Paul R. Ehrlich is momenteel president van het Zero Population Growth Fund en vice-voorzitter van het Research Committee van het Rocky Mountain Biological Laboratory. Hij doceert aan de faculteit der biologie van de Stanford-universiteit in Stanford, Californië.
Professor Ehrlich werd in Philadelphia, Pennsylvania (1932) geboren. Hij studeerde aan de universiteiten van Pennsylvania, Kansas en de Pacific, Hij is ere-lid van de American Museum of Natural History, lid van de Ecological Society of America, the Society of Systematic Zoology, en vice-president van de Society for the Study of Evolution. Sommige van zijn publikaties als The Population Bomb, geschreven met R.W. Holm (McGraw-Hill, 1963) en How to be a survivor, geschreven met R.L. Harriman, (Ballantine, 1971) hebben lange tijd op de bestsellerlijst gestaan. Samen met zijn vrouw, Anne Ehrlich, werkzaam als biologe aan de Stanford-universiteit, schreef hij onder meer Population, Resources, Environment (W.H. Freeman, 1970, 2de druk 1972). Ook schreven de Ehrlichs in 1961 samen het boek How to know the butterflies.
Waren de gegevens in het Rapport van de Club van Rome voldoende om uw standpunt over de bevolkingsgroei te illustreren?
Wel, zij waren uiterst gecomprimeerd, maar voor het doel dat het model in deze vorm beoogde, waren zij volkomen toereikend. Met andere woorden: ik denk dat een groot aantal recensenten niet de moeite heeft genomen, om precies na te gaan wat de schrijvers verder nog gezegd hebben.
Professor Skinner klaagde in dezelfde zin.
Ook zijn boek wordt door niemand echt gelezen. Het beantwoordde volstrekt aan de voorwaarden en conclusies die door het team van de Club van Rome waren gesteld. Volgens mij komen de conclusies van het Rapport volkomen overeen met de conclusies die iedere wetenschapsman naar aanleiding van de situatie van de wereld in haar geheel zou trekken.
Professor Barry Commoner noemde het Rapport van de Club van Rome een stap terug.
Blijkbaar heeft dr. Commoner de situatie van de wereld als geheel niet bestudeerd. Ik denk dat zijn politieke opvattingen hem niet toestaan om de belangrijke rol van de bevolkingsgroei in de milieucrisis te aanvaarden. Het is erg jammer dat hij geen ecoloog in zijn groep heeft die hem kan helpen dergelijke fouten te vermijden. Misschien bedoelde hij dat het Rapport van de Club van Rome ‘een stap terug’ was voor de Commoner-campagne om de mensen ervan te overtuigen dat het bevolkings- en welvaartsprobleem onbelangrijk zijn. In dat opzicht heeft hij volgens mij gelijk.
Is de onheilsbenadering de enige manier om de publieke opinie massaal wakker te schudden?
Ik geloof niet dat het een kwestie van al of geen onheilsbenadering is. Het gaat erom een zo goed mogelijke diagnose van de huidige problemen te stellen. Daar komt het werk van het team van Meadows in wezen op neer. Hetzelfde geldt voor mijn eigen onderzoekingen. Men probeert een prognose te maken. Het is geen zaak van pessimisme of optimisme, of van onheil of geen onheil. Men gaat na waar de huidige trends toe zouden leiden. Op grond daarvan zegt men: als wij zo blijven doorgaan, ontwikkelt de situatie zich in die of die richting, waarschijnlijk met rampzalige gevolgen. Mensen die beweren dat de zogenaamde onheilsprofeten te pessimistisch zijn, zijn voornamelijk mensen zonder enig begrip voor de grondslagen van de ecologie. Aan de andere kant zijn er veel mensen met enig inzicht in de demografische situatie, die dan ook uiterst eenvoudig is. Wij hebben maar twee colleges nodig om onze eerstejaarsstudenten genoeg demografie bij te brengen om de wereldbevolkingssituatie te kunnen begrijpen. Daarna komt het inzicht in de stand van de hulpbronnen, het inzicht in de ecologie en - uiteraard het moeilijkste van alles - het inzicht in sociale en politieke systemen. Zolang het nog om natuurkunde, biologie of ecologie gaat, weten wij meestal wel in welke richting wij naar een oplossing moeten zoeken, maar feitelijk weten wij nog niet genoeg van sociale instellingen, om deze zodanig te kunnen veranderen dat wij de garantie hebben dat de corrigerende werking nog op tijd wordt ingezet.
Hoeveel tijd hebben wij volgens u nog?
Dat hangt ervan af. Als u vraagt hoeveel tijd wij nog hebben voordat de westerse wereld door een allesvernietigende ramp wordt getroffen, ben ik van mening dat het m.i.t.-rapport te optimistisch is. Zelf denk ik daarbij aan een tijdstip binnen de komende twintig jaar, waarschijnlijk niet later, hoogstens eerder. Het is natuurlijk moeilijk om dat precies te beoordelen. Het hangt ervan af hoe de situatie zich verder ontwikkelt. Als u vraagt wanneer wij hadden moeten beginnen: uiteraard hadden wij al in de jaren dertig, op zijn laatst in de jaren veertig, de juiste koers moeten inzetten. Als er bijvoorbeeld al in de jaren veertig urgentieprojecten voor geboortenbeperking in de onderontwikkelde landen waren geweest, zouden wij op het ogenblik niet geconfronteerd worden met dat afschuwelijke werkeloosheidsprobleem waarvoor politicologen en sociologen geen uitweg zien. Om de groeiende werkeloosheid tegen te gaan moet India bijvoorbeeld tien jaar lang meer dan 100 000 nieuwe arbeidsplaatsen per week kunnen creëren. Wij hebben tegenwoordig te kampen met enorme aantallen mensen die aan economieën gaan deelnemen die hun geen werk kunnen verschaffen, met onoplosbare voedselproblemen, enzovoort. Een andere kwestie is of de ingebouwde traagheid van het systeem ons in ieder geval zal vernietigen, ook wanneer wij de eerste veranderingen nu al zouden beginnen te realiseren. Het is best mogelijk dat wij al te laat zijn. Vele ecologen proberen een antwoord te geven op deze vraag, die volgens mij de allerbelangrijkste is.
Hoe denkt u over de kloof tussen de arme en de rijke culturen?
Deze is voortdurend breder geworden, en dat proces gaat nog steeds verder. De oplossing die de doorsnee-econoom geeft voor dit probleem, dat zowel op nationaal als op Internationaal niveau bestaat, is dat de slinger nog harder moet worden aangezwengeld. Wij zouden volgens hen er alleen maar voor behoeven te zorgen dat de economische groei gehandhaafd blijft en de economische kringloop steeds sneller kan verlopen.
Dat beweerde McNamara tussen twee haakjes nog in Stockholm (1972).
De idee die daarachter steekt is dat economische groei genoeg kruimels overlaat om de omstandigheden van de armen te verbeteren. Maar de tactiek kennen wij uiteraard al uit de praktijk. Zij werkt niet. De afgelopen vijfentwintig jaar hebben wij niets anders gedaan, en de kloof wordt steeds breder. Hoewel dat nog niet onomstotelijk bewijst dat die benadering nooit ofte nimmer zou werken, laat het volgens mij nauwelijks een andere conclusie toe dan dat de ‘eeuwige groei’-aanpak ongeschikt is - vooral omdat zij bovendien nog tot rampzalige gevolgen voor de ecologie leidt. Wat wij moeten doen is ons uit alle macht inspannen om in de overontwikkelde landen te komen tot een stabiele economie, een ruimte-mens-economie, zoals men dit noemt. Daarna moeten wij de kwestie van de herverdeling van de welvaart aanpakken. Dat is uiteraard een van de moeilijkste politieke en economische problemen van deze tijd.
En wat denkt u van de herstructurering van de omgeving? Hoe ziet u de rol van gedragsplanners?
Wel, de hele kwestie komt er uiteraard op neer hoe men het menselijk gedrag in een wat ik zou willen noemen meer op het voortbestaan gerichte vorm kan gieten.
Dat is volgens professor Skinner het doel van het leven: voortbestaan.
In vele opzichten ben ik Skinneriaan. Maar zijn oplossingen zijn op het ogenblik grotendeels onuitvoerbaar. Waar ik echter hoop uit zou willen putten is, dat de mens, voor zover wij in andere culturen kunnen zien, niet noodzakelijkerwijs een agressieve verspiller hoeft te zijn. Volgens mij gaat het er op het ogenblik niet zozeer om hoe men de menselijke natuur verandert - hoe interessant dat ook mag zijn - maar hoe men menselijke instellingen verandert.
Er zijn suggesties gedaan voor een Wereldbevolkingsinstituut.
Ik heb niets tegen instituten en commissies, maar eerlijk gezegd kan ik mij om dat soort dingen niet zo druk maken. Instituten, commissies, academies en dergelijke zijn de standaardantwoorden van de gevestigde wetenschappelijke en politieke orde, die de wereld de afgelopen vijfentwintig jaar geregeerd heeft en de situatie intussen langzaam maar zeker heeft laten verslechteren. Het zijn de mensen die niet weten hoe zij tot ontwapening moeten komen. Het zijn de mensen die geen middel kun-
nen vinden om te voorkomen dat de auto de Verenigde Staten vernietigt. Het zijn de mensen die geen methode weten om de voortdurende exponentiële groei van het energieverbruik - in de Verenigde Staten tussen de vijf en acht procent - tegen te houden. Met andere woorden: als men naar de leden van de Amerikaanse Academie van Wetenschappen kijkt, naar de leden van de Amerikaanse regering, de Britse regering, de regeringen van de afzonderlijke Amerikaanse staten, enzovoort, ziet men de mensen die niet in staat zijn om wijziging te brengen in de koers die ons regelrecht naar de ondergang voert.
Het is een belachelijke veronderstelling dat het systeem veranderd kan worden door nog meer van dergelijke instellingen in het leven te roepen. Wij hebben een theorie over dat soort mensen, die wij de ‘ik ben het bewijs’-theorie noemen. Dat wil zeggen dat het feit dat deze mensen aan de top van het systeem zitten, voor hen het beste bewijs is dat het systeem volmaakt moet zijn, omdat zij anders niet naar de top zouden zijn gestegen. Het zijn wel de allerlaatste mensen van wie men een werkelijke verandering in het systeem kan verwachten.
John R. Platt heeft het over een mobilisatie van wetenschapsmensen om dringende kwesties op te lossen.
Ik ben het met John eens dat wij de mensen van de wetenschap moeten mobiliseren om de huidige crisis het hoofd te bieden, zoals wij dat ook in de Tweede Wereldoorlog hebben gedaan. Maar eerst moeten wij het grote publiek mobiliseren. Daarna de politici.
Maar wij verkeren in een oorlogssituatie.
Het punt is dat men wetenschapsmensen pas kan mobiliseren wanneer de mensen en de politici ook werkelijk beseffen dat wij in een oorlogstoestand verkeren. Allereerst behoren de wetenschapsmensen tot de conservatiefste mensen die er bestaan. Zij zijn gewend zich in hun laboratoria op te sluiten, te doen wat de politici zeggen en verder hun mond te houden. Er zijn enkele schaarse uitzonderingen, maar van de ongeveer driehonderdduizend wetenschapsmensen hebben minstens tweehonderdvijfennegentigduizend zich met huid en haar aan industrie of regering verkocht.
De gevestigde orde.
Ja, uiteraard. Ze zullen niets mobiliseren! Zij hebben hun werk. Wat zij willen mobiliseren zijn ruimteprojecten. U weet dat men bij de nasa zich uitslooft om allerlei onzinnige zaken draaiend te houden. U hoeft niet te verwachten dat de mensen van de wetenschap voorop zullen gaan.
Welke rol spelen de media daarbij?
In de Verenigde Staten zijn de media uiteraard van a tot z in handen van mensen die alle belang bij het handhaven van de status quo hebben. Een van de problemen waarmee wij hier in de Verenigde Staten geconfronteerd worden is, hoe wij de media uit de greep van grote
ondernemingen als General Motors en dergelijke kunnen bevrijden. Dat is een zeer ernstig probleem. Misschien is het mogelijk, maar het komt weer op hetzelfde neer. Wil men de media veranderen, dan moet men de politiek veranderen. De media staan onder toezicht van de Federal Communications Commission, die op haar beurt uiteraard voor een belangrijk deel onder toezicht staat van dezelfde mensen die verondersteld worden onder haar toezicht te staan. De vossen bewaken het kippenhok. Steeds weer komt men op de politiek uit. Ecologie is eenvoudig. Demografie is ongelooflijk eenvoudig, maar politiek en sociologie zijn meestal erg, erg gecompliceerd en moeilijk.
Ik veronderstel dat u ook niet te veel verwacht van de wereldbevolkingsconferentie van 1974.
Er zou iets positiefs uit kunnen voortkomen. In een bepaald opzicht was het een wonder dat vier jaar nadat de eerste politicus het woord ecologie had geleerd, er al een milieuconferentie in Stockholm (1972) kon plaatsvinden. Stockholm had een zekere propagandawaarde. In wezen was de directe invloed ervan gericht. Bobby Fisher's schaakpartijen werden in de media aanzienlijk breder uitgemeten dan de milieuconferentie.
Een succesvolle bevolkingsconferentie zou een stap in de goede richting kunnen zijn.
Het is een stap in de goede richting, maar het is zoiets als iemand die met een vingerhoed water hoost terwijl de boot zinkt. Men kan zeggen dat elke vingerhoed water die je overboord gooit een stap vooruit is. Maar als het water met tienduizend liter per minuut binnenstroomt en men drie, vier vingerhoeden water per uur weg weet te scheppen - ja, het is een stap in de goede richting, maar het is nauwelijks een reden om enthousiast te worden over de manier waarop men zich zelf aan het redden is.