terug  begin  verderprepost
[p. 54]

E.A. Ayandele

Professor Emmanuel Ayenkanmi Ayandele werd op 12 oktober 1936 in Ogbomosho, Nigeria, geboren. Hij studeerde in Nigeria zelf en later aan het King's College van de Londense universiteit. In 1969 volgde zijn benoeming als hoogleraar in de geschiedenis aan de universiteit van Ibadan: In 1972 werd hij directeur van de faculteit der geschiedenis aan dezelfde universiteit. Hij schreef een aantal boekwerken, waaronder African Exploration and Human Understanding (Edinburgh University Press 1972) en The Educated Elite in Nigerian Society (Ibadan University Press 1974). Professor Ayandele is lid van de Club van Rome.

Bent u het met mij eens dat dit symposium (Tokio, oktober 1973) van de Club van Rome zijn aandacht niet meer hoofdzakelijk op statistieken en computers richt, maar steeds meer op de fundamentele problemen waarmee de mensheid op deze aarde geconfronteerd wordt, en dat de Club er zich hoe langer hoe meer van bewust wordt dat geen probleem zo dringend en zorgwekkend is als de kloof tussen arm en rijk?

Inderdaad, maar voordat ik op uw vraag inga, wil ik eerst een paar algemene opmerkingen maken over de Club van Rome, waar ik me gelukkig prijs lid van te zijn. Sinds ik tot dit college ben toegetreden - zo'n twee en een half jaar geleden - ben ik zeer getroffen door een groot aantal concrete aspecten rond deze organisatie.

Als historicus ben ik allereerst onder de indruk van het feit dat zoveel mensen, afkomstig uit totaal verschillende delen van de wereld, zich zo betrokken voelen bij de enorme problemen die zijn voortgekomen uit de successen die de mens op wetenschappelijk en technologisch gebied heeft geboekt. Of anders gezegd, dat al deze leden van de Club van Rome geen slaaf zijn geworden van prestaties die de mens in sommige opzichten duidelijk veel materieel comfort hebben bezorgd. Niet minder belangrijk is volgens mij dat de leden van de Club van Rome zich veel rechtvaardiger hebben betoond dan hun voorgangers. Met voorgangers bedoel ik niet de imperialisten, want dat is een veel te subjectieve term, ik gebruik liever het woord koloniale heersers. Hun opvattingen over Afrika en de andere onderontwikkelde delen van de wereld kwamen er namelijk in wezen op neer, dat zij deze als principieel minderwaardig beschouwden, waardoor zij het ook niet nodig vonden om ze bij de oplossing van enig probleem van wereldomvattende aard te betrekken. De Club van Rome is een zeer belangrijke organisatie en heeft volledig begrip voor deze kwestie. De leden van de Club zijn zich wel bewust dat de problemen die onderdeel van de ‘problématique’ vormen in wezen algemeen menselijk zijn en niet kunnen worden opgelost door alleen een beroep te doen op de wijsheid en vindingrijkheid van de mensen in het ontwikkelde deel van de planeet, zonder daarbij de bevolking van de onderontwikkelde landen te raadplegen.

Het gaat daarbij trouwens om heel wat meer dan alleen maar

[p. 55]

raadplegen. Binnen de Club van Rome discussiëren wij volledig op voet van gelijkheid. Wij voelen ons een eenheid. Heel vaak gaan wij volledig spontaan, zeer broederlijk met elkaar om. Wij benaderen problemen naar hun specifieke inhoud, zonder ons daarbij ook maar in het minst bewust te zijn van onze verschillende geografische, raciale of etnische achtergronden. Dit is in mijn ogen uiterst belangrijk. Niet alleen uit moralistische overwegingen, ook al ben ik misschien als gevolg van mijn opvoeding over het algemeen moralistisch ingesteld; maar vooral omdat ik op grond van mijn opvatting van de geschiedenis, mijn beeld van de mens, de hypothese heb - en het is in feite meer dan een hypothese, het is een soort stelregel - dat mensen waar en hoe zij ook leven in de allereerste plaats mensen zijn, en dat hun onderlinge verschillen in wezen van geografische en ecologische aard zijn. Ik ben van mening dat toevallige omstandigheden als huidskleur en andere etnische kenmerken volstrekt onbelangrijk zijn en niets afdoen aan het principe dat alle mensen biologisch gezien gelijk zijn.

De Club van Rome - dit werd me sedert de eerste vergadering die ik in Montreal in 1971 bijwoonde, steeds duidelijker - vormt bij haar benadering van wereldomvattende problemen in wetenschappelijke termen een volstrekte eenheid. Dit is volgens mij zeer belangrijk en het zou een voorbeeld moeten zijn voor andere internationale organisaties. Wij gaan volledig onbevangen met elkaar om. Andere professionele organisaties zijn vaak subjectief en discriminerend, om maar te zwijgen van de Verenigde Naties - commissies, die broedplaatsen zijn van politieke intriges, enzovoorts.

Ik geloof dat het goed zou zijn als de buitenwereld besefte dat de Club van Rome een organisatie is die niet uit verschillende vakjes bestaat, of anders gezegd, die er voor zover ik weet geen vooroordelen op na houdt.

 

Zoals de psycholoog Gordon Allport eens stelde: ’Een atoom valt makkelijker te splitsen dan een vooroordeel.’

Precies Wat de buitenwereld ook zou moeten weten is dat de leden van de Club van Rome op planetaire leest geschoeid zijn. Planetair in praktische zin, dat wil zeggen dat zij een bepaalde opvatting over een wereldburgerschap gestalte proberen te geven. Ik denk daarbij onwillekeurig aan de stoïcijnen uit de achtste eeuw voor Christus, die aanvankelijk beweerden burgers van het heelal te zijn. Ik heb niet de bedoeling om de leden van de Club van Rome te romantiseren, maar ik geloof dat zij werkelijk wereldburgers zijn. U kunt zich er zelf van vergewissen dat de vele problemen waarmee zij zich de afgelopen vijf jaar hebben beziggehouden niet op een beperkt doel gericht waren, maar ook werkelijk vanuit een zorg voor de wereld als geheel benaderd werden en op wereldomvattende schaal geprojecteerd zijn.

Als we het over de crisis van de mensheid hebben, de eerste leus die door de stichter van de Club, Aurelio Peccei, gebruikt werd, en we de fundamentele problemen waarmee de mensheid geconfron-

[p. 56]

teerd wordt proberen vast te stellen, komen we al snel op het probleem van de hulpbronnen. Moeten wij in deze tijd egoïstisch zijn? Moeten wij onze honger bevredigen en de hulpbronnen van de aarde op zo rationeel mogelijke wijze exploiteren? Moeten de mensen zich in zo'n tempo voortplanten dat er binnenkort meer mensen zijn dan de wereld kan voeden? Hoe moeten we de Groene Revolutie doorvoeren? Dit zijn een aantal fundamentele problemen die alle mensen aangaan, ongeacht godsdienst, huidskleur of afkomst. De Club van Rome heeft geprobeerd deze problemen aan te pakken. Daarbij hebben haar leden meer op het oog dan alleen onze huidige generatie. Als zij egoïstisch waren zouden zij zich niet zoveel moeite geven om over een tijd te denken waarin zij zelf al lang met hun voorouders verenigd zullen zijn. Ik geloof dat onzelfzuchtigheid een van hun meest kenmerkende eigenschappen is.

 

Aurelio Peccei heeft me eens verteld hoe graag hij iets constructiefs voor zijn kleinkinderen en voor kinderen in het algemeen zou willen doen.

Zo'n soort altruïsme tref je echt niet vaak aan in organisaties. Voor zover ik weet is het ook nauwelijks de manier waarop de mensheid zich in de geschiedenis gewoonlijk gedragen heeft. U heeft onze besprekingen van de afgelopen drie dagen hier in Tokio bijgewoond en u heeft zelf kunnen constateren hoe wij tijdens onze discussies allemaal een spontaan altruïsme aan de dag leggen.

 

Volgens mij is dat voor een belangrijk deel te danken aan het leiderschap en de persoonlijkheid van Aurelio Peccei. Zo is nu eenmaal de manier waarop hij functioneert. Hij is de ziel van alles.

Om nu in te gaan op uw vraag wat ik van de afgelopen dagen in Tokio vond - ik geloof dat onze gesprekken over de energiecrisis en de kwestie van de voedselproduktie, waaraan ook experts deelnamen die geen lid zijn van de Club van Rome, uiterst nuttig zijn geweest, omdat de Club van Rome, die in wezen een braintrust is, haar standpunten niet op abstracties baseert, maar op empirische gegevens die vanuit alle delen van de wereld bijeengebracht worden.

Maar u heeft gelijk, ik voel me vaak overweldigd door de hartstocht waarmee Aurelio Peccei zich voor deze zo uiterst positieve zaak inzet.

 

Hij wil ook geen enkele lof voor alles wat hij doet, en waarschijnlijk zou hij het allerminst prettig vinden als hij wist dat wij er nu hier over praatten.

Misschien niet. Maar hij is werkelijk het brein achter deze hele beweging.

 

Heeft u het met uw studenten in Ibadan ook over de Club van Rome gehad?

Nee, zeer welbewust niet. Alles heeft namelijk zijn tijd. De mensen

[p. 57]

in de ontwikkelingslanden verkeren op 't ogenblik in het stadium dat je, voordat je met een programma komt, er eerst heel zeker van moet zijn dat ze er ook aan willen. De taal en de strekking van een studie als het Rapport van de Club van Rome -

 

Zou de meeste Afrikanen als Chinees in de oren klinken.

Precies. Het Rapport zou zeer veel toelichting nodig hebben om in Afrika met enig succes gepresenteerd te kunnen worden. Het zou enigszins illusoir zijn om zo'n soort taal en zo'n soort strekking in ons werelddeel te introduceren. De politieke instincten zijn in Afrika als gevolg van de lange imperialistische en koloniale overheersing zeer sterk ontwikkeld. Afrikanen zijn er dan ook van nature toe geneigd om een organisatie, die voornamelijk door mensen uit het ontwikkelde deel van de wereld geleid wordt, te wantrouwen. Dat hoeft ook nauwelijks verbazing te wekken. Zelfs in de ontwikkelde landen zijn er mensen die de Club van Rome op ideologische gronden wantrouwen; zo worden de leden van de Club door sommigen bijvoorbeeld als samenzweerders tegen hun eigen welvarende klasse beschouwd. U kunt zich dus wel voorstellen hoe de meeste Afrikanen zouden reageren op het beeld dat door rijke westerlingen in het Rapport naar voren wordt gebracht. De strekking ervan zou nooit tot de bevolking doordringen.

Ik heb veel over deze kwestie nagedacht, en ik ben tot de conclusie gekomen dat de beste manier om het programma van de Club van Rome aan Afrika te verkopen is, om eerst belangstelling te wekken bij de politieke leiders en met hen de punten van algemeen belang te bespreken. Dat betekent niet - en ik wil dat met nadruk stellen - dat het Afrikaanse publiek zo naïef is als sommige mensen schijnen te denken. Wij bezitten van nature een ongelooflijk vermogen om bepaalde kwesties te begrijpen, maar deze dienen wel op het juiste tijdstip en op de juiste manier naar voren te worden gebracht. Het zou een verkeerde tactiek zijn om het grote publiek via de populaire pers met de strekking van wat de Club van Rome doet te overvallen, zonder eerst zorgvuldig de weg vrij te hebben gemaakt. Zonder gedegen voorbereiding zouden de massa's in de Club van Rome niet meer dan een neokolonialistisch komplot zien, temeer omdat de Club uit zakenmensen, geleerden en politici uit andere delen van de wereld bestaat.

 

Ik moest onwillekeurig aan de heersende hongersnood in Centraal-Afrika denken toen ik de overladen dinertafels en buffetten zag op de hoogste verdieping van het Imperial Hotel hier in Tokio, waar de deelnemers aan het symposium van de Club van Rome zich te goed deden aan de kostbaarste heerlijkheden.

Inderdaad. Dat toont n voor de zoveelste maal de kloof die er heerst tussen degenen die de crisis van de mensheid bespreken, zoals de Club van Rome, en degenen die deze crisis beleven zoals de bewoners van het zuidelijk deel van de Sahara, die op 't ogenblik de ont-

[p. 58]

stellende honger in die gebieden aan den lijve moeten ondervinden. Dat was tussen haakjes ook het punt dat de Poolse afgevaardigde naar het symposium, professor Adam Schaff, steeds weer naar voren bracht.

 

Samen met zijn Poolse collega Josef Pajestka en vele Latijns-Amerikaanse gedelegeerden.

Weet u, wij ontvangen in Nigeria vaak brochures, ons toegestuurd door buitenlanders, die ons ongetwijfeld met de beste bedoelingen duidelijk willen maken dat de Afrikaanse tropen het gevaar lopen binnenkort overbevolkt te raken. Daarmee vertellen zij de Nigeriaanse lezers echter niets nieuws. Maar omdat deze alarmerende geluiden uit het buitenland komen zijn de meeste Nigerianen en de meeste Afrikanen in het algemeen geneigd, om al het gepraat hierover als een blanke samenzwering te zien. Zij kunnen tenslotte echt wel hun eigen bevolking per land in verhouding tot zijn geografische en fysieke grootte zelf berekenen. Zo komen ze bijvoorbeeld tot de wedervraag ‘En Nederland dan?’, omdat zij weten dat Nederland een van de dichtstbevolkte landen ter wereld is.

 

Maar de Nederlanders krijgen van andere Nederlanders te horen dat hun huidige bevolking van ruim dertien miljoen tot hoogstens tien miljoen moet worden teruggebracht.

Als het Rapport van de Club van Rome zonder meer aan de openbare mening van de Afrikanen zou worden voorgelegd -

 

Zou het een tegengesteld effect hebben.

Inderdaad. De Afrikanen zouden zeggen: ‘De blanken willen niet dat wij ons vermenigvuldigen. Maar de geschiedenis toont aan dat zij dat zelf wel hebben gedaan. Omdat Engeland overbevolkt raakte hebben de Britten zich over de hele aardbol verspreid tot Noord-Amerika, Zuid-Afrika en Australië toe.‘ Dit is misschien niet helemaal waar, maar het is wel de logische conclusie die Afrikanen eruit zouden trekken. De Nigeriaanse bevolking wordt geschat op zo'n zestig, vijfenzestig miljoen, met andere woorden, ongeveer hetzelfde inwonersaantal als Groot-Brittannië. Maar Nigeria is viermaal zo groot als Engeland. De Nigerianen kunnen op 't ogenblik onmogelijk inzien dat zij in zo'n netelige situatie verkeren als beweerd wordt door mensen, die zich ernstig zorgen maken over de bevolkingsgroei, zoals de leden van de Club van Rome, die hun oordeel bijna uitsluitend op de situatie in de blanke landen baseren.

De manier waarop Afrikanen tegenover het schrikbeeld van de overbevolking staan, kan alleen begrepen worden vanuit de levensfilosofie die zij ten opzichte van hun traditionele omgeving bezitten. Wat is de filosofie van de Afrikanen? In de allereerste plaats beschouwt de doorsnee Afrikaan zichzelf niet als arm. Afrikaanse boeren zijn altijd afgemeten aan de normen van de mensen die ze bestudeerden. Het idee dat Afrikaanse boeren in verschrikkelijke ar-

[p. 59]

moede leven, komt voort uit de denkwijze van de rijke inwoners uit ontwikkelde landen, die zeker niet altijd even gelukkig zijn als de zogenaamde arme volkeren met wier lot zij zo begaan zijn. Ik ben zelfs geneigd te veronderstellen dat vele Afrikanen zichzelf in kwalitatief en geestelijk opzicht rijker achten dan een groot deel van de bevolking van de zogenaamde rijke landen, hun geletterde tegenhangers.

 

Zij zien een toekomst om naar toe te leven, omdat zij hun landen naar moderne maatstaven kunnen opbouwen.

Als u met ‘zij’ de ontwikkelde elite bedoelt, zou ik zeggen: ‘ja’. Maar ik heb het tot nu toe nog alleen maar gehad over de ongeletterde massa's, die nog steeds de meerderheid vormen, en die nog nauwelijks door westerse gewoonten en opvattingen zijn aangetast. Als ontwikkelde Afrikaan onderschrijf ik het credo dat in uw vraag besloten ligt. Maar dat geldt niet noodzakelijkerwijze voor de Afrikaanse plattelandsbewoner. Dit is een punt dat ik met de meeste nadruk naar voren wil brengen. De Afrikanen die zich met kwesties als gezinsplanning bezighouden zijn intellectuelen zoals ik. Het is echter overbodig om deze groep over de voordelen van gezinsplanning te onderhouden. Deze voordelen zijn namelijk bekend en worden algemeen onderschreven. Maar de doorsnee Afrikaan zou volledig verbijsterd en letterlijk met stomheid geslagen zijn als je hem trachtte duidelijk te maken dat hij er een klein gezin op na moest houden. Hij zou aan je verstandelijke vermogens twijfelen. Aan deze houding ligt namelijk een diepgewortelde overtuiging ten grondslag, dat een kind een goddelijke zegen is die niet verworpen of vernietigd mag worden. Zo eenvoudig ligt de zaak in wezen. En zeg nu niet dat dit een primitieve opvatting is, want de rooms-katholieke kerk denkt er net zo over! Het idee van gezinsplanning raakt de heiligheid van het leven zelf.

De redenering van de ongeletterde Afrikaan is volmaakt logisch en er valt niets aan af te dingen. Om hem heen is meer dan genoeg land om in cultuur te brengen. En hoe meer kinderen je hebt, over des te meer mankracht beschik je om het land te bebouwen. Ongeletterde Afrikanen houden nog steeds vast aan hun tradities en godsdienstige opvattingen. En ik wil er daarbij opnieuw op wijzen dat zij tegen een achtergrond waarbij zij blanken niet als beschaafde wezens beschouwen, zichzelf niet zo arm achten als zij in de ogen van mensen uit Londen en New York misschien wel zijn.

 

Maar toch zijn er in Nigeria enkele gezinsplanningsgroepen actief.

Mijn universiteit, de universiteit van Ibadan, houdt zich nu al een paar jaar met gezinsplanning bezig, en gaat daarbij uit van de vraagstukken die wij in de Club van Rome bestudeerd hebben. Het idee van gezinsplanning, dat geloof ik door een of andere Amerikaanse stichting gesponsord wordt, heeft ook in Nigeria langzamerhand vaste voet verworven, vooral bij de ontwikkelde elite.

[p. 60]

Op welk gebied, of op welke gebieden zou de Club van Rome volgens u kunnen beginnen om ook in Afrika, via hun befaamde computermodelmethoden, speciale studies op touw te zetten?

Allereerst een persoonlijk academisch vooroordeel, gebaseerd op mijn eigen vakgebied, de geschiedenis. Ik geloof namelijk niet dat de mens in een computer valt onder te brengen, of tot wiskundige componenten teruggebracht kan worden. De mens is veel complexer en ondoorgrondelijker dan wij geneigd zijn aan te nemen, en het vernuft van een computer is daartoe ontoereikend. Methodologisch gezien is de modelmethode die op 't ogenblik door een deel van de geleerden met zoveel hartstocht beleden wordt, gebaseerd op uitgangspunten waarin de mens geen centrale plaats inneemt. Moeten we ons er dan ook over verwonderen dat machines tot dusver op schrikbarende wijze gefaald hebben bij het oplossen van fundamentele menselijke problemen die in het wezen van de mens verankerd liggen?

Wat ik bedoel is dat noch computermethoden, noch angstaanjagende onheilsvoorspellingen, noch modellen, hoe rationeel en valide ze in theoretisch opzicht ook mogen zijn, problemen als de uitputting van de hulpbronnen of de zogenaamde overbevolking op kunnen lossen, zolang de mens het punt niet heeft bereikt waarop instincten gebaseerd op stam, ras of natie, hoogmoedswaanzin, hebzucht, koppig egoïsme en dergelijke definitief tot het verleden behoren.

Wat de Afrikaanse problemen betreft ben ik er niet van overtuigd dat de huidige systeemdynamische modellen op dit moment van meer dan potentieel belang kunnen zijn. Bijvoorbeeld: gezien de enorme reserves aan delfstoffen en bossen waarover Afrika beschikt, lijdt het geen twijfel dat Afrika nog veel meer mensen kan herbergen dan het nu doet. Omdat de industrialisering zich nog in de kinderschoenen bevindt, is er geen sprake van een vervuilingsprobleem van enige omvang. Het vage streven naar een hoogwaardiger bestaan, waarin de mens niet langer meer onder de tirannie van het laag-bij-de-grondse materialisme gebukt gaat, zoals dat nu vooral in Japan onweerstaanbaar om zich heen grijpt, is een verschijnsel dat in Afrika, een continent dat nog steeds overwegend agrarisch, traditionalistisch en vanuit westers standpunt gezien analfabetisch is, nog in het verre verschiet ligt.

Afrikaanse problemen moeten op een andere manier en met andere methodologische uitgangspunten worden aangepakt. Wat is de Afrikaanse crisis? Deze komt in het kort op het volgende neer: hoe kunnen wij de technologie voor een maximale economische groei en een hoogwaardiger bestaan aanwenden, zonder dat dit leidt tot de mensonwaardige sociale problemen die Europa en Noord-Amerika hebben geteisterd? En hoe kunnen wij in de loop van dit proces van economische ontwikkeling en industrialisering de geestelijke kenmerken van het traditionele Afrikaanse bestaan in stand houden? Dit maakt misschien een weinig realistische indruk, en lijkt een poging om op het zaaisel te bezuinigen zonder aan de oogst te verliezen.

Maar de Afrikaanse crisis wordt nog verder gecompliceerd door

[p. 61]

de zware last van het neokolonialisme, de natuurlijke en dodelijke opvolger van het kolonialisme, waardoor Afrika en de Afrikanen nog steeds uitgebuit en leeggeplunderd worden door de ‘ontwikkelde’ volkeren van deze planeet, voornamelijk ten eigen bate.

prepostterug  begin  verder