terug  begin  verderprepost
[p. 57]

Paul A. Samuelson

Professor Paul A. Samuelson kwam in 1947 als hoogleraar in de economie naar het M.I.T. (Massachusetts Institute of Technology) in Cambridge, Massachusetts. Hij studeerde aan de universiteiten van Chicago en Harvard en promoveerde aan Harvard in 1941. Professor Samuelson heeft thans reeds vijftien eredoctoraten.
Hij werd in Gary, Indiana geboren (1915). In 1944 trad hij in dienst van het Radiation Laboratory aan M.I.T. In 1945 ging hij naar de Fletcher School of Law and Diplomacy aan de Tufts Universiteit. In 1948 werd hij benoemd als adviseur van de beroemde Rand Corporation, denkfabriek in Santa-Monica, Californië. In 1961 werd hij tevens aangesteld tot adviseur van het Amerikaanse ministerie van Financiën. In 1960 trad hij op als economisch adviseur van president John F. Kennedy. Als journalist is professor Samuelson bekend door zijn commentaren in het weekblad Newsweek.
In 1970 ontving hij de Nobelprijs voor Economische wetenschappen en in 1971 de Albert Einstein-prijs. Naast tal van boeken en artikelen zijn vooral bekend geworden:
Foundations of Economic Analysis. Harvard University Press, 1947.
Economics. McGraw-Hill, New York, 1948, 1952, 1955, 1958, 1961, 1964, 1967, 1970. Vertaald in meer dan twintig talen.
Linear Programming and Economic Analysis. McGraw-Hill, New York, 1958.
Readings in Economics. McGraw-Hill, 1955, 1958, 1961, 1964, 1967, 1970.
The Collected Scientific Papers of Paul A. Samuelson. Drie delen, onder redactie van J. Stiglitz en Robert Merton. The M.I.T. Press, 1966, 1972.
Professor Samuelson is getrouwd en heeft 5 kinderen, waaronder een drieling (jongens).

Een studie als het Rapport van de Club van Rome kan vanuit twee verschillende gezichtspunten beschouwd worden. In de eerste plaats vanuit dat van de gewone man. Men kan zich afvragen: vormt een boek als World Dynamics of het Rapport van de Club van Rome een positieve bijdrage voor de mensheid? En omdat de gewone man geen specialist op het gebied van demografie, technologie of economie is, kan het gezag van een man als Forrester of dat van de m.i.t.-computer ertoe bijdragen dat zijn aandacht zich gaat richten op een uiterst reëel probleem, het probleem dat een welvaartsstaat de onvervangbare hulpstoffen in een hoog tempo verbruikt en dat de wereld op het ogenblik een snellere ontwikkeling doormaakt dan ooit tevoren. Vanuit het gezichtspunt van de gewone man meen ik dan ook dat het rapport van Forrester en Meadows positief beoordeeld moet worden.

Maar er is een tweede standpunt van waaruit men een studie als deze kan beschouwen - het standpunt van de experts op de verschillende vakgebieden die erdoor worden bestreken. Dit zijn mensen die al tientallen jaren bezig zijn met het meten, rapporteren en analyseren van gegevens. Ik denk daarbij aan iemand als Simon Kuznets, in 1971 Nobelprijswinnaar voor economie. Men kan zich afvragen: wat voor nieuwe gegevens voert de Club van Rome aan, wat voor nieuwe gegevens

[p. 58]

analyseren zij en wat voor nieuwe analysemethoden introduceert men om het inzicht van de specialisten op de diverse gebieden te verruimen? Nu wordt er weleens gezegd dat een profeet in zijn eigen land geëerd wordt, en misschien verander ik wel van mening als ik meer achtergrondgegevens tot mijn beschikking krijg. Maar op het ogenblik moet ik concluderen dat het de studie van Forrester en Meadows aan nieuwe gegevens ontbreekt. De feitelijke kant van het Rapport is zelfs verbazingwekkend oppervlakkig.

En hoe moet men over hun analysemethoden oordelen? In het verleden heeft professor Forrester zich een pionier op het gebied van de analyse van complexe systemen betoond. Daarvoor alle lof. Maar op het ogenblik beschikken wij overal ter wereld - Pontrjagin in Rusland, Bellman in Californië, Wold in Zweden, Phillips in Nieuw Zeeland - over verfijnde methoden om stochastische-optimale-controle-problemen aan te pakken. World Dynamics en het Rapport van de Club van Rome leveren volgens het forum van experts geen originele nieuwe analytische gezichtspunten op.

Een aantal geleerden is begonnen met een analyse van hun vergelijkingen om deze tegen de configuraties van empirische gegevens af te wegen. Dat is de normale wetenschappelijke procedure. Niemand blijft op zijn lauweren rusten. Niemands reputatie is onaantastbaar. Elke nieuw voorgestelde hypothese moet nauwkeurig door vakgenoten onderzocht worden. Wat het Rapport van de Club van Rome betreft, bevindt dat onderzoek zich nog in een beginstadium. Het zou volgens mij dan ook nog te vroeg zijn om een uiteindelijk oordeel te vellen. Maar laat ik proberen een zo objectief mogelijk overzicht te geven van de eerste aanwijzingen die deze testen hebben opgeleverd.

Ten eerste: zijn de resultaten van Forrester's methoden gevoelig voor veranderingen in de premissen, of blijven ze betrekkelijk stabiel? Voor mij ligt een studie van de Universiteit van Californië waarin de schrijver zijn voorlopige resultaten als volgt samenvat: ‘Aangetoond is dat de uitkomsten van Forrester's wereldmodel zeer gevoelig zijn voor wijzigingen in de premissen.’ Tussen twee haakjes, de naam van de schrijver is Robert Boyd. Hij is geen econoom, maar hij is verbonden aan de zoölogische faculteit van de Universiteit van Californië. Ik heb tevens het voorrecht gehad om het manuscript van een van onze eminentste jonge economen in te mogen zien, dat van professor William Nordhaus van de Universiteit van Yale, die trouwens aan de economische faculteit van m.i.t. is gepromoveerd, zodat u mijn partijdigheid tegenover hem buiten beschouwing moet laten.

Nordhaus heeft ontdekt dat onze kennis over de wetten van de verminderde meeropbrengsten - feitelijke kennis - niet is opgenomen bij het materiaal dat expliciet in de boeken van Forrester en Meadows genoemd wordt. Het fundamentele verzuim van de modellen van Forrester en Meadows is dat er te weinig aandacht wordt besteed aan het effect dat schaarste op prijs en verbruik heeft. Wanneer er een tekort aan hulpstoffen ontstaat en de stagnatie in de toevoer de groeipercentages begint te drukken, zoals in de simulatie van Forrester gebeurt, zou-

[p. 59]

den de prijzen van die stoffen in de werkelijke wereld stijgen. Vroeger stookte men in Engeland hout om ijzer te smelten. Hiermee kon men niet blijven doorgaan, omdat de Engelse bossen steeds verder gedecimeerd werden. Daarom schakelde men toen over op steenkool. Dat was ook de grote fout die Malthus in 1798 bij zijn voorspelling van de toekomstige rampen op bevolkingsgebied maakte. Malthus kon de wonderen van de industriële revolutie niet voorzien. En aan die wonderen is nog steeds geen eind gekomen.

Ik heb de J.D. Bernal-lezingen bestudeerd die in Londen werden gegeven door een van de eminentste fysici en astrofysici die de wereld kent, professor Dyson van het Institute for Advanced Studies. Dyson kijkt daarin ver vooruit, naar een tijd waarin wij via biologische technieken nieuwe organismen zullen doen ontstaan om grondstoffen te laten bewerken en opnieuw te laten circuleren, organismen die voor de mensheid grondstoffen zullen delven en afval zullen opruimen. Zoals dr. Allen V. Kneese van Resources for the Future in Washington D.C. opmerkt, duiden de sombere simulaties van de Club van Rome erop dat er in de toekomst vele mensen zullen sterven aan kanker die veroorzaakt wordt door de toepassing van asbest. Inderdaad werkt asbest het ontstaan van kanker in de hand. Maar, zo vraagt Kneese, gelooft er nu werkelijk iemand dat de remmen van onze auto's de komende eeuw nog steeds van asbest zullen worden gemaakt wanneer de ziekenhuizen vol liggen met de slachtoffers ervan? Er zijn ontelbare nieuwe stoffen die onder nieuwe schaarsteomstandigheden het goedkoopst en het veiligst zullen werken. Vervanging van materialen en verontreinigingsbelastingen - de vervuiler betaalt - zijn processen die spontaan bij een econoom opkomen, en misschien geldt dat niet voor ingenieurs. Dit zijn allemaal dingen die in World Dynamics en het Rapport van de Club van Rome verdoezeld en verwaarloosd worden. Het resultaat daarvan is dat een forum van deskundigen volkomen terecht kan stellen dat het moment van de catastrofe even waarschijnlijk in het jaar 2373 als in het jaar 2273, 2173 of 2073, plaats kan vinden.

Laat ik deze terloopse opmerkingen afsluiten. Tegenwoordig wordt er wel eens cynisch opgemerkt dat je moet schreeuwen om gehoord te worden. Misschien komt een forum van deskundigen tot de volgende uitspraak: ‘De studies van de Club van Rome vertegenwoordigen alleen maar veel geschreeuw. In het brede gamma tussen kalmte en hysterie neigen zij het meest naar de kant van de hysterie.’

Maar wij kunnen het streng wetenschappelijke forum misschien beter even buiten beschouwing laten, en overgaan naar het forum van zakenmensen, politici, gewone mensen, het grote publiek. Misschien is het geschreeuw van mensen als Forrester, Meadows, van de Club van Rome, van biologen als de eminente geleerde Paul Ehrlich van de universiteit van Stanford, wel de enige manier om de publieke opinie ervan te overtuigen dat wij iets aan de ecologie moeten doen, en er niet alleen over moeten blijven praten - misschien dat ze door hun geschreeuw voor die laatste rechterstoel wel een gouden medaille wegens goed gedrag uitgereikt zullen krijgen.

prepostterug  begin  verder