was zijn edel hart begaan met den schier wapenloozen vijand. De dood van Tuimelaar trof zelfs Perrol. Dáár waar anderen geledebraakt nedervielen, had hij zich steeds door zijn buigzaamheid en vlugheid gered; Perrol was dus verwonderd dat de Tuimelaar niet opstond, en trad naar hem toe, toen zijne ruiters hem opnamen. Het scheelde echter weinig of het bendehoofd ware naast hem neergevallen; want een zwaard, dat van den toren werd geworpen, viel met het platte van het lemmet op zijn schouderstuk; had de zwaarte van het gevest het wapen niet doen omslaan, ware de scherpe punt op het harnas gekomen, en had hij den gesloten helm niet opgehad, waarschijnlijk ware Perrol, doodelijk getroffen, nedergevallen. Nu liet hij een woesten schreeuw hooren, terwijl hij op de beenen waggelde, en de hand aan den linkerschouder bracht; maar hij viel niet, en zag tevergeefs naar boven, wie hem getroffen had; want de zon stond bijna loodrecht, en wierp hare stralen langs den toren. Toen bukte Perrol voorover, en vatte het wapen, dat eenmaal aan de heup van een zijner mannen van wapenen had gehangen. Zijne vijanden te bereiken was hem onmogelijk, daarom riep hij van gramschap
bevende: ‘Hond die gij zijt! voel het wapen eens, dat de ellendelingen op mij werpen, omdat gij uw plicht niet doet.’ Hoog lichtte hij het zwaard boven het hoofd van een zijner ruiters op, die, op zijn roer leunende, voorovergebogen naar den Tuimelaar zag. Tevergeefs trad de Zwarte Ruiter terug; het lemmet trof zijn helm, en hij viel zonder een enkelen kreet te uiten. Met al de kracht van zijn arm, wierp Perrol het zwaard nog op den ongelukkige, die roerloos aan zijne voeten was nedergevallen; hij wierp een vreeselijken blik om zich heen, terwijl hij terugtrad en riep: ‘Per moio! gij kent Perrol nog niet, - ha! ik zal u leeren mijne bevelen beter in waarde te houden; de dapperen, wier plaats gij vervult, zijn allen in Eemnes gebleven; maar bij den satan! indien zich nog ééne wapenrusting op den trans vertoont, zal ik den luiaard straffen; door mijne hand zal hij vallen, al ware hij de laatste man van mijne bende.’
Hij sloeg op zijn zwaard, en sidderend gehoorzaamden zijne ruiters. De pijlen werden op de bogen gelegd, de lonten aangeblazen, de schoten gedaan, ofschoon men niemand op den toren zien kon. De Zwarte Ruiters huiverden op het gezicht van hun makker, wien voor eeuwig het zwijgen scheen opgelegd te zijn door een enkelen slag van den gevleesden duivel, welken zij dienden.
Nog was men niet gereed om de opening in het gewelf te beklimmen, en Perrol beval Quintyn om geene verdere pogingen te doen; hij wist niet, hoe zwak zijne vijanden waren; het uit den toren jagen van zijne mannen van wapenen en de dood van den Tuimelaar hadden zelfs Perrol ontzag ingeboezemd, en hij vertrouwde weinig op den moed zijner ruiterknechten. ‘Quintyn!’ zeide hij, met minachting lachende, ‘hoeveel tijd zal ik hen nog moeten oefenen, hoevelen van hen zal ik nog moeten laten opknoopen, of zelf ternederslaan, om hen aan den dood en de krijgstucht te gewennen, eer zij gelijk zijn aan die mannen, welke met Walson gebleven zijn. Ha! ik geloof, dat zij denken, dat ik ten einde raad ben, dat Perrol zal terugkeeren, en zich niet wreken kan; en waarom? alleen omdat ik hun leven spaar en dat mijn dappere, oude mannen van wapenen, die de vrees niet kennen, mij te lief zijn om hen langer te wagen. Alsof ik zelfs op de ongelijke daken geen stormtuig kan laten oprichten, dat mij in dien toren zou voeren! alsof deze hand niet zou kunnen dwingen, om langs het dak en onder door den toren mij den weg te openen, of Perrol met hunne lichamen tot een brug te verstrekken!’
Van Schaffelaar was met de zijnen teruggetreden, toen de stem van Perrol hunne ooren trof, en zijne ruiters haastten zich, om het onderste gedeelte van den toren te verlaten, toen hunne vijanden dien verlieten. Frank vloekte nog binnensmonds over het kantelen van het zwaard, dat een der ruiters zoo juist had nedergeworpen; zijn vriend bewaarde het stilzwijgen en stoorde hem niet in zijn gemor tegen den Tuimelaar, die hem van den boog beroofd had, welken hij zelf met zooveel vrucht gebruikt had.
Weldra begon de rook wederom naar boven te stijgen, en drong onverhinderd door de twee onderste verdiepingen naar de vierde, waar zij zaten; want daar de openingen in den vloer niet meer gedekt waren, zocht hij zijn weg niet meer alleen langs de trap of door de sleuven in het hout. Eenig gerucht, dat een weinig later buiten gehoord werd, verontrustte Van Schaffelaar; hij begaf zich naar beneden, maar keerde weldra terug met de heuglijke tijding, dat er geen nieuwe stormwerktuigen werden opgericht, ja, dat het zelfs scheen dat men de houten brug uit elkander nam. Ofschoon de vreugde en het verdriet hun invloed op zijne ruiters schenen verloren te hebben, dankten zij God en St. Maarten voor deze gunst. De vermoeidheid, welke hunne uitgeputte lichamen sedert het laatste gevecht gevoelden, benam hun zelfs de hoop om te sterven, zóó als zij altijd verlangd hadden. Zij hadden de hoop geheel opgegeven, dat hun aanvoerder hen nog eens zou voorgaan, als een heerkog, welke met haar steven de woedende baren doorklieft; terwijl zij hem slechts hadden behoeven te volgen, evenals het bootje, dat zacht door het kielwater schommelt, en dat hij den houten vloer weder zou overdekken met zwarte harnassen, evenals de kog de zee met wit schuim; toen den vijand de lust tot stormen benomen scheen, gaven zij hun aanvoerder er alleen de eer van.
Terwijl Van Schaffelaar met Frank in een der hoeken zat en tegen den muur leunde, riep een der ruiters, die zich op de knieën had opgericht; want het was gevaarlijk zich te veel bloot te geven, sedert Perrol zijne ruiters had bestraft: ‘Heer! wij zijn gered! onze wapenbroeders komen ons ontzetten, leve heer David!’
‘Hoezee!’ riepen zijne makkers, en Van Schaffelaar vroeg snel: ‘Waar ziet gij hen? God geve, dat gij u niet bedriegt!’ De ruiter strekte zijn hand uit, en elkeen voegde

zich bij hem of zag langs den aanvoerder om; zelfs hij, die bij de
klok de wacht hield, riep: ‘Wat ziet gij toch?’ Hij voelde den rook niet meer,
die hem omringde, en bedwong evenwel den lust, dien hij gevoelde om naar boven
te gaan; hij kende zijn plicht.
‘Mijne vrienden!’ zeide Van Schaffelaar bedaard, na eenigen tijd naar buiten gezien te hebben: ‘de hoop, welke ons voor een oogenblik heeft verkwikt, zal vervliegen als de rook, welke langs ons oprijst; draagt uw leed als mannen, en verliest daarom het vertrouwen nog niet op uwe krachten, maar vooral niet op den bijstand van God en zijne Heiligen.’
‘Maar zij zijn het, Heer! zie hunne wapenen schitteren in de zon,’ zeide zijn ruiter. ‘Zij zijn het!’ riepen zij allen, uitgezonderd Frank, die het hoofd schudde. Toen vervolgde Van Schaffelaar zuchtende; want het kostte hem veel, hun het droombeeld te ontrukken, dat hen zoo gelukkig maakte: ‘Zij zijn het - maar het zijn onze vijanden. Of ligt de weg van Wijk-bij-Duurstede of Rhenen over Amersfoort...? Ha! indien zij zich aan deze zijde vertoonden, indien gij door die bomgaten hen zaagt aanrukken, achter den Briellard of den molen, welke meer in het verschiet staat, dan zou ik het kunnen gelooven. Tien jaren van mijn leven zou ik willen missen, om de harnassen van mijne ruiters dáár tegen de lucht aan den gezichteinder op den valen bergrug of aan den zoom van het woud te zien blinken; maar het is een ijdele wensch, en evenwel geloof ik, dat ik hen, hoe ver ook, zou herkennen - maar dat, dat is geen volk van den Bisschop.’
Geen hunner antwoordde hem; de redding was zóó noodig, dat zij de hoop niet opgaven, en evenwel waagden zij het niet hun aanvoerder te weerspreken, die zag, dat Frank in zijn gevoelen deelde. Allen bewaarden een diep stilzwijgen; zelfs de ruiter, die beneden was, vroeg niets meer, hun zwijgen zeide hem genoeg. Een klein gedeelte der aanrukkende bende volgde het Beekpad, het meerendeel echter den gewonen weg, die breeder was en over Barneveld naar Arnhem liep. Langzaam volgden zij er de kronkelingen van, terwijl de achtersten nog door het geboomte bedekt werden, dat op de hoogte van Stoutenberg was, welks vergulde weerhanen op de torenspitsen boven het groen uitstaken, dat zich noord- en zuidwaarts uitstrekte. Een enkel schot, dat nu en dan gelost werd, of een pijl, welke hoog boven hunne hoofden door den toren vloog, brak de stilte af, welke er heerschte. De belegerden voelden, zoo het scheen, de zon niet, die zij te voren zoo spoedig ontweken waren; nog schemerde er een flauwe hoop voor hen daar buiten in het veld.
Tot nog toe reden de Zwarte Ruiters, die op de voorposten stonden, bedaard heen en weder in het veld; waarschijnlijk onttrok het kreupelhout of eenige geringe boerenwoningen en schuren aan den weg het naderende krijgsvolk aan het oog der voorposten van de Zwarte Bende. Doch nu stond een hunner onbeweeglijk stil; het scheen alsof er bliksemstralen boven zijn hoofd flikkerden; waarschijnlijk gaf hij een sein met zijn zwaard; want met spoed naderden hem de posten, welke zich aan hem aansloten. Een oogenblik beraadden zij zich; hij, die hen geroepen had, reed alleen een eind weegs vooruit, en keerde toen terug: nog eens schenen zij te raadplegen, en daarna reed de eerste met lossen teugel naar het dorp. Indien de hoogte, op welke zij zich bevonden, hen niet in staat gesteld had alles te overzien, zou alleen de beweging, die in het dorp begon te heerschen, hun reeds verraden hebben, dat men er bericht had ontvangen van de nadering der krijgslieden; de trompet gaf het teeken aan de rijzige ruiters om op te zitten, terwijl reeds een tiental hunner het dorp verlieten om den vriend of vijand te verkennen. Weldra bleef alleen een sterke wacht van ruiterknechten van de drie bijzondere wapenen met twee rijzige ruiters bij den toren over; waarschijnlijk om spoedig bericht over te brengen, indien er iets gebeurde, dat een grooter aantal manschappen aldaar noodzakelijk maakte. Het vertrekken van het grootste deel der Zwarte Ruiters, die hun hoofdman gevolgd
waren, maakte het minder gevaarlijk om buiten den toren te zien; de achtergeblevenen schenen meer gesteld te zijn om zelven eenige rust te genieten, dan om hunne vijanden nutteloos te verontrusten.
De ruiters van Van Schaffelaar waagden het nu, om aan te merken, dat het geen vrienden van Perrol of een gedeelte zijner bende konden zijn, dewijl hunne komst hem verontrustte, hetgeen bleek uit de voorzorgen, welke genomen werden; want het voetvolk der bende vatte post binnen de omheiningen der laatste woningen, terwijl het paardenvolk gereed stond om in het veld te rukken, of op den vijand uit te vallen. Een oogenblik had Van Schaffelaar zich evenals zijne ruiters gevleid, dat hij zich bedrogen had, dat het werkelijk volk van den Bisschop was; daarom wilde hij nu ook hunne voorstelling niet tegenspreken, ofschoon hij wist, dat zij zich bedrogen, en hij zweeg.
Toen de ruiters, die op verkenning waren uitgezonden, terugkeerden, lieten de Schaffelaars hunne verwondering blijken; want een oogenblik daarna verlieten omstreeks vijftig mannen van wapenen het dorp; zij zagen de roode pluimen op den helm van den ruiter, die vooropreed wapperen; zij gevoelden, dat Perrol met die zwakke macht den vijand niet zou te gemoet gaan, en lieten het hoofd zakken. Tevergeefs trachtte nu Van Schaffelaar hunne hoop te doen herleven, door aan te merken, dat Perrol niet veel waagde, omdat er geene of zeer weinig rijzige ruiters onder de naderende bende schenen te zijn; zelfs het op hun post blijven van de ruiters, die het dorp moesten verdedigen en het geschaard blijven staan der rijzige ruiters, lieten hun bijna geen flauwe hoop meer over. In den draf verwijderde zich de zwarte drom; hunne speren schitterden in de zon, en weldra kon men den rooden vederbos niet meer onderscheiden, die achter de speerhouten verdween. Eindelijk schenen degenen, die het dorp naderden, de ruiters te ontwaren, en er had geen vooruitgang meer plaats, ofschoon het paardenvolk den draf niet verminderde. Een oogenblik schenen de Schaffelaars met nieuwe hoop bezield; zij richtten de vermoeide hoofden op, en hielden de handen boven de oogen, welke wijd opgespalkt naar buiten zagen. Daar hielden de mannen van wapenen stil; evenwel breidde zich het voetvolk niet uit; een man der Zwarte Bende, doch zonder speer, reed vooruit, en de ruiter, die het voetvolk scheen te bevelen, rende hem te gemoèt; geen zwaarden flikkerden in de zon, en beiden bleven te paard zitten. ‘Ha!’ riepen de Schaffelaars; want daar stelden zich de mannen van wapenen in beweging; maar de speren werden niet geveld. Zij reden aan wederzijden langs het voetvolk; geen rook vertoonde zich, en geen schot scheen te vallen. De Schaffelaars wilden niets meer zien; zij vervloekten den vijand en hunne lichtgeloovigheid; wanhopig en teleurgesteld keerden zij naar den muur terug en zetten zich neder; het vuur schitterde niet meer in hunne doffe oogen.
Van Schaffelaar bewaarde het stilzwijgen; hij kon geen woorden vinden om hen te troosten. Een oogenblik daarna zeide hij tot Frank, die zijn somberen blik steeds naar buiten over de vlakte liet gaan: ‘Ziet gij, Frank! zij rijden naar de achterhoede; nu zij bijna op denzelfden afstand zijn als die ruiters, welke ik reeds lang voor mannen van Perrol gehouden heb, bemerk ik, dat mijn oog mij niet bedroog; de lange spannen paarden trekken de zware bussen, welke hij heeft laten halen, door het zand; daarom hield het stormen op; daarom gunde hij ons en zijn eigen volk rust...’