terug  begin  verderprepost
[p. 87]

C.V. Narasimhan

Chakravarthi V. Narasimhan werd op 21 mei 1915 in Srirangam in het zuiden van India geboren. Hij studeerde aan de universiteiten van Madras en Oxford. In 1936 begon hij in het provinciale bestuur van Madras te werken. In 1950 werd hij in New Delhi aangesteld en maakte deel uit van de top van de ministeries van Landbouw en Financiën. In 1956 werd hij benoemd tot uitvoerend secretaris van de ecafe (United Nations Economic Commission for Asia) in Bangkok. Van 1959 tot 1962 was de heer Narasimhan ondersecretaris voor bijzondere politieke zaken op het hoofdkwartier van de Verenigde Naties. Bovendien benoemde secretaris-generaal Dag Hammarskjöld hem in 1961 tot chef-de-cabinet, een post die hij de gehele ambtsperiode van secretaris-generaal U Thant heeft bekleed, evenals onder Kurt Waldheim tot 15 september 1973. Thans is hij de onder-secretaris-generaal voor bemiddelingszaken en coördinatie op het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in New York, alwaar dit gesprek plaatsvond.

De mensheid heeft het idee van een wereldomvattende organisatie nergens to dicht benaderd als in de Verenigde Naties. Toch is men over het algemeen uiterst somber over de kracht, de invloed en het prestige ervan.

Ik heb de indruk dat deze somberheid allereerst voortkomt uit de al te hoog gespannen verwachtingen die men ervan heeft gekoesterd, en daarnaast uit een wijd en zijd verbreid misverstand over de aard van de organisatie. U moet wel bedenken dat de Verenigde Naties op de eerste plaats uit vertegenwoordigingen van regeringen bestaan. Hoewel het handvest spreekt over ‘mensen’, en niet over lidstaten, toont het optreden van de regeringen in de verschillende organen van de Verenigde Naties, zoals de Algemene Vergadering, de Veiligheidsraad, enzovoort, dat de Verenigde Naties voor vele landen een middel is om nationale belangen tot uitdrukking te brengen. Dit blijkt vooral uit de gevallen waarin deze belangen een overheersende rol spelen. De Verenigde Naties kunnen bovendien alleen maar effectief zijn wanneer de lidstaten dit toelaten en bereid zijn om de positie en het gezag van een overkoepelend orgaan te aanvaarden. Desondanks ben ik ervan overtuigd dat een versterking van de Verenigde Naties op de lange duur alle lidstaten ten goede zal komen. Met het huidige handvest kunnen de lidstaten er echter maar moeilijk toe komen om de organisatie in dit licht te zien, en dit maakt deel uit van de problematiek waarvoor wij nog steeds staan.

Wat de te hoog gespannen verwachtingen betreft, deze zijn grotendeels terug te voeren tot op het moment waarop het plan voor de oprichting ontstond, aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. De Verenigde Naties werden toen gezien als het antwoord op alle wereldproblemen. Het zou natuurlijk schitterend zijn geweest wanneer de organisatie inderdaad op die wijze gewerkt zou hebben, maar zoals u wel weet worden wij met talrijke problemen geconfronteerd. Allereerst bijvoorbeeld de kwestie van het gebrek aan politieke wil. Zelfs voor een zekere mate van economische samenwerking tussen de lidstaten is een politieke bereidheid van de kant van de verschillende landen in kwestie noodza-

[p. 88]

kelijk. Sommige economische problemen in de wereld zijn zelfs nog minder makkelijk oplosbaar dan vele politieke problemen. Dit alles draagt uiteraard bij tot een algemeen gevoel van teleurstelling. Een van mijn vrienden, een filosoof, placht te zeggen dat de twee grootste teleurstellingen in het leven waren: ten eerste, te krijgen wat je wilt; ten tweede, niet te krijgen wat je wilt.

Want wel te krijgen wat je wilt kan immers eveneens een zeer teleurstellende ervaring zijn. Het woord ‘nemesis’ betekende oorspronkelijk: te krijgen wat je had gewild, om dan te ontdekken dat je het eigenlijk niet wilde. In ons geval zijn de mensen teleurgesteld omdat de Verenigde Naties niet aan de verwachtingen hebben kunnen beantwoorden. Maar aan de andere kant wordt bijvoorbeeld wel verwacht, als zich een situatie voordoet zoals de oorlog in het Midden-Oosten, dat indien de grote mogendheden het eens zouden kunnen worden over een staakthet-vuren, dit uitsluitend via de Verenigde Naties moet worden tot stand gebracht. De twee supermogendheden waren er zonder dese bemiddeling niet toe in staat geweest. Het kon pas realiteit worden door de goede diensten van de Verenigde Naties. Trouwens, de secretaris-generaal liet ons onlangs een telegram lezen dat hij van een dame had ontvangen; het luidde: ‘Godzijdank dat de Verenigde Naties er zijn.’

Dit geldt inderdaad voor een operatie van beperkte omvang, zoals het handhaven van de vrede in het Midden-Oosten. Maar wat kwesties op grotere schaal betreft, zoals het probleem van de eindigheid van de aarde, het probleem van de hulpbronnen, het probleem van de grenzenaan-de-groei, het probleem van de vervuiling, het probleem van het milieu, het probleem van de overbevolking, enzovoort, dan vinden we een samenspel van individueel optreden, nationale besluiten en internationale actie. Als iedereen op de wereld tien kinderen wilde, zou u zich kunnen voorstellen wat het lot van de wereld zou zijn. Maar wanneer iedereen uit zuiver persoonlijke overwegingen, dus niet omdat het belang van zijn land of dat van de mensheid als geheel dat vraagt, tot de slotsom zou komen dat het onverstandig zou zijn om meer dan twee kinderen te krijgen, zou de bevolkingstoename automatisch tot nul dalen. Dan zou het ook veel makkelijker zijn om de toekomst op langere termijn uit te stippelen.

Ik ben ervan overtuigd dat kwesties als het milieu, de vervuiling, ziektes, epidemieën, voedsel, honger, enzovoort alle nationale grenzen overschrijden, vooral gezien de technologische revolutie van het ogenblik. Nu bijvoorbeeld iemand als u gisteren in Tokio kon zijn, vandaag in New York en morgen weer in Amsterdam, is het duidelijk dat het ritme van de wereld op dramatische wijze versneld is. De mens trekt voortdurend heen en weer. De snelheid van het internationaal verkeer is zo toegenomen, dat problemen die vroeger misschien geïsoleerd en afzonderlijk benaderd konden worden, nu op intercontinentale schaal moeten worden aangepakt. De huidige problemen van de mens transcenderen alle nationale grenzen. Zij houden niet halt bij de grens van een bepaald land. Om ze te kunnen oplossen moeten Internationale acties worden ondernomen.

[p. 89]

Mevrouw Indira Gandhi vertelde mij met veel nadruk dat geboortebeperking bijvoorbeeld niet van bovenaf kon worden opgelegd, maar via vrije keuze tot stand moest komen. Maar hoe kunnen wij op wereldomvattende schaal het inzicht bevorderen dat geboortebeperking absoluut noodzakelijk is en zo snel mogelijk moet worden doorgevoerd?

Geboortebeperking zal nooit voor iedereen aanvaardbaar zijn. Maar het probleem zou al grotendeels zijn opgelost, wanneer de meerderheid van de mensen het wilde aanvaarden. Het is volmaakt zinloos om op dit gebied naar universele overeenstemming te streven. Maar dat neemt niet weg dat er aan de kwestie van de overbevolking in de zeventien jaar die ik nu bij internationale instanties werkzaam ben, zeer veel aandacht is besteed. Wat de Verenigde Naties op dit gebied hebben kunnen bereiken, is zonder meer geweldig.

Toen ik ruim zeventien jaar geleden lid werd van de Economische commissie voor Azië, zette ik voor het eerst een instantie op die zich speciaal met demografische problemen bezig moest houden. Een van mijn toenmalige collega's, Gunnar Myrdal, die op dat moment uitvoerend secretaris van de Economische commissie voor Europa was, waarschuwde mij dat demografie voor de Verenigde Naties een gevaarlijk terrein zou zijn om te betreden. Maar ik antwoordde hem dat mij dat niet kon schelen, omdat ik mijn eigen gebied, Azië, kende. Ons belangrijkste probleem was de overbevolking. Het leek me absoluut noodzakelijk dat we tenminste de omvang van dat probleem zouden leren kennen. Bewustwording van problemen als overbevolking, de complicaties die uit economische groei voortkomen, enzovoort, is tot nu toe voornamelijk een zaak van de Verenigde Naties geweest. De allereerste stap om deze problemen op te lossen is tenslotte het besef dat er inderdaad problemen zijn. En dit besef werd in hoofdzaak gestimuleerd door het werk dat de Verenigde Naties tijdens dat wat de donkere jaren genoemd kunnen worden, op dit gebied verricht heeft. De Verenigde Naties staken een kaars aan waardoor anderen konden zien wat de toekomst voor hen in voorraad had. Dit was de allereerste stap.

Geleidelijk aan werd er algemeen op veranderingen aangestuurd. Zo was de Wereldgezondheidsorganisatie een jaar of tien geleden bijvoorbeeld een uiterst conservatieve instantie. Een man als dr. Bandau was in dat opzicht zeer conservatief, maar later veranderde hij volledig van instelling.

 

Vele waarnemers zijn het erover eens dat de overbevolking het aller-belangrijkste probleem is. Wat doen de Verenigde Naties op 't ogenblik concreet gezien op dit gebied?

We beschikken over een fonds voor activiteiten op dit terrein. Aanvankelijk, vijf jaar geleden, bestond dat uit vijf miljoen dollar. Nu is het gestegen tot vijftig miljoen dollar per jaar, en dit bedrag zal binnenkort waarschijnlijk nog worden verdubbeld.

Augustus 1974 zal er in Boekarest een wereldbevolkingscongres worden gehouden. Tijdens die conferentie zal een voor de hele wereld geldend actieplan worden geïntroduceerd, dat ongetwijfeld zal worden aan-

[p. 90]

genomen. De Verenigde Naties kunnen de nationale regeringen niet dwingen dit plan nit te voeren, evenmin als de regeringen hun bevolking kunnen dwingen om geboortebeperkende maatregelen toe te passen, zoals mevrouw Gandhi zeer terecht heeft opgmerkt. Maar ook op dit gebied kan er uitgebreid onderzoek worden verricht. Er zijn twee types van onderzoek. Ten eerste het zogenaamde operationele onderzoek, waarbij wordt nagegaan waarom een bepaald programma in sommige delen van de wereld wel aansloeg en werd aanvaard, en in andere delen niet. We vragen ons daarbij tevens af wat er gedaan moet worden om deze programma's ook elders aanvaardbaar te maken. Het tweede type onderzoek is om na te gaan waar gezinsplanning in principe niet op weerstanden stuit, waarna wij ons afvragen of wij in staat zijn om de mensen in kwestie de middelen te verschaffen waarmee zij de door hen gewenste resultaten kunnen behalen. Dit terrein biedt volgens mij nog zeer veel gelegenheid tot uitgebreide onderzoekingen en verhoogde inspanningen. Ik ben ervan overtuigd dat al deze problemen op een goede dag kunnen worden opgelost. Intussen moeten wij in de landen die het meest met het probleem van overbevolking te kampen hebben, nog van de oude methoden gebruik maken.

Dit is echter slechts éen van de gebieden waarop er voor de Verenigde Naties een taak ligt bij het op gang brengen van het bewustwordingsproces en het onderstrepen van de noodzaak om op drie niveau's tot actie over te gaan: internationaal, nationaal en individueel.

Alleen in dat geval zullen wij op de lange duur in staat zijn om plannen te ontwerpen voor acties op wereldwijde schaal, zonder daarbij natuurlijk de twee andere niveau's te vergeten.

Er zijn bijvoorbeeld verschillende V.N.-missies naar India uitgezonden om daar over de gezinsplanningsprojecten te discussiëren, en te bestuderen in hoeverre deze zouden kunnen worden verbeterd. Uiteraard zijn de Verenigde Naties bereid om elk land dat daarom vraagt op dit gebied hulp te verlenen. Maar het is anderzijds allerminst de bedoeling van de Verenigde Naties om een regering het idee van gezinsplanning op te dringen. Evenmin is het him bedoeling om precies voor te schrijven hoe daarbij te werk moet worden gegaan, omdat een dergelijke methode een averechts resultaat zou hebben.

 

Om nu op een ander ondenwerp over te gaan, namelijk het probleem van de grenzen-aan-de-groei en de beperktheid van de natuurlijke hulpbronnen - bent u van mening dat het, gezien de toekomstige daling in het aanbod van grondstoffen, misschien wel de toekomstige schaarste aan grondstoffen, mogelijk zou zijn dat zich een bepaalde agressie gaat ontwikkelen tussen de rijke landen, of de verbruikerslanden, en het onderontwikkelde deel van de wereld? Een klein voorproefje van wat er misschien gaat gebeuren, zou de oliecrisis van eind 1973 kunnen zijn.

Ik hoop juist dat de ontwikkelingslanden de geweldige gelegenheid die zij nu hebben om hun hulpbronnen te delen met de hoogontwikkelde landen die van deze hulpbronnen afhankelijk zijn, zullen aangrijpen. Conflicten van het type dat in uw vraag gesuggereerd wordt, zie ik

[p. 91]

overigens niet ontstaan.

 

Maar het lijkt niet meer dan natuurlijk dat de arme en onderontwikkelde zuidelijke helft van de aardbol tenslotte meer dan genoeg krijgt van een situatie zoals nu, waarin de Verenigde Staten, die 6 procent van de wereldbevolking vertegenwoordigen, minstens 40 procent verbruiken van de natuurlijke hulpbronnen, die naar men veronderstellen mag voor iedereen bestemd zijn. Hetzelfde zou overigens ook van Europa gezegd kunnen worden.

Toch geloof ik dat het type conflict dat u bedoelde misschien wel in de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw mogelijk was, maar in de toekomst beslist niet meer. Ik acht het eerlijk gezegd onmogelijk dat de Verenigde Staten of Frankrijk zich zomaar van een oliebron meester zullen maken om hun financiële belangen te beschermen.

 

Misschien ook omdat elk optreden van de westerse mogendheden in het Midden-Oosten bijvoorbeeld thans onmiddellijk door de Sowjet-Unie beantwoord zou worden.

Maar dat niet alleen; ook omdat het een uiterst onpraktisch beleid zou zijn. Neem bijvoorbeeld de ochtendbladen of de radio - ze vertellen ons allemaal dat er een gastekort dreigt. Wat houdt dat in? Dat we minder moeten verbruiken. En bovendien dat de ontwikkelingslanden meer kunnen en zullen vragen voor wat ze te bieden hebben. In het laatste kwart van deze eeuw wordt de kloof tussen arm en rijk tenslotte misschien toch iets nauwer, en wordt de ongelijkheid ten opzichte van Amerika, waar de mensheid al zo lang onder gebukt gaat, misschien toch iets geringer.

Ik ben ervan overtuigd dat de hooggeïndustrialiseerde landen in de loop van dit proces ertoe gedwongen zullen worden om aanzienlijke wijzigingen in hun consumptiepatroon aan te brengen. Op de lange duur zullen zij waarschijnlijk tot de slotsom komen dat dit eigenlijk alleen maar een gunstige ontwikkeling is. Het is nauwelijks voordelig om een auto na éen jaar weg te doen. Het is nauwelijks voordelig om niet over reparatiemogelijkheden te beschikken en in een situatie te verkeren, waarin het, zoals nu in de Verenigde Staten, voordeliger is om een ijskast weg te gooien dan om te proberen hem te laten repareren. Zoiets is een zeer verkwistende en onverantwoordelijke manier van handelen en het zal wel niet lang duren voordat de mensen daar achter komen. Ook de consumptiepatronen zullen wijzigingen moeten ondergaan, omdat de natuurlijke hulpbronnen steeds schaarser zullen worden. Volgens mij zal dan ook blijken dat juist dit de hefboom is waarmee de ontwikkelingslanden de bestaande discrepanties en ongelijkheden kunnen overbruggen, niet alleen wat het groeicijfer, maar ook wat de levensstandaard betreft. Ik hoop dat de levensstandaard van de arme en de rijke landen tenslotte zal convergeren op een niveau dat je dat van een goed leven in de beste zin van het woord zou kunnen noemen. Betekent een goed leven het bezit van vele televisietoestellen, telefoons en talloze andere luxegoederen? Nee, een goed leven is een behoorlijk en comfor-

[p. 92]

tabel bestaan met een beperkte mate van vrije tijd, zodat er ook gelegenheid is om aan esthetische en intellectuele interessen te voldoen.

Dit is volgens mij de belangrijke les die wij in Azië de geïndustrialiseerde naties van het Westen te bieden hebben. Ik herinner mij een Amerikaanse vriend die een aantal jaren geleden naar India kwam. Hij was iemand met zeer veel oog voor zijn medemens. Op een dag zei hij mij: ‘Weet je, ik heb hier zoveel mensen gezien die op blote voeten in de zon lopen. Ik heb diep medelijden met ze.’ Ik antwoordde: ‘Mijn vriend, je hebt een enorme kans gemist. Je bent naar India gekomen en je hebt naar de voeten van de mensen gekeken om te zien of ze geschoeid waren, in plaats van naar hun gezichten om te zien of ze gelukkig waren. Want in dat geval zou je tot de ontdekking zijn gekomen dat de mensen hier, zo arm als ze zijn, misschien wel blootsvoets lopen - en dat zou inderdaad niet mogen gebeuren, ik probeer het niet goed te praten - maar ondanks dat zijn ze gelukkig. Dit geluk ontbreekt in het deel van de wereld waar jij vandaan komt. Zoals je weet heeft Samuel Johnson eens gezegd: ‘Een grote en een kleine beker kunnen alletwee vol zijn. Het gaat er niet om of de grote beker meer kan bevatten dan de kleine. Het gaat erom welke van beide vol is, en een tot de rand gevulde kleine beker kan een hoger niveau van voldoening en tevredenheid vertegenwoordigen dan een drie, vier, zes keer zo grote beker die half leeg is.’

Als de mens in staat was om zijn denkpatroon aan zijn consumptiepatroon aan te passen, zou hij volgens mij tot de ontdekking komen dat alles op zijn plaats valt. Ik beschouw de huidige schaarste aan hulpbronnen als een unieke kans om via een wijs economisch en sociaal beleid de opvattingen van de mens over deze uiterst belangrijke kwesties die met het menselijk voortbestaan samenhangen, diepgaand te veranderen.

prepostterug  begin  verder